Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:978

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
200.035.875-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Drie leaseovereenkomsten gesloten. Bij antwoord hebben geïntimeerden gemotiveerd betoogd dat de drie leaseovereenkomsten een onaanvaardbaar zware last op hen legden. Dexia wordt in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op de door hen gehanteerde bedragen en de door hen in het geding gebrachte bescheiden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

APPELLANTE,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

t e g e n

  1. [geïntimeerde sub 1] en

  2. [geïntimeerde sub 2],

beiden wonend te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDEN,

advocaat: mr. E.H. Hoeksma te Enschede.

De partijen worden hierna (ook) Dexia en [geïntimeerden] genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 27 november 2008 is Dexia in hoger beroep gekomen van een vonnis dat de rechtbank Amsterdam, sectie kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) onder zaak- en rolnummer 911047 DX EXPL 07-1873 heeft gewezen tussen [geïntimeerden] als eisers in conventie, verweerders in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en dat op 27 augustus 2008 is uitgesproken.

Bij memorie heeft Dexia drie grieven tegen het bestreden vonnis opgeworpen, bewijs aangeboden, producties in het geding gebracht en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en primair tot toewijzing van de in eerste aanleg ingestelde reconventionele vordering van € 3.855,54, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 april 2005, subsidiair tot betaling van € 1.285,05 met de wettelijke rente vanaf 11 april 2005, alsmede, zowel primair als subsidiair, tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] en tot terugbetaling van hetgeen Dexia ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [geïntimeerden] heeft voldaan, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, te vermeerderen met wettelijke rente en met nakosten.

Daarop hebben [geïntimeerden] geantwoord, producties overgelegd, bewijs aangeboden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep.

Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.5, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Grief II heeft betrekking op de vaststelling onder 1.2 en zal hierna worden behandeld. Voor het overige bestaat omtrent de door de kantonrechter vastgestelde feiten geen geschil, zodat ook het hof van die (overige) feiten zal uitgaan.

3 Beoordeling

3.1

Bij beschikking van 25 januari 2007 (NJ 2007, 427) heeft het hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid, BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard die strekt tot (gedeeltelijke) vergoeding van schade zoals onder andere in dit geding aan de orde. [geïntimeerden] hebben door een schriftelijke mededeling zoals bedoeld in artikel 7:908, tweede lid, BW (tijdig) laten weten dat zij niet aan de verbindend verklaarde overeenkomst - de zogeheten “Duisenberg”-regeling – gebonden willen zijn. Uitgangspunt voor de beoordeling van het hoger beroep is daarom dat de verbindendverklaring van de overeenkomst ten aanzien van [geïntimeerden] geen gevolg heeft, zodat die overeenkomst hen niet bindt.

3.2

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken en voor zover in hoger beroep van belang, staat tussen partijen het volgende vast.

3.2.1

[geïntimeerde sub 1] is in april 1998 drie leaseovereenkomsten met de naam Spaarleasen aangegaan met een rechtsvoorgangster van Dexia, hierna eveneens aangeduid als Dexia. De drie leaseovereenkomsten worden hierna gezamenlijk aangeduid als de leaseovereenkomsten. In mei 1999 heeft [geïntimeerde sub 1] per leaseovereenkomst een zogenoemde WinstVerbeteraar afgesloten. De leaseovereenkomsten hebben een looptijd van 180 maanden.

3.2.2

Op grond van de leaseovereenkomsten heeft [geïntimeerde sub 1] bedragen van Dexia geleend. Met deze bedragen zijn effecten aangekocht die [geïntimeerde sub 1] van Dexia heeft geleast. Over het geleende bedrag was [geïntimeerde sub 1] rente verschuldigd. De leaseovereenkomsten zijn zogenoemde aflosproducten. Het maandelijks termijnbedrag van elk van de leaseovereenkomsten van € 92,37 bestond uit rente en aflossing.

3.2.3

De leaseovereenkomsten zijn inmiddels beëindigd. Na de verkoop van de aandelen bedroeg de restschuld van elk van de leaseovereenkomsten € 1.285,18. [geïntimeerde sub 1] heeft de restschulden niet voldaan.

3.3

[geïntimeerden] hebben in conventie gevorderd zoals omschreven in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.3. Dexia heeft in reconventie gevorderd [geïntimeerden] te veroordelen tot betaling van € 3.855,54, de som van de restschulden, met rente en kosten. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis in conventie Dexia uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld om aan [geïntimeerden] € 9.409,56 te betalen, met rente en kosten alsmede Dexia veroordeeld (op straffe van een dwangsom) om het Bureau Krediet Registratie te Tiel te berichten dat [geïntimeerde sub 1] geen verplichtingen uit de leaseovereenkomsten meer heeft en het meer of anders gevorderde afgewezen. In reconventie heeft de kantonrechter de vorderingen van Dexia afgewezen.

3.4

Grief I strekt ten betoge dat het bestreden vonnis, dat gebaseerd is op het zogenoemde categoriemodel, niet in stand kan blijven. Door de richtinggevende arresten van dit hof van 1 december 2009 (LJN: BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983), waarmee het hof een nadere invulling heeft gegeven aan de normen die de Hoge Raad heeft geformuleerd bij arresten van 5 juni 2009 (LJN: BH2811, BH2815 en BH2822), en die de Hoge Raad bij arresten van 29 april 2011 (LJN: BP4012 en BP4003) heeft bevestigd, is het categoriemodel achterhaald, aldus Dexia.

3.5

De grief slaagt. In het categoriemodel worden de betaalde (rente)termijnen steeds beschouwd als schade die voor gedeeltelijke vergoeding in aanmerking komt, ook als de betalingsverplichtingen naar redelijke verwachting geen onaanvaardbaar zware financiële last op de afnemer legden. In de door Dexia genoemde arresten wordt onderscheid gemaakt tussen de reeds betaalde rente en aflossing enerzijds en de restschuld anderzijds. Alleen indien ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomst de betalingsverplichtingen naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op de afnemer legden, komt een deel van de betaalde rente en aflossing voor vergoeding in aanmerking. Daaruit volgt dat steeds vastgesteld moet worden of de leaseovereenkomst een onaanvaardbaar zware financiële last meebracht. Bij de vaststelling daarvan hanteert dit hof een algemene formule, door Dexia aangeduid als het Hofmodel. Voorts heeft dit hof in zijn arresten van 1 december 2009 overwogen dat er geen grond is om in navolging van de kantonrechter bij de vermindering van de vergoedingsplicht van Dexia betalingen gedaan na de zestigste maand van de looptijd van de betrokken overeenkomst anders te benaderen dan eerdere betalingen. Niet kan immers worden gezegd dat schade bestaande in betaalde rente en betaalde aflossingen na de zestigste maand, in mindere mate dan eerder gedane betalingen kan worden toegeschreven aan omstandigheden die aan de wederpartij van Dexia zijn toe te rekenen. Evenmin verplicht de billijkheid tot een andere benadering van zulke betalingen.

3.6

Met grief II betwist Dexia dat de leaseovereenkomsten naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [geïntimeerde sub 1] legden. Dexia betoogt dat de kantonrechter in het bestreden vonnis onder 1.2 ten onrechte heeft vastgesteld dat het netto gezinsinkomen van [geïntimeerden] in het jaar 1998 € 16.243,97 bedroeg en dat [geïntimeerden] in 1998 (na aftrek van schulden) geen vermogen hadden. In eerste aanleg hebben [geïntimeerden], aldus Dexia, alleen een kopie van het aangifteformulier inkomstenbelasting uit 1998 in het geding gebracht, hetgeen niet voldoende is om die rechterlijke vaststelling te rechtvaardigen. Indien [geïntimeerden] in hoger beroep zouden betogen dat er sprake was van een risico op een onaanvaardbaar zware financiële last, is het aan [geïntimeerden] om hun standpunt te staven door bijvoorbeeld een van de belastingdienst te verkrijgen ‘overzicht van biljetten van een proces’ in het geding te brengen of andere informatie waaruit de volledige inkomens- en vermogenspositie van [geïntimeerden] ten tijde van de totstandkoming van de leaseovereenkomsten genoegzaam blijkt, aldus nog steeds Dexia.

3.7

Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden] zich op het standpunt gesteld dat de leaseovereenkomsten naar redelijke verwachting op hen een onaanvaardbaar zware financiële last legden. Zij hebben dit standpunt gemotiveerd met een toepassing van de Hofformule (zie memorie van antwoord onder 6), waarbij zij zijn uitgegaan van een netto maandinkomen in 1998 van f 2.983,08, een NIBUD basisnorm van f 2.370,00 (twee volwassenen en drie kinderen) en een maandlast uit hoofde van de leaseovereenkomsten van (3 x f 203,56 =) f 610,68. Het netto maandinkomen in 1998 hebben [geïntimeerden] met diverse bescheiden onderbouwd.

3.8

Uitgaande van genoemde bedragen legden de leaseovereenkomsten een onaanvaardbaar zware last op [geïntimeerden] Nu Dexia nog niet op de door [geïntimeerden] gehanteerde bedragen en de in het geding gebrachte bescheiden heeft kunnen reageren, zal het hof Dexia in de gelegenheid stellen zich daarover bij akte uit te laten. [geïntimeerden] kunnen hierop vervolgens bij akte reageren.

3.9

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 14 mei 2013 voor het nemen van een akte door Dexia uitsluitend voor het onder 3.8 omschreven doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, M.P. van Achterberg en E.J.H. Schrage en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2013 door de rolraadsheer.