Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:5039

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
22-04-2014
Zaaknummer
23-002445-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Invoer cocaïne, niet opzettelijk wel onzorgvuldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 23-002445-12

Datum uitspraak: 20 december 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem van 24 mei 2012 in de strafzaak onder parketnummer 15-800195-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats]op [geboortedatum] 1960,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

20 december 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 februari 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring, kwalificatie en strafoplegging dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de verdachte willens en wetens cocaïne Nederland heeft binnengebracht nu niet is komen vast te staan dat de winkel Toko Pikant op de luchthaven Zanderij te Paramaribo verdovende middelen uitgeeft. Hij betrekt voorts bij zijn standpunt, dat de wijze van verkrijging van het vliegticket door de verdachte middels een zogenaamd spaarsysteem bij het reisbureau hem niet geloofwaardig voor komt. Derhalve vordert de advocaat-generaal bevestiging van het vonnis waarvan beroep.

De raadsman van de verdachte heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken wegens gebrek aan overtuigend bewijs dat hij opzettelijk de drugs heeft meegenomen. Weliswaar is een passagier verantwoordelijk voor zijn bagage maar in dit geval is sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat vrijspraak dient te volgen.

Het hof is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk cocaïne Nederland heeft ingevoerd. Het relaas van de verdachte met betrekking tot het doel van zijn reis naar Suriname, de wijze waarop hij zijn ticket heeft gekocht alsmede de (wijze van) aankoop van de siroop en de drie blikken bier op de luchthaven van Paramaribo heeft weliswaar tot vele vragen geleid, die deels onbeantwoord zijn gebleven, maar alles welbeschouwd acht het hof het uiteindelijk niet zo onaannemelijk dat het zondermeer terzijde kan worden gesteld.

Ook acht het hof niet bewezen dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij door medebrenging van die siroop en dat bier cocaïne binnen het grondgebied van Nederland zou brengen.

Een reiziger is echter verantwoordelijk voor de bagage die hij vervoert en dient zich er derhalve van te vergewissen dat zich in deze bagage geen ontoelaatbare goederen bevinden. De verdachte heeft op het vliegveld Zanderij te Suriname volgens zijn eigen verklaring zoals op 17 februari 2012 tegenover de Koninklijke Marechaussee door hem afgelegd, onder meer een fles Markoesa siroop gekocht, omdat hij deze siroop in Nederland niet kan kopen. Op de aangetroffen fles staat echter vermeld dat het om zeer gangbare aardbeien siroop zou gaan. De verdachte had in dit geval extra opmerkzaam moeten zijn, nu hij van de betreffende winkel een ander product ontving dan waar hij om had gevraagd en het lag onder deze omstandigheid op de weg van de verdachte om (ook) de (andere) producten die hij had gekocht te controleren. Door dit onderzoek na te laten ondanks het genoemde signaal heeft de verdachte in verwijtbare mate onzorgvuldig gehandeld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 17 februari 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank Haarlem heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich, door te handelen als hierboven weergegeven, schuldig gemaakt aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne. De verdachte treft het verwijt dat hij verregaand onvoorzichtig heeft gehandeld, als gevolg waarvan deze aanmerkelijke hoeveelheid van een voor de volksgezondheid schadelijk middel in Nederland is ingevoerd.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 december 2013 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld, maar niet ter zake van soortgelijke strafbare feiten.

Het hof acht, alles afwegende, een hechtenis van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot hechtenis voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de hechtenis, groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde hechtenis in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.D.L. Nuis, mr. J.W.H.G. Loyson en mr. J.K.M. Gevers, in tegenwoordigheid van mr. S.M. van Zanten, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 december 2013.

mr. J.K.M. Gevers en mr. S.M. van Zanten zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...][...][...]

[...]

[...][...][...]

[...]

[...][...]

[...][...][...][...]

[...]