Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4978

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
12/01120
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:551, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Douane. Invoer van uit Israël afkomstige vrachtwagens met oorsprong Nederland.

- Uitleg Euro-Mediterrane overeenkomst. Vrijhandelszonepreferentie niet van toepassing omdat vrachtwagens niet de oorsprong Israël hebben.

- De vrachtwagens kunnen gelet op de objectieve kenmerken en eigenschappen niet onder onderverdeling 8404 10 worden ingedeeld. Zij zijn niet speciaal ontworpen of speciaal geschikt voor "zwaar werk" in moeilijk begaanbaar terrein.

-Art 220, tweede lid, letter b CDW. Voorwaarden voor het afzien van navordering niet vervuld. Vergissing van de Israëlische autoriteiten kenbaar en redelijkerwijze te ontdekken. Geen vergissing van de inspecteur. Enkele aanvaarding van de onjuiste aangiften is in dezen geen vergissing van de inspecteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0249

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 12/01120

19 december 2013

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te Marknesse, belanghebbende,

gemachtigde: mr. M.C. van de Leur

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/2083 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 27 november 2008 aan belanghebbende een

uitnodiging tot betaling (hierna: UTB) uitgereikt ten bedrage van € 259.560. Bij besluit van 9 januari 2009 is de UTB verminderd tot € 247.440.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 1 maart

2011, de UTB gehandhaafd zoals verminderd bij het besluit van 9 januari 2009.

1.3.

Bij uitspraak van 12 oktober 2012 heeft de rechtbank het door belanghebbende

ingestelde beroep gegrond verklaard en de UTB verminderd tot € 223.370.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 21

november 2012, aangevuld bij brief van 6 december 2012. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

Op 18 maart 2013 heeft belanghebbende een conclusie van repliek ingediend, waarop

door de inspecteur is gereageerd bij conclusie van dupliek met dagtekening 17 april 2013.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2013. Van het verhandelde

ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.1. Eiseres heeft in de periode 27 april 2006 tot en met juli 2007[expediteur] opdracht gegeven om als directe vertegenwoordiger van eiseres 22 aangiften voor het vrije verkeer te doen voor vrachtwagens die uit Israël afkomstig zijn. Door middel van het vermelden van een code in de aangifte is telkens een beroep gedaan op een tariefpreferentie. De vrachtwagens zijn bijna allemaal aangegeven onder goederencode 8704 23 99 van de gecombineerde nomenclatuur (GN), behalve de aangiften van 7 augustus 2006, 20 maart 2007 en 21 maart 2007. Bij deze aangiften zijn de vrachtwagens aangegeven onder goederencode 8704 22 99.

2.2.

Op de bij de aangiften behorende oorsprongsbescheiden (EUR-1 certificaten) is bij de rubriek voor het land van oorsprong telkens de vermelding Israël doorgehaald en vervangen door vermelding van (een lidstaat van) de EU als land/gebied van oorsprong.

2.3.

Van elke vrachtwagen bevat het dossier een foto en daarbij de technische specificaties van de vrachtwagens met de merken MAN, DAF en SCANIA.”

2.2.

Het Hof vult voornoemde feiten als volgt aan:

2.2.1.

Van de 28 in de navordering betrokken aangiften zijn er, na de vermindering bij besluit van 9 januari 2009 en na verdere vermindering door de rechtbank, nog 25 in geschil. Voor 19 aangiften is de tariefindeling nog in geschil, te weten de volgende aangiften:

Dossier-volgnummer Aangiftenummer Bedrag

2 [*] € 13.420

3 [*] € 14.190

8 [*] € 9.460

9 [*] € 9.460

11 [*] € 9.460

12 [*] € 7.040

13 [*] € 7.480

14 [*] € 10.340

15 [*] € 10.340

16[*] € 10.340

17 [*] € 9.020

20 [*] € 8.140

21 [*] € 9.130

22 [*] € 9.460

23 [*] € 14.080

24 [*] € 9.680

26 [*] € 7.040

27 [*] € 5.720

28 [*] € 9.570

€ 183.370

2.2.2.

In onderstaande tabel zijn opgenomen de 19 aangiften waarvoor de tariefindeling nog wel in geschil is:

Dossier-volgnummer

2

3

13

14,15,16

8,9,11,12,17

20,22,21,

23,24

26,27,28

Foto

MAN 35.460

Scania

124.400

Scania

164.580

Scania 144.530

DAF

XF95.480

Volvo

FH16.520

Factuur

MAN TGA 32.460

8x4

MAN TGA 35.460

Scania

124.400

8x4

Scania

164.580

8x4

Scania

144.530

8x4

DAF

XF95.480

8x4

Volvo

FH16.520

8x4

Chassis-nr

[A]

[B]

[C]

[D]

[E]

[F]

[G]

[H]

[I]

[J][J][J]

[K]

[L]

[M]

[N]

[O]

[P]

[Q]

[R]

[S]

EUR1

[1]

[1]

[2]

[2]

[3]

[3]

[4]

[5]

[6]

[7]

[8]

[9]

[10]

[11]

[12]

[13]

[14]

2.2.3.

De aanvullende GS toelichting bij postonderverdeling 8704 10 noemt, voor zover hier van belang, de volgende criteria om te bepalen of sprake is van dumpers:

“1. de bak van de dumper bestaat uit zeer sterke platen, waarvan de voorste wand tot boven de cabine doorloopt om de bestuurder te beschermen en waarvan de vloer naar achteren geheel of gedeeltelijk schuin oploopt;

2. in sommige gevallen een eenmanscabine voor de bestuurder;

3. geen asophanging;

4. een hoog remvermogen;

5. een beperkte snelheid en actieradius;

6. speciale banden voor slecht terrein;

7. vanwege de stevige constructie is de verhouding tussen leeggewicht en nuttig laadvermogen niet meer dan 1:1,6;

8. eventueel kan de bak worden verwarmd door de uitlaatgassen om te voorkomen dat de te vervoeren stoffen vastkleven of bevriezen.

Voor wat betreft de in geschil zijnde vrachtauto’s, gekoppeld aan de dossiernummers hiervoor opgenomen onder 2.2.2. leidt dit tot het volgende overzicht:

Dossier-nummer

2

3

13

14,15,16

8,9,11,12,17

20,22,21,

23,24

26,27,28

GS-criterium

1

Geen

geen

geen

geen

geen

geen

geen

2

Slaap

slaap

slaap

slaap

slaap

slaap

slaap

3

Wel asop-hanging

Wel asop-hanging

Wel asop-hanging ja

Wel asop-hanging

Wel asop-hanging

Wel asop-hanging

Wel asop-hanging

4

Ja

ja

ja

ja

ja

ja

ja

5

Nee

nee

nee

nee

nee

nee

nee

6

Mogelijk

mogelijk

mogelijk

mogelijk

mogelijk

mogelijk

mogelijk

Netto-

gewicht

14720

14450

11705

15600

14190

11970

12580

14190

12600

12580

15280

15000

14750

Bruto-

gewicht

34000

34000

41000

34000

34000

34000

41000

34000

37000

41000

34000

34000

7

1:1,4

1:1,9

1:1,6

1:1,4

1:1,8

1:1,7

1:1,9

1:1,7

1:1,9

1:1,7

1:1,3

1:1,3

2.2.4.

Voor 6 aangiften is de tariefindeling niet meer in geschil. Het betreft de volgende aangiften:

Aangiftenummer

UTB zoals verminderd door de rechtbank

[*]

€ 4.480

[*]

€ 5.920

[*]

€ 6.800

[*]

€ 8.960

[*]

€ 6.160

[*]

€ 7.680

€ 40.000

3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard waarbij zij het volgende heeft overwogen:

“6.1. Verweerder heeft aangegeven dat de utb met een bedrag van € 24.070 tot € 223.370 verminderd moet worden omdat drie in de utb betrokken aangiften door [expediteur] op eigen naam en voor eigen rekening zijn gedaan. De rechtbank volgt verweerder hierin. Reeds hierom is het beroep gegrond. In geschil is derhalve nog het bedrag van € 223.370, welk bedrag nog ziet op 19 vrachtwagens. Hierbij is allereerst in geschil de indeling in de GN van deze vrachtwagens.

6.2.

Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ), dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de GN-post zijn omschreven. De door de Commissie vastgestelde toelichtingen op de GN en de in het kader van de Werelddouaneorganisatie uitgewerkte toelichtingen op het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna: GS) zijn, hoewel rechtens niet bindend, belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten.

6.3.

Eiseres heeft betoogd dat de vrachtwagens ingedeeld moeten worden onder 8704 10 10, dumpers ontworpen voor gebruik in het terrein met een motor met zelfontsteking (diesel- of semidieselmotor) of met vonkontsteking. Eiseres stelt zich hierbij op het standpunt dat uit de bijgeleverde foto’s en specificaties blijkt dat de vrachtwagens dumpers zijn. De vrachtwagens zijn voorzien van een stijf en versterkt chassis met daaraan vier assen, waarvan de voorste meesturend zijn, en de assen zijn voorzien van een naafreductie voor meer vermogen op de wielen in zwaar terrein. Hieruit blijkt dat de vrachtwagens speciaal zijn ontworpen voor het vervoer van zwaar materiaal in ruw terrein (onverharde wegen).

6.4.

Het HvJ heeft op 16 september 2004 inzake DFDS B.V., C-396/02 voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“31 De tekst van deze postonderverdeling vooronderstelt dat een voertuig aan twee voorwaarden voldoet om onder deze postonderverdeling te kunnen worden ingedeeld, te weten een „dumper” zijn en ontworpen zijn voor gebruik in het terrein. Terwijl de tweede voorwaarde in casu geen probleem vormt, bevat de GN geen nadere precisering van de omschrijving van een „dumper”.

32 Uit de omschrijvingen van de voertuigen in de GN-toelichtingen en de GS-toelichtingen vloeit voort dat het hebben van een kiepende bak of een zelfopenende bodem, die het vervoer van puin of andere stortgoederen mogelijk maken, een wezenlijke eigenschap is van dumpers. Deze toelichtingen bevatten echter niets waaruit blijkt dat de vorm of de functionaliteit van de kiepbakken op zichzelf een doorslaggevend criterium kan zijn voor de indeling van een voertuig als dumper.

33 De GS-toelichting bij post 8704 omschrijft dumpers als „sterk gebouwde vrachtauto’s”. Gesteld dat het criterium van het sterk gebouwd zijn voldoende objectief is om als criterium voor de indeling te worden gehanteerd, uit een dergelijk criterium kan niet worden afgeleid dat een geavanceerd kantelmechanisme niet sterk gebouwd kan zijn of dat het sterk gebouwd zijn van het voertuig moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het sterk gebouwd zijn van het stortmechanisme.

34 Wat postonderverdeling 8704 10 betreft, onderstrepen de GN en de GS-toelichtingen, door het gebruik van de woorden „in het algemeen” en „voornamelijk”, uitdrukkelijk dat de criteria slechts ter informatie zijn vermeld en geen dwingende voorwaarden zijn. Het feit alleen dat een voertuig niet is uitgerust met een kiepbak met een traditionele vorm of dat deze kiepbak niet alleen naar voren of naar achteren, maar ook zijdelings kan worden gekiept, volstaat derhalve niet om dit voertuig van de indeling als dumper uit te sluiten.

35 Meer algemeen is er in de onderhavige zaak, gelet op de bestemming van dumpers, te weten het vervoer alsmede het lossen van puin en andere stortgoederen, geen enkele reden om te concluderen dat de aan de constructie van deze voertuigen aangebrachte wijzigingen om deze beter aan hun doel te laten beantwoorden (met name door preciezer te lossen in een beperkte ruimte) tot gevolg kunnen hebben dat die voertuigen van de indeling als dumpers worden uitgesloten.”

6.5.

Het HvJ heeft op 11 januari 2007 inzake B.A.S. Trucks B.V., C-400/05, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“31 Vastgesteld dient te worden dat het enige criterium waarop de Nederlandse regering zich heeft gebaseerd om de litigieuze voertuigen niet als dumpers in de zin van GN-postonderverdeling 8704 10 in te delen, de omstandigheid is dat die dumpers niet uitsluitend zijn ontworpen om in het terrein te worden gebruikt, maar ook voor gebruik op de verharde, openbare weg.

32 Blijkens de bewoordingen ervan is GN-postonderverdeling 8704 10 een specifieke post voor voertuigen die voor een bijzonder gebruik zijn ontworpen, te weten het laden en lossen van materiaal in het terrein. De overige categorieën van automobielen voor goederenvervoer vallen onder algemene postonderverdelingen, die geen onderscheid maken op basis van het gebruik waarvoor die voertuigen zijn bestemd, maar aan de hand van de specifieke technische kenmerken ervan. Zoals advocaat-generaal Stix-Hackl in punt 33 van haar conclusie in de reeds aangehaalde zaak DFDS heeft benadrukt, vormt bijgevolg het bijzondere gebruik waarvoor dumpers zijn bestemd, het beslissende criterium voor indeling onder GN-postonderverdeling 8704 10.

33 De toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur bij de postonderverdelingen 8704 10 11 tot en met 8704 10 90 omschrijven dumpers als voertuigen die „speciaal zijn geconstrueerd voor het vervoer van zand, grind, aarde, gesteente, enz., in steengroeven en mijnen of op bouwplaatsen voor gebouwen, wegen, vliegvelden of havens”.

34 De GS-toelichtingen bij de postonderverdelingen 8704 en 8704 10 omschrijven dumpers als voertuigen die „in het algemeen [zijn] voorzien van wielen geschikt voor alle terreinen en [die] [...] op losse grond [kunnen] rijden”, waarvan de snelheid en de actieradius beperkt zijn in vergelijking met voertuigen die op het eerste gezicht zijn ontworpen voor gebruik op de verharde, openbare weg en over het algemeen zijn voorzien van speciale banden voor slecht terrein.

35 Algemeen zijn de in GN-postonderverdeling 8704 10 bedoelde dumpers, gelet op de inherente kenmerken ervan, met name wielen die geschikt zijn voor alle terreinen, speciale banden voor slecht terrein en een beperkte snelheid en actieradius, hoofdzakelijk bestemd voor het vervoer van materiaal in steengroeven en mijnen of op bouwplaatsen, dat wil zeggen in het terrein. Deze kenmerken onderscheiden die dumpers van andere voertuigen voor goederenvervoer, daar zij, in tegenstelling tot deze laatste voertuigen, hoofdzakelijk bestemd zijn om over andere terreinen dan de verharde, openbare weg te rijden.

36 Uit het voorgaande volgt dat dumpers slechts onder GN-postonderverdeling 8704 10 kunnen worden ingedeeld indien zij speciaal zijn ontworpen voor het vervoer en het lossen van materiaal in het terrein.

37 Uit de bewoordingen van GN-postonderverdeling 8704 10 en de GN en GS-toelichtingen blijkt evenwel niet dat die dumpers zodanig moeten zijn ontworpen dat zij uitsluitend kunnen worden gebruikt in het terrein.

38 Anders dan de Nederlandse regering betoogt, is het wezenlijke kenmerk van de in GN-postonderverdeling 8704 10 bedoelde dumpers niet de omstandigheid dat deze niet over de weg kunnen rijden, maar dat zij hoofdzakelijk zijn ontworpen om te kunnen rijden op min of meer onregelmatig terrein. Dat dumpers zodanig zijn ontworpen dat zij ook, bijkomend, gebruik kunnen maken van de verharde, openbare weg, is dus niet beslissend voor de indeling in de gecombineerde nomenclatuur.

39 Gelet op het voorgaande kan de omstandigheid dat een dumper zodanig is ontworpen dat hij niet alleen in het terrein kan rijden, maar ook over de verharde, openbare weg, op zich niet volstaan om de indeling van dat voertuig als dumper in de zin van GN-postonderverdeling 8704 10 uit te sluiten.

40 Het staat aan de nationale autoriteiten om per geval, onder toezicht van de rechter, na te gaan of een dumper speciaal en primair is ontworpen om in het terrein te worden gebruikt, dan wel primair is ontworpen voor gebruik op de verharde, openbare weg. Daartoe moet aan de hand van alle kenmerken van het betrokken voertuig worden nagegaan of dit al dan niet de in de relevante GN en GS-toelichtingen genoemde wezenlijke kenmerken heeft.”

6.6.

Uit de GS- en GN-toelichtingen in combinatie met voormelde arresten leidt de rechtbank af dat het wezenlijke kenmerk van dumpers is dat zij hoofdzakelijk zijn ontworpen om te kunnen rijden op min of meer onregelmatig terrein. Dit betekent niet dat zij niet over de weg kunnen rijden, maar dat zij naar hun kenmerken hoofdzakelijk zijn ontworpen om te kunnen rijden op min of meer onregelmatig terrein. Hiertoe kunnen dumpers zich van andere voertuigen onderscheiden door onder andere de volgende kenmerken:

- de bak van de dumper bestaat uit zeer sterke platen, waarvan de voorste wand tot boven de cabine doorloopt om de bestuurder te beschermen en waarvan de vloer naar achteren geheel of gedeeltelijk schuin oploopt;

- in sommige gevallen een eenmanscabine voor de bestuurder;

- geen asophanging;

- een hoog remvermogen;

- een beperkte snelheid en actieradius;

- speciale banden voor slecht terrein;

- vanwege de stevige constructie is de verhouding tussen leeggewicht en nuttig laadvermogen niet meer dan 1 : 1,6;

- eventueel kan de bak worden verwarmd door de uitlaatgassen om te voorkomen dat de te vervoeren stoffen vastkleven of bevriezen.

6.7.

Uit de zich in het dossier bevindende foto’s en bijbehorende technische specificaties van de vrachtwagens blijkt het volgende. Uiterlijk gezien betreft het kiepwagens. De vrachtwagens zijn alle voorzien van een kantelbare laadbak met scharnierende achterklep. Het uiterlijk van de in geschil zijnde vrachtwagens komt niet overeen met de onder 5. opgenomen afbeeldingen van dumpers en uiterlijk lijken de vrachtwagens veel op frequent op de weg voorkomende vrachtwagens. Het betreft hier met name het uiterlijk en de inrichting van de cabine van de vrachtwagens. Voorts blijkt uit het dossier dat de vrachtwagens voldoen aan de wettelijke inrichtingseisen, zodat ze zijn goedgekeurd voor gebruik op de openbare weg. Ze kunnen worden voorzien van een kenteken. Uit de voertuigspecificaties blijkt verder dat het gaat om chassis-cabines met een multifunctioneel gebruik die op aangeven van de klant voorzien kunnen worden van een kantelbare laadbak. Dezelfde chassis-cabines kunnen ook gebruikt worden voor langeafstandsvervoer. Dit blijkt onder andere uit het ter zitting als bijlage 3 overgelegde geboortepaspoort van één van de vrachtwagens waarop specifiek “Lange afstandstransport” staat vermeld. Bijna alle vrachtwagens zijn ook voorzien van een slaapcabine. De vrachtwagens hebben grote brandstoftanks en daarmee een grote actieradius. Ze hebben een maximale snelheid van 110 km/h met een wettelijke snelheidsbegrenzer (85-90 km/h). De vrachtwagens hebben asophanging met vering en zijn veelal voorzien van spoilers om de aerodynamische eigenschappen te verbeteren. De vrachtwagens hebben een aanzienlijk aantal kilometers gereden, variërend van 368.000 tot 893.000. Gelet op voormelde kenmerken van de vrachtwagens zijn de vrachtwagens niet hoofdzakelijk ontworpen om te kunnen rijden op min of meer onregelmatig terrein. Er kan niet worden gesproken van een bijkomend gebruik op de openbare weg. De bij de vrachtwagens aanwezige naafreductie komt, anders dan eiseres kennelijk bepleit, voor bij zowel dumpers als bij vrachtwagens voor zwaar lange afstandstransport en heeft niet tot gevolg dat de vrachtwagens als dumpers moeten worden ingedeeld. De vrachtwagens zijn gelet op bovenstaande objectieve kenmerken en eigenschappen primair ontworpen voor gebruik op de verharde openbare weg en dienen derhalve te worden ingedeeld onder de GN-code 8704 23 99. Het gelijk wat betreft de indeling is aan verweerder.

6.8.

Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat goederen uit de EU, die na vier jaar weer terugkeren naar de EU vanuit Israël niet expliciet zijn uitgezonderd van de Euro-mediterrane Overeenkomst en derhalve vallen onder de vrijhandelszonepreferentie die deze overeenkomst biedt, aangezien de voorschriften strikt dienen te worden geïnterpreteerd. Eiseres verwijst hierbij naar de GATT-overeenkomst.

6.9.

Het HvJ heeft op 1 maart 2005 inzake Léon Van Parys NV tegen Belgisch Interventie en Restitutiebureau (BIRB), C-377/02, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“38 Alvorens dit onderzoek te verrichten, dient te worden uitgemaakt of de WTO-overeenkomsten voor gemeenschapsonderdanen het recht in het leven roepen om deze overeenkomsten in rechte aan te voeren om de geldigheid van een gemeenschapsregeling te betwisten, ingeval het DSB heeft verklaard dat zowel deze regeling als de regeling welke nadien door de Gemeenschap is vastgesteld om aan de WTO-regels te voldoen, met deze regels onverenigbaar zijn.

39 In dit verband is het vaste rechtspraak dat de WTO-overeenkomsten, gelet op de aard en de opzet ervan, in beginsel niet behoren tot de normen waaraan het Hof de wettigheid van de handelingen van de gemeenschapsinstellingen toetst (arrest van 23 november 1999, Portugal/Raad, C‑149/96, Jurispr. blz. I‑8395, punt 47; beschikking van 2 mei 2001, OGT Fruchthandelsgesellschaft, C‑307/99, Jurispr. blz. I 3159, punt 24; arresten van 12 maart 2002, Omega Air e.a., C‑27/00 en C‑122/00, Jurispr. blz. I‑2569, punt 93; 9 januari 2003, Petrotub en Republica/Raad, C‑76/00 P, Jurispr. blz. I‑79, punt 53, en 30 september 2003, Biret International/Raad, C‑93/02 P, Jurispr. blz. I‑10497, punt 52).

40 Slechts ingeval de Gemeenschap uitvoering heeft willen geven aan een in het kader van de WTO aangegane bijzondere verplichting of indien de gemeenschapshandeling uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de WTO-overeenkomsten verwijst, staat het aan het Hof de wettigheid van de betrokken gemeenschapshandeling aan de WTO-regels te toetsen (zie, wat de GATT 1947 betreft, arresten van 22 juni 1989, Fediol/Commissie, 70/87, Jurispr. blz. 1781, punten 19‑22, en 7 mei 1991, Nakajima/Raad, C‑69/89, Jurispr. blz. I‑2069, punt 31, en wat de WTO-overeenkomsten betreft, reeds aangehaalde arresten Portugal/Raad, punt 49, en Biret International/Raad, punt 53).”

6.10.

Uit voormeld arrest kan worden afgeleid dat de bepalingen van de Euro-mediterrane Overeenkomst slechts kunnen worden getoetst aan de GATT-overeenkomst indien de Euro-mediterrane Overeenkomst uitdrukkelijk naar specifieke bepalingen van de GATT-overeenkomst verwijst. Hiervan is geen sprake, zodat het beroep op de GATT-overeenkomst reeds om deze reden faalt.

6.11.

Het HvJ heeft op 10 december 2009 inzake HEKO Industrieerzeugnisse GmbH, C-260/08, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“22 Daaraan moet worden toegevoegd dat, hoewel de relevante handelingen van afgeleid recht moeten worden uitgelegd in het licht van de WTO-akkoorden (zie in die zin arresten van 14 december 2000, Dior e.a., C‑300/98 en C‑392/98, Jurispr. blz. I‑11307, punt 47, en 16 november 2004, Anheuser-Busch, C‑245/02, Jurispr. blz. I‑10989, punt 55), de overeenkomst betreffende de oorsprongsregels thans alleen voorziet in een harmoniseringswerkprogramma gedurende een overgangsperiode. Daar deze overeenkomst geen volledige harmonisatie tot stand brengt, beschikken de WTO-leden over een beoordelingsmarge inzake de aanpassing van hun oorsprongsregels. Dienaangaande blijkt uit het verslag van het WTO-panel van 20 juni 2003 (Verenigde Staten) – Oorsprongsregels voor textiel en kleding (DS243), punten 6.23 en 6.24, dat de WTO-leden vrij zijn om de oorsprongsbepalende criteria vast te stellen, deze criteria in verloop van tijd te wijzigen of verschillende criteria toe te passen op verschillende producten.”

6.12.

Uit het HEKO-arrest blijkt dat de Europese Gemeenschappen en Israël vrij zijn om oorsprongbepalende criteria vast te stellen. Dit hebben de Europese Gemeenschappen en Israël gedaan in de onder 4.2 geciteerde bepaling van de Euro-mediterrane Overeenkomst. Door een nadere invulling te geven aan het begrip ‘oorsprong’ hebben de verdragsluitende partijen, anders dan eiseres kennelijk bepleit, geen beperking aangebracht die tot gevolg heeft dat de vrijhandelszone niet voldoet aan de definitie van het begrip ‘vrijhandelszone’ in de GATT-overeenkomst. De verdragsluitende partijen waren dus vrij om het begrip ‘oorsprong’ te omschrijven zoals zij hebben gedaan, zodat de vrachtwagens op grond van de Euro-mediterrane Overeenkomst niet de oorsprong Israël (dit is tussen partijen ook niet in geschil) hebben gekregen en niet de oorsprong (een lidstaat van de) Europese Gemeenschappen hebben behouden. Laatstbedoelde status zijn de voertuigen bij uitvoer naar Israël kwijtgeraakt en deze herkrijgen zij niet bij terugkeer, alleen al omdat deze terugkeer niet binnen 3 jaar heeft plaatsgevonden. De terugkeerregeling is daardoor niet van toepassing. Ook is er, anders dan eiseres ter zitting naar voren bracht, geen sprake van wederinvoer in de zin van het CDW, nu wederinvoer alleen ziet op veredelingsproducten en daarvan hier geen sprake is. Gelet op het vorenstaande is het preferentiële tarief niet op de vrachtwagens van toepassing.

6.13.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op vorenstaande overwegingen de juiste toepassing van het Unierecht zo evident is, dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan omtrent de wijze waarop de gestelde vraag moet worden opgelost. De rechtbank is ervan overtuigd dat die oplossing even evident zou zijn voor de rechterlijke instanties van de andere lidstaten (zie het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982 inzake Cilfit 283/81). De rechtbank ziet derhalve geen reden om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie, zoals verzocht door eiseres.

6.14.

Eiseres beroept zich tenslotte nog op het Unierechtelijke vertrouwensbeginsel zoals dit is verwoord in artikel 220, tweede lid, aanhef, sub b, van het CDW. Eiseres stelt dat de douaneautoriteiten een vergissing hebben begaan, die eiseres redelijkerwijs niet kon ontdekken en dat eiseres te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.

6.15.1.

Ingevolge artikel 220, eerste lid, van het CDW dient, indien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld niet is geboekt overeenkomstig de artikelen 218 en 219 of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen (boeking achteraf). Deze termijn kan overeenkomstig artikel 219 worden verlengd.

6.15.2.

Ingevolge artikel 220, tweede lid, aanhef en sub b, van het CDW wordt, behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 217, eerste lid, tweede en derde alinea, niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer: het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijs niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.

6.16.

De Hoge Raad heeft op 8 augustus 2008, LJN BA3303, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de afgifte van de in het hiervoor in 3.1 vermelde rapport bedoelde certificaten EUR.1 (hierna: de certificaten) door de Israëlische autoriteiten is te beschouwen als een vergissing van de douaneautoriteiten, die in beginsel wordt bestreken door het bepaalde in artikel 220, lid 2, letter b, Communautair douanewetboek (hierna: CDW). Naar het oordeel van het Hof komt belanghebbende evenwel de bescherming van deze bepaling niet toe, omdat zij deze vergissing redelijkerwijze had kunnen ontdekken, nu het haar als ervaren marktdeelnemer duidelijk had moeten zijn dat zij met de certificaten de door haar verlangde preferentiële behandeling niet zou kunnen verkrijgen.
(…)
-3.3.3. Bij Verordening (EG) nr. 2700/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2000, Pb  L 311, is (onder meer) artikel 220, lid 2, letter b, CDW gewijzigd door toevoeging van een viertal alinea’s die betrekking hebben op de afgifte in derde landen van onjuiste certificaten die dienen tot vaststelling van de preferentiële status van goederen. In zijn arrest van 9 maart 2006, Beemsterboer Coldstore Services BV, C-293/04, Douanerechtspraak 2007/56, heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor recht verklaard dat artikel 220, lid 2, letter b, CDW, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2700/2000, van toepassing is op een douaneschuld die is ontstaan en is nagevorderd vóór de inwerkingtreding van laatstgenoemde verordening. Ingevolge de (nieuwe) tweede alinea van deze bepaling wordt de afgifte van een onjuist certificaat door een instantie van een derde land aangemerkt als een vergissing in de zin van de eerste alinea, die redelijkerwijze niet kon worden ontdekt. Het is buiten redelijke twijfel dat hiermee wordt gedoeld op gevallen waarin de autoriteiten van het derde land certificaten van oorsprong hebben afgegeven met vermelding van het eigen land als land van oorsprong waarvoor het preferentiële tarief van toepassing is maar die autoriteiten de juistheid van die oorsprong achteraf ontkennen dan wel niet (kunnen) bevestigen, en niet op gevallen als het onderhavige geval waarin de autoriteiten van het derde land (het land van uitvoer) certificaten van oorsprong hebben afgegeven waarop een ander land is vermeld dan het eigen land waarvoor het preferentiële tarief van toepassing is. In dit geval was de vergissing van de autoriteiten van het land van uitvoer zonder meer kenbaar en redelijkerwijze te ontdekken. De eventuele ingewikkeldheid van de in het Protocol voorziene preferentiële regeling doet hieraan niet af en evenmin de omstandigheid dat de Israëlische instanties gedurende een reeks van maanden onjuiste certificaten hebben afgetekend.”

6.17.

Nu in casu door de Israëlische autoriteiten EUR 1 certificaten zijn afgegeven waarop een ander land is vermeld dan het eigen land, is de vergissing van de autoriteiten zonder meer kenbaar en redelijkerwijs te ontdekken voor eiseres. De door eiseres gestelde ingewikkeldheid van de preferentiële regeling doet hier niet aan af. Eiseres komt derhalve geen bescherming toe op grond van artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW.

6.18.

Gelet op het onder 6.1 overwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.”

4 Geschil in hoger beroep

4.1.

In hoger beroep is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

  1. Is de vrijhandelszonepreferentie van toepassing?

  2. Is met betrekking tot de goederen GN-onderverdeling 8704 10 10 (dumpers, ontworpen voor gebruik in het terrein) van toepassing?

  3. Zijn de voorwaarden voor het afzien van navordering (artikel 220, lid 2, sub b, CDW) vervuld?

Belanghebbende beantwoordt de vragen bevestigend, en de inspecteur ontkennend.

Zo het gelijk met betrekking tot de vraag 1 of vraag 3 aan belanghebbende is, dienen de UTB’s te worden vernietigd.

Met betrekking tot vraag 2 stelt de inspecteur dat de van toepassing zijnde GN-onderverdelingen conform de aangiften zijn, te weten 8704 2399 en 8704 2299. Zo het gelijk met betrekking tot deze vraag aan belanghebbende is, dient de UTB te worden verminderd met € 183.370 tot € 40.000.

5 Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Voor het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar het proces-verbaal van zitting.

6 Relevante verdragsbepalingen

6.1.

Artikel XXIV, paragraaf 8 van de GATT-overeenkomst uit 1947 vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“A free-trade area shall be understood to mean a group of two or more customs territories in which the duties and other restrictive regulations of commerce (except, where necessary, those permitted under Articles XI, XII, XIII, XIV, XV and XX) are eliminated on substantially all the trade between the constituent territories in products originating in such territories.”

6.2.

De Euro-Mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël anderzijds (hierna: de Overeenkomst), vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende:

“HOOFDSTUK 1

BASISBEGINSELEN

Artikel 6

1. De vrijhandelszone tussen de Gemeenschap en Israël wordt tot stand gebracht overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst en in overeenstemming met de bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 1994 en andere multilaterale overeenkomsten inzake de handel in goederen die opgenomen zijn in de bijlagen bij de overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), hierna "de GATT" te noemen.

2. In het handelsverkeer tussen de partijen worden de goederen ingedeeld overeenkomstig de gecombineerde nomenclatuur en de Israëlische douanetarieven.”

Artikel 7

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op producten van oorsprong uit de Gemeenschap en Israël met uitzondering van de in bijlage II van het Verdrag tot oprichting van Europese Gemeenschap genoemde producten en in het geval van producten van oorsprong uit Israël met uitzondering van de in bijlage I van deze overeenkomst genoemde producten.

(…)

Artikel 28

Het begrip ‘producten van oorsprong’ voor de toepassing van de bepalingen van deze titel en de desbetreffende methoden van administratieve samenwerking worden gedefinieerd in protocol nr. 4.

(…)

Protocol nr. 4

(…)

Titel V

BEWIJS VAN OORSPRONG

Artikel 16 Algemen voorwaarden

1. De bepalingen van de overeenkomst zijn van toepassing op producten van oorsprong uit de Gemeenschap die in Israël worden ingevoerd, en op producten van oorsprong uit Israël die in de Gemeenschap worden ingevoerd, op vertoon van een van de volgende bewijzen van oorsprong:

a. een certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1, waarvan het model in bijlage IIIa is opgenomen;

(…)

7 Bepalingen van de GN

8704 Automobielen voor goederenvervoer

8704 10 - dumpers ontworpen voor gebruik in het terrein

8704 1010 - - met een motor met zelfontsteking (diesel- of semidieselmotor) of met vonkontsteking

8704 1090 - - andere

- andere, met een motor met zelfontsteking (diesel- of semidieselmotor)

8704 21 - - met een maximaal toegelaten gewicht van niet meer dan 5 ton:

(…)

8704 22 - - met een maximaal toegelaten gewicht van meer dan 5 doch niet meer dan 20 ton:

(…)

8704 2299 - - - - gebruikte

8704 23 - - met een maximaal toegelaten gewicht van meer dan 20 ton

8704 2391 - - - andere

8704 2399 - - - - gebruikte

De GS-toelichting bij 8704 bevat, voor zover hier van belang, de volgende passage:

“Deze post omvat onder meer:

gewone vrachtauto’s (bijvoorbeeld met open laadvloer, met zijschotten en huif, met gesloten laadruimte); bestelwagens van alle soorten; verhuiswagens; kiepers; tankwagens (ook indien uitgerust met pompen); koelwagens en isothermische wagens; vrachtauto’s met twee of meer boven elkaar geplaatste laadvlakken voor het vervoer van bijvoorbeeld zuren in mandflessen of butaangas in flessen; vrachtauto’s met laagliggend laadvlak en oprit voor het transport van zwaar materieel (gevechtswagens, hef- en graafmachines, elektrische transformatoren, enz.); vrachtauto’s speciaal ingericht voor het transport van vers aangemaakte beton, andere dan vrachtauto-betonmolens als bedoeld bij post 87.05; vuilniswagens, ook indien met inrichtingen voor het inladen, om de lading op te stuwen, te bevochtigen, enz.

Deze groep omvat bovendien:

1. dumpers, zijnde sterkgebouwde vrachtauto’s van een speciaal type, meestal met kiepbak – soms met zelfopenende bodem – voor grondverzet of het transport van materialen.

Deze voertuigen, die een stijf of een geleed chassis hebben, zijn in het algemeen voorzien van wielen geschikt voor alle terreinen en kunnen op losse grond rijden. Deze groep omvat zowel zware als lichte dumpers. De laatste zijn soms uitgerust met een draaibare zitplaats, met twee tegenover elkaar geplaatste zitplaatsen of met een dubbel stuur, waardoor de bestuurder zicht houdt op de laadbak en het lossen kan regelen;”

De aanvullende GS-toelichting bij postonderverdeling 8704 10 bevat, voor zover hier van belang, de volgende passage:

“De dumpers bedoeld bij onderverdeling 8704.10 zijn in het algemeen van andere voertuigen voor goederenvervoer (in het bijzonder van vrachtwagens met kiepbak) te onderscheiden door de volgende kenmerken:

  1. de bak van de dumper bestaat uit zeer sterke platen, waarvan de voorste wand tot boven de cabine doorloopt om de bestuurder te beschermen en waarvan de vloer naar achteren geheel of gedeeltelijk schuin oploopt;

  2. in sommige gevallen een eenmanscabine voor de bestuurder;

  3. geen asophanging;

  4. een hoog remvermogen;

  5. een beperkte snelheid en actieradius;

  6. speciale banden voor slecht terrein;

  7. vanwege de stevige constructie is de verhouding tussen leeggewicht en nuttig laadvermogen niet meer dan 1 : 1,6;

  8. eventueel kan de bak worden verwarmd door de uitlaatgassen om te voorkomen dat de te vervoeren stoffen vastkleven of bevriezen.

Opgemerkt wordt echter, dat bepaalde dumpers speciaal zijn ontworpen om te worden gebezigd in mijnen en tunnels, bijvoorbeeld die met een zelfopenende bodem. Deze vertonen enige van bovengenoemde kenmerken, maar zijn niet voorzien van een bestuurderscabine terwijl de bak niet in een soort beschermend dak uitloopt.”

De GN toelichting bevat, voor zover hier van belang, de volgende passage:

“1. Tot deze onderverdeling behoren voornamelijk voertuigen met een naar voren of naar achteren kiepende bak of met een zelfopenende bodem, die speciaal zijn geconstrueerd voor het vervoer van zand, grind, aarde, gesteente, enz., in steengroeven en mijnen of op bouwplaatsen voor gebouwen, wegen, vliegvelden of havens. Afbeeldingen van de verschillende typen dumpers zijn opgenomen aan het slot van deze toelichting EG.

2. Tot deze onderverdeling behoren eveneens kleinere voertuigen van het type dat wordt gebruikt op bouwplaatsen voor het vervoer van aarde, puin, cement, vloeibaar beton, enz. Deze hebben een vast of geleed chassis en twee of vier aangedreven wielen, terwijl de bak van de dumper boven de ene as is geplaatst en de zitplaats van de bestuurder boven de andere. De zitplaats van de bestuurder wordt gewoonlijk niet door een cabine beschermd.

Afbeeldingen van dumpers

Typische dumpers

Dumper met tweewegs-bestuurderszitplaats

en bedieningsorganen

Dumper met zelfopenende bodem

Dumper voor bouwplaatsen

Dumper met tweewegs-bestuurderszitplaats

en bedieningsorganen

8 Beoordeling van het geschil

De toepassing van de vrijhandelszonepreferentie

8.1.

Belanghebbende stelt dat de Overeenkomst onduidelijk is, nu deze enerzijds in artikel 16 van Protocol nr. 4 bepaalt dat enkel goederen van oorsprong uit Israël met preferentie kunnen worden ingevoerd in de Europese Unie, terwijl anderzijds in artikel 6 van de Overeenkomst is verwoord dat een vrijhandelszone tussen de Europese Unie en Israël tot stand wordt gebracht “in overeenstemming met de bepalingen van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel van 1994” (hierna: GATT). Belanghebbende stelt dat uit artikel XXIV, paragraaf 8, van de GATT volgt dat het binnen de vrijhandelszone tussen Israël en de Europese Unie ook mogelijk moet zijn om goederen met preferentie in te voeren in de Europese Unie indien deze slechts herkomstig zijn uit Israël, mits deze goederen – vóór uitvoer uit het douanegebied van de Europese Unie – van EU-oorsprong waren.

8.2.

Daarnaar gevraagd heeft belanghebbende ter zitting gepreciseerd dat zij zich niet op het standpunt stelt dat de Overeenkomst dient te worden getoetst aan de GATT, doch dat zij enkel bepleit dat prejudiciële vragen worden gesteld op de voet van artikel 267 VWEU, ten einde duidelijkheid te verkrijgen over de interpretatie van de Overeenkomst.

8.3.

Het Hof stelt voorop dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de uitlegging van een door de Raad van de Europese Unie overeenkomstig de artikelen 217 VWEU en 218 VWEU met een derde land gesloten overeenkomst (vgl. HvJ 25 februari 2010, Firma Brita GmbH, C-386/08, punt 39).

8.4.

Gelet op de tekst van artikel 16 van Protocol nr. 4 bij de Overeenkomst zijn de bepalingen van de overeenkomst van toepassing op producten van oorsprong uit de Gemeenschap die in Israël worden ingevoerd, en op producten van oorsprong uit Israël die in de Gemeenschap worden ingevoerd. Anders dan belanghebbende heeft bepleit acht het Hof de bewoordingen van voormelde bepaling, welke niet voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn, niet onverenigbaar met de bewoordingen van artikel XXIV, paragraaf 8, van de GATT.

8.5.

Gelet op het vorenoverwogene acht het Hof het stellen van prejudiciële vragen niet noodzakelijk. Het Hof concludeert dat in zoverre het hoger beroep van belanghebbende faalt.

De tariefindeling

8.6.

Belanghebbende stelt dat de vrachtwagens ingedeeld moeten worden in GN-onderverdeling 8704 10 10, inzake dumpers ontworpen voor gebruik in het terrein met een motor met zelfontsteking of met vonkontsteking. De inspecteur betwist dit en stelt dat de vrachtauto’s ‘normale vrachtauto’s met kiepbak’ zijn.

8.7.

Het HvJ heeft op 11 januari 2007 inzake B.A.S. Trucks B.V., C-400/05, met betrekking tot het begrip dumpers, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“32. Blijkens de bewoordingen ervan is GN-postonderverdeling 8704 10 een specifieke post voor voertuigen die voor een bijzonder gebruik zijn ontworpen, te weten het laden en lossen van materiaal in het terrein. De overige categorieën van automobielen voor goederenvervoer vallen onder algemene postonderverdelingen, die geen onderscheid maken op basis van het gebruik waarvoor die voertuigen zijn bestemd, maar aan de hand van de specifieke technische kenmerken ervan. Zoals advocaat-generaal Stix-Hackl in punt 33 van haar conclusie in de reeds aangehaalde zaak DFDS heeft benadrukt, vormt bijgevolg het bijzondere gebruik waarvoor dumpers zijn bestemd, het beslissende criterium voor indeling onder GN-postonderverdeling 8704 10.

33. De toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur bij de postonderverdelingen 8704 10 11 tot en met 8704 10 90 omschrijven dumpers als voertuigen die „speciaal zijn geconstrueerd voor het vervoer van zand, grind, aarde, gesteente, enz., in steengroeven en mijnen of op bouwplaatsen voor gebouwen, wegen, vliegvelden of havens.”

8.8.

Het Hof is van oordeel dat gelet op de objectieve kenmerken en eigenschappen van de vrachtwagens niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van voertuigen als hiervoor onder 8.7 in overweging 33 van het arrest van het HvJ omschreven. Ontegenzeggelijk zijn de vrachtwagens geschikt voor “zwaar werk” in moeilijk begaanbaar terrein maar zijn zij daar niet speciaal voor ontworpen casu quo geschikt. Het Hof heeft in dit verband de eigenschappen genoemd in de aanvullende GS-toelichting - welke volgens vaste rechtspraak een nuttig hulpmiddel vormt bij de indeling - bij onderverdeling 8704 10 gelegd naast de eigenschappen van de onderhavige vrachtwagens (zie 2.2.3). Met name acht het Hof van belang dat geen sprake is van een bak waarvan de voorste wand tot boven de cabine doorloopt om de bestuurder te beschermen, dat de voertuigen zijn voorzien van een tweepersoonscabine met slaapgelegenheid, dat de voertuigen zijn voorzien van een asophanging (bladveren) en dat de voertuigen geen beperkte snelheid hebben noch een beperkte actieradius.

8.9.

Het Hof concludeert dat de vrachtwagens niet onder onderverdeling 8404 10 kunnen worden ingedeeld zodat in zoverre het hoger beroep van belanghebbende faalt en de UTB – voor zover het de indeling betreft – juist is vastgesteld.

Afzien van navordering

8.10.

Het Hof stelt voorop dat de inspecteur op grond van artikel 220, tweede lid, aanhef en letter b, CDW gehouden is af te zien van navordering, indien drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld: (1) sprake moet zijn van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf, (2) die de belastingschuldige, die te goeder trouw is, redelijkerwijze niet kon ontdekken en (3) de belastingschuldige heeft voldaan aan alle voorschriften inzake de douaneaangifte. Belanghebbende voert aan dat òf de Israëlische autoriteiten zich vergissen òf de Nederlandse autoriteiten en dat zij die vergissing redelijkerwijze niet kon ontdekken. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

Vergissing Israëlische autoriteiten

8.11.

Zoals hiervoor onder 8.4. overwogen komen op grond van artikel 16, eerste lid, van Protocol nr. 4 bij de Overeenkomst uitsluitend goederen van oorsprong uit Israël voor preferentie in aanmerking bij invoer in de Europese Unie. De afgifte van EUR1-certificaten – ten behoeve van de preferentiële handel tussen Israël en de Europese Unie – met vermelding van Nederland, Duitsland of Zweden als land van oorsprong, dient daarom naar ’s Hofs oordeel als vergissing van de Israëlische autoriteiten te worden aangemerkt.

8.12.

Uit het arrest Hoge Raad 8 augustus 2008, nr. 41 311 (ECLI:NL:HR:2008:BA3303), r.o. 3.3.3, volgt reeds dat voormelde vergissing van de Israëlische autoriteiten zonder meer kenbaar en redelijkerwijze te ontdekken was. Tevens heeft de Hoge Raad in genoemd arrest geoordeeld dat de eventuele ingewikkeldheid van de in het Protocol voorziene preferentiële regeling hier niet aan af doet.

8.13.

Gelet op het vorenoverwogene is de inspecteur niet gehouden om vanwege de vergissing van de Israëlische autoriteiten af te zien van navordering.

Vergissing inspecteur

8.14.

Nu uit het vorenoverwogene volgt dat de Overeenkomst in de onderwerpelijke situatie niet in een preferentie voorziet, staat vast dat belanghebbende, door vermelding van de communautaire preferentiecode in haar aangiften, ten onrechte aanspraak heeft gemaakt op de tariefpreferentie. Uit artikel 63 van het CDW volgt dat de inspecteur gehouden is aangiften te aanvaarden indien deze alle vermeldingen bevatten die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven. Aan deze voorwaarde is in het onderwerpelijke geval voldaan. Onder deze omstandigheden vormt de enkele aanvaarding van de onjuiste aangiften geen vergissing van de inspecteur (vgl. HvJ 13 november 1984, Van Gend & Loos, gevoegde zaken 98/83 en 230/83, Jurispr. blz. 3763, punt 20).

Redelijkerwijs kunnen ontdekken

8.15.

Gelet op het hiervoor onder 8.10 tot en met 8.14 overwogene behoeft de stelling van belanghebbende dat de zaak dermate complex is dat zij redelijkerwijs niet kon ontdekken dat sprake was van een vergissing niet meer te worden behandeld.

8.16.

Gelet op het vorenoverwogene zijn de voorwaarden die artikel 220, tweede lid, letter b, van het CDW stelt voor het afzien van navordering niet vervuld, zodat de inspecteur niet gehouden was om af te zien van navordering.

Slotsom

8.17.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

9 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

10 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder, en P.J.J. Vonk, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 19 december 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd te tekenen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.