Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4802

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
200.128.558/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:1667, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie; grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 24 december 2013

Zaaknummer: 200.128.558/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 193293/12-1925

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. J.C. de Dood te Zaandam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.E. Hooijschuur te Wormerveer.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 10 juni 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 13 maart 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk 193293/12-1925. Bij brief van 12 juni 2013 heeft zij haar verzoek aangepast.

1.3.

De man heeft op 9 augustus 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 9 oktober 2013 en 10 oktober 2013 nadere stukken ingediend.

1.5.

De man heeft op 9 oktober 2013 en 15 oktober 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 21 oktober 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door mr. E. Kuhl, advocaat te Zaandam;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben tot 2008 een relatie gehad. Uit hun relatie is geboren [de minderjarige] [in] 2006. De man en de vrouw oefenen samen het gezag uit over [de minderjarige].

2.2.

Na de beëindiging van hun relatie zijn partijen (mondeling) overeengekomen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zou betalen van € 300,- per maand. Na indexering bedroeg de bijdrage in 2012 € 319,- per maand. In 2013 is de bijdrage € 324,- per maand.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1968. Zij vormt met [de minderjarige] en [kind], een zoon uit een eerdere relatie, een eenoudergezin. Voor [kind] ontvangt zij een bijdrage in de kosten van zijn verzorging en opvoeding van € 330,- per maand.

Zij is parttime (30%) werkzaam in loondienst bij [bedrijf] Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar € 8.925,-.

Aan kale huur betaalt zij € 385,- per maand. De huurtoeslag bedraagt € 140,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 127,- per maand. Zij ontvangt een zorgtoeslag van € 88,- per maand.

Haar kindgebonden budget bedroeg in 2012 € 1.709,- en in 2013 € 1.784,-.

2.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1965. Hij is alleenstaand.

Hij heeft een eenmanszaak, [de onderneming]. Blijkens de jaarstukken van 2011 en 2012 bedroeg het resultaat in 2010 tot en met 2012 achtereenvolgens € 60.546,-, € 61.806,- en € 37.851,-.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de man bewoonde woning betaalt hij € 1.159,- per maand aan rente. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 426.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 116,- per maand.

Hij heeft inkomen uit vermogen.

Hij heeft kosten in verband met de omgang met [de minderjarige] (eens per twee weken van zaterdagochtend tot zondagochtend alsmede de helft van de feestdagen en een deel van de vakanties).

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de vrouw om de afspraak tussen partijen te wijzigen in die zin dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] dient te voldoen van € 780,- per maand met ingang van 1 augustus 2007 en van € 866,04 per maand, rekening houdend met de wettelijke indexering, met ingang van de datum indiening verzoekschrift, 14 juni 2012, afgewezen.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre,

- primair een door de man met ingang van 13 juni 2012 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te bepalen van € 726,14 per maand,

- subsidiair de bijdrage op € 738,48 per maand te bepalen met ingang van de datum van indiening van het beroepschrift,

- meer subsidiair een bijdrage van € 654,- per maand te bepalen met ingang van 1 augustus 2007, jaarlijks te indexeren,

- uiterst subsidiair een bijdrage van € 400,- per maand te bepalen vanaf 1 augustus 2007, jaarlijks te indexeren,

- dan wel een zodanige bijdrage te bepalen en met ingang van een zodanige datum als het hof juist zal achten.

3.3.

De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Primair legt de vrouw aan haar verzoek tot wijziging van de onderhoudsbijdrage voor [de minderjarige] ten grondslag dat de afspraak die partijen hebben gemaakt met grove miskenning van de wettelijke maatstaven tot stand is gekomen.

4.2.

Op grond van artikel 1:401 lid 5 Burgerlijk Wetboek kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud worden gewijzigd of ingetrokken indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Hiervan is sprake als, uitgaande van dezelfde gegevens, er een duidelijke wanverhouding is tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. Het betreft dan gevallen waarin partijen onopzettelijk door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken.

4.3.

Partijen twisten over de vraag welke onderhoudsbijdrage zij zijn overeengekomen, althans in hoeverre aan die overeenkomst uitvoering wordt gegeven. Zij zijn het erover eens dat zij hebben afgesproken dat de man maandelijks € 300,- aan de vrouw zou voldoen alsmede een aandeel in de bijkomende kosten, waarbij zij kosten voor zaken als een bril of een beugel voor ogen hadden. Volgens de vrouw heeft de man echter slechts eenmaal een bijdrage geleverd in de bijzondere kosten; volgens de man heeft hij dat meermalen gedaan. Naar het hof vaststelt, heeft de man zijn stelling echter niet met bijvoorbeeld aankoopbewijzen of rekeningafschriften onderbouwd. Voorts is gebleken dat [de minderjarige] een bril noch een beugel heeft. Derhalve concludeert het hof dat niet aannemelijk is geworden dat er uitvoering is gegeven aan de afspraak tussen partijen ten aanzien van de bijkomende kosten. Wat er zij van een dergelijke afspraak, in de praktijk geven partijen dus slechts uitvoering aan de afspraak dat de man € 300,- per maand voldoet. Het hof zal dan ook van die afspraak uitgaan.

4.4.

Tussen deze afgesproken onderhoudsbijdrage en de bijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist, bestaat naar het oordeel van het hof een duidelijke wanverhouding, aangezien het hof, zoals hierna blijkt, de behoefte van [de minderjarige] in 2007 berekent op € 610,- per maand aan de hand van de financiële gegevens van partijen uit dat laatste jaar van hun samenleving.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw onbetwist gesteld dat haar inkomen (uit oppas- en schoonmaakwerk) ten tijde van het uiteengaan van partijen € 200,- netto per maand bedroeg. Uitgaande van de door de man overgelegde berekening van zijn belastbaar inkomen in 2007 bedroeg zijn netto inkomen (rekening houdend met - zoals te doen gebruikelijk - zijn winst uit onderneming, investeringsaftrek, desinvesteringsbijtelling, zelfstandigenaftrek, MKB-winstvrijstelling, inkomen in box 3 en de van toepassing zijnde heffingskortingen) € 3.707,- per maand. Op grond van een netto gezinsinkomen van € 3.907,- per maand zou de rechter de behoefte van [de minderjarige] op € 610,- per maand hebben bepaald waarin de man, gezien de toenmalige verhouding in inkomens, destijds voor een aanzienlijk deel zou hebben moeten voorzien.

4.5.

De man heeft aangevoerd dat de werkelijke behoefte van [de minderjarige] lager is dan het bedrag dat zou volgen uit het netto gezinsinkomen, omdat de man tijdens zijn relatie met de vrouw tevens voorzag in kosten van [kind] en zijn beschikbare draagkracht derhalve niet alleen aan [de minderjarige] werd besteed. Ter zitting heeft de vrouw echter toegelicht dat zij de kosten van [kind] heeft kunnen bestrijden met de onderhoudsbijdrage die zij voor hem ontvangt van diens vader. Het hof acht daarom onvoldoende aannemelijk dat de man structureel in significante mate heeft bijgedragen in [kind's] kosten. Nu de man voorts ook destijds geen wettelijke onderhoudsplicht jegens [kind] had, volgt het hof de man niet in deze stelling.

4.6.

De man heeft verder betoogd dat partijen bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken door een lagere bijdrage overeen te komen. Daarvan is naar het oordeel van het hof niet gebleken. De overeenkomst tussen partijen is mondeling aangegaan zonder bijstand van een advocaat, mediator of andere adviseur. Een schriftelijke vastlegging ontbreekt. De enkele stelling van de man dat de vrouw op de hoogte was van (het bestaan van) de alimentatienormen, omdat zij voor [kind] reeds een procedure over diens onderhoudsbijdrage had gevoerd, maakt dit niet anders. Niet gesteld is immers dat destijds aan de hand van die normen een berekening is gemaakt.

4.7.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, kan de overeengekomen kinderalimentatie worden gewijzigd. Alvorens de draagkracht van beiden te beoordelen, dient de ingangsdatum van de wijziging te worden vastgesteld. Het hof bepaalt deze op 13 juni 2012, de datum van indiening van het verzoekschrift in eerste aanleg door de vrouw. Vanaf deze datum heeft de man rekening kunnen houden met een wijziging van de onderhoudsbijdrage.

De behoefte van [de minderjarige] (€ 610,- per maand in 2007) bedraagt, geïndexeerd naar 2012, € 675,- per maand.

4.8.

Op grond van de onder 2.3. opgenomen financiële gegevens en rekening houdend met de op haar van toepassing zijnde heffingskortingen heeft de vrouw onvoldoende draagkracht om bij te dragen in de kosten van [de minderjarige].

Volgens de man heeft de vrouw meer inkomsten, omdat zij naast haar parttime baan bij [bedrijf] als hondentrimster werkt. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep beaamd dat zij het voornemen had dat te gaan doen, maar doordat zij zestien jaar geleden een ongeluk heeft gehad, heeft zij nog steeds last van haar rug en heeft zij van haar plan moeten afzien. Zij is gezakt voor haar examen. Thans wil de vrouw een webwinkel starten, maar haar plannen daartoe hebben nog geen vaste vorm aangenomen.

Gelet op deze onweersproken gebleven verklaring van de vrouw, ziet het hof geen aanleiding van een (fictief) hoger inkomen aan haar zijde uit te gaan.

4.9.

Ter bepaling van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de onder 2.4. vermelde financiële gegevens.

Zoals te doen gebruikelijk zal het hof het resultaat van de eenmanszaak middelen over de laatste drie jaren zodat het uitgaat van een winst van € 53.401,-. Ook de man gaat, zoals blijkt uit de door hem in het geding gebrachte draagkrachtberekening van 8 oktober 2013, van dit gemiddelde uit. Het hof neemt een zelfstandigenaftrek en een MKB-winstvrijstelling in aanmerking. Voorts neemt het hof, overeenkomstig de berekening van de man van 8 oktober 2013, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen mee van € 80,-.

4.10.

Ter zake van een toevoeging aan de oudedagsreserve voor als de man 67 wordt, heeft hij € 7.000,- per jaar opgevoerd. Het bedrag dat hij jaarlijks stort, is variabel maar tot nu toe is het gelukt € 7.000,- per jaar te doteren, aldus de man.

De vrouw heeft betwist dat de man jaarlijks ten minste € 7.000,- heeft ingelegd nu hij dat slechts over 2012 heeft aangetoond.

4.11.

Uit de door de man overgelegde jaarstukken van zijn eenmanszaak blijkt dat hij jaarlijks ten laste van de winst een bedrag heeft toegevoegd aan de fiscale oudedagsreserve. Niet in geschil is dat de man een oudedagsvoorziening dient te treffen. De vrouw betwist slechts dat de door de man gereserveerde bedragen daadwerkelijk in mindering strekken op zijn draagkracht. Met het overleggen van een rekeningafschrift uit 2012 heeft de man zijn dotatie in dat jaar aangetoond. Het hof acht daarmee voldoende aannemelijk dat de gereserveerde bedragen inderdaad drukken op zijn draagkracht. Gelet hierop brengt het hof de door de man opgevoerde toevoeging aan de oudedagsreserve van € 7.000,- in mindering op zijn draagkracht in die zin dat het bedrag “boven de streep” ten laste van de winst uit onderneming wordt gebracht teneinde de belastingdruk te verlagen en “onder de streep” zijn draagkrachtloos inkomen verhoogt.

4.12.

De man heeft gesteld dat hij zijn eigen risico jaarlijks verbruikt in verband met onder andere zijn ziekenhuisbezoeken vanwege problemen met zijn schildklier.

Gelet op deze verklaring, die door de vrouw niet is betwist, brengt het hof € 350,- per jaar in mindering op de draagkracht van de man.

4.13.

Ter zake van de kosten die de man heeft in verband met de omgang met [de minderjarige], brengt het hof overeenkomstig de berekening van de vrouw, zoals overgelegd bij haar stukken van 10 oktober 2013, een bedrag van € 20,- per maand in aanmerking aangezien dit bedrag, gelet op de omvang van de onder 2.4. vermelde regeling, redelijk voorkomt en de man bovendien niet een ander bedrag heeft voorgesteld.

4.14.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de man voldoende draagkracht om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te voldoen van € 675,- per maand. Het hof zal de beschikking waarvan beroep daarom vernietigen en voornoemde bijdrage vaststellen.

4.15.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] met ingang van 13 juni 2012 op € 675,- (ZESHONDERD VIJFENZEVENTIG EURO) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.V.T. de Bie, mr. C.E. Buitendijk en mr. M.J.J. de Bontridder in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2013.