Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:5275

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
01-08-2018
Zaaknummer
23-000158-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

medeplegen van zware mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

GERECHTSHOF AMSTERDAM

parketnummer: 23-000158-13

datum uitspraak: 10 december 2013 TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 7 januari 2013 in de strafzaak onder parketnummer 14-120665-11 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

26 november 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvorderin g, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 29 oktober 2010 te Abbekerk, gemeente Medemblik tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een gebroken jukbeen en/of een gebroken linker oogkas en/of een gebroken neus), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, althans eenmaal (met kracht) in/op/tegen het gelaat, althans op/tegen het hoofd te slaan en/of stompen en/of meermalen, althans eenmaal (met kracht) op/tegen het hoofd, althans het (boven)lichaam te schoppen/trappen;

subsidiair:

hij op of omstreeks 29 oktober 2010 te Abbekerk, gemeente Medemblik met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Zandvoortwijk, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen D.[slachtoffer 1], welk geweld bestond uit:

het meermalen, althans eenmaal stompen en/of slaan in/op/tegen het gelaat, althans op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of

het meermalen, althans eenmaal schoppen en/of trappen op/tegen het hoofd en/of in de zij en/of op/tegen de be(e)n(en) en/of op/tegen de borst, althans op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1];

..

Parketnummer: 23-000158-13 2

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 29 oktober 2010 te Abbekerk, gemeente Medemblik opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), meermalen, althans eenmaal in/op/tegen het gelaat heeft gestompt en/of geslagen en/of meermalen, althans eenmaal op/tegen het hoofd en/of in de zij en/of op/tegen de be(e)n(en) en/of op/tegen de borst heeft geschopt en/of getrapt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 oktober 2010 te Abbekerk, gemeente Medemblik tezamen en in vereniging met een ander, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken jukbeen en een gebroken linker oogkas en een gebroken neus, heeft toegebracht door deze opzettelijk meermalen met kracht tegen het hoofd te stompen en meermalen met kracht tegen het hoofd te schoppen.

Hetgeen primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Nadere bewijsoverweging

Naar het oordeel van het hof is bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit samen en in vereniging met de medeverdachte [medeverdachte] heeft gepleegd.

Getuige [getuige 1] (blz. 49 dossier) heeft verklaard dat zij buiten haar schoonzoon [naam 1] zag staan (de verdachte [verdachte]) naast [medeverdachte] (de medeverdachte). Zij zag dat zij naast [slachtoffer 1] (het slachtoffer [slachtoffer 1]) stonden die op een gegeven moment op de grond terecht kwam waarop de medeverdachte met kracht tegen het lijf van het slachtoffer schopte. Ook verklaart zij (blz. 50 dossier) dat het toen even stopte, dat [medeverdachte] weer op het slachtoffer afliep, dat de laatste nog een paar schoppen van [medeverdachte] kreeg.

Getuige [getuige 2] heeft verklaard (blz. 53 dossier) dat hij zag dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] ([slachtoffer 1]) schopte en sloeg. Hij zag dat [slachtoffer 1] op de grond lag en dat de medeverdachte tegen het lichaam en het hoofd van [slachtoffer 1] schopte. De getuige merkt hierbij op dat hij het slachtoffer niet tegen twee man kon verweren (het hof begrijpt: verdedigen). Ook verklaarde deze getuige dat ze (het hof begrijpt: de verdachte en [medeverdachte]) het slachtoffer helemaal total loss schopten terwijl hij op de grond lag.

De aangever [slachtoffer 1] (blz. 9 dossier) heeft verklaard dat hij een vuistslag in het gezicht had gekregen van de verdachte waardoor hij op de grond is gevallen, en dat hij vervolgens door beide verdachten in elkaar is geschopt.

De verdachte heeft verklaard (blz. 25 dossier) dat het slachtoffer op een gegeven moment in elkaar is gekropen en op de grond is gaan zitten en dat hij het slachtoffer toen nog een paar maal geschopt heeft. De medeverdachte heeft bij de politierechter op 7 januari 2013 verklaard dat hij het slachtoffer heeft geslagen en geschopt.

Het hof is gelet op vorenstaande van oordeel dat de beide verdachten aan het mishandelen van [slachtoffer 1] een substantiële bijdrage hebben geleverd. [slachtoffer 1] heeft daaraan zwaar lichamelijk letsel overgehouden. Naar het oordeel van het hof is dan ook op grond van voornoemde feiten en omstandigheden sprake van een gezamenlijke uitvoering en van een nauwe en bewuste samenwerking van beiden, gericht op de zware mishandeling.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het primair bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van zware mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen en maatregel

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het primair ten laste gelegde veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf waarvan twee maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van voorarrest conform artikel 27 Wetboek van strafrecht, heeft een broek van de verdachte verbeurd verklaard en de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van€ 10.582,93, waarbij de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer 1]. De verdachte is daarbij met zijn mededader op zeer gewelddadige wijze tekeergegaan en het is

hoogstwaarschijnlijk aan de tussenkomst en het ingrijpen van getuige [getuige 2] te danken dat het slachtoffer niet nog ernstiger letsel heeft opgelopen. Het slachtoffer heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard nog steeds last te hebben van zijn kaak, zijn oog en zijn lip. Op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer is grove inbreuk gemaakt. Daarnaast heeft de verdachte met zijn mededader door zijn handelen de openbare veiligheid geschaad, hetgeen tot gevoelens van onrust leidt in de samenleving.

Het hof heeft kennis genomen van het omtrent de verdachte door reclasseringswerker [naam 2]. uitgebrachte reclasseringsadvies van 27 juli 2011

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 november 2013 is de verdachte eerder ter zake van onder meer mishandeling onherroepelijk veroordeeld.

De raadsman heeft het hof verzocht bij oplegging van straf deze strafte matigen gezien de voorgeschiedenis die aan het ten laste gelegde feit ten grondslag ligt, het tijdsverloop en de vrede die er nu in de straat heerst.

Het hof stelt vast dat in vergelijkbare gevallen in het algemeen zes maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.

Gezien de opstelling van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep zal het hof ten voordele van de verdachte hiervan afwijken.

Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM is overschreden. De verdachte is op 30 oktober 2010 in verzekering gesteld. Het vonnis is op 7 januari 2012 gewezen. De hiertussen verlopen tijd bedraagt derhalve ongeveer 14 ½ maand en hiermee is de redelijke termijn als vorenbedoeld overschreden. Het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep, 10 januari 2013, en het wijzen van arrest door het hof is 11 maanden geweest en daarmee is de zaak binnen 37 maanden na aanvang afgedaan. De zaak is derhalve nadat de stukken bij het hof zijn ingekomen voortvarend aangepakt. Gelet hierop zal het hof, alle hiervoor genoemde omstandigheden in aanmerking nemende , volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM is overschreden.

Voor wat betreft de voorgeschiedenis valt uit het dossier afte leiden dat het slachtoffer al geruime tijd voorafgaand aan het delict toenadering tot de vrouw van de verdachte heeft gezocht, hetgeen tot frustratie bij de verdachte heeft geleid. Dat neemt niet weg dat, zoals de verdachte ter zitting bij het hof heeft beaamd, hij de uit de frustratie voortkomende boosheid niet op deze wijze mocht uiten en eigen rechter mocht spelen. Het hof komt ten aanzien van de verdachte tot dezelfde strafoplegging als bij zijn medeverdachte, waarbij is overwogen dat bedoelde voorgeschiedenis opweegt tegen het uitgebreidere strafblad dan dat van zijn medeverdachte.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met betrekking tot het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt€ 10.582,93. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: 1 STK broek.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van€ 9.082,93 (negenduizend tweeëntachtig euro en drieënnegentig cent) bestaande uit € 1.582,93 (duizend vijfhonderdtweeëntachtig euro en drieënnegentig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 9.082,93 (negenduizend tweeëntachtig euro en drieënnegentig cent) bestaande uit € 1.582,93 (duizend vijfhonderdtweeëntachtig euro en drieënnegentig cent) materiële schade en € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. P.C. Römer en mr. H.A. van Eijk, in tegenwoordigheid van mr. 0. Boekraad, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 december 2013.