Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:5190

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
06-05-2014
Zaaknummer
23-000691-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte door binnentreden niet in enig gerechtvaardigd belang geschaad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-000691-10

datum uitspraak: 20 december 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 25 januari 2010 in de strafzaak onder de parketnummers 15-710114-09 en 15-710303-07 (TUL) tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
15 januari 2013 en 6 december 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2008 tot en met 9 februari 2009 te Haarlem (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in een pand aan de [straatnaam 1]) een hoeveelheid van ongeveer 45 hennepstekken, althans een groot aantal delen van een hennepplant(en), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde (telkens) hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2008 tot 3 februari 2009 te Haarlem (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in een pand aan de [straatnaam 2]) ongeveer 64 hennepstekken, althans een groot aantal delen van (een) hennepplant(en), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde (telkens) hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3:
hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2008 tot en met 3 februari 2009 te Haarlem (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (een) woning(en) gelegen aan de [straatnaam 2] en/of de [straatnaam 1] heeft weggenomen een hoeveelheid stroom/elektriciteit, in elk geval enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan het bedrijf Liander (onderdeel van Alliander), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een gedeeltelijk andere beslissing en tot een andere bewijsmotivering komt dan de door de eerste rechter gebezigde.

Vrijspraak

Onder 3 is de verdachte diefstal van elektriciteit voor de hennepplantages aan de [straatnaam 2] en de [straatnaam 1] te Haarlem ten laste gelegd. De aangiftes van Liander van 19 maart 2009 (zie nagekomen proces-verbaal [straatnaam 2] Haarlem, ongenummerd) en ongedateerd (zie nagekomen proces-verbaal [straatnaam 1] Haarlem, ongenummerd), die elk één adres betreffen, moeten worden beschouwd als andere geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het wetboek van strafvordering. Een dergelijk geschrift kan alleen in verband met andere bewijsmiddelen voor het bewijs worden gebruikt. Nu er geen aanvullend bewijs is met betrekking tot de diefstal van elektriciteit met betrekking tot elk van de locaties, is er onvoldoende wettig bewijs en zal de verdachte worden vrijgesproken van dit ten laste gelegde feit.

Bespreking van de verweren

Binnentreden

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat er onrechtmatig is binnengetreden in de woningen van [betrokkene] ([straatnaam 2] in Haarlem) en Mieloo ([straatnaam 1] in Haarlem), nu er geen redelijk vermoeden als bedoeld in artikel 9 van de Opiumwet jo. de Algemene Wet op het Binnentreden was.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Nu de betreffende woningen niet door de verdachte werden bewoond, strandt het verweer van de raadsman reeds daarom. Daargelaten of het binnentreden rechtmatig is geweest, is de verdachte door het binnentreden niet in enig gerechtvaardigd belang – zijn huisvrede – geschaad. Het verweer zal daarom worden verworpen.

Salduz

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de verklaring die de verdachte op 9 februari 2009 heeft afgelegd bij de politie niet voldoet aan de vereisten die in de Salduz-jurisprudentie zijn gesteld. Deze verklaring zal daarom worden uitgesloten van het bewijs.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij in de periode van 1 november 2008 tot en met 9 februari 2009 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [straatnaam 1] een hoeveelheid van ongeveer 45 hennepstekken, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2:
hij in de periode van 1 oktober 2008 tot 3 februari 2009 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [straatnaam 2] ongeveer 64 hennepstekken, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met een proeftijd van twee jaren, alsmede een geldboete ter hoogte van 1000 euro (subsidiair 20 dagen hechtenis), en heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van één maand gevangenisstraf toegewezen.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete ter hoogte van 750 euro, en tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tezamen met een ander aanwezig hebben van twee hennepplantages. Hennepteelt is een ernstig strafbaar feit, omdat hennep gezondheidsrisico’s voor gebruikers kan opleveren en hennepteelt vaak gepaard gaat met verschillende andere vormen van criminaliteit.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 3 december 2013 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden. Het hof zal geen voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, nu het feit al lang geleden is gepleegd en de verdachte sindsdien niet opnieuw in aanraking is gekomen met politie of justitie voor soortgelijke strafbare feiten.

Het hof houdt bij de op te leggen straf rekening met de overschrijding van de redelijke termijn, waarbinnen berechting behoort plaats te vinden, nu de beslissing in deze strafzaak in hoger beroep lang op zich heeft laten wachten. Zonder overschrijding van deze redelijke termijn zou het hof tot oplegging van een geldboete van 1000 euro zijn gekomen. Het hof zal nu, gelet op de schending van de redelijke termijn in hoger beroep, echter een lagere geldboete opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 23, 24c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Politierechter te Haarlem van 28 maart 2008 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Op grond van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop, zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Haarlem van 4 januari 2010, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Haarlem van 28 maart 2008, parketnummer 15-710303-07, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen, mr. H.W.J. de Groot en mr. P.C. Römer, in tegenwoordigheid van mr. L. de Jong, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 december 2013.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]