Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4850

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
08-01-2014
Zaaknummer
200.122.499/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldleningen. Samenhang met overeenkomst van samenwerking. Schuldeisersverzuim verstrekker leningen in verband met niet-nakoming verplichtingen uit overeenkomst van samenwerking. Terugbetaling geldleningen in gegeven omstandigheden bovendien naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: 200.120.499/01

zaaknummer rechtbank: 494285 / HA ZA 11-2063 (Amsterdam)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 oktober 2013

inzake

1 [appellant sub 1],

wonend te [woonplaats], en

2. [appellant sub 2],

wonend te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. drs. R.P. Heeren te Leiden,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde] ,

gevestigd te Bussum,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.G. Tienstra te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna respectievelijk [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn bij dagvaarding van 28 december 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2012, in deze zaak onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen hen als gedaagden in conventie, tevens eisers in reconventie, en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, tevens houdende wijziging van eis, met producties;

- memorie van antwoord.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben bij de memorie van grieven hun oorspronkelijke eis in reconventie gewijzigd en geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen en – uitvoerbaar bij voorraad – de vorderingen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zoals in hoger beroep luidend zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de gewijzigde vorderingen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2], met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 2 juli 2013 doen bepleiten, [appellant sub 1] en [appellant sub 2] door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaat en [geïntimeerde] door mr. J.T. Kruis, advocaat te Amsterdam, eerstbedoelde aan de hand van door hem overgelegde pleitnotities.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.8, de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van de aldus vastgestelde feiten zal uitgaan.

3 Beoordeling

3.1.

[geïntimeerde] drijft een oogartsenpraktijk met vestigingen in Amstelveen, Amsterdam en Den Burg. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn gepensioneerde oogartsen die eerder werkzaam zijn geweest in respectievelijk Beverwijk – in het Rode Kruis Ziekenhuis aldaar – en Sassenheim. In 2009 hebben partijen met elkaar overlegd over de mogelijkheid van samenwerking. Volgens de besproken opzet hiervan zouden [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in een nieuw te openen tweede vestiging van [geïntimeerde] in Amstelveen werkzaamheden als oogarts gaan verrichten. Zij zouden daarbij als zelfstandig medisch specialist werkzaam zijn, ieder in deeltijd, met ondersteuning door en gebruikmaking van de naam van [geïntimeerde].

3.2.

Partijen hebben de uitgangspunten voor hun samenwerking vastgelegd in een onderhandse akte getiteld ‘intentieverklaring’ en gedateerd 25 september 2009, die gedeeltelijk is aangehaald in het bestreden vonnis onder 2.3. Deze intentieverklaring voorziet in de verlening van bepaalde diensten door [geïntimeerde] aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2], waaronder personele ondersteuning door een doktersassistente, beschikbaarstelling van een locatie voor de te voeren praktijk, administratieve diensten in de vorm van deelname aan een patiëntenregistratie- en declaratiepakket, gebruikmaking van één centraal telefoonnummer, marketing, managementdiensten en het vullen van de afsprakenagenda voor wat betreft nieuwe patiënten en controlepatënten’.

3.3.

Volgens bovenbedoelde intentieverklaring zouden [appellant sub 1] en [appellant sub 2] 15% van de door hen behaalde ‘honorariumomzet’ moeten afstaan aan [geïntimeerde]. Met ‘honorariumomzet’ doelen partijen op het gedeelte van de door zorgverzekeraars uitgekeerde vergoedingen dat bestemd is als honorarium voor de behandelend medisch specialist. De door zorgverzekeraars betaalde vergoedingen kennen daarnaast een kostendeel, dat strekt tot vergoeding van kosten verband houdend met het verrichten van medische handelingen. De vergoedingen zouden, zowel wat betreft het honorariumdeel als wat betreft het kostendeel, door [geïntimeerde] bij de verzekeraars worden geïnd.

3.4.

Met ingang van 1 januari 2010 zijn partijen op de grondslag van de – door hen niet nader uitgewerkte – intentieverklaring daadwerkelijk een samenwerking aangegaan. In het kader hiervan zijn [appellant sub 1] en [appellant sub 2] gedurende ongeveer twee maanden – in deeltijd – als oogarts werkzaam geweest in een door [geïntimeerde] aan hen beschikbaar gestelde, nieuw geopende praktijkruimte in Amstelveen. Deze bevond zich op een ander adres dan de al bestaande vestiging van [geïntimeerde] ter plaatse en tevens op een ander adres dan waarover partijen aanvankelijk hebben gesproken en dat in de hierna te noemen overeenkomsten is vermeld. Op 8 maart 2010 hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voor de laatste keer patiënten ontvangen in de zojuist bedoelde praktijkruimte.

3.5.

Naast de eerder genoemde intentieverklaring zijn partijen twee afzonderlijke, behoudens de partijnamen gelijkluidende overeenkomsten van geldlening aangegaan gedateerd 23 november 2009, die gedeeltelijk zijn aangehaald in het bestreden vonnis onder 2.4. Deze overeenkomsten voorzien in de verstrekking van rentedragende leningen door [geïntimeerde] aan [appellant sub 1] respectievelijk [appellant sub 2] ten belope van telkens € 18.750,-, welke bedragen – volgens artikel 1 van de overeenkomsten – door [geïntimeerde] zouden worden besteed aan de aanschaf van apparatuur en inrichting voor de nieuw te openen praktijkruimte. [geïntimeerde] heeft niet daadwerkelijk geld overgemaakt aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] maar de betrokken bedragen uitgegeven aan de aanschaf van de genoemde apparatuur en inrichting. De leningen zouden worden terugbetaald door verrekening met de aan [appellant sub 1] respectievelijk [appellant sub 2] toekomende honorariumomzet over 2010 dan wel, in het geval van een behaalde honorariumomzet over dat jaar van € 60.000,-, worden kwijtgescholden, een en ander zoals in de artikelen 3, 4 en 5 van de overeenkomsten nader bepaald.

3.6.

Bij brieven van 1 februari 2011 – voorafgegaan door eerdere correspondentie – heeft [geïntimeerde] [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aangesproken tot terugbetaling van de hierboven bedoelde geldleningen, vermeerderd met rente en verminderd met nog aan [appellant sub 1] respectievelijk [appellant sub 2] toekomende honorariumomzet. Laatstgenoemden hebben de desbetreffende bedragen onbetaald gelaten. Zij hebben [geïntimeerde] verweten haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen overeengekomen samenwerking niet te zijn nagekomen en aan hen toebehorende zaken onder zich te hebben gehouden zonder hiertoe bevoegd te zijn.

3.7.

Tegen de achtergrond van de hierboven weergegeven, tussen partijen vaststaande feiten heeft [geïntimeerde] [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in rechte betrokken en – in conventie – de veroordeling van [appellant sub 1] gevorderd tot betaling van € 18.281,15 en de veroordeling van [appellant sub 2] tot betaling van € 17.438,08, beide bedragen te vermeerderen met rente en kosten. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben verweer gevoerd en op hun beurt – in reconventie – vorderingen ingesteld tegen [geïntimeerde], (in eerste aanleg) onder andere strekkend tot schadevergoeding wegens de gestelde niet-nakoming door [geïntimeerde] van haar verplichtingen uit de intentieverklaring en tot betaling aan hen van zowel het honorariumdeel als het kostendeel van de door zorgverzekeraars aan [geïntimeerde] uitgekeerde vergoedingen verband houdend met door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] verrichte medische handelingen.

3.8.

Bij het bestreden vonnis zijn de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen en die van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] afgewezen. Tegen deze beslissingen en de daartoe leidende overwegingen richt zich het hoger beroep, met dien verstande dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in hoger beroep hun eerdere vorderingen hebben gewijzigd en thans niet langer schadevergoeding en betaling van door zorgverzekeraars uitgekeerde vergoedingen vorderen. Na wijziging van hun eis in reconventie strekken de vorderingen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ertoe, primair en subsidiair, dat zij geen verplichtingen meer hebben uit de overeenkomsten van geldlening en, meer subsidiair, dat partijen geen verplichtingen jegens elkaar meer hebben uit hoofde van de overeengekomen samenwerking, een en ander zoals aan het slot van de memorie van grieven nader omschreven. Met de grieven willen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] de afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] en de toewijzing van hun zojuist samengevatte gewijzigde vorderingen bereiken.

3.9.

Met grief I betogen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat [geïntimeerde] niet heeft voldaan aan haar verplichtingen uit de intentieverklaring, onder andere door eigenmachtig – zonder de instemming van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] – de onder 3.4 bedoelde praktijkruimte te sluiten en de samenwerking tussen partijen feitelijk te beëindigen, dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op deze grond bevoegdelijk de nakoming van hun verplichtingen tegenover [geïntimeerde] uit de overeenkomsten van geldlening hebben opgeschort en dat [geïntimeerde] hierdoor in schuldeisersverzuim is gekomen met de nakoming van haar verplichtingen tegenover eerstgenoemden. Zij kan daarom, volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2], wegens het ontbreken van verzuim en een (opeisbare) verplichting tot nakoming aan hun zijde, geen aanspraak maken op betaling door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] uit hoofde van de overeenkomsten van geldlening. Met grief III betogen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat het in de gegeven omstandigheden, waaronder – opnieuw – het eigenmachtige stopzetten van de samenwerking tussen partijen door [geïntimeerde], naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tot enige betaling aan [geïntimeerde] uit hoofde van de overeenkomsten van geldlening zouden zijn gehouden. Bij de beoordeling van beide grieven is het volgende van belang.

3.10.

Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde] in februari 2010 – nauwelijks twee maanden na de opening ervan – een mededeling aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] heeft gedaan erop neerkomend dat zij geen gebruik meer mochten maken van de onder 3.4 bedoelde, door [geïntimeerde] aan hen beschikbaar gestelde praktijkruimte. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen dit met zoveel woorden in de conclusie van antwoord in conventie (onder 32), namens [geïntimeerde] is tijdens de in eerste aanleg gehouden comparitiezitting verklaard dat tegen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is gezegd dat zij ‘een time-out’ moesten nemen en [geïntimeerde] heeft in de memorie van antwoord (onder 34 en 35) gesteld kort na de ingebruikname van de nieuwe praktijkruimte aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] te hebben meegedeeld dat er voorlopig geen spreekuren op de nieuwe locatie (meer) zouden worden ingepland, omdat het openhouden daarvan – bij gebrek aan voldoende patiënten – geen enkel redelijk doel diende. Vast staat voorts dat de betrokken praktijkruimte vervolgens – in maart 2010 – niet langer aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beschikbaar is gesteld voor het verrichten van werkzaamheden als oogarts en dat gelijktijdig hiermee ook de verdere, onder 3.2 beschreven dienstverlening door [geïntimeerde] aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is beëindigd. Ten slotte staat vast – [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen het bij herhaling en [geïntimeerde] weerspreekt het onvoldoende – dat het sluiten van de praktijkruimte en de beëindiging van de verdere dienstverlening door [geïntimeerde], het gevolg zijn geweest van een eenzijdige – dus niet in gezamenlijk overleg genomen – beslissing van [geïntimeerde], ingegeven door overwegingen van bedrijfseconomische aard. Dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] daartegen niet terstond hebben geprotesteerd, doet – anders dan [geïntimeerde] kennelijk meent – aan de eenzijdigheid van die beslissing niets af.

3.11.

Door haar hierboven omschreven handelen – waardoor de samenwerking tussen partijen feitelijk tot een einde is gekomen – is [geïntimeerde] tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] uit de intentieverklaring. Noch uit de intentieverklaring, noch anderszins, blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] het recht had de beschikbaarstelling van de bedoelde praktijkruime en de verdere dienstverlening aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zoals beschreven in de intentieverklaring, eenzijdig te beëindigen, ook niet indien bedrijfseconomische redenen haar daartoe aanleiding zouden kunnen geven. Dit stond [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden ook niet vrij. Hierbij is in het bijzonder van betekenis dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ten behoeve van de aanschaf van nieuwe apparatuur en inrichting beiden een schuld jegens [geïntimeerde] waren aangegaan uit de overeenkomsten van geldlening en dat [geïntimeerde], rekening houdend met de gerechtvaardigde belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2], hun – door naleving van de intentieverklaring – de gelegenheid had moeten geven de desbetreffende investering terug te verdienen. Zou [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voor (het ontstaan van) de door [geïntimeerde] aangevoerde bedrijfseconomische redenen binnen het kader van de overeengekomen samenwerking een verwijt treffen, zoals [geïntimeerde] doet voorkomen, dan had het op de weg van [geïntimeerde] gelegen hen ter zake in gebreke te stellen alvorens eventueel verderstrekkende maatregelen te nemen, hetgeen zij evenwel heeft nagelaten. Als wordt aangenomen dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op grond van het tekortschieten van [geïntimeerde] in de nakoming van haar verplichtingen uit de intentieverklaring een opeisbare vordering op [geïntimeerde] toekomt, zoals zij bij de brieven van 23 december 2010 en 14 februari 2011 van hun toenmalige raadslieden alsook in eerste aanleg hebben betoogd, dan geldt het volgende.

3.12.

De overeenkomsten van geldlening hangen ten nauwste samen met de intentieverklaring, reeds omdat de geleende bedragen – zoals onder 3.5 beschreven – zouden worden besteed aan de aanschaf van apparatuur en inrichting voor de nieuw te openen praktijkruimte waarbinnen de samenwerking tussen partijen gestalte zou krijgen en in beginsel zouden worden terugbetaald door verrekening met de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] binnen het kader van die samenwerking in 2010 te verwezenlijken honorariumomzet dan wel, afhankelijk van de behaalde omzet, zouden worden kwijtgescholden. De tekortkoming door [geïntimeerde] in samenhang met de op grond hiervan aangenomen vordering van [appellant sub 1] en [appellant sub 2], brengt daarom mee dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op de voet van artikel 6:52 BW bevoegd zijn de nakoming van hun betalingsverplichtingen uit de overeenkomsten van geldlening op te schorten. Op deze bevoegdheid hebben zij in dit geding een beroep gedaan teneinde zich te verweren tegen de vorderingen van [geïntimeerde], terwijl [geïntimeerde] eerder al – in het bijzonder door de brief van 14 februari 2011 van hun toenmalige raadsman waarbij [appellant sub 1] en [appellant sub 2], in antwoord op de door [geïntimeerde] gemaakte aanspraak op terugbetaling van de geldleningen, haar hebben beticht van niet-nakoming van haar verplichtingen uit de intentieverklaring – rekening heeft kunnen houden met de mogelijkheid dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zich van dit verweermiddel zouden bedienen. Het voorgaande brengt mee dat [geïntimeerde] op grond van artikel 6:59 BW, op welke bepaling [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zich beroepen, in schuldeisersverzuim is gekomen, dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hunnerzijds niet in verzuim zijn met de nakoming van hun – bevoegdelijk opgeschorte – verplichtingen uit de overeenkomsten van geldlening en dat op [appellant sub 1] en [appellant sub 2] thans geen (opeisbare) betalingsverplichting tegenover [geïntimeerde] uit die overeenkomsten rust. Ervan uitgaande dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] een vordering toekomt zoals hierboven aangenomen slaagt grief I dus.

3.13.

Ongeacht of [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bevoegdelijk de nakoming van hun verplichtingen tegenover [geïntimeerde] uit de overeenkomsten van geldlening hebben opgeschort en of [geïntimeerde] in schuldeisersverzuim is gekomen en, daarmee, ongeacht het lot van grief I, slaagt grief III. Naast de onder 3.10 en 3.11 genoemde omstandigheden is hiertoe het volgende bepalend. Volgens de overeenkomsten van geldlening zouden – zoals onder 3.5 beschreven – de geleende bedragen door [geïntimeerde] worden besteed aan de aanschaf van apparatuur en inrichting voor de aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beschikbaar te stellen nieuwe praktijkruimte en worden terugbetaald uit de aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] over 2010 toekomende honorariumomzet, dan wel worden kwijtgescholden bij een honorariumomzet over dat jaar van € 60.000,-. Door de betrokken praktijkruimte te sluiten en de verdere, onder 3.2 beschreven dienstverlening aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] te beëindigen heeft [geïntimeerde] het hun feitelijk onmogelijk gemaakt de zojuist bedoelde honorariumomzet te verwezenlijken met gebruikmaking van de apparatuur en inrichting voor de aanschaf waarvan de geleende bedragen waren bestemd (en waarvan in hoger beroep niet – meer – in geschil is dat zij daadwerkelijk zijn aangeschaft). De last van de investering in die apparatuur en inrichting is aldus – zoals [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ook hebben aangevoerd – geheel, althans tot het bedrag van de geleende bedragen, bij [appellant sub 1] en [appellant sub 2] komen te liggen, terwijl het handelen van [geïntimeerde] hun de mogelijkheid heeft ontnomen deze investering terug te verdienen door het behalen van honorariumomzet zoals in de overeenkomsten van geldlening voorzien. Dit, in samenhang met de eenzijdigheid van de beslissing van [geïntimeerde] tot beëindiging van de beschikbaarstelling van de betrokken praktijkruimte en de verdere dienstverlening en het ontbreken van een hiertoe strekkend recht van [geïntimeerde], een en ander zoals onder 3.10 en 3.11 beschreven, maakt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van de geleende bedragen zouden zijn gehouden en zo voor de gevolgen van het handelen van [geïntimeerde] zouden moeten opdraaien.

3.14.

Het voorgaande wordt niet anders doordat [geïntimeerde] – zoals zij heeft aangevoerd – aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] andere mogelijkheden voor samenwerking en, hiermee, het behalen van honorariumomzet heeft voorgehouden, reeds omdat partijen de uitgangspunten voor hun samenwerking hadden vastgelegd in de intentieverklaring en op [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geen verplichting rustte om in plaats daarvan akkoord te gaan met een andere, door [geïntimeerde] voorgestelde wijze van samenwerking. Het door [geïntimeerde] gestelde niet-renderen van de nieuw geopende praktijk doet evenmin af aan het hierboven overwogene, reeds omdat – naar volgt uit de artikelen 3, 4 en 5 van de overeenkomsten van geldlening – voor de bepaling van de honorariumomzet waaruit de geleende bedragen zouden worden terugbetaald of op grond waarvan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] eventueel in aanmerking zouden komen voor kwijtschelding daarvan, de behaalde omzet over het gehele jaar 2010 uitgangspunt zou zijn, niet de omzet over (alleen) de eerste twee maanden van dat jaar, en [appellant sub 1] en [appellant sub 2] derhalve erop mochten vertrouwen dat hun het gehele jaar 2010 gelegenheid zou worden gegeven (in die praktijk) honorariumomzet te verwezenlijken, en voorts omdat – naar [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep ook hebben opgemerkt – een tijdsbestek van amper twee maanden in redelijkheid als te kort moet worden aangemerkt voor de slotsom dat de nieuw geopende praktijk over het gehele jaar 2010 niet renderend zou zijn, althans dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in dit hele jaar onvoldoende honorariumomzet zouden behalen voor de terugbetaling of kwijtschelding van de geleende bedragen.

3.15.

Uit het hierboven overwogene volgt dat de vorderingen van [geïntimeerde] – in conventie – niet toewijsbaar zijn en daarom alsnog zullen worden afgewezen. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg en in hoger beroep geen hierboven niet reeds besproken gronden aan haar vorderingen ten grondslag gelegd die, in weerwil van het voorgaande, tot toewijzing daarvan kunnen leiden. Evenmin heeft [geïntimeerde] voldoende concrete feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, kunnen leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven. Haar bewijsaanbiedingen in eerste aanleg en in hoger beroep worden daarom, als niet ter zake dienend, gepasseerd.

3.16.

Bij deze stand van zaken hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] onvoldoende belang bij beoordeling van de grieven II en IV, zodat deze grieven verder onbesproken blijven. Hetzelfde geldt met betrekking tot hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ter toelichting op hun andere grieven nog hebben aangevoerd voor zover dat hierboven niet afzonderlijk besproken is.

3.17.

Naar volgt uit het hierboven overwogene zijn [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet gehouden tot terugbetaling van de bedragen die [geïntimeerde] hun op grond van de overeenkomsten van geldlening heeft geleend. Dit brengt mee dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geen, althans onvoldoende, belang hebben bij hun primaire en subsidiaire vorderingen in reconventie zoals in hoger beroep gewijzigd, ertoe strekkend dat zij geen verplichtingen uit die overeenkomsten meer hebben. De genoemde vorderingen zijn daarom niet toewijsbaar. Eveneens wegens het ontbreken van voldoende belang is niet toewijsbaar de meer subsidiaire gewijzigde vordering in reconventie, ertoe strekkend dat partijen geen verplichtingen jegens elkaar meer hebben uit hoofde van de overeengekomen samenwerking. De – niet toewijsbaar geoordeelde – vorderingen van [geïntimeerde] in conventie strekken immers uitsluitend tot nakoming van de overeenkomsten van geldlening, niet tot nakoming van een eventuele andere verplichting van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voortvloeiend uit de overeengekomen samenwerking, terwijl [appellant sub 1] en [appellant sub 2] geen feiten hebben gesteld waaruit blijkt dat [geïntimeerde] nochtans de nakoming van zo’n eventuele andere verplichting verlangt. Dan valt niet in te zien welk belang de meer subsidiaire vordering dient.

3.18.

De slotsom uit het bovenstaande is dat het bestreden vonnis voor zover in conventie gewezen zal worden vernietigd en voor zover in reconventie gewezen zal worden bekrachtigd, dat de vorderingen van [geïntimeerde] – in conventie – alsnog zullen worden afgewezen en dat de gewijzigde vorderingen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] – in reconventie – eveneens zullen worden afgewezen. [geïntimeerde] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie en in de kosten van het geding in hoger beroep, aangezien zij in eerstbedoeld geding alsnog in het geheel en in hoger beroep in overwegende mate, in het ongelijk is gesteld.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover in conventie gewezen; en,

in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie, tot op heden aan de zijde van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] begroot op € 588,- aan verschotten en € 1.158,- voor salaris advocaat;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover in reconventie gewezen;

wijst de vorderingen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zoals in hoger beroep gewijzigd af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] begroot op € 775,17 aan verschotten en € 3.474,- voor salaris advocaat;

verklaart alle hierboven genoemde kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, J.E. Molenaar en J.W. Rutgers en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2013.