Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:5236

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
30-06-2014
Zaaknummer
200.111.498/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2012:4194
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kortgeding. Na tussenarrest in dit kortgeding wordt in de bodemzaak een tussenvonnis gewezen, waarin wordt beslist op enkele voor het kort geding relevante punten. In het eindarrest worden alle vorderingen op één na afgewezen op grond van die beslissingen in de bodemzaak. Bedoelde andere vordering wordt ook afgewezen, omdat de betwisting door de oorspronkelijk gedaagde partij van de aan die vordering ten grondslag gelegde stelling naar het oordeel van het hof onvoldoende was weerlegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel en belastingrecht

zaaknummer hof: 200.111.498/01 SKG

zaaknummer/rolnummer rechtbank: 519508/KG ZA 112-836

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 september 2013

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LEMEEY III B.V.,

gevestigd te Voorthuizen,

APPELLANTE,

advocaat: mr. T.S. Jansen te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROMA BEHEER B.V.,

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. J. Hagers te Amsterdam.

Partijen zullen hierna wederom Lemeey en Roma worden genoemd.

1 Het verdere geding in hoger beroep

Het hof heeft op 6 november 2012 en 9 april 2013 tussenarresten gewezen. Voor het verloop van de zaak tot laatstgenoemde datum wordt naar het bewuste tussenarrest verwezen.

Ten vervolge op meerbedoeld tussenarrest heeft Lemeey een akte overlegging productie tevens uitlating na tussenarrest genomen. Roma heeft daarop met een akte uitlating tussenarrest gereageerd.

Daarop is wederom arrest gevraagd.

2 De verdere beoordeling van het geschil

2.1

De rechtbank heeft haar tussenvonnis van 27 februari 2013 in de gevoegde bodemzaken tussen, enerzijds, Roma als eisende partij tegen Lemeey en, anderzijds, Lemeey als eisende partij tegen Roma, als volgt inhoudelijk afgesloten:

“Na het voorgaande is de stand van zaken aldus, dat de opeisbare vordering van Roma ook de hoofdsommen van de leningen omvat (…), maar dat Lemeey zich ten belope van de door haar - in de zaak Lemeey - in rechte ingestelde vorderingen op opschorting kan beroepen totdat in de zaak Lemeey is beslist. Nu laatstgenoemde vorderingen de vorderingen van Roma inmiddels overtreffen, is het lot van de vorderingen van Roma thans dan ook afhankelijk van hetgeen in de zaak Lemeey zal worden beslist.”

Dit oordeel in de bodemzaak brengt met zich dat de primaire vordering, de subsidiaire vordering, de meer subsidiaire vordering en de meer meer subsidiare vordering sub b (zie het tussenvonnis van 6 november 2012 sub 4.2) alle afgewezen dienen te worden. Het gaat hier immers steeds om vorderingen tot betaling van een geldsom, aan toewijzing waarvan het in de geciteerde overweging bedoelde opschortingsrecht van Lemeey voorshands in de weg staat. Voor de goede orde: de rechtbank heeft in de zaak Lemeey (zoals bedoeld door de rechtbank de hiervoor aangehaalde overweging) nog niet beslist.

2.2

Resteert de meer meer subsidiaire vordering sub a. Daarin vordert Roma dat een zodanige voorziening wordt getroffen dat alsnog wordt voldaan aan de in artikel 4.1 onder c van de Vendor Loan gestelde eis van het aanhouden (door Lemeey) van een eigen vermogen van minimaal € 5.000.000,-. Lemeey heeft betwist dat aan bedoelde eis door haar niet zou zijn voldaan. Na het tussenarrest van 6 november 2012 heeft Lemeey die betwisting bij haar akte van 20 november 2012 nader geadstrueerd. Het hof acht meerbedoelde betwisting niet afdoende weerlegd door de reactie daarop van Roma in haar akte van 4 december 2012. Dit betekent dat ook vorenbedoelde vordering niet toewijsbaar is.

2.3

In het licht van het voorgaande bestaat geen aanleiding tot het treffen van enige andere voorziening. Anders gezegd: ook de meest subsidiaire vordering zal worden afgewezen.

2.4

Een en ander leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot alsnog afwijzing van alle vorderingen van Roma, met veroordeling van haar in de kosten van beide procedures.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep;

wijst de vorderingen van Roma alle af;

veroordeelt Roma in de kosten van de eerste aanleg, aan de zijde van Lemeey begroot op € 3.621,- aan verschotten en € 2.448,- aan salaris, te vermeerderen met wettelijke rente indien Roma die kosten niet binnen veertien dagen na datum van dit arrest zal hebben voldaan;

veroordeelt Roma in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Lemeey tot op heden begroot op € 4.912,17 aan verschoten en € 18.320,- aan salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente indien Roma die kosten niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest zal hebben voldaan;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Goslings, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en J.W. Hoekzema en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 17 september 2013.