Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4991

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
200.121.330/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Samenwonen in de zin van artikel 1:160 BW komt niet vast te staan. Bewijsaanbod wordt gepasseerd. Behoefte van de vrouw aan de hand van een behoeftelijst. Het hof houdt rekening met de keuze van de man om minder te gaan werken.

Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de wettelijke termijn van twaalf jaren, zoals opgenomen in artikel 1:157 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek en de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud in duur te beperken, zoals door de man is verzocht.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 160, geldigheid: 2014-01-28
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157, geldigheid: 2014-01-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 15 oktober 2013

Zaaknummer: 200.121.330/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 466555 / FA RK 10-6564 JG SV (hoofdzaak)

476375 / FA RK 10-10126 JG SV (verdeling)

Uitspraak van de meervoudige familiekamer in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. L. Berghuis-Knijff te Utrecht,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. E.K.E. van Herk te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep, worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 5 februari 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 7 november 2012 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 466555 / FA RK 10-6564 JG SV (hoofdzaak) en 476375 / FA RK 10-10126 JG SV (verdeling).

1.3.

De man heeft op 18 maart 2013 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld, welk incidenteel appel zich tevens richt tegen een gedeelte van de (tussen)beschikking van 27 april 2011 van de Rechtbank Amsterdam, met kenmerk 466555 / FA RK 10-6564 (MN CH) en 476375 / FA RK 10-10126 JG SV (verdeling).

1.4.

De vrouw heeft op 1 mei 2013 een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 16 mei 2013 nadere stukken ingediend. De man heeft op 17 mei 2013 een nader stuk ingediend.

1.6.

De zaak is op 29 mei 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

1.8.

De man heeft op 12 juni 2013 een brief aan het hof gezonden met het verzoek uitstel van een week te verlenen voor het indienen van stukken, welk uitstel de man is toegestaan. Daarna heeft de man, zoals afgesproken bij de behandeling ter terechtzitting, nog stukken aan het hof toegezonden, bij het hof inkomen op 18 juni 2013. De vrouw heeft daarvan afschriften ontvangen en zij heeft daarop bij faxbericht van 20 juni 2013 gereageerd.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn[in] 1993 in gemeenschap van goederen gehuwd. Hun huwelijk is op 4 juli 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 27 april 2011 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] [in] 1999 (hierna: [kind a]), […] [in] 2001 (hierna: [kind b]) en […] [in] 2002 (hierna: [kind c]) (hierna gezamenlijk: de kinderen). Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. Zij verblijven bij de vrouw.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.2.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1965. Zij vormt met de kinderen van partijen een eenoudergezin.

Zij heeft sinds 2001 een eenmanszaak, […]. Blijkens de winst- en verliesrekening over 2007 en 2008 bedroeg het resultaat dat jaar respectievelijk € 785,- en € 3.240,- negatief. In 2009 bedroeg het resultaat € 2.926,- en in 2010 € 1.122,- negatief.

2.3.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1963. Hij vormt samen met zijn nieuwe partner, met wie hij [in] 2013 is getrouwd, een huishouden.

De man is directeur grootaandeelhouder van […] (hierna: de BV). De BV van de man participeert in het […] (hierna: [coöperatie]), voorheen een naamloze vennootschap en thans een coöperatie. De omzet van de BV wordt goeddeels gevormd door de managementvergoeding die de BV ontvangt van het [coöperatie] voor de door de man verrichte diensten.

Blijkens de door de man bij brief van 18 juni 2013 overgelegde brief van BDO Audit & Assurance B.V. d.d. 14 juni 2013 is in de jaren 2009, 2010, 2011 en 2012 aan de BV. een managementvergoeding uitgekeerd van respectievelijk € 420.551,-, € 333.907,-, € 437.419,- en € 495.740,-. De managementvergoeding over 2013 is pas begin 2014 bekend.

Blijkens de door de BV aan de man verstrekte jaaropgaven over 2009, 2010, 2011 en 2012 bedroeg zijn fiscaal loon in die jaren respectievelijk € 202.193,-, € 202.282,-, € 156.709,- en € 157.324,-.

Aan kale huur betalen de man en zijn partner € 2.300,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 159,- per maand. Het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden bedraagt € 175,- per jaar (gegevens 2011).

De premie lijfrente bedraagt € 167,- per maand.

De premie arbeidsongeschiktheidsverzekering bedraagt € 722,- per maand.

De omgangskosten bedragen € 90,- per maand aan reiskosten en € 120,- per maand aan verblijfskosten.

De kinderalimentatie bedraagt € 600,- per kind per maand.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking van 27 april 2011 van de rechtbank Amsterdam is – voor zover van belang – bepaald dat de behandeling omtrent de partneralimentatie pro forma wordt voortgezet op 11 juli 2011, in afwachting van de in rechtsoverweging 4.7.4. van de beschikking genoemde stukken.

Bij de bestreden beschikking van 7 november 2012 van de rechtbank Amsterdam is – voor zover van belang – bepaald dat de man € 2.229,- bruto per maand zal betalen aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud met ingang van de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, bij vooruitbetaling te voldoen.

Deze beschikkingen zijn gegeven op het zelfstandige verzoek van de vrouw onder meer te bepalen dat de man, vanaf de dag dat de beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud dient te betalen een bedrag van € 8.000,- bruto maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen en voorts op het verzoek van de man het alimentatieverzoek van de vrouw af te wijzen, althans af te wijzen voor zover dit een bedrag van € 1.971,- bruto per maand te boven gaat, met dien verstande dat de beslissing op het alimentatieverzoek van de vrouw een voorlopig karakter zal hebben tot de verdeling van de gemeenschap tussen partijen heeft plaatsgevonden en dat eerst daarna definitief op dat verzoek zal worden beslist.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking van 7 november 2012 in zoverre, te bepalen dat de man met ingang van de datum echtscheiding, althans met ingang van een door het hof vast te stellen datum, een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw zal voldoen van € 8.000,- bruto per maand, althans een zodanig hoger bedrag dan het bedrag van € 2.229,- bruto per maand als het hof juist acht.

3.3

De man verzoekt in principaal appel de vrouw in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door haar in hoger beroep verzochte af te wijzen, althans om een eventuele alimentatieverplichting hoger dan € 2.229,- per maand niet met terugwerkende kracht tot de datum ontbinding huwelijk in te laten gaan.

In incidenteel appel verzoekt de man om de bestreden beschikkingen te vernietigen voor zover hij daartegen grieven heeft gericht, en, in zoverre opnieuw rechtdoende, te verklaren voor recht dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw is geëindigd met ingang van 4 juli 2011, althans alsnog het alimentatieverzoek van de vrouw af te wijzen, alsmede/althans enige alimentatieverplichting jegens de vrouw in duur te beperken tot 1 november 2014, althans per die datum op nihil te stellen, in alle gevallen met bepaling dat de vrouw de op grond van de door het hof te geven beschikking (eventueel) onverschuldigd door de man betaalde alimentatie aan hem dient terug te betalen, binnen veertien dagen na de dagtekening van de beschikking van het hof, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de verzuimdatum tot die der algehele voldoening, een en ander met bekrachtiging van de aangevallen beschikking voor het overige, voor zover die nog niet in kracht van gewijsde is gegaan.

3.4.

De vrouw verzoekt de man in zijn incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren althans het door hem in incidenteel appel verzochte af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

In principaal en incidenteel appel

4.1.

Het hof zal eerst het meest verstrekkende verweer van de man bespreken.

De man stelt zich primair op het standpunt dat de vrouw van juni 2010 tot september 2012 heeft samengewoond met […] (hierna: [x]), waardoor zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijks is geëindigd. De man voert hiertoe – samengevat – aan dat [x] in juni 2010 verhuisd is van België naar […], op circa een kilometer afstand van de woning van de vrouw. [x] verbleef vier dagen per week of meer bij de vrouw in huis, zowel overdag als ’s nachts en at vaak mee. De kinderen gingen regelmatig bij [x] eten en bleven bij hem overnachten. Daarnaast verrichtte [x] onderhoudswerkzaamheden aan de woning en de tuin van de vrouw en hij hielp mee in het huishouden. Er zijn meubels van [x] naar de woning van de vrouw overgebracht en ook de poes van [x] heeft in de woning van de vrouw verbleven. [x], de vrouw en de kinderen zijn op wederzijdse familiedagen gezamenlijk aanwezig geweest en zij zijn samen op vakantie geweest in de jaren 2010, 2011 en 2012. [x] heeft een belangrijke rol in het leven van de vrouw en de kinderen vervuld en hij heeft de kinderen (mede) opgevoed. De beëindiging van de relatie en het afscheid van [x] heeft een enorme impact gehad op de kinderen. Op grond van het voorgaande is de relatie van de vrouw met [x] aan te merken als een relatie in de zin van artikel 1:160 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Aan alle criteria van genoemd artikel is voldaan, te weten een affectieve relatie van duurzame aard, samenwonen, wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding.

Subsidiair is de man van mening dat de vrouw in genoemde periode een relatie heeft gehad, die tot een aanzienlijke kostenbesparing aan haar zijde heeft geleid, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk. Hij biedt uitdrukkelijk bewijs aan van zijn stelling dat de vouw met [x] heeft samengewoond zoals bedoeld in artikel 1:160 BW door middel van het horen van getuigen en/of het overleggen van verklaringen van buren of kennissen.

4.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Zij heeft – samengevat – aangevoerd dat [x] weliswaar naar Friesland verhuisde om hun relatie een kans te geven, maar dat niet werd samengewoond en dat daartoe ook geen plannen waren. Dit hing onder meer samen met het feit dat de vrouw in de echtscheidingsprocedure met de man was verwikkeld en zij zichzelf de tijd wilde geven om deze traumatische gebeurtenis een plaats in haar leven te geven. Zij heeft ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat zij tijdens de relatie met [x] hebben gesproken over samenwonen, maar dat het eerste jaar van de relatie voornamelijk gericht was op elkaar leren kennen. Daarnaast was de relatie tussen [x] en [kind a] niet optimaal en zag de vrouw na twee jaar geen heil meer in het idee om te gaan samenwonen. De affectieve relatie met [x] bracht met zich dat zij, al dan niet met de kinderen, gezamenlijk activiteiten ondernamen en zich daarbij presenteerden als stel. [x] heeft echter nooit de rol van vader van de kinderen op zich genomen. Hij heeft nooit de kinderen naar school gebracht. Wel kwam hij langs als de kinderen thuis waren en bleef hij af en toe, een tot twee nachten per week, logeren en gingen de kinderen af en toe bij hem logeren. De vrouw heeft twee kasten van [x] in bruikleen gekregen en het is juist dat de poes van [x] naar de woning van de vrouw is verhuisd. Deze woont inmiddels weer bij [x]. Ook is het juist dat [x] af en toe hielp de tuin te onderhouden. Het bovenstaande brengt echter geen wederzijdse verzorging met zich. Evenmin is tijdens de relatie sprake geweest van een gemeenschappelijke huishouding. De vrouw en [x] droegen elk de lasten van hun eigen woning en betaalden hun eigen boodschappen. De vrouw droeg de lasten van de kinderen. De vrouw en [x] zijn weliswaar samen op vakantie geweest, doch de vrouw voldeed tijdens de vakanties de kosten voor de kinderen en de kosten voor haar en [x] werden bij helfte verrekend. Zo betaalde de vrouw een kampeerplek voor haar en de kinderen en betaalde [x] zijn aandeel. Zij maakten daar van tevoren afspraken over. Tijdens de vakanties werden de bonnen bewaard en na afloop werd per email besproken welke kosten moesten worden verrekend. Aldus betaalde ieder de eigen kosten.

Gelet op het voorgaande woonden de vrouw en [x] niet op één adres en was er geen sprake van gezinsverband en evenmin van een economische eenheid, gemeenschappelijke huishouding of wederzijdse verzorging. Er is derhalve niet voldaan aan de cumulatieve vereisten van artikel 1:160 BW, aldus de vrouw. Zij biedt tegenbewijs aan, mocht de man in de gelegenheid gesteld worden zijn standpunten middels bewijs nader te onderbouwen.

4.3.

Wat er zij van de relatie van de vrouw met [x] en alle door beide partijen opgesomde omstandigheden, vaststaat dat [x] een eigen huis had 1 kilometer van het huis van de vrouw. Het hof is van oordeel dat de man in het licht daarvan zijn stelling dat sprake is geweest van samenwonen onder een dak van de vrouw en [x] onvoldoende heeft onderbouwd. Ook zijn overige stellingen terzake heeft de man tegenover de uitgebreide gemotiveerde betwisting van de vrouw zowel in de stukken in het dossier als ter terechtzitting in hoger beroep, onvoldoende onderbouwd. Aldus is niet komen vast te staan dat de vrouw en [x] hebben samengewoond in de zin van art 1:160 BW. Nu de man niet, althans onvoldoende, heeft voldaan aan zijn stelplicht, bestaat geen aanleiding om hem toe te laten tot het door hem aangeboden bewijs van zijn stelling.

4.4.

Partijen verschillen voorts van mening over de (hoogte van de) behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

Behoefte van de vrouw

4.5.

Volgens de man heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de vrouw behoeftig is en een behoefte heeft van € 10.315,- netto per maand. De vrouw heeft geen behoefte aan een uitkering tot haar levensonderhoud, althans niet aan een uitkering hoger dan € 2.229,- bruto per maand. Hij kan zich er voorts niet mee verenigen dat de behoefte van de vrouw is vastgesteld aan de hand van de zogeheten hofnorm, te weten 60% van het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk van partijen. De hofnorm heeft geen voorrang boven een door de vrouw over te leggen onderbouwd behoefteoverzicht. Bovendien stelt de rechtbank een hogere behoefte vast dan het door de vrouw zelf gestelde bedrag van € 5.621,- netto per maand. Daarnaast zijn de jaren 2007 en 2008 niet representatief om tot uitgangspunt te nemen bij het bepalen van de behoefte van de vrouw, aldus de man.

4.6.

De vrouw kan zich wel verenigen met toepassing van de hofnorm. Indien niet van de hofnorm wordt uitgegaan, dan bedraagt haar behoefte conform de door haar overgelegde overzichten € 5.621,- netto per maand, uitgaande van 2007 nu dat het laatste jaar was waarin partijen samenleefden, aldus de vrouw.

4.7.

Het hof stelt voorop dat bij de bepaling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Daarin kan een aanwijzing worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd. Verder dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. Gelet op het voorgaande neemt het hof de door de vrouw als producties 2 tot en met 6 bij het verweerschrift echtscheiding tevens zelfstandige verzoeken in de procedure in eerste aanleg overgelegde behoefteoverzichten tot uitgangspunt voor het vaststellen van haar behoefte. De man heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de door de vrouw overgelegde overzichten gemotiveerd betwist. Gelet op het voorgaande ziet het hof aanleiding de behoefte van de vrouw in redelijkheid als volgt vast te stellen, waarbij er rekening mee wordt gehouden dat bepaalde door de vrouw opgevoerde uitgaven in 2007, het laatste volledige jaar waarin partijen nog samenwoonden, niet representatief zijn voor de mate van welstand waarin zij de laatste jaren voor het uiteengaan hebben geleefd.

De vrouw voert aan, dat aan haar van de totale gezinskosten een bedrag van € 41.203,24 (€ 3.433,60 per maand) zonder de door haar berekende kosten van levensonderhoud, woonlasten (gebruikers- en eigenaarlasten) en verzekeringspremies is toe te rekenen.

Het hof zal eerst de door de vrouw opgevoerde aan haar toe te rekenen gezinskosten behandelen.

Body Centre Sport en Fitness:
Deze posten zijn door de man niet betwist, zodat het hof deze bedragen ongewijzigd in aanmerking zal nemen, derhalve in totaal € 565,- per jaar, te weten € 47,- per maand.

KPN Autotelefoon:

De man heeft aangevoerd dat de kosten van de autotelefoon niet tot de kosten van de huishouding moeten worden gerekend nu de auto eigendom was van zijn B.V. De vrouw heeft verwezen naar haar verweer in eerste aanleg, inhoudende dat alle kosten zoals opgenomen onder contributies/abonnementen waar een 3 achter staat, op haar betrekking hebben.

Het hof overweegt daarover als volgt. Het moge zo zijn dat de vrouw – zo begrijpt het hof - in een auto van de B.V. heeft gereden, en in dat verband van de autotelefoon gebruik heeft kunnen maken, maar niet is gebleken dat de noodzaak of behoefte tot mobiel bellen in of vanuit de auto is komen te vervallen vanaf het moment dat de vrouw in een eigen auto rijdt, zoals bijvoorbeeld met het oog op de bereikbaarheid van/voor de kinderen. Het hof neemt in redelijkheid een bedrag van € 60,- per maand aan kosten voor de mobiele- of autotelefoon mee.

Verfbenodigdheden schilderles:

Deze post is door de man niet betwist zodat het bedrag van € 145,76 per jaar, te weten € 12,- per maand, door het hof in aanmerking zal worden genomen.

ANWB contributie, Wensink garage, benzinekosten, CMB, Boetes, CMB [kenteken]:

De man is van mening dat de post “autokosten” gecorrigeerd dient te worden voor kosten die verband houden met de auto van de man (Saab) en incidenteel hoge kosten van een garage en hoge benzinekosten die te maken hebben gehad met heen en weer pendelen van beide partijen tussen de twee woningen in Friesland en [c].

Volgens de vrouw vloeien de kosten met name voort uit het feit dat de auto een grote, dure auto was en de kinderen ermee naar sport en spel werden vervoerd.

Het hof zal de post ANWB contributie van € 69,50 per jaar, te weten - afgerond - € 6,- per maand alsmede éénmaal CMB, immers motorrijtuigenbelasting behorende bij één auto, te weten € 396,- per jaar (€ 33,- per maand), in aanmerking nemen. Het hof houdt rekening met het door de vrouw gestelde bedrag aan boetes van € 388,25, (€ 32,- per maand), nu deze kosten door de man niet zijn betwist.

Niet duidelijk is in hoeverre de kosten van Wensink garage incidenteel zijn, zoals door de man is gesteld. Het hof zal derhalve in redelijkheid rekening houden met garagekosten van € 4.000,- per jaar (€ 333,- per maand), daaronder begrepen afschrijvingen dan wel reserveringen ten behoeve van een nieuwe auto. Voorts houdt het hof in redelijkheid rekening met benzinekosten van € 300,- per maand.

Beroepskosten en scholing, boeken en tijdschriften

Volgens de man dient de post ‘studie en beroep’ te worden gecorrigeerd, nu de vrouw klaar is met al haar opleidingen. De vrouw heeft aangevoerd dat deze kosten jaarlijkse kosten betreffen, die het ene jaar hoger zijn dan het andere, afhankelijk van deelname aan internationale symposia.

Het hof acht het niet redelijk in het geheel geen rekening te houden met kosten van scholing, nu de vrouw ook in het kader van haar werkzaamheden scholing zal moeten volgen. Het hof houdt in redelijkheid rekening met een bedrag van € 70,- per maand.

Voorts houdt het hof in redelijkheid rekening met een bedrag van € 60,- per maand terzake boeken en tijdschriften in het kader van de werkzaamheden van de vrouw.

Kapper, kleding, lichamelijke verzorging, retraite, schoenen, sieraden en tandarts

De man is van mening dat de post ‘gezondheid/persoonlijke verzorging’ gecorrigeerd dient te worden voor allerlei uitgaven die de vrouw naar haar keuze heeft gedaan en waar hij het niet mee eens is. Volgens de vrouw zijn deze kosten behoeftebepalend.

Het hof zal in redelijkheid rekening houden met kosten van de kapper van € 60,- per maand, kleding van € 500,- per maand, lichamelijke verzorging van € 80,- per maand en schoenen van € 80,- per maand. Het hof acht de tandartskosten van € 485,40 per jaar en € 40,- per maand aannemelijk en niet onredelijk. Voorts houdt het hof, in aanmerking genomen de professie van de vrouw, in redelijkheid rekening met kosten van retraite van gemiddeld

€ 80,- per maand. Het hof houdt geen rekening met kosten van sieraden, nu dit geen structurele maandelijkse uitgave betreft.

Overnachting Pa […]

De man heeft alle kosten onder ‘diversen’, waaronder bovenstaande post, integraal betwist. De vrouw heeft verklaard dat genoemde kosten zijn gemaakt ten behoeve van overnachtingen van haar vader wanneer hij bij partijen verbleef. Het hof is van oordeel dat deze kosten geen deel uitmaken van de behoefte van de vrouw, zodat daarmee geen rekening dient te worden gehouden.

Specificatie creditkaart

Blijkens door de vrouw in eerste aanleg overgelegde overzichten heeft de vrouw voor zich zelf via de creditkaart betalingen gedaan in een jaar tot een bedrag van € 12.033,-. De man heeft deze kosten integraal betwist. Volgens de vrouw blijken de uitgaven uit de bankafschriften en zijn de bedragen derhalve daadwerkelijk uitgegeven.

Het hof stelt voorop dat de vrouw in haar behoefteoverzicht (productie 5 bij het verweerschrift in eerste aanleg) niet het gehele bedrag aan creditcarduitgaven zoals opgenomen in productie 2 bij het verweerschrift in eerste aanleg heeft opgenomen, doch slechts minder dan een derde deel. Uit het feit dat tijdens het huwelijk regelmatig en voor aanzienlijke bedragen uitgaven per creditcard werden gedaan, blijkt naar het oordeel van het hof dat sprake was van een zekere levensstandaard van partijen, die mede maatgevend is voor de behoefte van de vrouw. Het hof zal derhalve rekening houden met uitgaven per creditcard van € 700,- per maand. Het hof gaat ervan uit, dat met deze uitgave kosten voor vakantie, ontspanning, uit eten gaan, verjaarscadeautjes en dergelijke kosten zijn gedekt. Gelet op de welstand van partijen tijdens het huwelijk is een dergelijke post niet onredelijk.

In genoemde productie 6 gaat de vrouw voorts uit van kosten van levensonderhoud van € 669,13 netto per maand. Het hof zal met dit bedrag rekening houden, nu het hof dit bedrag niet onredelijk voorkomt. Voorts houdt het hof rekening met een woonlast van de vrouw van € 700,- per maand, ervan uitgaande dat de woning in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap zonder hypotheeklasten aan de vrouw zal worden toebedeeld en dat de schulden in verband met de woning aan de man zullen worden toebedeeld. In deze post zijn de belastingen in verband met de bewoning van het huis, de kosten van gas, electra en water en de premies verzekeringen inbegrepen. Het hof ziet geen aanleiding om rekening te houden met een extra woonlast van € 1.200,- per maand zoals door de vrouw aangevoerd. De redenering van de vrouw dat zij aldus zelf haar vordering wegens overbedeling financiert gaat niet op. Het komt bij de berekening van de behoefte aan op hetgeen de alimentatiebehoeftige feitelijk nodig heeft om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien.

Voorts houdt het hof in redelijkheid rekening met eenzelfde premie zorgverzekering als de man van € 159,- per maand.

Gelet op het voorgaande begroot het hof de behoefte van de vrouw op € 4.021,- netto per maand.

4.8.

Vervolgens is aan de orde de vraag in hoeverre de vrouw kan worden geacht in haar behoefte te voorzien.

De man is van mening dat de vrouw in staat moet worden geacht geheel of grotendeels in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Hij betwist dat de vrouw bij een driedaagse werkweek een bruto inkomen verdient van € 23.751,- per jaar. Van haar mag worden verwacht dat zij ofwel haar werkzaamheden in haar praktijk substantieel uitbreidt en daarmee tenminste € 3.360,- per maand verdient althans € 4.800,- per maand omzet, ofwel dat zij een baan in loondienst zoekt met een salaris passend bij haar opleiding en ervaring. Er dient in elk geval vanuit te worden gegaan dat de vrouw – gelet op haar opleiding en ervaring – tenminste een bruto inkomen kan genereren van € 57.600,- per jaar, aldus de man.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat van haar verwacht mag worden dat zij, zolang nog niet alle kinderen op de middelbare school zitten, derhalve tot september 2014, een dag per week werkzaam is in haar praktijk en het daarbij door haar berekende inkomen van € 8.156,- bruto per jaar verdient. Het is (nog) niet haalbaar gebleken voor haar om drie dagen per week te werken. Zij investeert veel in haar werk maar het duurt soms een half jaar tot een jaar voordat cliënten zich bij haar melden. Met ingang van 1 september 2014 bedraagt haar inkomen € 23.751,- bruto per jaar, nu zij vanaf dat moment drie dagen per week zal werken.

Het is een illusie dat zij in staat zou zijn elders werkzaamheden te verrichten die haar in staat stellen een inkomensniveau van € 57.600,- per jaar te genereren, aldus de vrouw.

4.9.

Het hof stelt voorop dat de rechtbank in de bestreden beschikking rekening heeft gehouden met een bedrijfsresultaat van de vrouw van € 23.751,- bruto per jaar, uitgaande van een werkweek van de vrouw van drie dagen. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat partijen destijds in overleg hebben besloten dat het voor de vrouw een goede mogelijkheid zou zijn om een opleiding tot bio-energetisch analytisch therapeute te volgen en vervolgens, gelet op hun kinderwens, een praktijk aan huis op te zetten. De vrouw heeft desgevraagd verklaard dat het voor partijen gelet op het voorgaande duidelijk was dat de man hoofd-kostwinnaar zou zijn, hetgeen door de man niet is betwist. Gelet op het voorgaande, en gelet op de door de vrouw overgelegde gegevens over de omvang van haar praktijkvoering en de resultaten in de periode vanaf 2002 tot en met 2010, acht het hof het niet redelijk om uit te gaan van een hogere verdiencapaciteit van de vrouw dan de rechtbank heeft gedaan, te weten genoemd bruto inkomen van € 23.751,- per jaar. Het hof zal derhalve met eenzelfde verdiencapaciteit van de vrouw rekening houden als de rechtbank heeft gedaan vanaf de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand (en niet pas per 1 september 2014 zoals de vrouw betoogt).

Ook al is het jongste kind nog geen twaalf jaar oud, van de vrouw mag worden verlangd dat zij genoemde verdiencapaciteit reeds nu ten volle verzilvert.

Gelet op de hierna vast te stellen bijdrage in haar levensonderhoud gaat het hof ervan uit dat de vrouw geen recht heeft op een kindgebonden budget. Het hof houdt rekening met de voor haar geldende heffingskortingen. Gezien het bovenstaande bepaalt het hof de aanvullende behoefte van de vrouw op € 4.100,- bruto per maand. Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat de vrouw haar aandeel in de te verwerven gemeenschap van goederen (mede) kan aanwenden om in de kosten van haar levensonderhoud te voorzien, eventueel ter overbrugging naar betaalde arbeid. Het hof acht het, nu vaststaat dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende uitkering tot haar levensonderhoud en in dit kader reeds wordt uitgegaan van genoemde verdiencapaciteit van de vrouw, niet redelijk dat de vrouw – om de kosten van levensonderhoud te voldoen - dient in te teren op haar vermogen.

4.10.

Gelet op hetgeen hierboven onder rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3 is overwogen omtrent de samenwoning van de vrouw en [x] alsmede de wijze waarop zij elk de eigen kosten ten tijde van hun relatie hebben voldaan, volgt het hof de man evenmin in zijn stelling dat de door de man gestelde samenleving van de vrouw met [x] heeft geleid tot een kostenbesparing aan de zijde van de vrouw en daarmee tot een lagere behoefte.

Draagkracht van de man

4.11.

Bij de berekening van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de onder 2.3 genoemde gegevens. Daarbij houdt het hof evenals de rechtbank rekening met de helft van de genoemde woonlasten, nu tegen dit uitgangspunt van de rechtbank in hoger beroep niet is opgekomen.

4.12.

Volgens de vrouw is de rechtbank bij de bepaling van de draagkracht van de man ten onrechte uitgegaan van een vierdaagse werkweek van de man. Vast staat dat de man pas na het uiteengaan van partijen de keuze heeft gemaakt om een dag per week minder te gaan werken. De keuze van de man om tachtig procent te gaan werken dient voor zijn rekening te komen. Een fulltime dienstverband dient uitgangspunt te zijn bij de berekening van de draagkracht van de man, aldus de vrouw.

De man heeft verklaard dat hij met ingang van 1 januari 2009 vier dagen per week is gaan werken. Gezien zijn woonplaats [b], zijn werk in [c] en de woonplaats van de kinderen in [a] is sprake van een aanzienlijke reisafstand. Voorts kan hij zich met een fulltime dienstverband slechts twee weken vakantie veroorloven terwijl hij tevens omgang met de kinderen heeft gedurende de helft van de vakanties. De rechtbank concludeert terecht dat zijn rol als vader niet te combineren is met een fulltime dienstverband en dat daarom moet worden uitgegaan van een vierdaagse werkweek, aldus de man.

4.13.

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat partijen al geruime tijd voordat zij uiteen zijn gegaan gesproken hebben over de mogelijkheid voor de man om, met het oog op het gezinsleven, minder te gaan werken. De man heeft ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd verklaard dat hij na de geboorte van [kind a] getracht heeft minder en vanuit huis te werken, hetgeen echter (toen) niet haalbaar bleek te zijn. Voorts heeft de man onbetwist verklaard dat hij in 2009, na tien jaar fulltime vennoot te zijn geweest bij het [coöperatie], op grond van zijn vennootschapscontract, de mogelijkheid had om zijn urennorm met (maximaal) 20% te verminderen. Zodoende is hij in staat om zijn werkzaamheden voor het [coöperatie] te verrichten gedurende vier werkdagen per week en kan hij meer tijd investeren in het contact met zijn kinderen, niet alleen om de reguliere omgang in de weekeinden maar ook de omgang gedurende de vakanties te realiseren. Onvoldoende aannemelijk is derhalve dat de man zijn urennorm slechts met het oog op de komende echtscheiding heeft bijgesteld. Het hof acht het niet onredelijk dat de man na tien jaar fulltime vennoot te zijn geweest, onder de gegeven omstandigheden van de mogelijkheid gebruik heeft gemaakt om zijn urennorm naar beneden bij te stellen tot 80% en zal derhalve bij het berekenen van de draagkracht van de man uitgaan van een vierdaagse werkweek.

4.14

Het hof zal voor de berekening van zijn draagkracht de door de man overgelegde gegevens van 2010 tot uitgangspunt nemen, omdat dit de meest recente volledige inkomensgegevens van de man zijn gebleken. Jaarstukken van de BV over de jaren 2011 en 2012 zijn niet overgelegd, zodat onvoldoende duidelijkheid bestaat over het brutoloon dat de BV aan de man over die jaren heeft toegekend. Het hof is van oordeel dat de door de man overgelegde inkomensgegevens vanaf het jaar 2011, te weten jaaropgaven en enkele maandelijkse loonstroken, onvoldoende helderheid bieden over het daadwerkelijk door de man genoten jaarinkomen, dan wel het jaarinkomen dat hij, zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw indachtig, vanaf genoemd jaar redelijkerwijs uit zijn BV heeft kunnen verwerven. Daarbij is niet alleen van belang dat de man zijn inkomen als directeur grootaandeelhouder zelf kan vaststellen, maar ook dat uit eerdergenoemde brief van BDO van 14 juni 2013 is gebleken dat de managementvergoeding over 2011 en 2012 respectievelijk € 437.419,- en € 495.740,- bedroeg. Zonder toelichting, die de man niet heeft gegeven, is niet begrijpelijk waarom de man over de jaren 2011 en 2012 zich bij die hoogte van de managementvergoedingen niet tenminste het salaris kon toekennen dat hij ook in de voorgaande jaren genoot. Het hof gaat er dan ook van uit dat de managementvergoeding een inkomen van de man als dat van 2010 en de daaraan voorafgaande jaren nog steeds moet toelaten.

Voor een herberekening van het salaris op basis van aanpassing van een aantal uitgaven in de winst- en verliesrekening 2010, zoals de vrouw in eerste aanleg heeft bepleit, bestaat onvoldoende grond.

4.15.

De vrouw voert aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een door de onderneming van de man aan hem uit te keren dividenduitkering. Zij stelt zich op het standpunt dat de man/de BV in staat is een zodanig hoge dividenduitkering te doen dat de man in staat is het verzochte bedrag aan partneralimentatie aan de vrouw te voldoen. Zij becijfert dat de man bij een inkomen van € 148.000,- bruto per jaar al voldoende heeft aan een dividenduitkering van € 75.000,- bruto per jaar om de bijdrage te betalen.

De man heeft het standpunt gemotiveerd bestreden. Op zijn verweer zal hierna worden ingegaan.

Het hof overweegt als volgt. Uit de door de man overgelegde gegevens blijkt dat partijen grote bedragen schuldig zijn aan de BV uit hoofde van leningen die zij bij de BV zijn aangegaan. Zo bedroeg de schuld uit hoofde van leningen ten behoeve van de aankoop en verbouwingen van de woningen in [a] en [c] per 31 december 2010 nog € 560.685. Daarnaast bedroeg de schuld in rekening courant per 31 december 2009 € 826.897,- en per eind 2010 € 1.022.011. Jaarlijks wordt de rente van 4 % bijgeboekt in rekening courant.

Op grond van de overgelegde jaarstukken 2010 neemt het hof aan dat er in de BV zodanige winst is gemaakt en dat het eigen vermogen van de BV een zodanige omvang heeft dat een uitkering in de vorm van dividend mogelijk is. Voldoende aannemelijk is evenwel dat een eventuele dividenduitkering vooreerst aangewend zal dienen te worden om de (resterende) schulden van partijen aan de BV af te lossen. Dat niet alleen incidenteel, maar jaarlijks een zodanige dividenduitkering mogelijk en verantwoord is dat daarvan in het kader van de draagkrachtbepaling moet worden uitgegaan, waarvan de vrouw blijkens haar stellingen uitgaat, is op basis van de overgelegde stukken en de door de man gegeven toelichting vooralsnog onvoldoende aannemelijk. Onder deze omstandigheden zal het hof bij de vaststelling van de draagkracht van de man geen rekening houden met enige dividenduitkering.

De man stelt nog dat rekening dient te worden gehouden met een premie levensverzekering van € 439,- per maand, welke was gekoppeld aan de op de voormalig echtelijke woning van partijen in [c] rustende hypothecaire geldlening. De vrouw betwist dat met deze last rekening moet worden gehouden.

Evenals de rechtbank houdt het hof bij het bepalen van de draagkracht van de man geen rekening met de premie levensverzekering van € 439,- per maand. De levensverzekering strekt niet (langer) tot aflossing van een schuld die verband houdt met een aan partijen gezamenlijk toebehorende woning. De waarde van de polis zal in het kader van de verdeling kennelijk tussen partijen worden gedeeld, maar de premieverplichting is in het verband van de vaststelling van alimentatie geen noodzakelijke last die voor dient te gaan op de door de man te betalen partneralimentatie.

De man is uitgaande van zijn fiscaal loon in 2010, de bijstandsnorm voor een alleenstaande, de onder 2.3 en 4.11 genoemde lasten en een draagkrachtpercentage van 60, in staat om in de kosten van levensonderhoud van de vrouw bij te dragen met een bedrag van € 4.100,- per maand met ingang van de datum waarop de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, welke bijdrage in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de door de man betaalde onderhoudsbijdrage fiscaal aftrekbaar is en voor de vrouw belastbaar inkomen oplevert. Door deze bijdrage wordt de vrouw niet boven de man bevoordeeld.

Limitering en terugbetaling

4.16.

De man verzoekt om de door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw in duur te beperken dan wel op nihil te stellen per 1 november 2014, de datum waarop [kind c] de leeftijd van twaalf jaren bereikt. Bovendien zijn partijen op 25 maart 2010 overeengekomen dat de termijn van een eventuele uitkering tot levensonderhoud aanvangt op 1 juli 2010. De vrouw voert verweer en stelt dat zij de door de wetgever gestelde termijn van twaalf jaren nodig heeft om zich erop voor te bereiden dat zij in haar eigen levensonderhoud moet voorzien. Zij erkent dat partijen op 25 maart 2010 zijn overeengekomen dat de alimentatietermijn van twaalf jaren aanvangt op 1 juli 2010.

4.17.

Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de wettelijke termijn van twaalf jaren, zoals opgenomen in artikel 1:157 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek en de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud in duur te beperken, zoals door de man is verzocht.

Zoals hierboven is overwogen, wordt thans uitgegaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van drie dagen per week. Het hof is van oordeel dat van de vrouw niet kan worden verwacht dat zij per 1 november 2014 volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, temeer niet nu het een gezamenlijk keuze van partijen is geweest dat de vrouw een opleiding tot bio-energetisch analytisch therapeute ging volgen en zij daarnaast beschikbaar was en nu nog steeds is om een groot deel van de opvoeding en verzorging van de kinderen op zich te nemen. Het hof zal dit verzoek van de man derhalve afwijzen.

Partijen zijn het erover eens dat op 25 maart 2010 is overeengekomen dat de alimentatietermijn van 12 jaar aanvangt op 1 juli 2010. Nu ook de vrouw blijkens haar verweer niet van een andersluidende uitleg uitgaat, begrijpt het hof de stelling van de man als weergegeven onder 57 en 64 van zijn verweerschrift tevens houdende incidenteel appel, beschouwd in onderling verband en samenhang met zijn verzoek in incidenteel appel aldus dat hij kennelijk niet heeft bedoeld te verzoeken de bijdrage tot levensonderhoud in deze beschikking toe te kennen onder vaststelling van een termijn als bedoeld in art 1:157, lid 3 BW eindigend op 30 juni 2022.

Nu het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en een hogere onderhoudsbijdrage voor de vrouw zal vaststellen dan de rechtbank heeft vastgesteld kan aan het verzoek van de man tot terugbetaling voorbij worden gegaan.

4.18.

De vrouw heeft haar vierde grief, betreffende een deskundigenonderzoek naar het inkomen en vermogen van de man, ter terechtzitting in hoger beroep ingetrokken, zodat deze geen nadere bespreking meer behoeft.

4.19.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

In principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikkingen waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 4 juli 2011 op € 4.100,- (VIERDUIZEND HONDERD EURO) bruto per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. M.M.A. Gerritzen - Gunst en mr. J.W. van Zaane in tegenwoordigheid van mr. J.J. Laterveer - Runderkamp als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2013.