Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4874

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2013
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
12/00141
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het oordeelt dat geen sprake is van overmacht op grond waarvan het productschap de geldigheidsduur van het invoercertificaat had behoren te verlengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0161

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerken 12/00141

19 december 2013

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

[A][A]te [P], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 10/1815 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

het Productschap voor Pluimvee en Eieren te Zoetermeer,

het Productschap.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Het Productschap heeft bij beschikking van 19 mei 2008 het verzoek van [A](belanghebbende) om verlenging van het invoercertificaat met nummer [...] afgewezen en voor een bedrag van € 171.645 de zekerheid behorende bij voormeld invoercertificaat verbeurd verklaard.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft het Productschap bij uitspraak, gedagtekend 19 november 2009, de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 22 december 2011 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 1 februari 2012 en aangevuld bij brief van 28 februari 2012. Het Productschap heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

2.1.

Op 11 juni 2007 heeft belanghebbende een aanvraag voor een invoercertificaat ingediend voor de invoer uit Argentinië van 343.290 kilogram producten uit groepsnummer 6 van Verordening 616/2007 (bereidingen van vlees van hanen of van kippen, gekookt of gebakken, GN-code 1602 3219). In vak 13 is vermeld dat kuikenborstfilet zal worden ingevoerd.

2.2.

Op 1 juli 2007 heeft het Productschap een invoercertificaat afgegeven onder het nummer [...], voor de gevraagde hoeveelheid van 343.290 kilogram. Vak 8 vermeldt Argentinië als (niet verplicht) land van oorsprong. Vak 12 vermeldt als laatste dag van geldigheid 27 december 2007.

2.3.

Belanghebbende heeft tevens het gebruiksrecht van het invoercertificaat met nummer [...] verworven. Dit invoercertificaat, eveneens voor de invoer van 343.290 kilogram bereide kip, is door het Productschap verstrekt aan [B] De daadwerkelijke invoer van de 686.580 kilogram bereide kip zou geschieden door [C], een werkmaatschappij van belanghebbende.

2.4.

Op 30 november 2007 is aan het Productschap verzocht om de geldigheidsduur van het invoercertificaat te verlengen tot 30 juni 2008. Het Productschap heeft bij brief van 19 december 2007 belanghebbende in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren van de door belanghebbende als overmacht beschouwde omstandigheden.

2.5.

Op 8 februari 2008 heeft het Productschap het invoercertificaat geheel onbenut terugontvangen.

2.6.

Bij brief met dagtekening 3 maart 2008 heeft belanghebbende aangegeven welke omstandigheden volgens haar overmacht vormen.

2.7.

Bij beschikking van 19 mei 2008 heeft het Productschap het verzoek om verlenging van de geldigheidstermijn van het invoercertificaat afgewezen en de gestelde zekerheid verbeurd verklaard.

3 Geschil in hoger beroep

In geschil is het antwoord op de vraag of sprake is van als overmacht te beschouwen omstandigheden, als bedoeld in artikel 39 van Verordening 376/2008 van de Commissie, op grond waarvan de geldigheidsduur van het invoercertificaat dient te worden verlengd, zoals belanghebbende stelt doch het Productschap bestrijdt.

Belanghebbende heeft verzocht het Productschap op de voet van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te veroordelen tot vergoeding van haar schade.

4 Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen en het verhandelde ter zitting wordt verwezen naar de gedingstukken.

5 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen, waarbij belanghebbende en [B] tezamen zijn aangeduid als “eiseressen” en het Productschap als “verweerder”.

“4.1. Op grond van artikel 8, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (hierna: Verordening 1291/2000) brengt het invoercertificaat het recht en de plicht mee om op grond van het certificaat de daarin vermelde hoeveelheid van het betrokken product in te voeren, zulks behoudens overmacht tijdens de geldigheidsduur van het certificaat. Op 8 mei 2008 is in werking getreden Verordening (EG) nr. 376/2008 van de Commissie van 23 april 2008 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten (hierna: Verordening 376/2008). Laatstgenoemde verordening vervangt Verordening 1291/2000 en bevat in artikel 7 een gelijkluidende bepaling als die van artikel 8 van Verordening 1291/2000.

4.2.

Wanneer de verplichting tot invoer niet is nagekomen, wordt op grond van artikel 35, tweede lid, van Verordening 1921/2000 en artikel 34, tweede lid, van Verordening 376/2008, indien de ingevoerde hoeveelheid minder dan 5% van de in het certificaat vermelde hoeveelheid bedraagt, de gestelde zekerheid volledig verbeurd.

4.3.

Vaststaat dat de certificaten onbenut zijn gebleven. Op grond van de onder 4.2 genoemde bepalingen wordt de zekerheid, behoudens overmacht, volledig verbeurd.

4.4.

Uit de onder 3.4 genoemde arresten volgt dat in het Unierecht het begrip overmacht inhoudt dat zich abnormale en onvoorzienbare omstandigheden hebben voorgedaan, die

vreemd zijn aan degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen ondanks alle

mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden.

4.5.1.

De rechtbank is van oordeel dat zich ten aanzien van eiseressen geen overmacht heeft voorgedaan en motiveert dit als volgt.

4.5.2.

Het feit dat eiseressen onverwacht en onvoorzienbaar de aangevraagde hoeveelheden hebben toegewezen gekregen is geen geval van overmacht. Weliswaar komt het voor dat niet de gehele gevraagde hoeveelheid wordt toegekend, maar het is niet een abnormale en onvoorzienbare omstandigheid wanneer zich dat wel voordoet. Aangezien eiseressen zelf de hoeveelheid van 343.290 kilogram hebben aangevraagd hadden zij rekening moeten houden met de mogelijkheid dat zij de aangevraagde hoeveelheid toegewezen zouden kunnen krijgen. Eiseressen zijn hiervan op de hoogte, zoals blijkt uit het verslag van de hoorzitting van 8 oktober 2009. Bovendien blijkt uit dit verslag en het onderzoek ter zitting dat er bij de aanvraag geen sprake was van overschatting, omdat er contractuele afspraken over de te leveren hoeveelheid waren gemaakt.

4.5.3.

Ook de omstandigheid dat, door een vertraagd uitbreidingsproject, productieproblemen ontstonden bij de producent in Argentinië waarmee afspraken waren gemaakt en andere producenten in Argentinië niet tijdig meer konden leveren, vormt geen abnormale en onvoorzienbare omstandigheid die vreemd is aan eiseressen. Dat een producent niet tijdig kan leveren is een normaal bedrijfsrisico. Eiseressen hebben het risico van de niet-tijdige levering contractueel niet afgedekt. Als verklaring hiervoor hebben zij de onwil bij de wederpartij opgegeven. Dat zij niettemin toch het leveringscontract afsluiten is een bedrijfseconomische keuze en de niet-tijdige levering kan dan geen geval van overmacht zijn. Eiseressen als ervaren marktdeelnemers moeten op de hoogte zijn van de gebruikelijke praktijken en het is volstrekt normaal dat contracten voor de levering van het product ruim vóór de verscheping worden afgesloten, waardoor andere producenten niet tijdig kunnen leveren. Ook het feit dat er onvoldoende producenten waren is een gegeven dat eiseressen vooraf hadden kunnen onderzoeken en weten.

4.6.

De stellingen van eiseressen dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het evenredigheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel volgt de rechtbank niet en zij motiveert dit als volgt. Ingevolge artikel 40 van Verordening 1291/2000 en artikel 39 van Verordening 376/2008 kan, indien de invoer of uitvoer niet tijdens de geldigheidsduur van het certificaat kan plaatsvinden ten gevolge van een voorval waarvan de handelaar meent dat het een geval van overmacht is, de titularis van het certificaat de bevoegde instantie van de lidstaat van afgifte van het certificaat verzoeken om hetzij de geldigheidsduur van het certificaat te verlengen, hetzij het certificaat te annuleren. Hij levert het bewijs van de door hem als overmacht beschouwde omstandigheden binnen zes maanden na afloop van de geldigheidsduur van het certificaat. Eiseressen hebben een dergelijk verzoek bij verweerder gedaan en daarbij aangevoerd dat na de afgifte van de certificaten gebleken is dat er een probleem is gerezen in de aanbodzijde en dat er een tekort is in het aanbod van gegaard pluimveevlees in Argentinië, hetgeen er toe heeft geleid dat niet het tonnage vermeld in het certificaat is ingevoerd, ondanks dat diverse leveranciers zijn benaderd. Verweerder heeft op grond van het vierde lid van voornoemde artikelen op de verzoeken beslist en deze naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden afgewezen.

De door eiseressen aangevoerde omstandigheden vormen, zoals de rechtbank onder 4.5.3 heeft overwogen, geen abnormale en onvoorzienbare omstandigheden die vreemd zijn aan eiseressen. Bij afwezigheid van overmacht staat het verweerder niet vrij om af te zien van de verbeurdverklaring. De verbeurdverklaring volgt rechtstreeks uit de Verordening. Verweerder heeft daarin geen beleidsvrijheid. Van enige strijd met het evenredigheids- en/of zorgvuldigheidsbeginsel is geen sprake.”

6 Beoordeling van het geschil

Vooraf: van toepassing zijnde verordening

6.1.

Verordening (EG) nr. 2191/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 (Pb 24 juni 2000, L 151/1) is ingetrokken op 16 mei 2008, door inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 376/2008 van de Commissie van 23 april 2008 (Pb 26 april 2009, L 114/3). Uit de eerste overweging van de preambule van Vo 376/2008 volgt dat deze verordening enkel een (her)codificatie van Vo 2191/2000 is ‘ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst’, omdat laatstgenoemde verordening herhaaldelijk en ingrijpend is gewijzigd.

Naar ’s Hofs oordeel kan er daarom vanuit worden gegaan dat de communautaire regels van materieel recht welke met ingang van 16 mei 2008 zijn vervat in Vo 376/2008 ook gelden ten aanzien van vóór de inwerkingtreding ervan bestaande situaties (vgl. HvJ EU 9 maart 2006, C-293/04, Beemsterboer Coldstore Services BV, punt 21). Steun voor dit oordeel kan worden gevonden in artikel 49 van Vo 376/2008, waarin is bepaald dat verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar Vo 376/2008 (hierna: de Verordening).

Overmacht

6.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het in geding zijnde invoercertificaat volledig onbenut is geretourneerd aan het Productschap. Hieruit volgt dat de gestelde zekerheid volledig wordt verbeurd op grond van artikel 34, tweede lid, van de Verordening, tenzij zou komen vast te staan dat het Productschap de geldigheidsduur van het certificaat had behoren te verlengen, omdat invoer niet tijdens de geldigheidsduur van het certificaat kon plaatsvinden ten gevolge van een voorval dat als overmacht dient te worden gekwalificeerd.

6.3.

Naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie onder meer het arrest van 11 juli 2002, Käserei Champignon Hofmeister GmbH & Co. KG, C-210/00, Jur. I-6453, punt 79) moet het begrip overmacht inzake landbouwverordeningen aldus worden uitgelegd dat het inhoudt dat zich abnormale en onvoorzienbare omstandigheden hebben voorgedaan, die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept, en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden.

6.4.

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de overmacht is gelegen in de omstandigheid dat de beoogd importeur van de goederen ([C]) leveringsproblemen ondervond, doordat de beoogde Argentijnse leverancier ([D]) niet aan haar leveringsverplichtingen kon voldoen vanwege onverwachte productieproblemen. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

6.5.

Belanghebbende heeft het certificaat aangevraagd en heeft het gebruiksrecht van het certificaat vervolgens feitelijk ter beschikking gesteld aan haar dochtermaatschappij [C], ten behoeve van de invoer van gegaarde kip uit Argentinië door [C].

6.6.

Zo het al mogelijk is om overmacht aan de zijde van [C] toe te rekenen aan belanghebbende, dient de stelling van belanghebbende dat sprake is van overmacht te worden verworpen. Naar ’s Hofs oordeel vallen productieproblemen bij een producent, en het als gevolg daarvan deels wegvallen van een inkoopmarkt, voor een importerende ondernemer die zich op de markt van dierlijke producten begeeft, niet aan te merken als een abnormale en onvoorzienbare omstandigheid. Verstoring van de productie en de gevolgen daarvan voor het internationale handelsverkeer behoren tot de normale bedrijfsrisico's voor een ondernemer als [C] en dienen derhalve voor haar rekening en risico te blijven.

De stelling dat het Productschap de geldigheidsduur van het certificaat had behoren te verlengen faalt reeds daarom.

6.7.

Het Productschap heeft op goede gronden geoordeeld dat de Verordening hem niet de bevoegdheid geeft om op grond van billijkheidsoverwegingen af te zien van het verbeurdverklaren van de gestelde zekerheid.

Slotsom

6.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

7 Kosten en schadevergoeding

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

Het hoger beroep is ongegrond, waardoor het Hof ingevolge 8:73 Awb onbevoegd is te oordelen over het verzoek om schadevergoeding.

8 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en A.H.R.M. Denie, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch, als griffier. De beslissing is op 19 december 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.