Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4986

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
08-06-2015
Zaaknummer
200.101.229-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 28 november 2013

Zaaknummer: 200.101.229/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 484845 / FA RK 11-2056 (EV/HH)

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. N. van den Berg te Ede,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Rotterdam,

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 30 januari 2012 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 2 november 2011 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 484845 / FA RK 11-2056 (EV/HH).

1.3.

De man heeft op 30 juli 2012 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De vrouw heeft op 7 september 2012 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.

1.5.

De man heeft op 17 september 2012 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 26 september 2012 ter terechtzitting behandeld. Het hof heeft toen de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam Gooi en Vecht, locatie Amsterdam (hierna: de Raad) verzocht een onderzoek in te stellen aan de hand van de volgende vragen:

1. Welke hoofdverblijfplaats is het meest in het belang van […] (hierna: [minderjarige])?

2. Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met de niet-verzorgende ouder is het meest in het belang van [minderjarige]?

De behandeling van de zaak is pro forma aangehouden tot 3 februari 2013, met het verzoek aan de Raad omtrent de resultaten van het onderzoek vóór deze datum een schriftelijk rapport met advies uit te brengen. Van het verhandelde ter zitting is proces‑verbaal opgemaakt.

1.7.

Bij brief van 9 oktober 2012 heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam Gooi en Vecht, locatie Amsterdam, het hof bericht dat de zaak is overgedragen aan de Raad voor de Kinderbescherming, regio Gelderland, locatie Arnhem (hierna: de Raad).

1.8.

De Raad heeft op 7 februari 2013 nadere stukken ingediend, waaronder een op 5 februari 2013 gedateerd schriftelijk rapport met advies naar aanleiding van het hiervoor vermelde onderzoek.

1.9.

De vrouw heeft op 6 maart 2013 een aanvullend verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de man ingediend.

1.10.

De man heeft op 8 maart 2013 een aanvullend verweerschrift, tevens houdend gewijzigd verzoek in incidenteel hoger beroep, ingediend.

1.11.

Voorts heeft het hof kennis genomen van de navolgende door partijen ingediende nadere stukken:

- een faxbrief, ingekomen op 1 februari 2013, van de advocaat van de man;

- een brief met bijlagen, ingekomen op 1 maart 2013, van de advocaat van de vrouw;

- producties 14 tot en met 28, ingekomen op 6 maart 2013, van de advocaat van de vrouw;

- producties 30 tot en met 69, ingekomen op 8 maart 2013 van de advocaat van de man;

1.12.

De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet op 20 maart 2013. Ter zitting heeft het hof met ingang van week 14 een voorlopige regeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald, waarbij [minderjarige] afwisselend in de even weken bij de man en in de oneven weken bij de vrouw zal verblijven. Voorts is bepaald dat het wisselmoment zal plaatsvinden op maandag op de peuterspeelzaal, met dien verstande dat het wisselmoment op een in overleg met de gezinsvoogd te bepalen plaats, zonder aanwezigheid van derden, zal plaatsvinden, wanneer [minderjarige] op een maandag niet op de peuterspeelplaats verblijft, en dat partijen de vakanties in overleg met de gezinsvoogd zullen bepalen. Daarnaast is bepaald dat de huidige omgangsregeling, waarbij [minderjarige] in de oneven weken van donderdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur alsmede in de even weken van woensdag 19.00 uur tot vrijdag 19.00 uur bij de man verblijft, zoals bepaald bij vonnis in kort geding van 9 maart 2012 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem, zal gelden tot week 14. Het hof heeft de zaak pro forma aangehouden tot 6 oktober 2013, met het verzoek aan partijen het hof te berichten over de stand van zaken. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

1.13.

Bij brief met producties 1 tot en met 10, ingekomen op 26 september 2013, heeft de vrouw het hof bericht omtrent de stand van zaken.

1.14.

Bij brief met producties 1 tot en met 16, ingekomen op 7 oktober 2013, heeft de man het hof bericht omtrent de stand van zaken.

1.15.

Voorts heeft het hof kennis genomen van de navolgende nadere stukken:

- een brief, ingekomen op 18 september 2013, van de advocaat van de vrouw;

- een faxbrief met bijlage, ingekomen op 3 oktober 2013, van de advocaat van de man;

- een brief met bijlage, ingekomen op 7 oktober 2013, en een brief met bijlage, ingekomen op 30 oktober 2013, van Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland, regio West‑Veluwe (hierna: BJZ);

- een brief met producties 11 tot en met 20, ingekomen op 15 november 2013, van de advocaat van de vrouw;

- een brief met producties 17 tot en met 44, ingekomen op 18 november 2013, van de advocaat van de man;

- een brief met bijlagen, ingekomen op 18 november 2013, van BJZ.

1.16.

De mondelinge behandeling is voortgezet op 28 november 2013, alwaar zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- mevrouw [A](hierna: de gezinsvoogd) en mevrouw [D] namens BJZ;

- mevrouw [C], vertegenwoordiger van de Raad.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad tot januari 2011. Uit hun relatie is geboren [minderjarige] op [geboortedatum] 2010. De man heeft [minderjarige] erkend. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige].

2.2.

Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem van 9 maart 2012 is, voor zover thans van belang, bepaald dat de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 2 november 2011 in die zin wordt gewijzigd dat [minderjarige] in de oneven weken van donderdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur alsmede in de even weken van woensdag 19.00 uur tot vrijdag 19.00 uur bij de man verblijft en dat voor het overige de bij voormelde beschikking vastgelegde zorgregeling onverkort zal gelden tot dit hof in de procedure in hoger beroep uitspraak heeft gedaan.

2.3.

In zijn rapport van 5 februari 2013 heeft de Raad geadviseerd de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw te handhaven en een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen te bepalen, waarbij [minderjarige] afwisselend een week bij de vrouw en een week bij de man zal verblijven met een vast afgesproken wisseldag, bij voorkeur bij het ophalen van de peuterspeelzaal. De Raad heeft het onderzoek ambtshalve uitgebreid naar een onderzoek naar de opvoedsituatie van [minderjarige].

[minderjarige] is op verzoek van de Raad op 25 februari 2013 onder toezicht gesteld.

2.4.

BJZ heeft op 22 oktober 2013 de man een schriftelijke aanwijzing gegeven over – kort gezegd – de alternatieve overdrachtsplek wanneer de peuterspeelzaal is gesloten; in [plaats] zal dat het winkelcentrum op de [adres] zijn (op pleintje bij de C1000) en in [plaats] Hotel & Eethuys [X].

2.5.

BJZ heeft op 11 november 2013 de man een schriftelijke aanwijzing gegeven, inhoudende dat de huidige zorgregeling tijdelijk wordt opgeschort, totdat er meer helder is over seksueel grensoverschrijdende uitspraken die [minderjarige] doet, alsmede dat [minderjarige] niet bij de man zal verblijven totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan over het verzoek dat BJZ op 11 november 2013 heeft gedaan tot wijziging van de op 20 maart 2013 door dit hof bepaalde voorlopige zorgregeling. Ter zitting van 28 november 2013 heeft BJZ verklaard dat zij nochtans geen verzoek bij de kinderrechter heeft gedaan.

3 Het geschil in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang:

- bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw is;

- de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald:

  • -

    de man zal [minderjarige] in de ene week van donderdag 18.00 uur tot vrijdag 18.00 uur alsmede de daaropvolgende zondag van 18.00 uur tot maandag 18.00 uur bij zich hebben en in de andere week van donderdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;

  • -

    de man onderscheidenlijk de vrouw zal in totaal vier weken per jaar de vakantie met [minderjarige] doorbrengen, en wel twee aaneengesloten weken gedurende de zomer(school)vakantie, één week daarvóór en één week daarna, met dien verstande dat partijen elk jaar in de eerste twee weken van januari concrete afspraken met elkaar zullen maken over de invulling van deze regeling;

  • -

    de ouder bij wie [minderjarige] in het kader van deze regeling verblijft, zal haar naar de andere ouder brengen;

  • -

    [minderjarige] zal haar eigen verjaardag in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man doorbrengen, en wel van [datum] – naar het hof begrijpt – 2011 18.00 uur tot [datum] 2011 10.00 uur, terwijl de verjaardag van de vrouw onderscheidenlijk de man op gelijke wijze bij de jarige ouder zal worden doorgebracht;

  • -

    [minderjarige] zal van 13.00 uur op de verjaardag zelf tot de volgende ochtend 10.00 uur bij de jarige grootouder zijn;

- bepaald dat de ouder bij wie [minderjarige] in het kader van deze regeling verblijft vóór de overdracht van het kind aan de andere ouder middels het daarvoor bedoelde Google-account informatie zal verschaffen omtrent de gezondheid en ontwikkeling van [minderjarige];

- bepaald dat de ouder met wie [minderjarige] langer dan één dag elders dan in de woonplaats verblijft voorafgaande aan dat verblijf het verblijfadres aan de andere ouder bekend zal maken middels het Google-account.

3.2.

De vrouw heeft in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre en, naar zij ter zitting van 28 november 2013 heeft verklaard, onder intrekking van haar eerdere in hoger beroep gedane verzoeken, laatstelijk – samengevat weergegeven – verzocht:

- de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen;

- te bepalen dat [minderjarige] naar één peuterspeelzaal zal gaan, te weten [naam] te [plaats], drie dagdelen per week, te weten maandagochtend, dinsdagmiddag en donderdagmiddag;

- de volgende zorgregeling tussen [minderjarige] en de man te bepalen:

  • -

    totdat [minderjarige] vier jaar zal zijn en naar de basisschool zal gaan: in de even weken zal de vrouw [minderjarige] op zaterdagochtend om 10.00 uur naar [plaats] brengen (overdrachtsplek winkelcentrum op de [adres], pleintje bij supermarkt C1000); de man zal [minderjarige] op maandagochtend om 8.45 uur naar de peuterspeelzaal [naam] te [plaats] brengen (een alternatief is dat de man [minderjarige] op zondagavond om 19.00 uur terug zal brengen bij de receptie van de [naam]); in de oneven weken zal de man [minderjarige] op maandag om 12.00 uur bij de peuterspeelzaal [naam] te [plaats] ophalen en haar op dinsdagmiddag om 13.00 uur naar de peuterspeelzaal [naam] te [plaats] brengen; voorts mag [minderjarige] tussendoor altijd met de man bellen of skypen;

  • -

    vanaf het tijdstip dat [minderjarige] naar de basisschool zal gaan: in de even weken zal de man [minderjarige] op woensdag om 12.15 uur uit school halen en haar om 17.00 uur weer terugbrengen; in de oneven weken zal de man [minderjarige] op vrijdag om 12.00 uur uit school halen en haar op zondagavond om 17.00 uur weer terugbrengen.

- te bepalen dat de overdrachtsplekken tijdens vakanties van de peuterspeelzaal zullen plaatsvinden bij de receptie van de [naam] te [plaats] ([adres]) en bij het politiebureau te [plaats]; de ouder bij wie [minderjarige] verblijft, zal haar naar de andere ouder brengen;

- te bepalen dat partijen elkaar informeren over [minderjarige] via het Google‑account voordat de overdracht plaatsvindt, zoals bepaald – naar het hof begrijpt – in de bestreden beschikking;

- te bepalen dat de man een psychologisch onderzoek zal ondergaan;

- te bepalen dat de verjaardag van [minderjarige] op 28 juli in de even jaren bij de man zal plaatsvinden en in de oneven jaren bij de vrouw (ingaande 27 juli om 19.00 uur tot 29 juli 10.00 uur);

- te bepalen dat [minderjarige] op Eerste Kerstdag in de oneven jaren bij de vrouw zal zijn en in de even jaren bij de man (avond ervoor om 19.00 uur tot Tweede Kerstdag 10.00 uur) en dat [minderjarige] op Tweede Kerstdag in de even jaren bij de vrouw zal zijn en in de oneven jaren bij de man;

- te bepalen dat [minderjarige] met Oud & Nieuw (31 december en 1 januari) in de oneven jaren bij de vrouw zal zijn en in de even jaren bij de man;

- te bepalen dat de overige feestdagen om en om eerlijk verdeeld worden (Pasen en Pinksteren);

- te bepalen dat de man het verblijfadres van [minderjarige] in [land] aan de vrouw zal geven en haar op de hoogte zal stellen wanneer [minderjarige] daar verblijft;

- te bepalen dat de man een voorlopige financiële bijdrage zal leveren aan de opvoeding en verzorging van [minderjarige] (o.a. peuterspeelzaalkosten etc.) van € 250,- per maand;

- te bepalen dat ieders netwerk via de Eigen Kracht Conferentie zal worden ingeschakeld;

- te bepalen dat zal worden gestart met gesprekken tussen partijen over de basisvoorwaarden voor een goede en bij haar ontwikkeling passende opvoeding en verzorging van [minderjarige] met behulp van de mediator, zodra het onderzoek naar waar [minderjarige] naar school zal gaan, dan wel het onderzoek naar de basisvoorwaarden is afgerond;

- te bepalen dat er hulp van de gezinsvoogd zal zijn bij de feitelijke vaststelling en uitvoering van de afspraken.

3.3.

De man verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de vrouw niet‑ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen.

In incidenteel hoger beroep heeft de man – met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre en, naar hij ter zitting van 28 november 2013 heeft verklaard, onder intrekking van zijn eerdere in incidenteel hoger beroep gedane verzoeken – laatstelijk – samengevat weergegeven – verzocht:

- hem alleen met het gezag over [minderjarige] te belasten, subsidiair de hoofdverblijfplaats bij hem vast te stellen;

- een zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] vast te stellen:

tot aan de basisschoolgang van [minderjarige]: de spiegelbeeldregeling van de regeling zoals deze voor hem heeft gegolden tot de aanvang van het co‑ouderschap, te weten in de ene week van donderdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur – in de oneven weken – en in de andere week van woensdag 19.00 uur tot vrijdag 19.00 uur – in de even weken – enzovoorts, waarbij de vrouw [minderjarige] zal halen en brengen;

vanaf de basisschoolgang van [minderjarige]: een regeling waarbij [minderjarige] een weekend per 14 dagen van vrijdag (uit school of indien er geen school is, om 10.00 uur) tot zondag 17.00 uur bij de vrouw zal verblijven en in de andere week een doordeweeks moment naar keuze van de vrouw, waarbij de vrouw [minderjarige] zal halen en brengen;

- te bepalen dat de vakanties bij helfte worden verdeeld tussen partijen, waarbij Kerst en Oud & Nieuw alternerend worden gevierd in de even jaren bij de vrouw en in de oneven jaren bij de man en Oud & Nieuw precies gespiegeld, alsmede;

in de zomervakantie drie aaneengesloten weken afwisselend in de even jaren de eerste drie weken bij de man en de tweede helft bij de vrouw en het jaar daarop andersom, enzovoorts; de korte vakanties (herfst en voorjaar) alternerend een week bij de ene of een week bij de andere ouder en de meivakantie te delen (50/50);

met betrekking tot de overige feestdagen (Pasen en Pinksteren) te bepalen dat [minderjarige] in de oneven jaren de eerste dag van deze feestdagen bij de vrouw en de tweede dag bij de man zal verblijven en in de even jaren de eerste dag van deze feestdagen bij de man en de tweede dag bij de vrouw;

- voor zover de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw in [plaats] zal worden bepaald tot de basisschoolgang van [minderjarige] een zorgregeling te bepalen, waarbij [minderjarige] in de ene week op woensdag om 13.00 uur door de vrouw zal worden gebracht, waarna [minderjarige] tot vrijdagavond bij de man zal verblijven, waarbij de man [minderjarige] om 19.00 uur naar de vrouw zal brengen en in de andere week [minderjarige] op woensdag om 13.00 uur door de vrouw zal worden gebracht, waarna [minderjarige] tot maandagochtend bij de man zal verblijven, waarbij de man [minderjarige] om 10.00 uur naar de vrouw zal brengen;

- een vrije bel/skype‑regeling te bepalen;

- te bepalen dat voorafgaand aan de overdracht informatieoverdracht per e-mail zal plaatsvinden;

- te bepalen dat [minderjarige] op haar verjaardag bij die ouder zal verblijven bij wie zij volgens de zomervakantieregeling verblijft, met de mogelijkheid voor de andere ouder haar persoonlijk te feliciteren, indien zij op dat moment in Nederland verblijft;

- de geschorste zorgregeling per direct te hervatten, waarbij de vrouw op straffe van een dwangsom moet worden gedwongen hieraan mee te werken, dan wel te bepalen dat een aanwijzing van BJZ is geïndiceerd, alsmede te bepalen dat [minderjarige] vanmiddag (op 28 november 2013) bij hem zal worden gebracht en tot en met vrijdag 6 december 2013 bij hem zal verblijven en dat daarna ofwel de nieuwe zorgregeling zal ingaan ofwel de huidige zorgregeling totdat dit hof heeft besloten.

3.4.

De vrouw verzoekt de verzoeken van de man in incidenteel hoger beroep af te wijzen.

4 Beoordeling van het principaal en incidenteel hoger beroep

4.1.

Het hof acht de man ontvankelijk in zijn (aanvullende) verzoek om hem alleen met het gezag te belasten. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9226) kunnen in een zaak als de onderhavige, waarin de vaststelling van een zorgregeling aan de orde is, indien de aard van het geschil dat meebrengt, ook na de indiening van het verzoek- of verweerschrift, nog wijzigingen of vermeerderingen van verzoek worden gedaan en moet de appelrechter hiermee in beginsel rekening houden. Dit geldt naar het oordeel van het hof in beginsel ook voor zover die wijziging of vermeerdering ziet op andere beslissingen omtrent de uitoefening van het ouderlijk gezag, met inbegrip van wijzigingen in de uitoefening daarvan. Ook voor een dergelijke beslissing geldt, dat deze dient te zijn gebaseerd op de omstandigheden zoals deze zijn ten tijde van de uitspraak van de rechter. Beide partijen hebben er daarom belang bij dat deze berust op een juiste en volledige waardering van de van belang zijnde omstandigheden ten tijde van de uitspraak in hoger beroep. Om deze reden is het ook in dit geval gewettigd dat de appelrechter rekening houdt met een grief of wijziging van verzoek die na het verzoek- of verweerschrift wordt aangevoerd of plaatsvindt.

4.2.

Partijen zijn – kort gezegd – verdeeld over de vraag of de man in het belang van [minderjarige] alleen met het gezag dient te worden belast, over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en over de zorgregeling.

4.3.

De Raad heeft zich ter zitting van 28 november 2013 bereid verklaard nogmaals onderzoek te doen en advies uit te brengen over de meeste wenselijke hoofdverblijfplaats van [minderjarige] alsmede over het verzoek van de man om eenhoofdig gezag en over welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met de niet-verzorgende ouder het meest in het belang van [minderjarige] is.

4.4.

Het hof overweegt dat blijkens de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting van 28 november 2013 de strijd tussen partijen onverminderd voortduurt. Het mediationtraject “Ouderschap Blijft” dat partijen op 22 oktober 2013 bij [naam] zijn gestart, is door [naam] voorlopig opgeschort, omdat partijen hun gerechtelijke procedures voortzetten. BJZ heeft in zijn “Rectificatie Evaluatie ten behoeve van zitting voorlopige regeling van de zorg- en opvoedingstaken” – onder meer – vermeld dat partijen tot op heden niet in staat zijn om onderling, zonder de tussenkomst van BJZ, afspraken rondom [minderjarige] te maken. Voorts staat hierin vermeld dat ondanks de inzet van BJZ en van partijen onvoldoende resultaat of voortgang is geboekt op het gebied van het goed vormgeven van de regeling van de zorg- en opvoedingstaken. Het hof acht het, evenals de Raad, zeer zorgelijk dat [minderjarige] zich al bijna haar hele leven in een spanningsvolle situatie bevindt.

Voorts is gebleken dat de vrouw een geluidsopname heeft gemaakt van (volgens haar) seksueel grensoverschrijdende uitspraken van [minderjarige] over de man, welke opname door BJZ is beluisterd. BJZ heeft in zijn “Selectie rapportage actiejournaal” van 15 november 2013 verklaard deze uitspraken van [minderjarige] zorgelijk te achten. Ter zitting van 28 november 2013 is gebleken dat de vrouw op dat moment nog geen aangifte had gedaan van seksueel misbruik van [minderjarige] door de man. Thans is nog onduidelijk of een strafrechtelijk onderzoek zal worden gestart. De Raad heeft het van belang geacht dat hierover duidelijkheid bestaat, alvorens hij een advies uitbrengt, alsmede te kennen gegeven dat de informatie uit een eventueel strafrechtelijk onderzoek van belang kan zijn voor dat advies.

Op grond van hetgeen uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting van 28 november 2013 is gebleken, acht het hof zich in dit stadium nog onvoldoende voorgelicht om een oordeel te kunnen geven over de vragen omtrent het gezag, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel het omgangsrecht. Alvorens een beslissing te nemen, zal het hof de Raad verzoeken een onderzoek te verrichten aan de hand van de hierna geformuleerde vragen.

4.5.

Gelet op de thans bestaande onduidelijkheid omtrent de seksueel grensoverschrijdende uitspraken van [minderjarige] over de man en de in deze situatie – in het belang van [minderjarige] – te betrachten zorgvuldigheid, ziet het hof aanleiding om hangende het raadsonderzoek en totdat nader wordt beslist, een voorlopige zorgregeling te bepalen zoals door BJZ wordt voorgesteld, te weten iedere vrijdag begeleide omgang tussen de man en [minderjarige], met dien verstande dat BJZ die omgang in het belang van [minderjarige] kan uitbreiden – waaronder begrepen, weer onbegeleid laten plaatsvinden – dan wel schorsen zodra eventueel nader bekend geworden feiten of omstandigheden naar haar oordeel daartoe aanleiding geven. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de gezinsvoogd ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat het inmiddels ingezette begeleide contact tussen de man en [minderjarige] ontspannen verloopt.

In afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek zal elke verdere beslissing worden aangehouden. De Raad zal worden verzocht het hof schriftelijk de resultaten van het onderzoek te rapporteren.

4.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

verklaart de man ontvankelijk in zijn verzoek om eenhoofdig gezag;

verzoekt de Raad onderzoek te verrichten naar de volgende vragen:

  • -

    Is eenhoofdig gezag, zoals door de man verzocht, in het belang van [minderjarige]?

  • -

    Welke hoofdverblijfplaats is het meest in het belang van [minderjarige]?

  • -

    Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dan wel omgang met de niet-verzorgende ouder is het meest in het belang van [minderjarige]?

  • -

    Zijn er factoren die een regeling belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit het kind en welke vanuit de ouder(s)? Hoe en op welke termijn zijn deze factoren op te heffen?

  • -

    Hoe dient de regeling qua vorm en frequentie, in het belang van [minderjarige], vorm gegeven te worden?

bepaalt dat de zaak te dien einde pro forma wordt aangehouden tot 2 maart 2014, met het verzoek aan de Raad het hof vóór die datum schriftelijk omtrent de resultaten van het onderzoek te rapporteren;

bepaalt, hangende het raadsonderzoek en totdat het hof nader beslist, als voorlopige zorgregeling dat de man en [minderjarige] iedere vrijdag begeleide omgang zullen hebben, met dien verstande dat BJZ die omgang in het belang van [minderjarige] kan uitbreiden dan wel schorsen in voege als hiervoor onder rechtsoverweging 4.5. vermeld;

beveelt de oproeping van partijen, hun advocaten en de Raad tegen een nader te bepalen zitting;

verzoekt de advocaten van partijen te berichten over hun verhinderdata en die van hun cliënt in de maanden maart en april 2014;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.V.T. de Bie, R.G. Kemmers en W.K. van Duren in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2013.