Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:5188

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-12-2013
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
23-001235-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling verklaringen getuigen bij inrijden op een persoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-001235-12

datum uitspraak: 16 december 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Alkmaar van 2 maart 2012 in de strafzaak onder parketnummer 14-269923-11 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

2 december 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 11 juli 2010 te Zwaag, gemeente Hoorn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet één of meermalen (met een auto) met hoge snelheid achteruit te rijden, richting die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op of omstreeks 11 maart 2011 te Hoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon van het merk Blackberry 9780, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte die [slachtoffer 2] één of meermalen bij haar haren heeft gepakt en/of één of meermalen (met kracht) haar gezicht tegen de grond heeft geslagen;

3.
hij op of omstreeks 19 maart 2011 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een (slaapkamer)raam, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door een steen tegen/door dat (slaapkamer)raam te gooien;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot een andere strafoplegging en motivering daarvan dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 11 juli 2010 te Zwaag, gemeente Hoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met een auto met hoge snelheid achteruit heeft gereden, richting die [slachtoffer 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
hij op 11 maart 2011 te Hoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een telefoon van het merk Blackberry 9780, toebehorende aan [slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en hierin bestond dat verdachte die [slachtoffer 2] bij haar haren heeft gepakt;

3.
hij op 19 maart 2011 te Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een slaapkamerraam, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield door een steen door dat slaapkamerraam te gooien.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bespreking van bewijsverweren ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

De raadsman van de verdachte heeft, kort gezegd, aangevoerd dat dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] en getuige [getuige] bij de rechter-commissaris hun eerdere verklaringen bij de politie in een ander daglicht hebben gezet. Zo blijkt dat [slachtoffer 1] bij die gelegenheid anders heeft verklaard en dat zij dit incident zou hebben aangegrepen om haar verhaal te doen over te hard rijdende auto’s bij haar in de buurt. Uit de verklaring van [getuige] bij de rechter-commissaris blijkt dat die [getuige] eigenlijk niets zou hebben gezien. Voorts zou daaruit blijken dat [slachtoffer 1] ‘van een mug een olifant maakt’. Gelet op het voorgaande is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden en dient de verdachte daarom te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft in haar aangifte verklaard dat, naar later bleek, de verdachte tweemaal hard achteruit is gereden in haar richting, waarbij zij steeds meer toeren en slippende banden hoorde. Zij moest telkens wegspringen om niet geraakt te worden. Wat er ook zij van de stelling van de verdediging dat [slachtoffer 1] ‘van een mug een olifant zou maken’ en dit incident zou hebben aangegrepen om haar verhaal te doen over te hard rijdende auto’s bij haar in de buurt, haar verklaring wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige]. Zij heeft overeenkomstig [slachtoffer 1] verklaard, met dit verschil dat zij heeft waargenomen dat [slachtoffer 1] de eerste keer opzij is gestapt en de tweede keer echt opzij moest springen. In beide gevallen was dit echter noodzakelijk om een aanrijding te voorkomen.

Dat [slachtoffer 1] bij haar verhoor bij de rechter-commissaris op 27 augustus 2013 slechts heeft verklaard over eenmaal achteruit rijden, acht het hof niet vreemd, gelet op het inmiddels ingetreden tijdsverloop van ongeveer 3 jaar. Het verweer dat [getuige] eigenlijk niets heeft gezien mist feitelijke grondslag; bij de rechter-commissaris heeft zij slechts verklaard zich niet meer precies te kunnen herinneren hoe een en ander is gegaan. Ook hier is sprake van een ingetreden tijdsverloop van ongeveer 3 jaar, zodat het hof dit evenmin vreemd acht. Evenmin kan enkel op basis van een situatieschets van [getuige] worden aangenomen dat die [getuige] niet kan hebben gezien wat de afstand tussen de auto en [slachtoffer 1] is geweest.

Gezien het voorgaande ziet het hof daarom geen aanleiding om aan de verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige], afgelegd ten overstaan van de politie, te twijfelen, zodat het deze zal bezigen voor het bewijs. Deze verklaringen vinden verder steun in de verklaring die de getuige [slachtoffer 2], waar zij heeft verklaard dat de verdachte vol gas achteruit is gereden. Dat getuige [slachtoffer 2] niet zou hebben verklaard dat de verdachte op aangeefster [slachtoffer 1] is ingereden, zoals ook door de raadsman aangevoerd, kan daaraan niet afdoen.

Uit de uiterlijke gedragingen, zoals deze blijken uit de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaringen van [getuige] en [slachtoffer 2] bij de politie, leidt het hof af dat de verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij die [slachtoffer 1].

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De raadsman van de verdachte heeft, kort gezegd, aangevoerd dat niet blijkt dat de verdachte het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van de telefoon van aangeefster [slachtoffer 2] heeft gehad. Bovendien blijkt niet dat de verdachte geweld heeft toegepast om de diefstal van die telefoon voor te bereiden of te vergemakkelijken. De verdachte dient daarom van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2013 heeft de verdachte verklaard dat hij de telefoon van aangeefster [slachtoffer 2] uit haar handen wilde pakken toen hij zag dat zij contacten daarin aan het verwijderen was. Kennelijk wilde de verdachte dit doen met het doel om te controleren met wie zij zoal contact had gehad. Daarmee heeft de verdachte als heer en meester over die telefoon willen beschikken en is het voor een bewezenverklaring noodzakelijk opzet aldus gegeven. Uiteindelijk heeft hij de telefoon ook daadwerkelijk weggenomen, toen deze – naar zijn zeggen – op de grond lag.

Uit de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] blijkt verder dat de verdachte geweld heeft toegepast ter voorbereiding en vergemakkelijking van die diefstal. Toen de verdachte om de telefoon van [slachtoffer 2] vroeg en zij deze niet wilde geven, begon de verdachte aan haar haren te trekken, zo heeft zij verklaard. Gezien die situatie, was dit naar het oordeel van het hof kennelijk met het doel om deze telefoon alsnog te bemachtigen. De verdachte heeft overigens ter terechtzitting in hoger beroep ook verklaard dat hij [slachtoffer 2] op een gegeven moment bij de haren heeft vastgepakt.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Alkmaar heeft de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder in beschouwing genomen dat de verdachte tot tweemaal toe met een auto op aangeefster [slachtoffer 1] is ingereden. [slachtoffer 1] mag van geluk spreken dat zij de auto waarin verdachte reed telkens kon ontwijken, anders had zij aan dit incident ernstig letsel over kunnen houden.

Verder heeft de verdachte de telefoon van aangeefster [slachtoffer 2] weggenomen, waarbij hij de toepassing van geweld niet heeft geschuwd. Buiten het feit dat hij daarmee een inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van die [slachtoffer 2], heeft hij ook haar lichamelijke integriteit daardoor geschonden.

Tot slot heeft de verdachte een steen door een slaapkamerruit gegooid, terwijl aangeefster [slachtoffer 2] zich op dat moment met een vriendinnetje in die slaapkamer bevond. Wat er ook zij van de verklaring van de verdachte dat hij in de veronderstelling verkeerde dat die [slachtoffer 2] zich op dat moment niet in de slaapkamer bevond, omdat hij haar even daarvoor nog op straat had zien lopen, dit neemt niet weg dat zich op dat moment ook andere personen in die kamer hadden kunnen bevinden, die door de steen of rondvliegend glas gewond hadden kunnen raken. Ook door dit handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 november 2013 is de verdachte eerder voor misdrijven onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Het voorwaardelijke deel van deze gevangenisstraf dient de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten.

Voor oplegging van een andere straf of een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de verdediging is verzocht, is naar het oordeel van het hof geen plaats, gezien de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten. De huidige situatie van de verdachte (hij heeft verklaard dat hij werkt bij zowel zijn vader als moeder en zo nu en dan een klusje doet in de bouw en dat hij veelvuldig verblijft bij zijn vriendin, die op zichzelf woont) geeft daartoe evenmin voldoende aanleiding.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 63, 302, 312 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.C.P. Haentjens, mr. F.A. Hartsuiker en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van mr. M. Goedhart, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 december 2013.

Mr. R.C.P. Haentjens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]