Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4823

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
10-02-2014
Zaaknummer
200.135.506/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 288, eerste lid, aanhef en onder c Faillissementswet (Fw); studie; verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling met één jaar

Wetsverwijzingen
Wijzigingswet Faillissementswet (sanering van schulden van natuurlijke personen), geldigheid: 2014-02-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrest

________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.135.506/01

rekestnummer rechtbank : C/13/548098 / FT RK 13/1944

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 december 2013

in de zaak van:

[appellant],

wonende te[woonplaats],

advocaat: mr. J.C.R. de Lyon te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Verzoeker wordt hierna [appellant]genoemd.

[appellant]is bij per fax op 15 oktober 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2013.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 10 december 2013. Bij die behandeling is
[appellant]verschenen, bijgestaan door mr. De Lyon, voornoemd, die het hoger beroep aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnotitie heeft toegelicht.

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift en het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg.

2 Beoordeling

2.1

[appellant]heeft in het verzoekschrift verzocht om alsnog tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. [appellant]stelt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting om zich maximaal in te spannen om zijn inkomen te vergroten, naar behoren zal nakomen. Daartoe heeft [appellant]- samengevat en voor zover voor de beslissing van belang - het volgende aangevoerd.

2.3

[appellant]heeft ter zitting aangegeven dat hij in het verleden schulden heeft gemaakt, welke mede het gevolg zijn van zijn medische beperkingen die niet vroegtijdig zijn onderkend. Thans is zijn situatie stabiel dankzij de juiste diagnose en behandeling en heeft [appellant]zijn leven een positieve wending gegeven. [appellant]heeft verklaard dat hij het afgelopen jaar zijn diploma MBO niveau 2 heeft behaald en dat hij inmiddels is begonnen met een fulltime vervolgopleiding MBO ICT niveau 4, welke opleiding thans nog twee jaar in beslag zal nemen. Gezien de goede studieresultaten heeft [appellant]niveau 3 mogen overslaan. [appellant]ontvangt een studiebeurs en verricht voor vier uren in de week werkzaamheden

als postbezorger. In maart 2014 zal [appellant]zijn stage aanvangen, waarvoor hij een vergoeding van ongeveer € 200,-- per maand zal ontvangen. [appellant]zal deze vergoeding volledig aan de boedel afdragen. Volgens [appellant]is het mogelijk om maximaal 20 uur per week te werken naast zijn opleiding. [appellant]heeft aangegeven gemotiveerd te zijn om meer uren te werken - tot het genoemde maximum van 20 uur in de week - en daartoe ook te zullen solliciteren. Indien [appellant]fulltime studeert, studiefinanciering ontvangt en daarnaast parttime werkzaam is, zal zijn inkomen nagenoeg hetzelfde zijn als wanneer hij fulltime werkzaam zou zijn op basis van het minimumloon. Dit betekent dat de schuldeisers geen nadeel zullen ondervinden. [appellant]heeft verklaard na het behalen van zijn diploma te zullen solliciteren naar fulltime betaald werk. Op de huidige markt is veel vraag naar ICT opgeleide werknemers en [appellant]heeft er dan ook alle vertrouwen in dat hij na het behalen van zijn diploma fulltime werk zal vinden. [appellant]heeft voorgesteld de looptijd van de schuldsaneringsregeling met één jaar te verlengen ter compensatie van de eerste twee jaren waarin hij vanwege zijn studie niet full time beschikbaar zal kunnen zijn voor de arbeidsmarkt.

2.4

Het hof overweegt als volgt.

2.5

Uit artikel 288, eerste lid, aanhef en onder c, Faillissementswet (Fw) vloeit voort dat een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen als de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Of aan deze eis in het onderhavige geval is voldaan, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. In dat kader is het volgende van belang:

- [appellant]volgt sedert enige tijd een ICTopleiding en doorloopt deze tot op heden met succes. Zo heeft hij het diploma MBO niveau 2 behaald en heeft hij vanwege goede resultaten MBO niveau 3 mogen overslaan. Thans is hij aangevangen met de fulltime opleiding MBO niveau 4;

- de motivatie van [appellant]om een en ander tot een succesvol einde te brengen blijkt mede uit de door hem op eigen initiatief geregelde stage, welke zal aanvangen in maart 2014 en waarvoor hij een vergoeding van ongeveer € 200,-- per maand zal ontvangen. [appellant]is bereid deze vergoeding volledig aan de boedel ten goede te laten komen;

- [appellant]heeft toegezegd dat hij gedurende de twee jaren van zijn opleiding voor maximaal 20 uur per week werkzaamheden kan en wil verrichten en daarvoor actief zal solliciteren;

- [appellant]zal na het behalen van zijn diploma meer kans hebben op het vinden van betaald werk tegen een hoger salaris dan het minimumloon en heeft verklaard na het behalen van zijn diploma fulltime werk te zullen aanvaarden. [appellant]heeft voorgesteld de looptijd van de schuldsaneringsregeling met een jaar te verlengen, waardoor er nog gedurende 2 jaren een volledige inspanningsverplichting op hem rust.

- [appellant]is gemotiveerd om zijn schulden met een totaal van € 20.589,58 (concurrent) op te lossen. [appellant]heeft met goed gevolg en inzet een budgetcursus gevolgd en toont inspanningen om te komen tot een goede oplossing van zijn schuldenlast. [appellant]staat onder stringent budgetbeheer en ontvangt wekelijks leefgeld. Sindsdien zijn geen nieuwe schulden ontstaan.

2.6.

In aanmerking genomen bovengenoemde bijzondere omstandigheden is het hof van

van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [appellant]de uit de schuldsaneringsregeling voorvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich maximaal zal inspannen om inkomsten te verwerven teneinde zoveel mogelijk op zijn schulden af te lossen. Gelet op de door [appellant]te genereren afloscapaciteit, die vanaf maart 2014 ten minste € 200,-- per maand zal bedragen en de kans dat deze in de loop der tijd zal worden vergroot, bestaat de gerechtvaardigde verwachting dat [appellant]gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling een substantieel bedrag zal kunnen sparen voor zijn schuldeisers. Het hof ziet in de gegeven omstandigheden dan ook voldoende aanleiding [appellant]toe te laten tot de schuldsanering, met dien verstande dat de looptijd van de schuldsanering reeds thans zal worden bepaald op vier jaren, dit ter compensatie van de eerste twee jaren om de redenen als hiervoor aangegeven. Verder zal gedurende de eerste twee jaren van de schuldsanering voor [appellant]een inspanningsverplichting gelden ten aanzien van het vinden van betaald werk voor 20 uur per week. [appellant]zal zich gedurende de schuldsaneringsregeling moeten inspannen zoveel mogelijk gelden voor de boedel te sparen.

3 Beslissing

Het hof:

- vernietigt het vonnis waarvan beroep;

- verklaart alsnog op [appellant]de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing;

- stelt de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsanering van kracht is, vast op vier jaren, te rekenen vanaf de dag van de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- verwijst de zaak naar de rechtbank Amsterdam om te worden voortgezet met inachtneming van het in dit arrest overwogene.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.H. de Bock, M.L.D. Akkaya en H.J.M. Boukema en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2013 in tegenwoordigheid van de griffir.

Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.