Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-01-2013
Datum publicatie
16-01-2013
Zaaknummer
23-004567-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordelingskader van bewijslevering (gewoonte)witwassen, in het geval waarin ten aanzien van een aantal kostbare auto's en een kavel onroerend goed het gebruik/genot daarvan in andere handen ligt dan van degene die als kentekenhouder c.q. als kadastraal eigenaar is geregistreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 23-004567-10

Datum uitspraak:11 januari 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 oktober 2010 in de strafzaak onder parketnummer 13-520000-07 tegen:

[naam],

geboren te [ ] op [ ],

adres: [ ].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen hem is ten laste gelegd onder 2, onderdeel I sub A, onder 2 onderdeel II sub F, 4, 9 en 10 en impliciet van het onder 6 primair en subsidiair telkens ten aanzien van de jaren 2006 en 2008.

Het hoger beroep is zowel door de verdachte als door het openbaar ministerie onbeperkt ingesteld en is derhalve, voor zover het het door de officier van justitie ingestelde beroep betreft, mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak.

Het hof overweegt ten aanzien van het onder 2 onderdeel I sub A en 2 onderdeel II sub F ten laste gelegde als volgt. De verdachte is voor deze onderdelen van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft bij requisitoir medegedeeld dat het ingestelde hoger beroep niet tegen de voor deze onderdelen gegeven vrijspraken is gericht en heeft op die grond de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in het beroep gevorderd. Naar het oordeel van het hof dient het onder 2 ten laste gelegde gewoontewitwassen als één samenhangend ten laste gelegd feitencomplex te worden beschouwd, zodat het onder 2 ten laste gelegde in volle omvang ter beoordeling voorligt.

Het hof overweegt voorts dat, gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, er voor de verdachte tegen de onder 4, 9 en 10 gegeven vrijspraken geen hoger beroep heeft open gestaan. Ditzelfde geldt voor de partiële vrijspraken van het onder 6 primair en subsidiair telkens ten aanzien van de ten laste gelegde jaren 2006 en 2008.

Het hof zal de verdachte in zoverre dan ook niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep is, blijkens de appelschriftuur en mededelingen van de advocaat-generaal ter terechtzitting, niet gericht tegen de onder 4, onder 6 primair en subsidiair telkens ten aanzien van de jaren 2006 en 2008 en 10 gegeven vrijspraken. Gelet op dit standpunt en nu ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van die feiten, zal het hof het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 en 12 december 2012 en 11 januari 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na de wijziging tenlastelegging ter terechtzitting van 29 juni 2010 en 23 september 2010, en in hoger beroep op 10 december 2012 - ten laste gelegd dat:

1. (zaaksdossier vuurwapen 9.1.0)

hij op of omstreeks 1 september 2008 te Amsterdam en/of elders in Nederland, een (vuur)wapen van categorie III, te weten: een revolver van het merk Smith & Wesson, type 649-2, kaliber .38 Special en/of munitie van categorie III, te weten: vier, althans een of meer, patronen, merk G.F.L., type deelmantel, kaliber .38 Special en/of een patroon, merk SAKO, type Short Range, merk .38 Special, voorhanden heeft gehad;

2.

hij in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 30 maart 2009 te Amsterdam en/of Haarlem en/of Bennebroek en/of Hensbroek en/of Hillegom en/of elders in Nederland en/of Oelegem (België) en/of Ranst (België) en/of elders in België, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan witwassen, immers

I) heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) van een of meer voorwerpen, te weten:

- een of meer vermogensbestandd(e)el(en) (geldbedrag(en) en/of goed(eren)), te weten:

A) (zaaksdossier faillissementsfraude 9.4.0)

- een (personen)auto, merk Mercedes, type E500, [kenteken] en/of

B) (zaaksdossier beheer criminele gelden [M] 9.3.0)

- een (personen)auto, merk BMW, type 318i, [kenteken] (ten behoeve van [M] en/of [S]) en/of

- een (personen)auto, merk BMW, type X5, [kenteken] (afkomstig van [H]) en/of

- een (personen)auto, merk BMW, type X5, [kenteken] (ten behoeve van [M]) en/of

D) (zaaksdossier 9.6.0)

- een (personen)auto, merk Mercedes-Benz, type A160, [kenteken] en/of

- een (personen)auto, merk Mercedes-Benz, type SLK, [kenteken] en/of

(al dan niet via [Z.B.V.] en/of [S.T.E. B.V.] en/of een of meer andere (rechts)perso(o)n(en)) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of heeft/hebben verhuld, immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren op bovengenoemd voorwerp(en) en/of wie bovengenoemd voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), dat bovengenoemd voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf

en/of

II) heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) toen en aldaar (telkens) een of meer voorwerp(en), te weten:

- een of meer vermogensbestandd(e)el(en) (geldbedrag(en) en/of goed(eren)), te weten:

A) (zaaksdossier beheer criminele gelden [M] 9.3.0)

- een of meer geldbedrag(en) afkomstig van [M] en/of ten behoeve van [S] en/of [M], te weten:

- een (buitgemaakt) bedrag van in totaal ongeveer 249.580,- euro (550.000,- gulden), althans enig(e) geldbedrag(en), afkomstig uit (een of meer) zogenaamde ramkra(a)k(en) op (een of meer) pinautoma(a)t(en), gepleegd op of omstreeks 30 november 2001 te Sint Willibrord en/of 5 november 2001 te Breukelen en/of 20 september 2001 te Zaandam, althans afkomstig uit enig strafbaar feit, en/of

- een of meer geldbedrag(en) van (telkens) 1.000,- euro voor het afschermen en/of verhullen van de werkelijke aard en/of het gebruikmaken van een (personen)auto, merk BMW, type 318i, [kenteken] en/of

- twee geldbedragen van (telkens) ongeveer 2.200,- euro, zijnde de huurpenningen voor het pand [...] en/of

- een geldbedrag van 3.500,- euro ten behoeve van advocatenkosten van [M]

en/of

B) (zaaksdossier beheer criminele gelden [O] 9.2.0)

- een of meer geldbedrag(en) afkomstig van [O], te weten:

een nog niet eerder in de strafvervolging tegen verdachte betrokken (waaronder de zaak met parketnummer 05/070558-96) (buitgemaakt) bedrag van in totaal ongeveer 592.108,- euro (1.304.836,- gulden), althans enig(e) geldbedrag(en), afkomstig uit (een of meer) overvallen, gepleegd op of omstreeks 30 december 1991 te Amsterdam (Grenswisselkantoor) en/of 5 maart 1993 te Schiphol (Aero Groundservices) en/of 23 september 1995 te Duiven (Geldnet B.V.), althans afkomstig uit enig strafbaar feit,

en/of

D) (zaaksdossier 9.6.0)

- een of meer geldbedrag(en) afkomstig van [B] en/of [W] en/of [A] met betrekking tot de navolgende personenauto's:

- een (personen)auto, merk BMW, type 320 I, [kenteken] en/of

- een (personen)auto, merk BMW, type 3ER Reihe, [kenteken] en/of

- een (personen)auto, merk Mercedes-Benz, type ML 280 CDI 4MATIC, [kenteken] en/of

(zijnde een of meer (terug)betaling(en) aan verdachte van een of meer lening(en) en/of financiering(en) ten behoeve van de aanschaf voornoemde personenauto's door die [B] en/of [W] en/of [A] en/of een of meer betalingen aan verdachte ten behoeve van reparaties en/of bekeuringen met betrekking tot voornoemde personenauto's)

en/of

- een (personen)auto, merk BMW, type 320 I, [kenteken]

en/of

F) (zaaksdossier faillissementsfraude 9.4.0)

- een (personen)auto, merk Mercedes, type E500, [kenteken]

en/of

(al dan niet via [Z.B.V.] en/of [S.T.E. B.V.] en/of een of meer andere (rechts)perso(o)n(en)) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van de/het voorwerp(en) gebruik heeft/hebben gemaakt, zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3. (zaaksdossier 9.6.0)

[S.T.E. B.V.] en/of [Z.B.V.] in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 30 maart 2009 te Hensbroek, althans in Nederland, (van) een voorwerp, te weten:

een kavel grond [nummer 1213] heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of de vervreemding en/of verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op het voorwerp was en/of het voorhanden had, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, aan welke bovenomschreven strafbare gedraging hij, verdachte, toen en aldaar, feitelijke leiding heeft gegeven;

4. (zaaksdossier 9.6.0)

hij in de periode van 1 september 2002 tot en met 31 december 2002 te Amsterdam en/of Hensbroek, gemeente Opdam (thans: Koggenland) en/of elders in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een of meer medewerker(s) van) de gemeente Opdam (thans: Koggenland) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten: een (lichte) bouwvergunning [t.b.v. perceel...], immers heeft hij verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich jegens de gemeente Opdam (thans: Koggenland) als eigenaar van voornoemd perceel voorgedaan,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat het perceel in werkelijkheid aan een ander dan aan hem, verdachte, in eigendom toebehoorde, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;

5. (zaaksdossier [Z.B.V.] 9.7.0)

hij in of omstreeks de periode van 9 mei 2005 tot en met 30 maart 2009 te Amsterdam en/of Broek in Waterland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of voorhanden heeft gehad, een of meerdere geschriften, te weten:

a) een factuur van [bedrijf] d.d. 31 december 2007 gericht aan [Z.B.V.] t.w.v. 10.710,- euro (bijlage 15) en/of

b) een factuur van [bedrijf] d.d. 14 januari 2008 gericht aan [Z.B.V.] t.w.v. 9.520,- euro (bijlage 25) en/of

c) een factuur van [bedrijf] d.d. 12 oktober 2007 gericht aan [Z.B.V.] t.w.v. 27.965,- euro (bijlage 29) en/of

d) een factuur van [bedrijf] d.d. 13 december 2007 gericht aan [Z.B.V.] t.w.v. 8.925,- euro (bijlage 32) en/of

e) een factuur van [bedrijf] d.d. 21 december 2007 gericht aan [Z.B.V.] t.w.v. 4.403,- euro (bijlage 35) en/of

f) een factuur van [bedrijf] d.d. 5 februari 2008 gericht aan [Z.B.V.] t.w.v. 13.447,- euro (bijlage 37) en/of

g) een factuur van [bedrijf] d.d. 3 april 2008 gericht aan [Z.B.V.] t.w.v. 7.437,- euro (bijlage 39) en/of

h) een factuur van [bedrijf] d.d. 26 november 2006 gericht aan [Z.B.V.] t.w.v. 1.552,99 euro (bijlage 41) en/of

i) een factuur van [bedrijf] d.d. 8 juli 2007 gericht aan [Z.B.V.] t.w.v. 4.1650,- euro (bijlage 47) en/of

k) een factuur van [bedrijf] d.d. 11 januari 2007 gericht aan [Z.B.V.] t.w.v. 968,66 (bijlage 58) en/of

l) een factuur van [bedrijf] d.d. 9 mei 2005 gericht aan [Z.B.V.] t.w.v. 4.123,35 euro (bijlage 54) en/of

m) een factuur van [bedrijf] d.d. 2 april 2006 gericht aan [Z.B.V.] t.w.v. 1.071,- euro (bijlage 43),

zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande die valsheid en/of vervalsing hierin dat (telkens) in strijd met de waarheid:

ad. a t/m d:

op voornoemde fact(u)ur(en) staat vermeld dat de/het hieronder staand(e) project(en) en/of op die factu(u)r(en) vermelde werkzaamheden is/zijn uitgevoerd op:

- [adres] en/of

- [adres] en/of

- [adres] en/of

- [adres],

terwijl dit/deze project(en) en/of die werkzaamheden in werkelijkheid is/zijn uitgevoerd op [adres] en/of op een andere locatie is/zijn uitgevoerd dan in de factu(u)r(en) is vermeld en/of (geheel of ten dele) niet is/zijn uitgevoerd en/of

ad. h:

op voornoemde factuur staat vermeld dat het hier onderstaande project en/of op die factu(u)r(en) vermelde werkzaamheden is/zijn uitgevoerd op:

-[adres],

terwijl dit project en/of die werkzaamheden in werkelijkheid is uitgevoerd op [adres]en/of

ad. e t/m g, i t/m k, m:

op voornoemde fact(u)ur(en) staat vermeld dat de/het hieronder staand(e) project(en) en/of op die factu(u)r(en) vermelde werkzaamheden is/zijn uitgevoerd op:

-[adres],

terwijl deze/dit project(en) en/of die werkzaamheden in werkelijkheid op een andere locatie is/zijn uitgevoerd dan in de factu(u)r(en) is vermeld en/of (geheel of ten dele) niet is/zijn uitgevoerd en/of

ad. l:

op voornoemde factuur staat vermeld dat het hieronder staand project en/of op die factu(u)r(en) vermelde werkzaamheden is/zijn uitgevoerd op:

-[adres],

terwijl dit project en/of die werkzaamheden in werkelijkheid is/zijn uitgevoerd aan een appartement in de [adres],

bestaande dat gebruikmaken hierin dat voornoemde geschriften zijn getoond en/of overgelegd en/of verstrekt aan boekhouder [H.R.] gevestigd te [adres] ten behoeve van de financiële administratie en/of boekhouding en/of een rapportage van verdachte en/of van [Z.B.V.] en/of dat genoemde geschriften in de financiële administratie en/of boekhouding en/of rapportage van verdachte en/of [Z.B.V.] is/zijn geboekt en/of verwerkt en/of opgenomen, terwijl hij verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die fact(u)ur(en) bestemd was/waren tot gebruik als ware deze geschriften echt en onvervalst;

6. (zaaksdossier [Z.B.V.] 9.7.0)

primair

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 maart 2009 te Amsterdam en/of Broek in Waterland en/of elders in Nederland, als (statutair en/of feitelijk) bestuurder van de rechtspersoon [Z.B.V.], (telkens) opzettelijk een of meer onware sta(a)t(en) en/of onware balans(en) en/of onware winst- en verliesrekening(en) en/of een onware sta(a)t(en) van baten en lasten, te weten:

de balansen per 31 december over de jaren 2005 en/of 2006 en/of 2007 en/of 2008 van [Z.B.V.] en/of (telkens) een onware toelichting op een of meer van die voornoemde stukken openbaar heeft gemaakt en/of

een zodanige openbaarmaking opzettelijk heeft toegelaten,

immers zijn voornoemde balansen toen en aldaar gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel en/of bijgevoegd bij de aangiften vennootschapsbelasting van [Z.B.V.] over die jaren,

terwijl in die balansen en/of toelichting(en) daarop een of meer vermogensbestanddelen en/of betalingen en/of ontvangsten niet zijn opgenomen, terwijl die in werkelijkheid wel zijn gedaan en/of betalingen en/of ontvangsten zijn opgenomen, terwijl die in werkelijkheid niet zijn gedaan;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2005 tot en met 30 maart 2009 te Amsterdam en/of Broek in Waterland en/of elders in Nederland, (telkens) de jaarrekening(en) van [Z.B.V.] over de jaren 2005 en/of 2006 en/of 2007, zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en/of doen opmaken, immers heeft hij (telkens) in strijd met de waarheid in voornoemde jaarrekening(en) balansen opgenomen, vastgelegd en/of verwerkt en/of doen opnemen, vastleggen en/of verwerken, die (mede) zijn opgesteld op basis van een of meer valse facturen en/of een onvolledige en/of een onjuiste financiële administratie en/of boekhouding en/of rapportage van [Z.B.V.] en heeft verdachte genoemde geschriften (telkens) (w.g.) ondertekend en/of doen ondertekenen ter bevestiging van de juistheid van de daarin gedane opgaven, zulks (telkens) met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;

7. (zaaksdossier 9.9.0)

hij in de periode van 1 januari 2000 tot en met 27 december 2000 te Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een of meer medewerker(s) van) de gemeente Amsterdam (stadsdeel Amsterdam-Noord) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten:

een ligplaatsvergunning voor het passagiersschip [X],

immers heeft verdachtes mededader [G.R.] met vorenomschreven oogmerk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich jegens de gemeente Amsterdam (stadsdeel Amsterdam-Noord) als (toekomstig) eigenaar van voornoemd schip/vaartuig voorgedaan door bij die gemeente: een aanvraag om vergunning voor het innemen van een ligplaats d.d. 2 en/of 4 juli 2000 voor voornoemd schip/vaartuig in te dienen, (al dan niet) vergezeld van een overeenkomst tussen die [G.R] (handelend onder de naam: W.A.T.) en [S.T.E. B.V.] (vertegenwoordigd door verdachte), waarin partijen overeenkomen dat [G.R.] voornoemd schip/vaartuig op korte termijn van verdachte zal gaan kopen, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat die/dat boot/schip/vaartuig in werkelijkheid aan (een) ander(en) dan aan die [G.R.], in eigendom toebehoorde en/of in werkelijkheid in het geheel niet aan die [G.R.] zou gaan worden verkocht, althans heeft verdachtes mededader [G.R.] met vorenomschreven oogmerk hem, verdachte, valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid buiten genoemde aanvraag gehouden, waardoor (een of meer medewerker(s) van) de gemeente Amsterdam (stadsdeel Amsterdam-Noord) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

8. (zaaksdossier 9.9.0)

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 18 april 2006 te Amsterdam en/of elders in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, (een of meer medewerker(s) van) de gemeente Amsterdam (stadsdeel Amsterdam-Noord) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten:

een (horeca) exploitatievergunning tbv [eetcafé],

immers heeft verdachtes mededader [W.G.] met vorenomschreven oogmerk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid bij de gemeente Amsterdam (stadsdeel Amsterdam-Noord) een aanvraag exploitatievergunning d.d. 18 maart 2005 en/of een aanvraag exploitatievergunning d.d. 18 april 2006 ingediend,

(al dan niet) vergezeld van een oprichtingsakte van [B.B.V.] en/of een aandeelhoudersregister van [B.B.V.] waarin (telkens) in strijd met de waarheid verdachte niet als (mede)eigenaar is opgenomen,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat het perceel in werkelijkheid (mede) aan verdachte, in eigendom toebehoorde, althans heeft verdachtes mededader [W.G.] met vorenomschreven oogmerk hem, verdachte, valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid buiten genoemde aanvra(a)g(en) gehouden, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;

9. (zaaksdossier criminele boete 9.10.0)

hij in de periode van 11 juni 2003 tot en met 30 maart 2009 te Amsterdam en/of Zaandam en/of elders in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door geweld en/of bedreiging met geweld [R.P.] en/of [J. R.] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meer geldbedrag(en) van (telkens) 453,78 euro en/of 1.361,34 euro en/of 907,56 euro, tot een totaalbedrag van 18.151,20 euro, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [R.P.] en/of die [J.R.] en/of [bedrijf] en/of [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, aan die [R.P] en/of die [J.R.] een zogenaamde criminele boete, althans een betalingsverplichting, heeft opgelegd (vanwege een mislukt drugstransport naar Engeland in 1999), welke geldbedrag(en) voornoemde [R.P] en/of [J.R.] aan hem, verdachte, moest(en) betalen en/of door die [R.P.] en/of die [J.R.] onder druk te zetten om voornoemde geldbedrag(en) aan hem, verdachte, te betalen door die [R.P.] en/of die [J.R.] hierover regelmatig te (laten) bellen en/of met die [R.P.] en/of die [J.R.] hierover regelmatig contact te onderhouden en/of die [R.P.] en/of die [J.R.] hiervoor regelmatig te laten opdraven en/of door voornoemde betalingsverplichting vast te (laten) leggen bij een notaris;

10. (zaaksdossier 9.11.0)

hij op of omstreeks 30 juni 2005 te Amsterdam en/of Haarlem en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in een authentieke akte, te weten:

de leveringsakte van het pand [adres] d.d. 30 juni 2005,

een valse opgave heeft/hebben doen opnemen aangaande een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) door notaris [ ] te Amsterdam valselijk en in strijd met de waarheid in voornoemde akte doen opnemen dat [J.H.] en/of [N.B.V.] en/of [H.H.B.V.] en/of [H.H.B.V.] eigenaar was/waren van voornoemd pand, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat in werkelijkheid niet alleen die dat [J.H.] en/of [N.B.V.] en/of [H.H.B.V.] en/of [H.H.B.V.], maar ook [C.G.] en/of [N.H.B.V.] en/of een of meer andere (rechts)perso(o)n(en), dan dat [J.H.] en/of [N.B.V.] en/of [H.H.B.V.] en/of [H.H.B.V.], (mede)eigenaar was/waren van voornoemd pand, en/of voornoemde akte voorzien van een handtekening ter bevestiging van de juistheid van de daarin gedane opgaven, zulks met het oogmerk om die akte te gebruiken of door anderen te doen gebruiken als ware deze opgave in overeenstemming met de waarheid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie in de vervolging

'Ne bis in idem'-beginsel

De rechtbank heeft het openbaar ministerie op grond van schending van het 'ne bis in idem'-beginsel niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte voor het onder 2 onderdeel II sub B ten laste gelegde (o.v.v. zaaksdossier beheer criminele gelden 9.2.0).

Het openbaar ministerie heeft zich daartegen verzet.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 21 april 2000 veroordeeld ter zake van - kort gezegd - opzetheling van (een deel van) een bij een overval op Geldnet te Duiven buitgemaakt geldbedrag, de zogenoemde '[O]-gelden'.

In het bijzonder heeft dat gerechtshof bewezen geacht dat de verdachte in de periode van 24 september 1995 tot en met 21 mei 1996 te Amsterdam op tijdstippen telkens heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen enig(e) geldbedrag(en), terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voormeld(e) goed(eren) telkens wist dat deze door enig misdrijf waren verkregen.

Het openbaar ministerie had in die zaak aan de verdachte ten laste gelegd 'een geldbedrag van in totaal ongeveer ƒ 520.000,-'. Blijkens de daarop in de onderhavige zaak gegeven toelichting van de advocaat-generaal betrof dit het bedrag dat de waarde van de toentertijd opgespoorde goederen vertegenwoordigde.

Uit de stukken in het dossier kan worden afgeleid dat een deel van die '[O]-gelden', te weten een (naar euro's omgerekend) bedrag van ongeveer 592.108,- euro (ƒ 1.304.836,-), nimmer is getraceerd. In de onderhavige zaak verwijt het openbaar ministerie de verdachte - kort gezegd - dat hij in de periode van 14 december 2001 tot en met 30 maart 2009 dàt deel van het geld, te weten het niet eerder in de strafvervolging tegen verdachte betrokken bedrag van in totaal ongeveer 592.108,- euro (ƒ 1.304.836,-), heeft witgewassen.

Hoewel de verdachte thans voor een gelijksoortig strafbaar feit wordt vervolgd, is - gegeven het feit dat thans een andere pleegperiode en een ander geldbedrag aan de orde is - geen sprake van hetzelfde feit, zoals bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht.

Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het onder 2 onderdeel II sub B ten laste gelegde.

Verjaring

De advocaat-generaal heeft onder de aandacht van het hof gebracht dat het openbaar ministerie mogelijk geen vervolgingsrecht heeft ten aanzien van het (o.v.v. zaaksdossier 9.9.0) onder 7 ten laste gelegde, in die zin dat als gevolg van verjaring voor een deel van de in de tenlastelegging opgenomen pleegperiode het recht tot strafvordering zou zijn vervallen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Aan de verdachte wordt in dat onder 7 ten laste gelegde feit verweten - voor zover hier van belang - dat hij zich in de periode van 1 januari 2000 tot en met 27 december 2000 schuldig heeft gemaakt aan oplichting als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Op overtreding van artikel 326 Sr was tot 1 februari 2006 een maximale gevangenisstraf van drie jaren gesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 70, aanhef en onder 2° Sr verviel het recht tot strafvervolging door verjaring ten aanzien van dit misdrijf in zes jaren. Met de inwerkingtreding van de Wet herijking strafmaxima op 1 februari 2006 is de maximale straf voor oplichting verhoogd van drie naar vier jaren, waardoor het recht tot strafvordering door verjaring voor dit misdrijf thans komt te vervallen na een periode van twaalf jaren.

De advocaat-generaal heeft erop willen wijzen, zo begrijpt het hof, dat ingevolge artikel 71, aanhef, Sr de termijn van verjaring aanvangt op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Er van uitgaand dat het tenlastegelegde een formeel delict betreft, moet het feit worden geacht te zijn gepleegd op 4 juli 2000, zijnde de datum waarop de aanvraag voor de ligplaatsvergunning door de gemeente is ontvangen. Aldus zou de termijn voor verjaring zijn aangevangen op 5 juli 2000 en zou het recht tot strafvordering in het geheel niet zijn vervallen nu binnen de aanvankelijk geldende termijn van zes jaren de verjaringstermijn twaalf jaren is gaan bedragen.

Het standpunt van de advocaat-generaal kan niet als juist worden aanvaard, reeds omdat daarbij ten onrechte niet de tenlastelegging als uitgangspunt is genomen. Anders dan de advocaat-generaal zal het hof beoordelen of verjaring in de weg heeft gestaan aan vervolging voor een deel van de ten laste gelegde pleegperiode.

Artikel 72, eerste lid, Sr bepaalt dat elke daad van vervolging de verjaring stuit. Naar het oordeel van het hof moet worden aangenomen dat de verjaring voor wat betreft dit feit door het uitbrengen van de dagvaarding aan de verdachte is gestuit op 3 juli 2009, nu van enige andere daaraan voorafgegane vervolgingsdaad niet is gebleken.

Naar hedendaagse rechtsopvatting geldt ten aanzien van vervolgingsverjaring als uitgangspunt dat een verandering van wetgeving direct van toepassing is, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd.

Dit houdt in casu in dat op het moment van de genoemde wetswijziging van 1 februari 2006 de nieuwe langere verjaringstermijn van toepassing werd voor zover de vervolging betrekking heeft op feiten gepleegd op of na 1 februari 2000.

Het hof komt daarom tot de slotsom dat het openbaar ministerie geen vervolgingsrecht heeft ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde, voor zover het ziet op de pleegperiode 1 januari 2000 tot

1 februari 2000.

In zoverre zal het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging worden verklaard.

Vrijspraak

Vrijspraak ten aanzien van onderdelen van feit 2

Feit 2 onderdeel I sub A en 2 onderdeel II sub F

Met de advocaat-generaal, die bij requisitoir heeft aangegeven zich (toch) neer te leggen bij de door de rechtbank voor de onder 2 onderdeel I sub A en de onder 2 onderdeel II sub F (beide betrekking hebbend op zaaksdossier faillissementsfraude 9.4.0) gegeven vrijspraken, en de raadsman van de verdachte - en onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank op dit punt (op pagina 19 en 20 van het vonnis) heeft overwogen - is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de desbetreffende Mercedes, type E500, [kenteken], van misdrijf afkomstig is, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Feit 2 onderdeel II sub B

Met de advocaat-generaal, die voor dit onderdeel (zaaksdossier beheer criminele gelden 9.2.0) tot vrijspraak heeft gerekwireerd, en de raadsman van de verdachte is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat 'het overige deel' van de zogenoemde [O]-gelden aan de verdachte is toevertrouwd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Vrijspraak ten aanzien van de feiten 7 en 9

Met de advocaat-generaal en de raadsman van de verdachte is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen de verdachte onder 7 (o.v.v. zaaksdossier 9.9.0) en onder 9 (o.v.v. zaaksdossier criminele boete 9.10.0) is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Vrijspraak ten aanzien van feit 8

Vooropgesteld wordt dat de stukken in het zaaksdossier met betrekking tot dit feit (zaaksdossier 9.9.0) een zeer gefragmenteerd en onvolledig beeld geven ten aanzien van hetgeen met betrekking tot de vergunningaanvragen in 2005 en 2006 is voorgevallen.

Wél kan daaruit worden afgeleid dat [W.G.] op 18 maart 2005 een exploitatieaanvraag voor [eetcafé] heeft ingediend bij de gemeente Amsterdam. Die aanvraag, zo leidt het hof af uit het proces-verbaal van relaas, bestond uit één pagina A4, waarop niet meer is - en ook niet kon - worden aangegeven dan de NAW-gegevens van de aanvrager, de naam en het adres van het horecabedrijf en de omvang van de verzochte vergunning.

In ieder geval hoefde op dit formulier de naam van de verdachte niet te worden vermeld, reeds omdat hij de aanvraag niet had gedaan. Nu deze aanvraag - kennelijk - niet is vergezeld van een oprichtingsakte van [B.B.V.] en/of een aandeelhoudersregister van [B.B.V.], waarin de naam van de verdachte (gegeven de feitelijke omstandigheden) wél had moeten worden genoemd, is geen sprake van het aanwenden van enig oplichtingmiddel door de aanvrager en/of verdachte. Het hof zal de verdachte in zoverre dan ook vrijspreken van het onder 8 ten laste gelegde.

Op 18 april 2006 heeft [W.G.] vervolgens een complete/aanvullende aanvraag ingediend. De verdachte werd in deze aanvraag niet als mede-eigenaar van het eetcafé genoemd.

Het hof overweegt dat de stukken in het dossier onmiskenbaar aanknopingspunten bieden voor de stelling dat de verdachte mede-eigenaar van [eetcafé] is geweest. Het hof wijst in dit verband onder meer op de verklaring van [W.G.], door hem bij de politie afgelegd op 15 februari 2006, en op gegevens uit de administratie van [Z.B.V.].

Uit de stukken in het dossier kan evenwel ook worden afgeleid dat geldbedragen zijn gestort door [F.B. B.V.] op de bankrekening van de verdachte, laatstelijk op 12 april 2006, van in totaal € 70.000,-.

Deze zouden blijkens aantekeningen en de verklaring van de verdachte, bij verschillende gelegenheden herhaald, de terugbetaling van zijn aandeel betreffen.

Naar het oordeel van het hof is er sprake van een gang van zaken die mede gelet op de beperkte financiële verantwoording, vragen oproept. Echter levert dit onvoldoende aanknopingspunten op voor de conclusie dat de verdachte ten tijde van indiening van de volledige vergunningaanvraag op enigerlei wijze deelnam in de onderneming die [eetcafé] zou gaan exploiteren.

Het hof zal de verdachte ook in zoverre vrijspreken van het onder feit 8 ten laste gelegde.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van de feiten 2 en 3

Het standpunt van de AG

De advocaat-generaal heeft zich, onder verwijzing naar de ter zake door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, op het standpunt gesteld dat het na wijziging in hoger beroep ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen bewezen kan worden verklaard van - kort gezegd -:

- de onder 2, onderdeel I sub B genoemde auto's

- de onder 2, onderdeel I sub D genoemde auto's

- de onder 2, onderdeel II sub A genoemde geldbedragen

- de onder 2, onderdeel II sub D genoemde geldbedragen en auto's

- het onder 3 genoemde kavel,

doordat de verdachte door zijn handelen telkens heeft verhuld wie de daadwerkelijke rechthebbende was en terwijl hij wist dat het voor de aanschaf benodigde geld een criminele herkomst had.

Immers, de zogenaamde [M]-gelden zijn afkomstig uit bij ramkraken op pinautomaten (onderzoek Kattekop) buitgemaakte gelden. Ten aanzien van [W], [A] en [B] geldt dat het inkomsten- en uitgavenpatroon van ieder van hen geen valide verklaring vindt in de van overheidswege bijgehouden registraties noch in de door hen afgelegde verklaringen. Het geld moet derhalve wel een criminele herkomst hebben.

Het standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is om volledige vrijspraak van het onder 2 en 3 ten laste gelegde verzocht.

De raadsman heeft ten aanzien van de zogenoemde '[M]-gelden' het volgende naar voren gebracht. Het openbaar ministerie is van mening dat [M] zich schuldig heeft gemaakt aan drie ramkraken en dat hij de opbrengst van deze ramkraken bij de verdachte heeft ondergebracht (onderzoek Kattekop). Die stelling vindt geen steun in de stukken van het dossier. Daarbij is van belang dat [M] ter zake is vrijgesproken en dat aan de inhoud van onderdelen van het op 18 april 2006 afgeluisterde en opgenomen gesprek, in een huis van bewaring gevoerd door die [M] en [R.K.] (hierna ook te noemen: het OVC-gesprek) bezwaarlijk het gewicht kan worden toegekend dat het openbaar ministerie eraan toekent.

Ten aanzien van de op de inleidende dagvaarding onder 2, onderdeel I, sub B genoemde BMW's (zaaksdossier beheer criminele gelden 9.3.0) merkt de raadman nog het volgende op. Gebleken is dat deze auto's zijn aangekocht door [Z.B.V.] en uiteindelijk ook weer door [Z.B.V.] zijn verkocht en geleverd. Derhalve kan alleen [Z.B.V.] als rechthebbende van die auto's worden aangemerkt. Nu sprake is van een volledig transparante onderliggende geldstroom kan niet worden gezegd dat die auto's - onmiddellijk of middellijk - van misdrijf afkomstig zijn. Dat de auto's gedurende enige tijd bij anderen in gebruik zijn geweest doet daaraan niet af.

Ten aanzien van de onder 2, onderdeel I, sub D genoemde voertuigen, de onder 2 onderdeel II, sub D genoemde geldbedragen en auto's en de onder 3 genoemde kavel (telkens: zaaksdossier 9.6.0) heeft de raadsman het volgende naar voren gebracht.

De verdachte wordt verweten dat hij heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende van de op naam van de verdachte gestelde auto's was. De verdachte heeft daarvoor evenwel een goede reden gegeven, waardoor de "niet-anders-kan"-formule niet meer opgaat. Immers, [W] heeft al jarenlang een buitenechtelijke relatie met [B]. Zijn vrouw mag hier vanzelfsprekend niets van weten. Vanwege het risico dat de vrouw van [W] achter zijn buitenechtelijke relatie zou komen, kon [W] de kentekens van die auto's niet op zijn eigen naam doen stellen.

Ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde kavel geldt nog dat dit een registergoed is. Men wordt als eigenaar van het goed beschouwd indien men als zodanig in de registers staat geregistreerd. In dit geval is [Z.B.V.] eigenaar van de kavel. De verdachte wordt verweten dat hij heeft verhuld wie de rechthebbende op het voorwerp was. Aangezien [Z.B.V.] de enige rechthebbende is, is daarvan in het geheel geen sprake.

Het oordeel van het hof

Brondelicten

Het hof verstaat, tegen de achtergrond van de op vordering van de advocaat-generaal toegelaten wijziging en diens toelichting daarop, de tenlastelegging ten aanzien van de feiten 2 en 3 aldus dat beoogd is ten laste te leggen dat de genoemde geldbedragen en voorwerpen afkomstig zijn van misdrijven die zijn gepleegd door de in de verschillende onderdelen genoemde personen, dan wel bestemd zijn om de aan door hen gepleegde strafbare feiten gerelateerde misdadige herkomst ervan te verhullen of te verbergen.

Het hof overweegt met betrekking tot de vraag of bewezen kan worden geacht dat er, voor zover in de rubriek Vrijspraak niet reeds is overwogen dat op vordering van de advocaat-generaal van onderdelen dient te worden vrijgesproken, sprake is van brondelicten als volgt.

Wat betreft [M] wordt in het dossier vermeld dat hij op 25 november 2004 door de rechtbank te Amsterdam is vrijgesproken van betrokkenheid bij de in de tenlastelegging bedoelde zogeheten ramkraken op pinautomaten. Door de advocaat-generaal is als bewijsmiddel gepresenteerd de inhoud van het OVC-gesprek, op grond waarvan ondanks deze vrijspraak dient te worden aangenomen dat [M] deze feiten heeft gepleegd en daaruit criminele opbrengsten heeft verkregen.

Naar het oordeel van het hof kan dit gesprek niet een zodanig solide basis bieden om deze vergaande conclusie te trekken. Daartoe overweegt het hof allereerst dat het hierbij slechts om één gesprek gaat op de inhoud waarvan door de deelnemers geen toelichting is gegeven die steun geeft aan de door de advocaat-generaal voorgestelde conclusie. Voorts bestaat weliswaar grond voor de aanname dat op deze feiten wordt gezinspeeld maar elke nadere precisering ontbreekt, zowel wat betreft de feiten als wat betreft de opbrengsten. Voor behoedzaamheid bij de interpretatie en waardering van de inhoud van het gesprek bestaat daarnaast aanleiding omdat het is gevoerd op een moment dat ongeveer vijf jaren na de pleegdata van de strafbare feiten is gelegen.

Dit leidt ertoe dat het hof de verdachte zal vrijspreken van hetgeen onder 2, II, A is ten laste gelegd.

Voorts kan naar het oordeel van het hof niet worden aangenomen dat de auto's opgenomen in de tenlastelegging onder 2, I, B, verband houden met door [M] verkregen criminele opbrengsten.

Het hof leidt uit de bewoordingen van de in hoger beroep gewijzigde tenlastelegging, de toelichting van de advocaat-generaal daarop, en bezien in het licht van de inhoud van het dossier, af dat bij de onderdelen 2, I, D en 2, II, D en bij feit 3 (alle gebaseerd op het meergenoemde zaaksdossier) niet is beoogd een verband te leggen met specifieke brondelicten.

In het kader van de vraag naar het bestaan hiervan kan dit verder onbesproken blijven.

Vrijspraak feit 2, onderdeel II, D eerste deel

Zoals het hof hierna uitgebreider zal overwegen biedt het dossier weinig inzicht in de veronderstelde geldstromen tussen de verdachte c.q. zijn vennootschap enerzijds en [B], [W] en [A] anderzijds. Voorts moet uit de stukken van het dossier worden opgemaakt dat de BMW met [kenteken] en de Mercedes Benz met [kenteken] nooit op naam van verdachte of één van diens ondernemingen hebben gestaan. Reeds op die grond dient de verdachte te worden vrijgesproken van hetgeen is ten laste gelegd onder 2, II, D, eerste cumulatief/alternatieve deel.

Nadere overweging over het toetsingskader

Bij deze stand van zaken staat ter beoordeling of de verdachte zich, al dan niet via [Z.B.V.], heeft schuldig gemaakt aan het (bij wege van een gewoonte) witwassen van de volgende auto's van na te noemen merken en types, o.v.v. kenteken:

- een BMW, type 318i [kenteken] in de periode van 29 april 2002 tot 17 september 2003

- een BMW, type X5 [kenteken] in de periode van 3 oktober 2005 tot 13 oktober 2006

- een BMW, type X5 [kenteken] in de periode van 7 april 2007 tot 19 november 2007

- een Mercedes-Benz, type A160 [kenteken] in de periode van 7 mei 2004 tot 24 maart 2005

- een Mercedes-Benz, type SLK [kenteken] van 24 maart 2005 tot 25 november 2008

- een BMW, type 320 I [kenteken] in de periode van 7 april 2007 tot 22 mei 2008.

Bij deze beoordeling dient als uitgangspunt te worden genomen dat er geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is.

Daarbij dient de toetsing door de zittingsrechter de volgende stappen te doorlopen. Allereerst zal moeten worden vastgesteld of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien daarvan sprake is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld en de goederen. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen en de goederen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Tegen de achtergrond van dit kader wordt het navolgende overwogen en opgemerkt.

De verdachte wordt binnen het bestek van hetgeen resteert na de voorafgaande overwegingen - kort gezegd - verweten dat hij er, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, een gewoonte van heeft gemaakt om luxe auto's met een aanzienlijke economische waarde, al dan niet via [Z.B.V.], op zijn naam te stellen, terwijl het feitelijk gebruik van de desbetreffende voertuigen bij anderen heeft gelegen. Door zo te handelen heeft de verdachte telkens verhuld wie de rechthebbende van het desbetreffende voertuig is, terwijl hij wist dat het geld waarmee die auto's werden betaald uit misdrijf afkomstig is.

Bewezen dient derhalve te worden de (on)middellijke misdadige herkomst van de betrokken goederen, dat er sprake is van het verhullen of verbergen daarvan en voorts de wetenschap van de verdachte daaromtrent.

Het hof overweegt in dit verband als volgt.

In het maatschappelijk verkeer wordt de gebruiker van een auto vermoed de eigenaar van dat voertuig te zijn. Vanzelfsprekend vallen de eigendom en het gebruik van een voertuig niet altijd samen. In dat geval zal sprake zijn van een bepaalde (rechts-)verhouding tussen de eigenaar en de gebruiker. Daarbij kan worden gedacht aan een rechtsverhouding op basis van een leaseovereenkomst, of aan bruikleen op grond van vriendschaps- of familiebanden.

In het onderhavige geval kan uit de stukken in het dossier worden afgeleid dat de kentekens van de navolgende zes kostbare auto's gedurende een zekere periode op naam van de verdachte of [Z.B.V.] (waarvan de verdachte enig aandeelhouder en bestuurder is) zijn gesteld:

- een BMW, type 318i [kenteken] in de periode van 29 april 2002 tot 17 september 2003

- een BMW, type X5 [kenteken] in de periode van 3 oktober 2005 tot 13 oktober 2006

- een BMW, type X5 [kenteken] in de periode van 7 april 2007 tot 19 november 2007

- een Mercedes-Benz, type A160 [kenteken] in de periode van 7 mei 2004 tot 24 maart 2005

- een Mercedes-Benz, type SLK [kenteken] van 24 maart 2005 tot 25 november 2008

- een BMW, type 320 I [kenteken] in de periode van 7 april 2007 tot 22 mei 2008.

Uit de stukken kan voorts worden afgeleid dat anderen, namelijk [M] en diens toenmalige partner [S], alsmede [W] en diens vriendin [B], het feitelijk gebruik van een aantal van die voertuigen hebben gehad.

Ten aanzien van de hiervoor genoemde voertuigen biedt het dossier voorts aanknopingspunten voor de vaststelling dat de verdachte telkens (aanzienlijke) betalingen ten behoeve van de aanschaf ervan heeft gedaan. De aanleiding of het motief voor het aanbieden van de auto's aan de feitelijke gebruikers kunnen uit het dossier, waaronder begrepen de verklaringen van de bij dat gebruik betrokkenen en de verdachte, niet, althans niet ondubbelzinnig, worden afgeleid. Voor een (financiële) tegenprestatie van de gebruikers van die voertuigen ten gunste van de verdachte bestaan in een enkel geval weliswaar aanwijzingen, zij het dat vorm en omvang ervan niet zijn omlijnd en overigens niet van een inzicht biedende verklaring van de betrokkenen zijn voorzien.

Met betrekking tot bovengenoemde zes auto's houden de bewijsmiddelen wat betreft de eigendom, tenaamstelling en aan- en verkoop, het volgende in.

BMW, type 318i [kenteken]

In de in beslag genomen administratie van [Z.B.V.] is geen aankoopfactuur of aankoopbetaling aangetroffen. De auto stond voorafgaand aan de aankoop door [Z.B.V.] op naam van [bedrijf X]. Wel is in genoemde administratie aangetroffen een verkoopfactuur waaruit blijkt dat verdachte op 13 september 2003 de betreffende auto heeft verkocht aan [bedrijf Y] voor € 10.000,-. De verdachte betaalde de wegenbelasting. De autoverzekering stond op naam van [S].

BMW, type X5 [kenteken]

In de in beslag genomen administratie van [Z.B.V.] is een vel papier aangetroffen met als koptekst handgeschreven "KAS [Z.B.V.]" en daarop onder meer de aantekening "55.000 [H] Mercedes Jeep". Uit gegevens van de RDW volgt dat de betreffende auto tot 2 oktober 2005 op naam van [H] heeft gestaan en op genoemde datum op naam van [Z.B.V.] is komen te staan. In die administratie is tevens aangetroffen een factuur van [Z.B.V.], gericht aan [H] gedateerd 8 februari 2005, met een totaalbedrag van € 75.000,-. Handgeschreven staat daarop voorts vermeld "55.000 betaald per kas".

BMW, type X5 [kenteken]

In de in beslag genomen administratie van [Z.B.V.] zijn gegevens aangetroffen waaruit blijkt dat deze auto door [Z.B.V.] contant is aangekocht van [bedrijf] voor € 25.000,-. Voorts is in de kasadministratie een ontvangst van € 8.500,- genoteerd met de omschrijving "[M] betaling huur X5 + kosten".

Mercedes-Benz, type A160 [kenteken]

Tussen uitgeleverde schriftelijke bescheiden is met betrekking tot deze auto aangetroffen een factuur van [bedrijf] gedateerd 18 mei 2004 ten name van de verdachte ten bedrage van € 12.000,- welk bedrag contant (per kas) zou zijn betaald op 17 mei 2004. [B] heeft op 26 november 2008 verklaard dat deze auto van haar is en dat ze die van [W] heeft gekregen.

Mercedes-Benz, type SLK [kenteken]

Tussen uitgeleverde schriftelijke bescheiden is met betrekking tot deze auto aangetroffen een factuur van [bedrijf] gedateerd 23 maart 2005 ten name van [Z.B.V.] ten bedrage van € 62.000,-. Voorts is aangetroffen een overschrijvingskaart van de Postbank van 24 maart 2005, waaruit volgt dat door de verdachte € 62.000,- naar [bedrijf] is overgemaakt onder vermelding van onder meer SLK/zilver.

[M.R.], medewerker bij [bedrijf] heeft op 28 november 2008 verklaard dat [W] vaste klant is en dat [M.R.] steeds met [W] contact heeft gehad in verband met de [kenteken]. De auto staat op naam van de verdachte maar er zit altijd een vrouw in als de SLK wordt gebracht, aldus [M.R.]. Uit een afgeluisterd en opgenomen telefoongesprek tussen [W] en [B] op 8 november 2008 volgt dat [W] tegen [B] zegt dat hij het is, die haar auto betaalt.

BMW, type 320 I [kenteken]

[H.R.], boekhouder van [Z.B.V.], heeft op 27 mei 2009 verklaard dat uit aan hem getoonde bescheiden volgt dat [Z.B.V.] deze auto in 2007 heeft ingekocht voor € 35.950,- en in 2008 heeft verkocht voor € 27.000,-.

[W] heeft op 28 november 2008 verklaard dat deze auto in de tenaamstelling inderdaad is overgegaan van zijn vrouw naar [Z.B.V.]. "Die meneer heeft hem gekocht en toen hoefde ik nog maar heel weinig bij te betalen bij de dealer voor een andere auto voor haar. Dat kon toen handje contantje. Hij was een kennis van mij. Hij is de eigenaar van [Z.B.V.] Zijn naam is [de verdachte]", aldus [W].

Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen het volgende.

In het dossier bevindt zich een schriftelijk verslag van het OVC-gesprek, waarin [M] voor zover hier relevant, heeft gezegd:

[M]: Nu bijvoorbeeld die X5 die van [H] overgenomen.

[R.K.]: Je bedoelt die BMW, he?

[M]: Ja die was 55 ruggen.

[M]: Ik betaal elke maand, elke maand een rooitje.

[R.K.]: is dat die terreinwagen?

[M]: ja. Daar rijdt mijn vriendin in. Ten minste mijn ex.

Waar het de heer [W] en mevrouw [B] in het bijzonder betreft, bezigt het hof voor het bewijs de inhoud van een op 29 november 2008 door de verdachte met de onbekend gebleven 'Bolle' (B) gevoerd en afgeluisterd telefoongesprek, voor zover hier relevant, inhoudend:

[Verdachte]: Weet je waar ik ook aan zat te denken? Ik heb natuurlijk 3, 2 even kijken sept, okt, drie maanden geleden, een inval gehad. En ik heb haar auto gekocht. En die nieuwe heb ik haar geleend, zeg maar, met [W] samen. En dat heeft hij terug betaald 2 jaar geleden. En dat stond allemaal in mijn boeken.

B: In jouw boeken?

[Verdachte]: Ja ik heb het gewoon gekocht met de zaak, zeg maar.

B: Dat ze via jou misschien op hem zijn gekomen.

[Verdachte]: Nou ja, dat vind ik wel heel kort door de bocht, maar ik hou overal rekening mee.

[Verdachte] zegt dat hij straks nog een schuld heeft. Bolle zegt dat hij zich daar geen zorgen over hoeft te maken. [Verdachte] zegt: "Ik heb het netjes terugbetaald gekregen". [Verdachte] zegt dat als ze dat in de boeken bij hem hebben gevonden, ze bij hem iedereen uit de boeken misschien napluizen en dat het dan een hoofdpijn verhaal is.

Uit de context kan worden opgemaakt dat dit gesprek gaat over de heer [W] en over één van de auto's die door verdachte aan [W] dan wel via deze aan [B] ter beschikking is gesteld.

Dit een en ander roept tal van vragen op. Zeker indien het hof daarbij betrekt dat de verdachte, zoals door hem ook ter terechtzitting is bevestigd, gedurende vele jaren ondernemingen heeft gevoerd op het gebied van vastgoed en, met name in de jaren negentig van de vorige eeuw, ook op het gebied van de handel in auto's.

Tegen die achtergrond bezien mag de verdachte dan ook (zeker ten aanzien van de handel in en/of het beheer van auto's) bekend worden verondersteld met de in het op dergelijke transacties in het handelsverkeer gebruikelijke regels en gebruiken. Bovendien valt in dit licht niet zonder meer in te zien dat de verdachte met betrekking tot deze auto's zo weinig zakelijk heeft willen of kunnen handelen.

Behoudens het geval van de BMW X5, afkomstig van [H], en één van de auto's van [W] en [B] is niet gebleken dat de verdachte voor de door hem verrichte prestaties op welke wijze dan ook, door de gebruikers is gecompenseerd. De verdachte heeft hierover niet nader willen verklaren.

Dat de verdachte in deze mate aan filantropie heeft willen doen, is evenmin gebleken noch anderszins aannemelijk geworden.

Ten aanzien van [M]/[S] en [W]/[B] is gezien de stukken van het dossier gebleken dat zij - buiten een bescheiden uitkering - niet ook andere (legale) inkomsten hadden.

Het kan dan ook niet anders dan dat de verdachte zich heeft gerealiseerd dat het op zijn naam c.q. op naam van zijn vennootschap stellen van voornoemde luxe auto's geen ander doel heeft gediend dan het op enigerlei wijze maskeren van de werkelijke niet-legale herkomst van de financieringsmiddelen voor de betrokken auto's, dan wel van de werkelijke rechtsverhoudingen tussen de eigenaar en gebruiker enerzijds en de auto's anderzijds.

Aan die vaststelling doet niet af, dat het onderzoek ten aanzien van enkele van die voertuigen weliswaar enig zicht heeft geleverd op de aanwezigheid van enige min of meer onderliggende geldstromen, maar het beeld daarvan is zeer ambigu en die stromen maken niet dat daardoor in het licht van de tegen de verdachte ingebrachte beschuldiging toereikend is verklaard dat er sprake is geweest van reguliere, zakelijke transacties. Integendeel, de financiële positie van de bronnen van die geldstromen, is telkens, voor zover het onderzoek deze in beeld heeft gebracht, niet zodanig dat deze een regulier zakelijk karakter van één en ander doen vermoeden.

De hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, zijn van dien aard dat zij het vermoeden van witwassen zonder meer rechtvaardigen. Gelet hierop mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft aangaande zijn handelen met betrekking tot de voornoemde auto's.

De verdachte heeft gedurende het politieonderzoek en tijdens de behandeling van zijn zaak in eerste aanleg en in hoger beroep (op dit punt) goeddeels gezwegen. Daarnaar gevraagd heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat hij in het verleden wel eens te dure auto's heeft gekocht en dat hij die auto's aan anderen verhuurde totdat het voertuig weer was verkocht.

Het hof maakt uit deze zeer summiere verklaring van de verdachte op dat hij daarbij sprak over een periode in de jaren negentig van de vorige eeuw, waarin hij een garagebedrijf had. In dat kader had hij, zoals hij heeft verklaard, (ook) wel eens contact met personen met een criminele achtergrond.

Namens de verdachte is in hoger beroep ten aanzien van een aantal auto's nog naar voren gebracht dat de verdachte aldus heeft gehandeld met de auto's, opdat [W] zijn buitenechtelijke relatie voor zijn echtgenote [A] verborgen kon houden. Om die reden zou [W] de desbetreffende voertuigen niet op zijn eigen naam hebben kunnen stellen.

Het hof overweegt dat de stelling van de verdachte dat hij de auto's, die hij op naam van hemzelf dan wel [Z.B.V.] had gezet, aan anderen verhuurde weliswaar enige steun vindt in de stukken van het dossier maar overigens door de verdachte op geen enkele wijze is onderbouwd. Van één auto moet dit worden aangenomen op basis van een afgeluisterd en opgenomen telefoongesprek, waarbij in het midden moet blijven welke auto dit precies betreft. Voor een andere auto gaat het om de genoemde aantekening in de administratie en de inhoud van een OVC-gesprek waaraan de vermoedelijke gebruiker, [M], heeft deelgenomen, waaruit geen eenduidig beeld wordt verkregen van de omvang en vorm van de tegenprestatie, noch van de evenredigheid ervan in relatie tot de aanschafprijs.

Het hof acht het, mede gelet op het ontbreken van huurovereenkomsten en/of hiermee overeenstemmende verklaringen van de desbetreffende gebruikers, volstrekt onwaarschijnlijk dat de verdachte, anderen gedurende aanzienlijke periodes in zijn (zeer) kostbare auto('s) zou laten rijden. Het hof betrekt hierbij de waardevermindering van de auto die reeds door enkel tijdsverloop ontstaat.

Ook de stelling van de raadsman dat [W] zijn buitenechtelijke relatie wilde verbergen acht het hof - wat daarvan overigens zij - ontoereikend. Hiermee heeft de verdachte immers nog geen inzicht geboden respectievelijk doen bieden in de bekostiging van de betreffende auto's.

Dit alles brengt het hof tot het oordeel dat het niet anders kan dan dat achtereenvolgens de voor de aanschaf van de desbetreffende auto's door de verdachte gebruikte gelden een misdadige herkomst hebben gehad, dat door deze aanschaf de werkelijke herkomst van de gelden is verhuld dan wel verborgen en dat de verdachte hiervan wetenschap heeft gehad.

Weliswaar volgt uit hetgeen hiervoor door het hof is overwogen dat anderen, in de personen van [M], [S], [W] en [B] in hetgeen ten aanzien van de auto's zich feitelijk heeft voltrokken een opvallende rol hebben vervuld, daarmee is evenwel niet hun mededaderschap van het tenlastegelegde gewoontewitwassen gegeven. Nu de stukken van het dossier dienaangaande onvoldoende inhouden zal het hof bewezen verklaren dat de verdachte het bewezen verklaarde alleen heeft gepleegd.

Het witwassen heeft een zodanige omvang en continuïteit gehad dat het hof eveneens bewezen zal verklaren dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3

Uit de bewijsmiddelen met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde blijkt het volgende.

De eigendom van de kavel [nummer 1213] is op 25 oktober 2000 overgegaan op [S.T.E. B.V]. Op genoemde datum is de betreffende akte verleden bij een notaris te [plaats].

De betrokken kavel is voorafgaand aan deze levering gekocht door [W] van [J.B.].

De prijs was 30.000 gulden, welk bedrag door [W] contant aan [J.B.] is betaald.

Mevrouw [B], die een relatie heeft met [W], heeft van de kavel feitelijk gebruik gemaakt en [W] kwam bij haar vrijwel dagelijks gedurende enkele uren op bezoek.

[Z.B.V.] (van welke vennootschap de verdachte de enig aandeelhouder/bestuurder is) is enig aandeelhouder en bestuurder van [S.T.E. B.V.]. Laatstgenoemde rechtspersoon is opgehouden te bestaan op 30 september 2002.

Kadastraal was op 20 februari 2009 [Z.B.V.] als gerechtigde ten aanzien van de kavel geregistreerd met als jaar van ingang 2001 (geen nadere aanduiding van de datum).

Uit deze gang van zaken leidt het hof af dat als rechthebbende in de zin van artikel 420bis Sr van de kavel dienen te worden beschouwd de heer [W] en mevrouw [B], die de kavel (samen met enkele andere kavels) in gebruik hadden.

Het hof acht de volgende feiten en omstandigheden redengevend voor het oordeel dat de verdachte deze werkelijke rechtsverhouding heeft willen verhullen of verbergen zoals bedoeld in de tenlastelegging.

Het hof acht bewezen dat hiervan in elk geval sprake is geweest vanaf 1 december 2008.

Allereerst betrekt het hof in de overwegingen dat de heer [W] een legaal inkomen had van ongeveer 1000 euro per maand in de vorm van een WAO-uitkering. Deze uitkering geniet hij gedurende vele jaren, sinds 1 december 1974. Ook mevrouw [B] had - sinds medio oktober 2000 - slechts een bescheiden WAO-uitkering.

[B] ontving met regelmaat, blijkens haar eigen verklaringen, wekelijks geldbedragen van [W], die gelet op de omvang daarvan vanuit zijn legale inkomen niet kunnen worden verklaard. Over de herkomst daarvan heeft [W] zelf geen toelichting gegeven.

In het eerdergenoemd afgeluisterd en opgenomen telefoongesprek met de onbekend gebleven "Bolle" van 29 november 2008 is voorts het volgende gezegd, waarbij uit de context kan worden opgemaakt dat wordt gesproken over [W]:

B: Nee, je weet toch hoe het gaat. Hij rijdt een Mercedes, hij rijdt in een dure auto.

[Verdachte]: Nee, dat snap ik wel.

B: En dan zit je acht of toen uur per dag bij een juwelier binnen. En dat van je WAO-uitkering.

[Verdachte]: Wat een randdebielen ook eigenlijk hè. [...]

B: Nee, maar ik bedoel als hij gewoon zeg maar geen WAO-uitkering had gehad.

[Verdachte:] Dan had het al heel anders geklonken.

B: Dan heb je een heel ander verhaal. Dan heb je misschien de belasting ontdoken of te weinig omzetbelasting betaald of weet ik veel wat.

Uit de inhoud van dit gesprek kan worden afgeleid dat de verdachte op de hoogte was dan wel was geraakt van het legale inkomen van [W], die volgens diens verklaring al sinds dertig jaar vriendschappelijke betrekkingen met de verdachte onderhoudt.

[J.B.] heeft op 2 december 2008 verklaard dat [W] de kavel had gekocht en dat " het ging op de B.V. van de jongens". Hij heeft op 4 december 2008 verklaard dat [W] de kavel niet op zijn naam wilde hebben.

Voorts betrekt het hof bij deze overwegingen de bewijsmiddelen voor feit 2 en de wijze waarop deze in het voorgaande zijn gewaardeerd. Deze acht het hof, in het bijzonder omdat ook bij enkele auto's opgenomen onder feit 2 de heer [W] en diens vriendin [B] zonder aannemelijke verklaring als gebruikers optraden, mede redengevend voor de bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde.

Tegenover al deze feiten en omstandigheden heeft de verdachte geen de hiervoor bedoelde redengevendheid ontzenuwende verklaring gesteld. Integendeel, hij heeft er het zwijgen toegedaan.

Het voorgaande, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof tot de slotsom dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen van de kavel.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 onderdeel I sub B en D, 2 onderdeel II sub D tweede alternatief, 3, 5 en 6 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. (zaaksdossier vuurwapen 9.1.0):

hij op 1 september 2008 te Amsterdam, een vuurwapen van categorie III, te weten: een revolver van het merk Smith & Wesson, type 649-2, kaliber .38 Special en

munitie van categorie III, te weten: vier patronen, merk G.F.L., type deelmantel, kaliber .38 Special en één patroon, merk SAKO, type Short Range, merk .38 Special,

voorhanden heeft gehad;

2.

hij in de periode van 1 april 2002 tot en met 30 maart 2009 in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers

I) heeft hij, verdachte, telkens van een voorwerp, te weten:

B) (zaaksdossier 9.3.0)

- een personenauto, merk BMW, type 318i, [kenteken] en

- een personenauto, merk BMW, type X5, [kenteken] en

- een personenauto, merk BMW, type X5, [kenteken] en

D) (zaaksdossier 9.6.0)

- een personenauto, merk Mercedes-Benz, type A160, [kenteken] en

- een personenauto, merk Mercedes-Benz, type SLK, [kenteken] en

al dan niet via [Z.B.V.] de werkelijke aard of herkomst verborgen of verhuld, immers heeft hij, verdachte, telkens verborgen of verhuld wie de rechthebbende(n) waren op bovengenoemde voorwerpen of wie bovengenoemde voorwerpen voorhanden hebben gehad, terwijl hij, verdachte, telkens wist dat bovengenoemd voorwerpen geheel of gedeeltelijk - middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf

en

II) heeft hij, verdachte, in de periode van 1 april 2007 tot 1 juni 2008 een voorwerp, te weten:

D) (zaaksdossier 9.6.0)

- een personenauto, merk BMW, type 320 I, [kenteken]

via [Z.B.V.] verworven en voorhanden gehad, zulks terwijl hij, verdachte, wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3. (zaaksdossier 9.6.0)

[Z.B.V.] in de periode van 1 december 2008 tot en met 30 maart 2009 te plaats, een kavel [nummer 1213] voorhanden heeft gehad en/of

de werkelijke aard of herkomst heeft verborgen of verhuld en/of heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op het voorwerp was of het voorhanden had, terwijl hij wist dat het voorwerp geheel of gedeeltelijk - middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf, aan welke strafbare gedraging hij, verdachte, toen en aldaar, feitelijke leiding heeft gegeven;

5. (zaaksdossier [Z.B.V.] 9.7.0):

hij in de periode van 9 mei 2005 tot en met 30 maart 2009 in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en voorhanden heeft gehad, geschriften, te weten:

a) een factuur van [bedrijf] d.d. 31 december 2007 gericht aan [Z.B.V.] ter waarde van 10.710,- euro en

b) een factuur van [bedrijf] d.d. 14 januari 2007 gericht aan [Z.B.V.] ter waarde van 9.520,- euro en

c) een factuur van [bedrijf] d.d. 12 oktober 2007 gericht aan [Z.B.V.] ter waarde van 27.965,- euro en

d) een factuur van [bedrijf] d.d. 13 december 2007 gericht aan [Z.B.V.] ter waarde van 8.925,- euro en

e) een factuur van [bedrijf] d.d. 21 december 2007 gericht aan [Z.B.V.] ter waarde van 4.403,- euro en

f) een factuur van [bedrijf] d.d. 5 februari 2008 gericht aan [Z.B.V.] ter waarde van 13.447,- euro en

g) een factuur van [bedrijf] d.d. 3 april 2008 gericht aan [Z.B.V.] ter waarde van 7.437,- euro en

h) een factuur van [bedrijf] d.d. 26 november 2006 gericht aan [Z.B.V.] ter waarde van 1.552,99 euro en

i) een factuur van [bedrijf] d.d. 8 juli 2007 gericht aan [Z.B.V.] ter waarde van 4.165,- euro en

k) een factuur van [bedrijf] d.d. 11 januari 2007 gericht aan [Z.B.V.] ter waarde van 968,66 en

l) een factuur van [bedrijf] d.d. 9 mei 2005 gericht aan [Z.B.V.] ter waarde van 4.123,55 euro en

m) een factuur van [bedrijf] d.d. 2 april 2006 gericht aan [Z.B.V.] ter waarde van 1.071,- euro,

zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande die valsheid hierin dat in strijd met de waarheid op voornoemde facturen staat vermeld dat de op die facturen vermelde werkzaamheden zijn uitgevoerd op de [adres] en op [adres] en op [adres] en op [adres], terwijl die werkzaamheden in werkelijkheid zijn uitgevoerd op een andere locatie dan in de facturen is vermeld of (geheel of ten dele) niet zijn uitgevoerd,

bestaande dat gebruikmaken hierin dat voornoemde geschriften zijn verstrekt aan boekhouder [H.R] gevestigd te [plaats] ten behoeve van de financiële administratie en boekhouding van [Z.B.V.] en dat genoemde geschriften in de financiële administratie en boekhouding van [Z.B.V.] zijn geboekt en verwerkt en opgenomen, terwijl verdachte telkens wist dat die facturen bestemd waren tot gebruik als ware deze geschriften echt en onvervalst;

6. primair (zaaksdossier [Z.B.V] 9.7.0):

hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 30 maart 2009 in Nederland, als bestuurder van de rechtspersoon [Z.B.V.], telkens opzettelijk een onware balans, te weten: de balansen per 31 december over de jaren 2005 en 2007 van [Z.B.V.] openbaar heeft gemaakt of zodanige openbaarmaking opzettelijk heeft toegelaten, immers zijn voornoemde balansen over die jaren gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel.

Hetgeen onder 1, 2 onderdeel I sub B en D, 2 onderdeel II sub D tweede alternatief, 3, 5 en 6 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 5 en 6 primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

het onder 2 onderdeel I sub B en D, 2 onderdeel II sub D tweede alternatief bewezen verklaarde levert op:

gewoontewitwassen;

het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

witwassen, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;

het onder 6 primair bewezen verklaarde levert op:

het door de bestuurder opzettelijk openbaar maken van een onware balans, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging van verdachte van het onder 2 onderdeel II sub B ten laste gelegde. De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 2, onderdeel I sub A, 2 onderdeel II sub F, 4, 9 en 10 ten laste gelegd en heeft de verdachte veroordeeld voor het onder 1, overigens onder 2, 3, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden met aftrek van de tijd die hij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank Amsterdam heeft de teruggave aan de verdachte gelast van een in beslag genomen en nog niet aan hem teruggegeven auto.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte en het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep voor het onder 2 onderdeel I sub A, onder 2 onderdeel II sub F, 4, 6 primair en subsidiair telkens ten aanzien van de jaren 2006 en 2008 en 10 ten laste gelegde. Hij heeft voorts gevorderd dat het openbaar ministerie wel wordt ontvangen in de strafvervolging van de verdachte voor het onder 2 onderdeel II sub B, maar dat de verdachte voor dat onderdeel wordt vrijgesproken. Hij heeft eveneens vrijspraak gevorderd voor het onder 7 en 9 ten laste gelegde. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, overigens onder 2, 3, 5 en 8 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft hij gevorderd dat het hof ten aanzien van het beslag zal beslissen overeenkomstig de rechtbank in het vonnis waarvan beroep.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen op de wijze als in de bewezenverklaring omschreven. Gewoontewitwassen heeft een ontwrichtende werking op de reguliere economie, omdat investeringen worden gedaan met vermeend legaal geld. Daardoor wordt de integriteit van het financieel en economisch bestel ernstige schade toegebracht.

De verdachte heeft zich voorts binnen zijn vennootschap schuldig gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift. De verdachte heeft, enkel gedreven door geldelijk gewin, er blijk van gegeven het bepaald niet nauw te nemen met de verplichting een getrouwe administratie te voeren waarin leningen leningen zijn en omzet omzet is. Door anderen te verzoeken medewerking te verlenen aan een constructie met valse facturen heeft de verdachte laakbaar gehandeld en het vertrouwen dat men in de juistheid van dergelijke geschriften moet kunnen stellen geschaad. Aan die laakbaarheid doet niet af dat de verdachte nadien tot een vergelijk met de fiscus is gekomen.

De verdachte heeft ten slotte in zijn (gezins)woning onder handbereik een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerd voorhanden hebben van dergelijke voorwerpen kan tot gevaarzettende situaties leiden en brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee. Daarvan had de verdachte zich als geen ander bewust moeten zijn.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 4 december 2012 is de verdachte eerder ter zake van strafbare feiten veroordeeld.

Het hof heeft geconstateerd dat sprake is van een schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), aangezien tussen het instellen van het hoger beroep door de verdachte (op 28 oktober 2010) en het wijzen van arrest door het hof op 11 januari 2013 is een periode verstreken van ongeveer twee jaren en drie maanden.

Het hof overweegt hieromtrent, rekening houdend met de complexiteit en omvang van het gehouden onderzoek en het onder de noemer 'Positano' aangelegde dossier en het feit dat aanzienlijke tijd gemoeid is geweest met het opsporen en vervolgens horen van de getuige [R.K.] in hoger beroep, dat de behandeling van deze zaak in hoger beroep weliswaar lang heeft geduurd, maar dat geen sprake is van een onredelijke vertraging als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze omstandigheid leidt dan ook niet tot het opleggen van een lagere straf.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Deze straf is aanzienlijk lager dan door de advocaat-generaal gevorderd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt.

Voorlopige hechtenis

Gelet op hetgeen is overwogen in de beschikking van dit hof van 10 september 2010 gaat het hof er van uit dat ten aanzien van de verdachte geen bevel tot voorlopige hechtenis meer geldt.

Het hof zal dienaangaande dan ook geen beslissing nemen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 51, 57, 225, 336, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4, onder 6 primair en subsidiair telkens ten aanzien van de jaren 2006 en 2008, 9 en 10 ten laste gelegde.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 4, onder 6 primair en subsidiair telkens ten aanzien van de jaren 2006 en 2008 en 10 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde voor zover het ziet op de pleegperiode 1 januari 2000 tot 1 februari 2000.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 onderdeel I onder A, 2 onderdeel II sub A, B, D eerste alternatief en F, 7, 8 en 9 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 onderdeel I sub B en D, 2 onderdeel II sub D tweede alternatief, 3, 5 en 6 primair ten aanzien van de jaren 2005 en 2007 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 onderdeel I sub B en D, 2 onderdeel II sub D tweede alternatief, 3, 5 en 6 primair ten aanzien van de jaren 2005 en 2007 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een personenauto, Mercedes Benz E500 Sedan U9 1994, kleur grijs, [kenteken].

Dit arrest is gewezen door de vijfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R. Veldhuisen, mr. R.M. Steinhaus en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van mr. J. Mulder, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 januari 2013.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.