Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:571

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
200.082.902-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Zie ook eindarrest 15 oktober 2013. Koop van auto. Bewijslast ten aanzien van betaling koopsom ten onrechte omgekeerd. Betaling niet bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel en belastingrecht

zaaknummer: 200.082.902/01

zaaknummer rechtbank Alkmaar: 100564

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 januari 2013

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[APPELLANTE],

gevestigd te [plaats],

APPELLANTE in het principaal appel,

GEÏNTIMEERDE in het incidenteel appel,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

t e g e n

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE in het principaal appel,

APPELLANT in het incidenteel appel,

advocaat: mr. K. Meijer te Alkmaar.

Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerde] genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Bij dagvaarding van 3 december 2010 is [appellante] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Alkmaar van 7 mei 2008 (het comparitievonnis), 20 mei 2009 (het tussenvonnis) en 8 september 2010 (het eindvonnis) met het zaaknummer/rolnummer 100564 / HA ZA 08-166, gewezen tussen haar als eiseres in conventie/verweerster in reconventie en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie/eiser in reconventie.

1.2

Bij arrest van 12 april 2011 heeft het hof een comparitie van partijen gelast die is gehouden op 30 juni 2011.

1.3

[appellante] heeft bij memorie tegen het tussenvonnis vier en tegen het eindvonnis zeven grieven aangevoerd, haar eis gewijzigd, producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof deze beide vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar in hoger beroep gewijzigde vordering zal toewijzen en de reconventionele vordering voor zover toegewezen zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

1.4

[geïntimeerde] heeft bij memorie de grieven van [appellante] bestreden, bij wege van incidenteel appel zowel tegen het tussenvonnis als tegen het eindvonnis één grief aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het principaal appel zal verwerpen en in het incidenteel appel de beide vonnissen zal vernietigen, de vorderingen van [appellante] alsnog geheel zal afwijzen en zijn vorderingen, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog integraal zal toewijzen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in beide instanties.

1.5

[appellante] heeft bij memorie de grieven in het incidenteel appel bestreden en geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel appel, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [geïntimeerde] in de kosten ervan, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

2 Beoordeling

2.1.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis onder 2.1 tot en met 2.8 de tussen partijen vaststaande feiten opgesomd. Grief IV in het principaal appel is gericht tegen de vaststelling van de rechtbank onder 2.3. Deze grief komt hierna onder 2.9 aan de orde. Nu voor het overige tussen partijen geen geschil bestaat omtrent de door de rechtbank vastgestelde feiten, zal ook het hof die feiten in zoverre als vaststaand aannemen.

2.2

[appellante] heeft geen grieven gericht tegen het comparitievonnis, zodat zij in zoverre niet kan worden ontvangen in haar hoger beroep.

2.3

Deze zaak gaat, samengevat, over het volgende.

( i) In oktober/november 2003 heeft [geïntimeerde] een hem in eigendom toebehorende bestelbus bij [appellante] in reparatie gegeven. Vervolgens is deze bestelbus van het terrein van [appellante] ontvreemd. [geïntimeerde] heeft op 15 november 2003 aangifte van diefstal gedaan. De diefstalverzekering van [geïntimeerde] heeft een bedrag van € 5.225,-- aan hem uitgekeerd.

(ii) Medio 2004 hebben partijen een overeenkomst gesloten, waarbij [appellante] aan [geïntimeerde] een auto, merk Volkswagen, kenteken [kenteken] (hierna: de Volkswagen), heeft verkocht voor de prijs van € 20.000,-- inclusief btw. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat [geïntimeerde] een deel van de koopsom in 28 termijnen van € 500,-- per maand zou voldaan. [appellante] heeft kentekenbewijs deel III van de Volkswagen onder zich gehouden.

(iii) Bij factuur van 10 augustus 2004 heeft [appellante] de koopprijs van de Volkswagen bij [geïntimeerde] in rekening gebracht. Op de factuur staat vermeld:

“Het geleverde blijft eigendom van Garage Co Borst zolang deze rekening niet geheel voldaan is.”

(iv) [geïntimeerde] heeft een aantal contante betalingen aan [appellante] gedaan. [appellante] heeft daarvoor geen kwitanties afgegeven.

( v) Bij brief van 15 augustus 2007 heeft (de raadsman van) [appellante] [geïntimeerde] in gebreke gesteld omdat deze niet tijdig alle maandtermijnen heeft voldaan en hem gesommeerd tot afgifte van de Volkswagen. Vervolgens heeft [appellante] conservatoir beslag tot afgifte van de Volkswagen gelegd en deze in gerechtelijke bewaring gegeven.

2.4

[appellante] vorderde in eerste aanleg in conventie, samengevat en voor zover nog van belang, verklaring voor recht dat de Volkswagen haar in eigendom toebehoort, afgifte van de Volkswagen en betaling van € 8.300,- als het restant van het aankoopbedrag. Voorts vorderde [appellante] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 14.922,07 ter zake van in opdracht van [geïntimeerde] verricht onderhoud, reparaties, schadeherstel en een apk-keuring.

In reconventie vorderde [geïntimeerde], samengevat, een verklaring voor recht dat het door [appellante] gelegde beslag onrechtmatig is en de opheffing daarvan. Ook vorderde [geïntimeerde] de veroordeling van [appellante] tot betaling van een bedrag van € 7.250,-- ter zake van schadevergoeding wegens het onrechtmatig leggen van beslag en een schadevergoeding ten bedrage van € 4.800,--, volgens [geïntimeerde] het verschil tussen hetgeen de verzekeraar aan hem heeft voldaan als vergoeding voor de gestolen bestelbus en de werkelijke verkoopwaarde daarvan.

2.5

In het tussenvonnis heeft de rechtbank de bewijslast met betrekking tot de betaling van de koopprijs van de Volkswagen omgekeerd en [appellante] toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat [geïntimeerde] nog een bedrag van € 8.300,- verschuldigd is ter zake van de restantkoopprijs van de Volkswagen.

Voor het geval [appellante] in dat bewijs slaagt, heeft de rechtbank [appellante] opgedragen te bewijzen dat zij met [geïntimeerde] een eigendomsvoorbehoud is overeengekomen.

Ten slotte heeft de rechtbank [appellante] opgedragen te bewijzen dat [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven tot het verrichten van de werkzaamheden aan de auto van zijn zoon die ten grondslag liggen aan een drietal facturen.

Aan [geïntimeerde] heeft de rechtbank opgedragen te bewijzen dat hij drie (andere) facturen aan [appellante] heeft betaald.

2.6

Na gehouden getuigenverhoren heeft de rechtbank in het eindvonnis in conventie geoordeeld (rov. 2.5) dat [appellante] er niet in is geslaagd te bewijzen dat [geïntimeerde] het bedrag van € 8.300, onbetaald heeft gelaten waardoor er (rov. 2.6 ) in rechte van uit moet worden gegaan dat [geïntimeerde] de koopprijs heeft voldaan, zodat [appellante] zich niet met succes op een eigendomsvoorbehoud kan beroepen. Zij heeft daarom de door [appellante] gevorderde verklaring voor recht en afgifte van de auto afgewezen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld (rov. 2.9) dat [appellante] niet geslaagd is in het bewijs dat [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven tot de in de facturen 263900, 282098 en 282097 gefactureerde werkzaamheden en daarom die vordering van [appellante] eveneens afgewezen. Verder acht de rechtbank (rov. 2.13) [geïntimeerde] niet geslaagd in het bewijs dat hij de facturen 261529, 263591 en 271229 heeft voldaan. Zij heeft daarom [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van € 1.155,36 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2008.

In reconventie heeft de rechtbank in het eindvonnis overwogen (rov. 2.17) en voor recht verklaard dat het door [appellante] gelegde beslag tot afgifte op de Volkswagen onrechtmatig is. Zij heeft [appellante] veroordeeld ter zake € 2.405,40 als schadevergoeding te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In principaal beroep:

2.7

[geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen de wijziging althans verduidelijking in hoger beroep door [appellante] van haar eis. Dat bezwaar moet reeds worden gepasseerd, omdat gesteld noch gebleken is dat deze verduidelijking in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

2.8

Met grief I komt [appellante] op tegen de omkering van de bewijslast door de rechtbank met betrekking tot de betaling van de koopsom van de Volkswagen.

De rechtbank kwam tot haar oordeel op de grond dat tussen partijen vast stond dat [appellante] betalingen van [geïntimeerde] heeft ontvangen en daarvoor geen kwitanties heeft afgegeven, dat [appellante] een professionele partij is van wie verwacht mag worden dat zij kwitanties afgeeft ingeval van contante betaling door een klant, dat zij verklaard heeft de van [geïntimeerde] ontvangen betalingen in de computer te hebben bijgehouden maar dat ze heeft nagelaten een overzicht van deze betalingen over te leggen, en ten slotte dat een door [appellante] overgelegd overzicht niet bij iedere betaling de hoogte van de betaling vermeldt.

De eerste grief treft doel. Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv draagt de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten, de bewijslast van die feiten. Op [geïntimeerde] rust derhalve in beginsel de last te bewijzen dat hij de koopsom van de auto volledig aan [appellante] heeft voldaan. Dat is alleen dan anders indien uit enige bijzondere regel of uit eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Een bijzondere regel doet zich in dit geval niet voor. Verder is van belang dat de rechter terughoudend dient te zijn met een omkering van de bewijslast op grond van eisen van redelijkheid en billijkheid. In het licht van dat uitgangspunt zijn de door de rechtbank opgesomde feiten en omstandigheden naar het oordeel van het hof niet zodanig klemmend dat daaruit zou voorvloeien dat [appellante] moet bewijzen dat [geïntimeerde] niet alle betalingen heeft verricht. Gelet op de betwisting door [appellante] dient [geïntimeerde] derhalve te bewijzen dat hij het volledige bedrag van de koopsom aan [appellante] heeft voldaan. Dat bewijs volgt niet uit de tot nu toe in het geding gebrachte stukken, ook niet gelezen in samenhang met verklaringen van de in eerste aanleg gehoorde getuigen. [geïntimeerde] heeft in hoger beroep bewijs aangeboden van al zijn stellingen op gelijke wijze als in eerste aanleg. In eerste aanleg heeft hij een drietal getuigen genoemd die zijn stellingen kunnen bevestigen. Het hof zal hem daarom toelaten tot het van hem verlangde bewijs als hierna te doen.

2.9

Gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, heeft [appellante] geen belang bij bespreking van haar grieven IV en V, omdat thans in hoger beroep op [geïntimeerde] de last is komen te liggen betaling van de volledige koopsom te bewijzen.

2.10

De grieven III en VI zijn gericht tegen rechtsoverweging 4.15 van het tussenvonnis dat [appellante] dient te bewijzen dat [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven voor de werkzaamheden die zij bij de facturen met de nummers 263900, 282098 en 282097 bij hem in rekening heeft gebracht en tegen rechtsoverweging 2.9 van het eindvonnis inhoudend dat [appellante] niet is geslaagd in dat bewijs. Aangezien [geïntimeerde] gemotiveerd heeft bestreden dat hij opdracht heeft gegeven voor de werkzaamheden die zijn verricht aan de auto van een zoon van hem, heeft de rechtbank op goede grond [appellante] belast met het bewijs van haar stelling dat [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven voor die werkzaamheden. De rechtbank heeft het door [appellante] bijgebrachte bewijs op juiste wijze gewogen en derhalve ook op goede grond de desbetreffende vordering afgewezen. In hoger beroep heeft [appellante] op dit punt verder bewijs aangeboden door het wederom horen van de getuigen [X] en [Y]. Nu deze getuigen reeds in eerste aanleg zijn gehoord en [appellante] niet heeft gesteld dat dezen in hoger beroep meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij reeds hebben gedaan, gaat het hof aan dat bewijsaanbod voorbij. De derde en zesde grief falen dus.

In incidenteel beroep:

2.11

Met zijn grief I komt [geïntimeerde] op tegen rechtsoverweging 4.14 van het tussenvonnis inhoudend dat op [geïntimeerde] de bewijslast rust van de betaling van de facturen 26529, 263591 en 271229 en rechtsoverweging 2.13 van het eindvonnis inhoudend dat [geïntimeerde] niet in dat bewijs is geslaagd. Niet in geschil is dat [appellante] op goede grond deze factuurbedragen bij [geïntimeerde] in rekening heeft gebracht. Op [geïntimeerde] rust dan de last bewijs van betaling bij te brengen. Voor de door [geïntimeerde] bepleite omkering van de bewijslast is geen plaats. Het hof verwijst naar hetgeen het dienaangaande hiervoor onder 2.8 heeft overwogen. Uit hetgeen [geïntimeerde] in zijn toelichting op deze grief heeft opgemerkt valt niet op te maken dat hij meent dat de rechtbank het door hem bijgebrachte bewijs onjuist heeft gewogen. De eerste grief van [geïntimeerde] slaagt daarom niet.

In principaal en incidenteel beroep:

2.12

Bespreking van de overige grieven en iedere verdere beslissing zullen worden aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

In principaal beroep:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover gericht tegen het comparitievonnis;

laat [geïntimeerde] toe tot bewijs door getuigen dat hij het volledige bedrag van de koopsom van de Volkswagen aan [appellante] heeft voldaan;

bepaalt dat de getuigen zullen worden gehoord door mr. J.H. Huijzer, die te dezen tot raadsheercommissaris wordt benoemd, in één van de zalen van het Paleis van Justitie, Prinsengracht 436 te Amsterdam, op een nader te bepalen dag en tijd;

verwijst de zaak naar de rol van 29 januari 2013 voor uitlating door de advocaat van [geïntimeerde] omtrent verhinderdata van alle betrokkenen op dinsdagen en donderdagen in maart, april en mei 2013;

In principaal en incidenteel beroep:

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. G.J. Visser, mr. R.J.F. Thiessen en mr. J.H. Huijzer, en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 15 januari 2013.