Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4957

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
11/00234 en 11/00250
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De inspecteur mocht een nieuw feit ontlenen aan een bij het boekenonderzoek aan het licht gekomen akte. De cryptische wijze waarop belanghebbende in de jaarstukken bij haar aangifte voor het jaar 2002 had gerapporteerd inzake 'transactiewinst' en 'winstaandelen' doet daaraan niet af, te minder nu belanghebbende te dier zake niets in het aangiftebiljet had vermeld. Het feit dat de navorderingsaanslag 2002 ambtshalve tot nihil is verminderd staat ook niet in de weg aan de onderhavige navorderingsaanslag op basis van voor de winstbepaling van 2003 relevante feiten en omstandigheden.

De inspecteur heeft zich op een redelijk standpunt gesteld dat belanghebbende op zakelijke gronden een vordering had verkregen welke hij in beginsel geheel tot de winst in 2003 mocht rekenen, nu belanghebbende de desbetreffende vordering in haar balans ultimo 2002 kennelijk op nihil had gewaardeerd en belanghebbende niet heeft doen blijken in hoeverre die vordering ultimo 2003 - toen die vordering in ieder geval opeisbaar was geworden - onvolwaardig was.

Ook met betrekking tot de navorderingsaanslag 2005 beschikte de inspecteur over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. Bij belanghebbende is geen in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de navorderingsaanslag over 2005 zal worden vernietigd. Bij belanghebbende kan door de vermindering van de verzuimboete overeenkomstig nieuw boetebeleid niet redelijkerwijs de indruk zijn ontstaan dat de inspecteur een standpunt heeft ingenomen omtrent de materiële belastingheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0232
V-N Vandaag 2014/184
V-N 2014/12.21.4

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 11/00234 en 250

17 oktober 2013

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op de hogere beroepen van

[X BV] , gevestigd te [Z],

belanghebbende,

en van

de inspecteur van de Belastingdienst/Amsterdam,

de inspecteur,

tegen

de uitspraak in de zaken met kenmerk AWB 10/1089 en 10/1090 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord/kantoor Zaandam heeft met dagtekening 31 december 2008 aan belanghebbende voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag opgelegd in de vennootschapsbelasting, berekend naar een belastbaar bedrag van € 275.025, met heffingsrente.

1.1.2.

De inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord/kantoor Zaandam heeft met dagtekening 11 juli 2009 aan belanghebbende voor het jaar 2005 een navorderingsaanslag opgelegd in de vennootschapsbelasting, berekend naar een belastbaar bedrag van € 351.825, met heffingsrente. Bij gelijktijdig genomen beschikking heeft die inspecteur aan belanghebbende een vergrijpboete opgelegd van € 54.766.

1.2.1.

Bij uitspraak op bezwaar van 21 januari 2010 heeft de inspecteur de onder 1.1.1 vermelde navorderingsaanslag gehandhaafd.

1.2.2.

Bij uitspraak op bezwaar van 21 januari 2010 heeft de inspecteur de onder 1.1.2 vermelde navorderingsaanslag gehandhaafd en de vergrijpboete verminderd tot nihil.

1.3.

Bij uitspraak van 15 februari 2011 heeft de rechtbank het tegen de in 1.2.1 vermelde uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar betreffende de navorderingsaanslag voor het jaar 2003 vernietigd, de navorderingsaanslag voor het jaar 2003 vernietigd, het beroep tegen de in 1.2.2 vermelde uitspraak ongegrond verklaard en gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 297 vergoedt.

1.4.1.

Het door belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 24 maart 2011 en betreft de beslissing in de zaak met kenmerk AWB 10/1090 betreffende het jaar 2005. De zaak is bij het Hof ingeschreven met kenmerk 11/00234. Het hoger beroep is aangevuld bij brieven ingekomen op 15 april 2011 en 20 mei 2011. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend dat op 20 juni 2011 bij het Hof is ingekomen.

1.4.2.

Het door de inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 28 maart 2011 en betreft de beslissing in de zaak met kenmerk AWB 10/1089 betreffende het jaar 2003. De zaak is bij het Hof ingeschreven met kenmerk 11/00250. Het hoger beroep is aangevuld bij brief ingekomen op 26 april 2011. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend dat op 22 juni 2011 bij het Hof is ingekomen.

1.5.

De in 1.4.1 en 1.4.2 vermelde zaken zijn gelijktijdig behandeld ter zitting van 4 april 2012. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.6.1.

Bij brieven van 24 juli 2012 heeft het Hof een voorlopig oordeel aan partijen meegedeeld en schriftelijke inlichtingen aan partijen verzocht. Bij brief van 25 juli 2012 heeft het Hof partijen het proces-verbaal van de zitting van 4 april 2012 toegezonden.

1.6.2.

De inspecteur heeft geantwoord bij brief van 9 augustus 2012 waarvan een afschrift aan belanghebbende is gezonden.

1.6.3.

Belanghebbende heeft gereageerd bij brief van 1 september 2012 waarvan een afschrift aan de inspecteur is gezonden. Hierop heeft de inspecteur gereageerd bij brief van19 september 2012 waarvan een afschrift aan belanghebbende is gezonden.

1.7.

De mondelinge behandeling van de zaken is voortgezet ter zitting van 17 juli 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift met deze uitspraak wordt meegezonden.

1.8.

Bij brief van 23 juli 2013 heeft het Hof partijen uitgenodigd voor een zitting op 6 september 2013 en voorts meegedeeld, samengevat weergegeven, dat het Hof [A] zal oproepen om op die zitting als getuige te worden gehoord, dat het Hof belanghebbende in de gelegenheid stelt om [B] als getuige voor die zitting op te roepen dan wel naar die zitting mee te nemen, en dat het Hof voornemens is het onderzoek in de zaak op die zitting af te ronden.

1.9.

De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet ter zitting van 6 september 2013. Tijdens die zitting is [A] als getuige gehoord. Van dat getuigenverhoor en van die zitting zijn processen-verbaal opgemaakt waarvan afschriften met deze uitspraak worden meegezonden.

2 Feiten

Op grond van de gedingstukken in eerste en tweede aanleg stelt het Hof, onder gebruikmaking van (een deel van) de feitenvaststelling door de rechtbank, de feiten als volgt vast.

2.1.

In het jaar 2000 hebben [B] ([B]) en [A] ([A]) middellijk - [B] via zijn persoonlijke houdstervennootschap [B BV] B.V. ([B BV]), [A] via zijn persoonlijke houdstervennootschap [A BV] ([A BV]) - ieder bij helfte de aandelen in belanghebbende verworven. [Q] ([Q]) is vanaf 12 mei 2000 aangesteld als directeur van belanghebbende. Sinds (begin) 2004 houdt [Q] alle aandelen in belanghebbende in juridische en economische eigendom.

2.2.

Bij akte van 11 september 2000 heeft belanghebbende een schoolgebouwencomplex gelegen aan de [A-straat 1] te [Z] (hierna: het complex) gekocht van [C BV] De koopprijs is bepaald op NLG 15.000.000. De levering zou plaatsvinden op 1 september 2002 of op eerder verzoek van de verkoper. [B BV] en [A BV] hebben zich garant gesteld voor de nakoming van de verplichtingen van belanghebbende uit deze overeenkomst.

In samenhang met deze koopovereenkomst hebben [D BV] en [E] (hierna: [D BV] en [E]) een 'winstdeel' van NLG 1.500.000 bedongen van [B BV] en [A BV]. De verschuldigdheid van dit 'winstdeel' is vastgelegd in een akte van 14 februari 2001, waarin onder meer is vermeld dat [B BV] en [A BV] "betrokken [zijn] bij een aankoop [van het complex]" en dat het winstdeel direct opeisbaar is bij de levering van het complex aan [B BV] en [A BV] of een door deze aan te wijzen rechtsopvolger.

2.3.

Bij akte van 27 september 2000 hebben [B BV] en [A BV] het complex verkocht aan [F BV] ([F BV]). De koopsom is bepaald op NLG 17.500.000. [F BV] heeft aan [B BV] en [A BV] een waarborgsom van NLG 1.750.000 betaald.

Tevens is bepaald dat [F BV] verplicht is aan [B BV] en [A BV] een bedrag van NLG 1.500.000 te vergoeden "zijnde het 'afkoopbedrag' zoals is overeengekomen in een (...) nader uit te werken overeenkomst tussen [A BV]/[B] versus [D BV]/[E], waarvan de inhoud en de strekking partijen genoegzaam bekend zijn".

2.4.

Bij een op 2 juli 2001 ondertekende akte heeft [G BV], een tot de zogenoemde '[H-Groep]' behorende vennootschap, hierna [G BV]), de rechten en verplichtingen van [F BV] jegens [B BV] en [A BV] overgenomen. [B BV] en [A BV] hebben hiermee ingestemd. Voor deze contractsovername heeft [F BV] een vergoeding van NLG 1.000.000 met eventueel daarover verschuldigde BTW van [G BV] bedongen. Voorts is overeengekomen dat [G BV] aan [F BV] de door deze aan [B BV] en [A BV] betaalde waarborgsom van NLG 1.750.000 vergoedt.

2.5.

Bij een op 12 juli 2001 ondertekende akte heeft belanghebbende het complex verkocht aan [B BV] en [A BV]. De koopprijs is bepaald op NLG 17.500.000.

2.6.

Bij een op 22 april 2002 ondertekende akte heeft [I BV] (een tot de [H-Groep] behorende vennootschap, hierna [I BV]) aan [C BV] gegarandeerd dat zij, voor het geval belanghebbende in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst van 11 september 2000 met [C BV] tekort zou schieten, "als eigen zelfstandige en eigen verplichting de verplichtingen uit voormelde koopovereenkomst jegens [C BV] (zal) nakomen".

2.7.

Bij een akte getiteld 'Garantiestelling' van 19 juli 2002 is tussen enerzijds [H BV]/[K BV]/[I BV]/[J BV] (hierna [J BV]) en anderzijds belanghebbende onder meer het volgende vastgelegd en overeengekomen (het complex wordt daarin aangeduid als 'het registergoed'):

"(...) [C BV] heeft het registergoed verkocht aan [belanghebbende] en vervolgens zijn ten aanzien van het registergoed opvolgende koopovereenkomsten gesloten.

(...)

De uiteindelijke koper van het registergoed is [[I BV]] danwel [[J BV]] danwel een andere tot de [H-Groep] behorende vennootschap.

[[I BV]] heeft zich jegens [C BV] - blijkens onderhandse overeenkomst gedagtekend tweeëntwintig april tweeduizend twee - verbonden (...) de verplichtingen van [belanghebbende] jegens [C BV] als eigen zelfstandige en eigen verplichtingen na te komen.

Aan [belanghebbende] dient nog in het kader van de afwikkeling van rechtsverhoudingen (...) te worden betaald een bedrag van (...) f 750.000 ofwel (...) € 340.335,16. (...)

[H-Groep] verplicht zich bij deze onherroepelijk en onvoorwaardelijk jegens [belanghebbende] tot betaling van (...) € 340.335,16 als zelfstandige en eigen verplichting jegens [belanghebbende] te zullen voldoen zonder beroep op verrekening of opschorting en zonder enige aftrek of korting en zonder mogelijkheid van weren in welke vorm ook. (...)

[H-Groep] en [belanghebbende] komen bij deze nader overeen dat terzake van de betaling van het onderhavige (...) bedrag omzetbelasting is verschuldigd. (...)

Het verschuldigde bedrag zal worden betaald uiterlijk op één juli tweeduizend drie of zoveel eerder als de [H-Groep] (...) met de bouwwerkzaamheden ten aanzien van het registergoed begint.

(...) [D]oor het enkele feit van niet tijdige betaling door [H-Groep] aan [belanghebbende] [is] een niet voor rechterlijke matiging vatbare boete verschuldigd van (...) € 1.000,00 per dag (...) dat de betaling uitblijft."

2.8.

De levering van het complex heeft op 22 juli 2002 rechtstreeks plaatsgevonden door [C BV] aan [J BV]. De notariële akte van levering vermeldt een koopsom van (omgerekend) NLG 15.000.000 en op deze basis is aangifte overdrachtsbelasting gedaan. De inspecteur belast met de heffing van overdrachtsbelasting heeft zich op het standpunt gesteld dat de verkrijging door [J BV] heeft plaatsgevonden voor (omgerekend) NLG 20.000.000 en wel omdat afspraken zijn gemaakt die inhouden dat [J BV] naast de in de akte vermelde koopsom de volgende bedragen verschuldigd is (omgerekend in NLG):

- NLG 1.750.000 aan [F BV] als vergoeding voor de waarborgsom die [F BV] had betaald aan [B BV]/[A BV];

- NLG 1.000.000 aan [F BV] als vergoeding voor de contractoverneming;

- NLG 750.000 ofwel € 340.335 aan belanghebbende;

- NLG 1.500.000 aan [D BV] en [E].

2.9.

Op 20 juni 2003 heeft belanghebbende aan [I BV] een factuur uitgereikt voor het bedrag van € 340.335, vermeerderd met € 64.663,68 omzetbelasting, te betalen uiterlijk 1 juli 2003.

2.10.

Bij brief van 14 juli 2003 aan belanghebbende heeft de bedrijfsjurist van [J BV] het volgende geschreven:

"Geachte heer [Q],

Naar aanleiding van uw brief van 4 juli jl. met bijlagen gericht aan de heer [H] kan ik u als volgt berichten.

Noch [[J BV]] noch één van de andere vennootschappen is bereid het door u gevorderde bedrag van totaal € 404.998,84 (geheel) te voldoen. Er is inmiddels gebleken dat de achterliggende verhoudingen anders zijn dan ons ten tijde van het sluiten van de diverse overeenkomsten met betrekking tot de overdracht van [het complex] werd voorgehouden. Op basis van een onjuiste voorstelling van zaken hebben wij afspraken gemaakt. Nu een en ander aan het licht is gekomen achtten wij ons niet langer aan deze afspraken gehouden.

De heer [[B]], althans [[B BV]], één van uw aandeelhouders, is ons vanuit verschillende projecten en leningen aanzienlijke bedragen verschuldigd die het door u gevorderde bedrag van € 404.998,84 ruimschoots overtreffen. Wij zijn van mening dat wij gerechtigd zijn uw betaling te compenseren met onze vordering op één van uw huidige aandeelhouders danwel die ten tijde van het sluiten van de diverse overeenkomsten in genoemd project."

2.11.

Bij akte van 3 december 2003 verwierf [Q] de economische eigendom van de aandelen die [A BV] in belanghebbende hield voor een prijs van € 142.000.

2.12.

Bij overeenkomst van 18 december 2003 zijn [H BV]/[K BV]/[I BV]/[J BV] (tezamen hierna ook: de [H-Groep]), belanghebbende en [A BV] overeengekomen dat de [H-Groep] blijkens akte van 19 juli 2002 aan belanghebbende een bedrag van € 340.335 exclusief omzetbelasting verschuldigd is. In de overeenkomst is voorts vermeld dat de [H-Groep] het belang van [B] ([BV]) in belanghebbende heeft overgenomen en dat [Q] het belang van [A BV] heeft overgenomen. Bepaald is dat de betalingen die de [H-Groep] op de schuld doet, uitsluitend strekken ten gunste van [A BV] casu quo een door deze aan te wijzen derde, dat een gedeelte van € 100.000, met BTW, uiterlijk moet worden betaald bij ondertekening en dat het restant, met BTW, uiterlijk op 25 februari 2004 betaald moet zijn.

2.13.

In december 2003 heeft de [H-Groep] een bedrag van € 100.000 aan belanghebbende betaald; de omzetbelasting daarover (€ 19.000) is door de [H-Groep] in november 2004 betaald. Op 15 maart 2004 is nog eens € 70.167, vermeerderd met
€ 13.331,84 omzetbelasting, betaald.

2.14.

[A BV] heeft op 5 maart 2004 aan belanghebbende een factuur "voor bewezen diensten" uitgereikt voor een bedrag van € 131.000 vermeerderd met € 24.980 aan omzetbelasting (totaal € 155.890). In een brief van 25 november 2004 aan [A BV] schrijft [Q] namens belanghebbende dat deze factuur ziet op "bewezen diensten, althans ogv uw voormalige deelneming ad 50% in [belanghebbende]".

2.15.

Bij exploot van 2 juli 2004 heeft belanghebbende aan de [H-Groep] bevel gedaan om op grond van de overeenkomst van 19 juli 2002 een bedrag van € 346.000 aan boetes te voldoen, te vermeerderen met rente en kosten. Het bedrag van € 346.000 is berekend als € 1.000 per dag over de periode 1 juli 2003 tot en met 10 juni 2004. Belanghebbende heeft de [H-Groep] voor dit bedrag, vermeerderd met rente en kosten, in rechte betrokken.

2.16.

Bij onherroepelijk geworden arrest van 14 april 2005, in hoger beroep gewezen tussen [H-Groep] en belanghebbende, heeft de vierde burgerlijke kamer van het Hof onder meer als volgt overwogen en beslist:

"(...) Op 19 juli 2002 is ten overstaan van notaris (...) een garantiestelling afgegeven door [H-Groep] ten gunste van [belanghebbende]. (...) De hoofdsom en de BTW dienden uiterlijk 1 juli 2003 te zijn voldaan op straffe van verbeurte van een boete van € 1.000,- per dag. (...)

[H-Groep] heeft niet op 1 juli 2003 betaald. (...) [Belanghebbende] heeft (...) aanspraak gemaakt op de hoofdsom van € 340.335,16, de BTW daarover van € 64.663,68, alsmede een bedrag van € 148.000,- aan verbeurde boetes. (...)

Partijen zijn vervolgens in overleg getreden. Dit overleg heeft geresulteerd in aanvullende overeenkomsten van 18 en 24 december 2003 (de akte van 24 december 2003 is een aangepaste versie van die van 18 december 2003, hierna gezamenlijk aan te duiden als de december akten). Hierin is onder meer een betalingsregeling opgenomen ten aanzien van het inmiddels tot 50% van de oorspronkelijke hoofdsom teruggebrachte bedrag van € 202.499,42 inclusief BTW, te vermeerderen met (...) deurwaarders- en juridische kosten.

Artikel C.1 van beide aanvullende overeenkomsten luidt:

Van het door [H-Groep] aan [belanghebbende] verschuldigde moet een gedeelte groot (...) € 100.000,- met BTW worden betaald (...) bij het ondertekenen van dit contract en het restant (...) inclusief BTW uiterlijk vijfentwintig februari tweeduizend vier.

Artikel C.2 van beide aanvullende overeenkomsten luidt:

Bij niet of niet tijdige betaling zijn alle ingevolge de akte verschuldigde boetes eveneens verschuldigd als ware de in deze akte belichaamde overeenkomst niet gesloten. Indien wel tijdige betaling plaatsvindt zijn deze boetes niet verschuldigd.

Met 'de akte' wordt in deze overeenkomst bedoeld de hiervoor (...) genoemde akte uit 2002. (...)

Op 25 februari 2004 was door [H-Groep] slechts een bedrag van € 100.000,- betaald. Op 5 maart 2004 heeft [H-Groep] nog een bedrag van € 90.998,42 voldaan. (...)

Op 11 juni 2004 heeft [H-Groep] aanvullend nog een bedrag van € 19.000,- in handen van de notaris gestort. Partijen zijn het erover eens dat dit bedrag nog verschuldigd was (...)

(...)

Het voorgaande voert tot de conclusie dat niet alleen door de te late betaling van het bedrag van € 90.998,42 op 5 maart 2004, maar ook door de te late betaling van het bedrag van € 19.000,- op 11 juni 2004, de in de notariële akte van 19 juli 2002 opgenomen verbeurte van boetes is herleefd en dat bij de vraag over welke periode de boetes alsnog zijn herleefd en verder verbeurd, de periode tot 11 juni 2004 moet worden betrokken. (...)

Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld, dat [belanghebbende] zich terecht op het standpunt stelt dat het verbeuren van boetes door [H-Groep] de periode bestrijkt van 1 juli 2003 tot en met 10 juni 2004 (...)

Onvoldoende weersproken is dat de december akten tot stand zijn gekomen, nadat [H-Groep] al geruime tijd in gebreke was met de betaling van het in de notariële akte van 19 juli 2002 genoemde bedrag van € 340.335,16 exl. BTW en dat [belanghebbende] bij de totstandkoming van de december akten in feite afstand heeft gedaan van reeds verbeurde boetes, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat het in de december akten overeengekomen bedrag inclusief BTW uiterlijk op 25 februari 2004 zou zijn betaald. (...) Voor de Vliegergroep was in december 2003 voorzienbaar, dat wanneer het daadwerkelijk tot het opvorderen van boetes zou komen, het in totaal zou gaan om een zeer hoog bedrag."

2.17.

In de loop van 2005 heeft [H-Groep] uit hoofde van het in 2.16 vermelde arrest een bedrag van € 382.500 aan boete en rente betaald aan belanghebbende. In dit bedrag was geen BTW begrepen.

2.18.

In de aangifte voor het jaar 2002 heeft belanghebbende ter zake van de verkoop van het complex geen winst verantwoord. In de bij deze aangifte gevoegde jaarstukken heeft belanghebbende een "transactiewinst" van € 1.222.509 vermeld en een kostenpost van € 1.123.611 met de omschrijving "winstaandeel [A BV] € 561.805 en winstaandeel [B BV] € 561.806". Deze aangifte is ondertekend door [A] en is op 30 december 2003 ingekomen bij de Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Zaandam.

2.19.

Voor het jaar 2003 heeft belanghebbende geen aangifte gedaan, waarna de inspecteur met dagtekening 30 juni 2006 de aanslag ambtshalve heeft vastgesteld naar een belastbare winst van € 4.131 en een belastbaar bedrag, na verliesverrekening, van € 1.000.

2.20.

Voor het jaar 2004 heeft belanghebbende geen aangifte gedaan. De inspecteur heeft de aanslag ambtshalve vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 1.000.

2.21.

Voor het jaar 2005 heeft belanghebbende geen aangifte gedaan. Met dagtekening 26 januari 2008 heeft de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord/kantoor Zaandam ambtshalve de aanslag voor dat jaar vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 1.000 en bij gelijktijdig genomen beschikking een verzuimboete van € 1.134 opgelegd wegens het niet tijdig doen van aangifte.

2.22.

In het voorjaar van 2008 heeft de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord/kantoor Zaandam aangekondigd een boekenonderzoek bij belanghebbende in te stellen naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2002 tot en met 2005.

2.23.

Belanghebbende heeft daarna alsnog aangiftebiljetten voor de jaren 2003 tot en met 2005 ingezonden:

- in het op 23 juni 2008 ingediende aangiftebiljet voor het jaar 2003 heeft zij een verlies van € 12.361 vermeld;

- in het op 24 juni 2008 ingediende aangiftebiljet voor het jaar 2004 heeft zij een opbrengst van € 154.201 uit hoofde van een factuur aan [I BV] vermeld en daarop een betaling van € 117.686 aan [A BV] in mindering gebracht;

- in het op 25 juni 2008 ingediende aangiftebiljet voor het jaar 2005 heeft zij het in dat jaar ontvangen bedrag aan boete en rente tot de opbrengsten gerekend, de belastbare winst op € 351.825 en het belastbare bedrag op € 351.458 berekend.

2.24.

Op 26 juni 2008 is het boekenonderzoek aangevangen. Voorlopige conclusies van het onderzoek zijn aan belanghebbende meegedeeld bij brief van de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord/kantoor Zaandam van 22 augustus 2008.

2.25.

Met dagtekening 30 september 2008 heeft de inspecteur van de Belastingdienst/ Holland-Noord/kantoor Zaandam aan belanghebbende voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag opgelegd berekend naar een belastbare winst van € 781.072. De inspecteur heeft daarbij NLG 1.750.000 (NLG 2.500.000 -/- 750.000) als verkoopwinst belast. Nadat daartegen een bezwaarschrift was ingediend, heeft die inspecteur bij brief van 21 november 2008 aan [Q] meegedeeld dat zij heeft besloten de navorderingsaanslag tot nihil te verminderen omdat "voor discussie vatbaar (is) of in de onderhavige situatie het voor een navorderingsaanslag vereiste nieuwe feit aanwezig is".

2.26.

Voor het jaar 2003 heeft de inspecteur van de Belastingdienst/Holland-Noord/kantoor Zaandam met dagtekening 31 december 2008 een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 275.025. Daarbij heeft de inspecteur het op het aangiftebiljet vermelde verlies van € 12.361 vermeerderd met een "winst verkoop onroerende zaak" van € 340.335 en verminderd met een "vergoeding verrichte prestaties" van € 50.000. Op de hieruit resulterende belastbare winst van € 278.156 is een bedrag van € 3.131 aan verrekenbare verliezen in mindering gebracht, hetgeen resulteerde in een belastbaar bedrag van € 275.025.

2.27.

De voor het jaar 2004 ambtshalve opgelegde aanslag is verminderd tot een aanslag van nihil en het verlies voor dat jaar is vastgesteld op € 24.521. Ten opzichte van het alsnog ingediende aangiftebiljet heeft de inspecteur onder meer de opbrengst van € 154.201 en betaling aan [A BV] van € 117.686 niet in aanmerking genomen.

2.28.

In het op 5 juni 2009 uitgebrachte rapport van het boekenonderzoek zijn onder meer de volgende passages opgenomen:

"In de aangifte vennootschapsbelasting 2002 zijn ter zake [de] transactie geen winst of winstdelen opgenomen. [Belanghebbende] had naar mijn mening € 782.174 (= € 1.122.509 -/- € 340.335 zie hierna) tot haar belastbare winst over 2002 moeten rekenen. Hiervoor is een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2002 opgelegd, die later is verminderd tot nihil omdat het gezien de jaarrekening discutabel is of sprake was van het voor een navorderingsaanslag vereiste nieuwe feit.

Het restant van de opbrengst ad NLG 750.000 (= € 340.335) was nog niet door [belanghebbende] of haar aandeelhouders ontvangen. Daarover hebben partijen medio 2002 afspraken gemaakt met de uiteindelijke koper [[J BV]]. In de afzonderlijke notariële akte van garantiestelling van 19 juli 2002 staat dat [belanghebbende] (...) nog NLG 750.000 (€ 340.335) zou ontvangen. [Belanghebbende] heeft voor de € 340.335 vermeerderd met BTW een factuur d.d. 20 juni 2003 uitgereikt aan [[J BV]].

De € 340.335 omzet is niet in de aangiften vennootschapsbelasting 2002 en 2003 opgenomen. Begin 2003 bestond nog discussie met [[J BV]] over de wijze van betaling van deze factuur.

De heer [B] had naast zijn middellijke aandelenbelang in [belanghebbende] een (middellijk) aandelenbelang van 33,25% in [[J BV]]. Er is onenigheid ontstaan tussen de heer [B] en de heer [H]. Dit heeft er in geresulteerd dat de heer [B] (onder dwang) zijn aandelen in [[J BV]] en [[B BV]] (en daarmee 50% van de aandelen in [belanghebbende]) heeft overgedragen aan [H-Groep].

[[J BV]] wilde niet de hele € 340.335 betalen. Door haar 100% aandelenbezit in [[B BV]] (e[n] daardoor 50% in [belanghebbende]) had zij middellijk recht op 50% van het bedrag van deze factuur, die zij wilde verrekenen met haar vorderingen op de heer [B] privé/[[B BV]]. In de overeenkomst van 18 december 2003 (akte) komen partijen overeen dat [[J BV]] € 170.167 vermeerderd met omzetbelasting aan [belanghebbende] betaalt. De door [belanghebbende] ontvangen € 170.167, verminderd met kosten, moest aan de andere 50% aandeelhouder [[A BV]] worden uitgekeerd.

De verkoopopbrengst is verantwoord in de aangifte vennootschapsbelasting 2004. De heer [Q] stemt er mee in dat de vordering op [[J BV]] van € 170.167 ultimo 2003 niet meer dubieus was en in 2003 tot de opbrengsten moet worden gerekend. Discussie bestaat nog over de vraag of het hele bedrag van € 340.335 als opbrengst van [belanghebbende] kan worden aangemerkt en of het in 2004 aan [[A BV]] betaalde winstdeel een dividenduitkering is.

Mijns inziens heeft [belanghebbende] niet uit zakelijke redenen ermee ingestemd dat [[J BV]] 50% van de factuur niet betaalde, maar omdat haar aandeelhouders [[A BV]] en [[B BV]] dit (om hen moverende redenen) wilden. [Belanghebbende] zag af van 50% van de
€ 340.335 ten gevolge van haar aandeelhouders. Als [[J BV]] een derde was geweest had [belanghebbende] niet van deze 50% afgezien. Ik ben daarom van mening dat de € 340.335 tot de opbrengst van [belanghebbende] moet worden gerekend.

(...)

De heer [Q] heeft aangegeven dat [belanghebbende] part noch deel heeft gehad in de verwerving (...) van de verkochte onroerende zaak. Dit is geschied voor rekening en risico van haar twee aandeelhouders (...)

Uit geen van de stukken volgt dat het de bedoeling was van de heren [A], [B] en [Q] dat de formeel door [belanghebbende] behaalde winst van NLG 2.500.000 economisch aan [[A BV]] en [[B BV]] toekwam. Mij zijn geen documenten bekend waaruit volgt dat [belanghebbende], [[A BV]] en [[B BV]] afspraken hebben gemaakt dat het project voor rekening en risico van [[A BV]] en [[B BV]] zou worden uitgevoerd. Wel kan ik mij voorstellen dat [belanghebbende] aan [[A BV]] (de heer [A]) en [[B BV]] (de heer [B]) voor de door hen uitgevoerde werkzaamheden een vergoeding voor bewezen diensten zou moeten betalen. (...) Ik schat een redelijke vergoeding voor de verrichte prestaties op een totaal bedrag van € 50.000, hetgeen in mindering komt op de belastbare winst.

(...)

In de garantiestelling van 19 juli 2002 is opgenomen dat als [[J BV]] niet tijdig betaalde zij boete en rente was verschuldigd. [[J BV]] heeft niet tijdig betaald. Uiteindelijk is bij rechterlijke uitspraak vastgesteld dat [[J BV]] een bedrag van € 382.500 aan boete en rente moest betalen. Dit bedrag is betaald in 2005. Er is geen omzetbelasting berekend. [Belanghebbende] heeft niet tijdig een aangifte vennootschapsbelasting 2005 ingediend. Er is een ambtshalve aanslag vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 1.000. Hiertegen is een bezwaarschrift ingediend met als motivering de aangifte, waarin de opbrengst van € 382.500 is verantwoord. Het bezwaarschrift moet daarom worden aangemerkt als een verzoek tot het opleggen van een navorderingsaanslag (...)"

2.29.

Bij beschikking met dagtekening 4 juli 2009 heeft de inspecteur van de Belastingdienst/ Holland-Noord/kantoor Zaandam de bij beschikking van 26 januari 2008 (tegelijk met de primitieve aanslag voor het jaar 2005) opgelegde verzuimboete van € 1.134 ambtshalve verminderd tot € 567.

2.30.

Met dagtekening 11 juli 2009 heeft de inspecteur van de Belastingdienst/ Holland-Noord/kantoor Zaandam aan belanghebbende de in geschil zijnde navorderingsaanslag voor het jaar 2005 opgelegd conform de gegevens in het door belanghebbende op 25 juni 2008 alsnog ingediende aangiftebiljet.

2.31.

In augustus 2009 is de competentie voor de behandeling van de belastingaangelegenheden van belanghebbende overgedragen aan de Belastingdienst Amsterdam (de inspecteur), die de bezwaarprocedures (verder) in behandeling heeft genomen.

3 De uitspraken van de rechtbank

De rechtbank heeft geoordeeld, kort samengevat, dat het voor het opleggen van de navorderingsaanslag voor het jaar 2003 vereiste nieuwe feit ontbreekt en heeft die navorderingsaanslag deswege vernietigd. De rechtbank heeft de formele verweren van belanghebbende tegen de navorderingsaanslag voor het jaar 2005 verworpen en de uitspraak op bezwaar bevestigd.

4 Geschil in hoger beroep

4.1.

De inspecteur is in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank inzake de navorderingsaanslag voor het jaar 2003. Belanghebbende is in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de rechtbank inzake de navorderingsaanslag voor het jaar 2005. Daarmee hebben partijen het geschil in volle omvang aan het Hof voorgelegd. Evenals voor de rechtbank is in hoger beroep in geschil of de navorderingsaanslag voor het jaar 2003 terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Voor het jaar 2005 is in geschil of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd althans gehandhaafd.

4.2.

Voor de gronden waarop partijen hun standpunten doen berusten, wordt verwezen naar de stukken van het geding en de processen-verbaal van de zittingen van de rechtbank en het Hof.

5 Beoordeling van het geschil

5.1.1.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de inspecteur tijdens het boekenonderzoek en de daarop gevolgde procedure in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. In dit verband heeft zij betoogd dat een belastingambtenaar een ambtsmisdrijf heeft gepleegd doordat hij via manipulaties met een post-it sticker heeft gepoogd de handtekening van [Q] onder de verkoopovereenkomst van 12 juli 2001 in te kopiëren teneinde het te doen voorkomen dat [Q] die overeenkomst mede zou hebben ondertekend. Belanghebbende verbindt hieraan, naar het Hof begrijpt, de gevolgtrekking dat de inspecteur zijn recht heeft verspeeld om de onderhavige navorderingsaanslagen op te leggen respectievelijk te handhaven, en dat die navorderingsaanslagen daarom vernietigd dienen te worden.

5.1.2.

De inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende bestreden. Hij heeft gesteld dat de desbetreffende belastingambtenaar aan [Q] heeft gevraagd of hij zijn handtekening op een papiertje wilde schrijven teneinde te kunnen verifiëren of [Q] tot de ondertekenaars van de akte van 12 juli 2001 behoorde, en dat die ambtenaar naderhand ongelukkigerwijs de akte inclusief het getekende papiertje heeft gekopieerd en in het dossier heeft gevoegd. Daarmee is geen vervalsing beoogd, want de 'ingekopieerde' handtekening staat veel lager op de kopie dan de werkelijk op de akte geplaatste handtekeningen, welke volledig zichtbaar zijn gebleven. Aldus de inspecteur.

5.1.3.

Evenals de rechtbank, acht het Hof de verklaring van de inspecteur geloofwaardig. Overigens vermag het Hof niet in te zien dat de stellingen van belanghebbende - indien al juist - zouden kunnen leiden tot het oordeel dat de navorderingsaanslagen vernietigd dienen te worden. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de door belanghebbende op verzoek van de rechtbank bij brief van 12 oktober 2010 overgelegde producties, met name productie 11c, er geen enkele twijfel over laten bestaan dat [Q] op de hoogte was van de litigieuze overeenkomst en als directeur van belanghebbende door middel van een volmachtverlening aan de notaris heeft meegewerkt aan de ondertekening daarvan op 12 juli 2001.

5.2.1.

De rechtbank heeft met betrekking tot de navorderingsaanslag voor het jaar 2003 onder meer het volgende overwogen:

"4.2. [Belanghebbende] heeft in de jaarstukken over het jaar 2002 ter zake van de aan- en verkooptransactie een winst verantwoord van f 2.000.000 zonder in de aangifte voor de vennootschapsbelasting over dat jaar het bedrag tot het belastbaar resultaat te rekenen. Blijkens de garantiestelling is een gedeelte van het verkoopbedrag onbetaald gebleven. In 2002 is in het kader van de afwikkeling van de rechtsverhoudingen met [J BV] overeengekomen dat zij [belanghebbende] f 750.000 zal betalen. Genoemd bedrag van f 750.000 vertegenwoordigt het nog niet aan [belanghebbende] betaalde gedeelte van de verkoopsom. De omstandigheid dat [belanghebbende] het volledige verschil tussen de aan- en verkoopprijs tot het resultaat over 2002 heeft gerekend, verhindert echter dat het gedeelte dat in 2003 is betaald wederom daartoe wordt gerekend. Het feit dat [belanghebbende] over 2002 het verschil niet tot het belastbaar resultaat heeft gerekend doet daar niet aan af. Evenmin dat de over het jaar 2002 opgelegde navorderingsaanslag ambtshalve is vernietigd.

4.3.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat [de inspecteur] [belanghebbende] ter zake van de betaling in 2003 geen navorderingsaanslag meer mocht opleggen en dat deze moet worden vernietigd."

5.2.2.

Anders dan de rechtbank is het Hof van oordeel dat de inspecteur aan de bij het boekenonderzoek aan het licht gekomen akte van 19 juli 2002 het vereiste nieuwe feit voor de navordering over het jaar 2003 mocht ontlenen. De cryptische wijze waarop belanghebbende in de jaarstukken bij haar aangifte voor het jaar 2002 had gerapporteerd inzake 'transactiewinst' en 'winstaandelen' doet daaraan niet af, te minder nu belanghebbende te dier zake niets in het aangiftebiljet had vermeld. Voorts vermag het Hof niet in te zien waarom de omstandigheid dat de navorderingsaanslag over het jaar 2002 ambtshalve tot nihil is verminderd in de weg zou staan aan het opleggen van de onderhavige navorderingsaanslag op basis van voor de winstbepaling van 2003 relevante feiten en omstandigheden.

5.2.3.

Vaststaat dat belanghebbende voor het jaar 2003 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Dientengevolge wordt zij geconfronteerd met omkering en verzwaring van de bewijslast.

5.2.4.

Vaststaat voorts dat belanghebbende in haar balans ultimo 2002 geen vordering heeft geactiveerd uit hoofde van de aanspraken die zij bij akte van 19 juli 2002 jegens [I BV] had verkregen. Kennelijk is zij ervan uitgegaan dat die vordering ultimo 2002 nog niet opeisbaar was dan wel heeft zij die vordering ultimo 2002 op nihil gewaardeerd. De inspecteur heeft van zijn kant niet betwist dat belanghebbende in het jaar 2002 geen winst heeft genoten ter zake van haar aanspraken uit hoofde van de akte van 19 juli 2002.

5.2.5.

Het Hof is van oordeel dat de inspecteur zich alleszins op een redelijk standpunt heeft gesteld door aan de akte van 19 juli 2002 het gevolg te verbinden dat belanghebbende op zakelijke gronden een vordering van € 340.335 exclusief BTW op [I BV] had verkregen welke hij in beginsel geheel tot de winst van belanghebbende in 2003 mocht rekenen nu belanghebbende de desbetreffende vordering in haar balans ultimo 2002 kennelijk op nihil had gewaardeerd en belanghebbende niet heeft doen blijken dat en in hoeverre die vordering ultimo 2003 - toen die vordering in ieder geval opeisbaar was geworden - onvolwaardig was. Het voorgaande klemt te meer nu belanghebbende de vordering in 2003 heeft gefactureerd en deels heeft geïnd. Aan het voorgaande doet de overeenkomst van 18 december 2003 niet af. Daarin is immers met zoveel woorden vastgelegd dat "de [H-Groep] aan [belanghebbende] schuldig [is] een bedrag van (...) € 340.335,16 exclusief BTW"; en uit die overeenkomst volgt ook overigens niet dat belanghebbende slechts recht zou hebben op het bedrag van € 170.167 dat de [H-Groep] bereid was door betaling aan belanghebbende te voldoen. Veeleer is aannemelijk dat de 'andere' € 170.167 door belanghebbende is genoten bij wege van verrekening, op de wijze zoals gesteld in het rapport van het boekenonderzoek. Een en ander is ook niet in strijd met (de uitkomst van) de civielrechtelijke procedure, omdat de veroordeling tot betaling van € 382.500 aan boete en rente blijkens het onder de feiten in 2.16 vermelde arrest haar oorzaak vindt in het niet althans niet-tijdig betalen van (de eerste termijn van) het bedrag van € 170.167 dat de [H-Groep] bereid was door betaling te voldoen. Evenmin heeft de inspecteur onredelijk gehandeld door bij de winstbepaling een aftrekpost van (niet meer dan) € 50.000 voor "vergoeding verrichte prestaties" in aanmerking te nemen. Belanghebbende heeft wel gesteld, maar niet doen blijken dat zij voor een bedrag van meer dan € 50.000 een zakelijke verplichting had om van [I BV] te vorderen bedragen ten goede te doen komen aan [A BV]/[A] en/of [B][/B BV]. Ook wat dit betreft, acht het Hof het door de inspecteur ingenomen standpunt, zoals dat reeds tot uitdrukking is gekomen in het rapport van het boekenonderzoek, alleszins redelijk.

5.2.6.

Ook haar overige, onderling weinig consistente, stellingen, kunnen belanghebbende niet baten. Het Hof overweegt hierbij meer in het bijzonder nog als volgt.


5.2.6.1. Voor zover belanghebbende zich op het standpunt stelt dat hetgeen zij van [I BV] te vorderen had geheel of gedeeltelijk rechtstreeks toekwam aan [A]/[A BV] en/of [B][/B BV] heeft zij ook daarvan niet doen blijken. Overigens is het Hof van oordeel dat een dergelijke stelling zelfs bij een normale bewijslastverdeling niet aannemelijk is gezien de door belanghebbende op eigen naam gesloten overeenkomsten van 19 juli 2002 en 18 december 2003, de door haar op eigen naam gevoerde gerechtelijke procedures en de door haar na aanvang van het boekenonderzoek alsnog ingediende aangiftebiljetten.


5.2.6.2. Ook met de niet nader onderbouwde en door de inspecteur betwiste stelling dat de onderhavige aan het jaar 2003 toe te rekenen winst ook reeds bij [A]/[A BV] en/of [B] [/B BV] in de heffing is betrokken, en dat de fiscus aldus "op twee paarden wedt" levert belanghebbende niet het vereiste tegenbewijs, wat er overigens van die stelling mag zijn. Voor verder onderzoek op dit punt, zoals door belanghebbende verzocht ter zitting van 6 september 2013, ziet het Hof geen aanleiding.


5.2.6.3. Het - met haar overige stellingen moeilijk te rijmen en door de inspecteur gemotiveerd betwiste - betoog dat belanghebbende, [A] en [B] aan de transactie "zo goed als niets (...) verdiend [hebben]", omdat de uiteindelijke levering heeft plaatsgevonden voor NLG 15 miljoen en belanghebbende ter zake van de uiteindelijke levering dus (niet alleen een boekwinst maar ook) een boekverlies van NLG 2.500.000 heeft geleden, mist feitelijke grondslag gelet op de onder 2.5 tot en met 2.7 vermelde feiten.

5.2.7.

In dit geschil, dat het jaar 2003 betreft, kan verder in het midden blijven of de in 2002 door [F BV] betaalde waarborgsom van NLG 1.750.000 in dat jaar tot de winst van belanghebbende heeft behoord.

5.2.8.

Het Hof merkt op dat het met zijn onder 5.2.4 tot en met 5.2.7 gegeven beoordeling (deels) afwijkt van de voorlopige beoordeling in zijn brief aan partijen van 24 juli 2012. Reden hiervoor is dat de beoordeling in een nieuw licht is komen te staan door de nader door de inspecteur verstrekte inlichtingen.

5.2.9.

De slotsom uit al het voorgaande is dat de inspecteur terecht het bedrag van € 340.335 tot de winst van belanghebbende van het jaar 2003 heeft gerekend. In de verklaring die [A] als getuige heeft afgelegd, vindt het Hof geen enkel aanknopingspunt voor een ander oordeel.

5.3.1.

Over het bedrag van de navorderingsaanslag voor het jaar 2005 bestaat als zodanig geen geschil, maar belanghebbende stelt zich op het standpunt dat deze navorderingsaanslag vernietigd dient te worden omdat de inspecteur niet beschikt over het vereiste nieuwe feit dan wel gehandeld heeft in strijd met bij belanghebbende gewekt, in rechte te beschermen, vertrouwen. De inspecteur heeft deze stellingen betwist.

5.3.2.

De rechtbank heeft het beroep op het ontbreken van een nieuw feit verworpen en heeft daartoe in rechtsoverweging 4.4 als volgt overwogen:

"De - vanwege het ontbreken van de vereiste aangifte - ambtshalve opgelegde primitieve aanslag voor het jaar 2005 is gedagtekend 26 januari 2008. [De inspecteur] kwam eerst tijdens of kort voor het door hem op 26 juni 2008 ingestelde boekenonderzoek op de hoogte van de omstandigheid dat [[J BV]] aan [belanghebbende] ingevolge de garantiestelling een boete had betaald in het jaar 2005. [Belanghebbende] heeft kort voor het instellen van het onderzoek, op 25 juni 2008, alsnog aangifte vennootschapsbelasting gedaan waarbij dit bedrag tot het belastbaar resultaat werd gerekend. Onder die omstandigheden dient te worden geoordeeld dat [de inspecteur] beschikt over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. "

5.3.3.

De rechtbank heeft het beroep op gewekt vertrouwen verworpen en heeft daartoe in rechtsoverweging 4.5 als volgt overwogen:

"De verzuimboete die is opgelegd bij de primitieve aanslag is verminderd overeenkomstig nieuw boetebeleid. Bij [belanghebbende] kan daardoor redelijkerwijs niet de indruk zijn ontstaan dat [de inspecteur] een standpunt heeft ingenomen omtrent de materiële belastingheffing. Ook overigens blijkt niet uit de gedingstukken dat [de inspecteur] enige toezegging heeft gedaan of een standpunt heeft ingenomen omtrent de door [[J BV]] verbeurde boete in aan [belanghebbende] tegemoetkomende zin. Bij [belanghebbende] is daarom geen in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de navorderingsaanslag over 2005 zal worden vernietigd."

5.3.4.

Het Hof sluit zich aan bij de in 5.2.2 en 5.2.3 aangehaalde overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.

5.3.5.

Belanghebbende herhaalt in appel haar beroep op de beschikking van 4 juli 2009. Kennelijk beschouwt zij deze beschikking als een (tweede) primitieve aanslag en stelt zij zich op het standpunt dat de inspecteur, uitgaande van dat tijdstip, niet over een nieuw feit beschikte toen hij op 11 juli 2009 de navorderingsaanslag oplegde. Zoals evenwel de inspecteur terecht heeft aangevoerd, is de beschikking van 4 juli 2009 geen aanslag, maar een ambtshalve genomen beschikking tot vermindering van de bij de aanslag opgelegde verzuimboete. De redenering van belanghebbende berust dan ook op een onjuist (feitelijk) uitgangspunt en dient te worden verworpen.

5.3.6.

In hoger beroep heeft belanghebbende zich, voorts, beroepen op uitlatingen van inspecteurs van de eenheden Utrecht-Gooi en/of Amsterdam die aan [Q] tijdens een bij (de persoonlijke vennootschappen van) [A] ingesteld boekenonderzoek op 16 april 2007 zouden hebben gezegd dat belanghebbende het bedrag van € 382.500 als winst van het jaar 2005 diende aan te geven. De inspecteur heeft deze stelling betwist. Het Hof is van oordeel dat, ook indien de stelling van belanghebbende juist is, zij niet verhindert dat de inspecteur over het voor navordering vereiste nieuwe feit beschikt. Van belang is hierbij dat de primitieve aanslag voor het jaar 2005 is opgelegd door de inspecteur van de eenheid Holland-Noord/kantoor Zaandam. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat de op 16 april 2007 bij de eenheid Utrecht-Gooi dan wel de eenheid Amsterdam aanwezige kennis reeds ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag voor het jaar 2005 aan de destijds voor belanghebbende bevoegde inspecteur van de eenheid Holland-Noord/kantoor Zaandam bekend was of bekend had behoren te zijn, zijn niet gesteld of gebleken.

5.3.7.

De getuige [A] heeft niets verklaard dat relevant is voor de beoordeling van de onderhavige navorderingsaanslag.

5.3.8.

Uit al het voorgaande volgt dat de navorderingsaanslag voor het jaar 2005 terecht en, naar niet in geschil is, tot het juiste bedrag, is opgelegd en gehandhaafd.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van een partij in de kosten van het (hoger) beroep.

7 Beslissing

op het hoger beroep van de inspecteur in de zaak met kenmerk 11/00250 betreffende het jaar 2003:

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.


op het hoger beroep van belanghebbende in de zaak met kenmerk 11/00234 betreffende het jaar 2005:

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en E.F. Faase, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Detweiler-Cox als griffier.
De beslissing is op 17 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.