Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:5074

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
22-04-2014
Zaaknummer
23-005403-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak zware mishandeling, geweld niet wederrechtelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 23-005403-12

Datum uitspraak: 24 december 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 14 december 2012 in de strafzaak onder de parketnummers 15-128711-11 en 14-701539-09 (TUL) tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

13 december 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 30 januari 2011 te Krommenie, gemeente Zaanstad aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een enkelfractuur), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht) met de (geschoeide) voet tegen de enkel, in elk geval het (onder)been te schoppen en/of trappen;

subsidiair:
hij op of omstreeks 30 januari 2011 te Krommenie, gemeente Zaanstad opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), (met kracht) met de (geschoeide) voet tegen de enkel, in elk geval het (onder)been heeft geschopt en/of getrapt, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een enkelfractuur), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis.

Vrijspraak

Primair ten laste gelegde

Naar het oordeel van het hof is, evenals door de politierechter is beslist en door de advocaat-generaal thans gevorderd, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken. Immers kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen door het op hem toegepaste geweld.

Subsidiair ten laste gelegde

Omtrent de feitelijke toedracht van het geweld dat op het slachtoffer, [slachtoffer], is toegepast, overweegt het hof als volgt.

In de vroege ochtend van 30 januari 2011 (omstreeks 02.00 uur) is de verdachte samen met een aantal personen, waaronder [betrokkene] in een café in Krommenie. In het café wordt de bril van [betrokkene] van zijn gezicht geslagen door één van de vrienden van het slachtoffer. Buiten het door hen bezochte café ontstaat kort nadien een conflict tussen die [betrokkene], het slachtoffer en vrienden van het slachtoffer. Vanaf dat moment lopen de verklaringen zoals deze zich in het dossier bevinden en ter terechtzitting in

hoger beroep zijn afgelegd, uiteen.

Het hof vindt enerzijds voor de verklaring van het slachtoffer waarin hij verklaart dat de verdachte op het been van het slachtoffer zou zijn gesprongen terwijl deze op de grond lag, onvoldoende steun in het dossier. Hoewel de portier [getuige 1], die in zijn eerste verklaring verklaart dat hij een sprong heeft gezien, wordt deze verklaring door het hof niet voor het bewijs gebruikt nu de portier in een latere verklaring verklaart dat hij het geweldsincident niet zelf heeft waargenomen maar slechts van anderen heeft gehoord wat er zou zijn gebeurd. Het hof betrekt hier tevens bij dat [getuige 2] heeft verklaard dat het slachtoffer direct na het incident tegen hem heeft gezegd dat de verdachte hem had geschopt.

Het hof is anderzijds van oordeel dat de verklaringen die de verdachte bij de politie en ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, wel worden ondersteund door de verklaring van zijn vriendin, [getuige 3] en op onderdelen door de verklaring van [betrokkene], zoals ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd.

Hieruit is af te leiden dat [betrokkene] in dat conflict door toedoen van de verdachte (half) op de grond terecht is gekomen en dat het slachtoffer min of meer boven op hem, [betrokkene], lag. De verdachte heeft, nadat hij hierop door [getuige 3] attent was gemaakt, vervolgens [betrokkene] bij/onder het slachtoffer weggetrokken. Terwijl de verdachte al doende was en [betrokkene] een paar meter had weggetrokken, heeft het slachtoffer, die zich nog in de nabijheid van de verdachte en [betrokkene] bevond, een beweging in de richting van de verdachte en [betrokkene] gemaakt.

Naar het oordeel van het hof is in die beweging van het slachtoffer minst genomen een onmiddellijke dreigend gevaar gelegen temeer nu het slachtoffer onmiddellijk daarvoor met [betrokkene] in fysiek conflict was geraakt, hetgeen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding kan opleveren. Nu de verdachte zijn vriend [betrokkene] nog steeds vasthield en wellicht zelfs nog wegtrok en het slachtoffer van zeer korte afstand op zich af zag komen, is naar het oordeel van het hof sprake van een noodzakelijke verdediging.

De verdachte heeft deze ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding tegen hem en [betrokkene] afgeweerd door een schoppende beweging richting het slachtoffer te maken. Het hof is van oordeel dat dit verdedigingsmiddel geboden was tegen de aanranding en in redelijke verhouding stond tot die aanranding. De verdachte kon ten tijde van de schop immers zijn handen niet als afweermiddel gebruiken omdat hij [betrokkene] nog vast had. Dat de schop dermate ongelukkig terecht is gekomen, dat het enkelgewricht van het slachtoffer is gebroken, doet aan dit oordeel niet af.

Nu sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen een noodzakelijke verdediging geboden was, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat het door de verdachte gebezigde geweld, wederrechtelijk is toegepast. Derhalve dient de verdachte te worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde.

Vordering tenuitvoerlegging

Het Openbaar Ministerie heeft op 24 oktober 2012 een vordering tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 20 maart 2012 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, aanhangig gemaakt. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Evenals de rechtbank, is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu de vordering niet conform artikel 14g, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, binnen drie maanden na het verstrijken van de proeftijd is ingediend.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.500,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het primair en subsidiair ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijk opgelegde straf

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 14-701539-09.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. J.H.C. van Ginhoven en mr. A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. S.P.H. Brinkman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 december 2013.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]