Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4794

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
200.124.716/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:98, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling kinderalimentatie; draagkrachtberekening volgens de tot 1 april 2013 geldende normen; berekening van de kinderalimentatie aan de hand van de sinds 1 april 2013 geldende normen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 24 december 2013

Zaaknummer: 200.124.716/01

Zaaknummer eerste aanleg: 136096 / FA RK 12-185

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. F.J. van Zwieten te Den Helder,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. K. Buck te Den Helder.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 5 april 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 9 januari 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk 136096 / FA RK 12-185.

1.3.

De vrouw heeft op 8 april 2013 stukken die betrekking hebben op de procedure in eerste aanleg ingediend.

1.4.

De man heeft op 28 juni 2013 een verweerschrift ingediend.

1.5.

De vrouw heeft op 5 juni 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De man heeft op 4 juli 2013 nadere stukken ingediend.

1.7.

De zaak is op 10 juli 2013 tegelijkertijd met de zaak met zaaknummer 200.123.333/01 behandeld, met dien verstande dat de vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, lokatie Alkmaar, niet aanwezig is geweest bij de behandeling van onderhavige zaak. Verschenen zijn partijen, beiden bijgestaan door hun advocaten.

1.8.

Het hof heeft bij brief van 26 augustus 2013 de vrouw in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wijze waarop de Tremanormen die vanaf 1 april 2013 voor het berekenen van de draagkracht gelden, dienen te worden toegepast met het oog op de inkomsten die de nieuwe partner van de man vanaf 1 april 2013 uit arbeid genereert, omdat partijen van mening verschillen over de vraag of de nieuwe partner van de man al dan niet moet bijdragen in de woonlasten van de man. Het hof heeft bij brief van eveneens 26 augustus 2013 de man in de gelegenheid gesteld te reageren op de door de vrouw te geven uitlating.

1.9.

Het hof heeft op 5 september 2013 een brief van de advocaat van de vrouw ontvangen.

1.10.

Het hof heeft op 18 september 2013 een brief van de advocaat van de man ontvangen.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie gehad. Uit hun relatie zijn geboren […] (hierna: [kind a]) [in] 2004 en […] (hierna: [kind b]) [in] 2007 (hierna gezamenlijk: de kinderen).

2.2.

Bij beschikking van 19 december 2012 van de rechtbank Alkmaar is bepaald dat de volgende omgangsregeling tussen de man en de kinderen geldt:

  • -

    gedurende drie maanden, ingaande op de datum van deze beschikking:

  • -

    in de even weken omgang in het weekend waarbij deze weekenden om en om als volgt worden ingevuld:

  • -

    het ene omgangsweekend van zaterdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur;

  • -

    het andere omgangsweekend van zondag 09.00 uur tot 18.00 uur;

  • -

    de volgende drie maanden:

  • -

    het ene omgangsweekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur;

  • -

    het andere omgangsweekend van zaterdag 17.00 uur tot zondag 18.00 uur;

  • -

    de volgende drie maanden:

  • -

    iedere veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur;

  • -

    daarna:

  • -

    iedere veertien dagen van vrijdagmiddag 16.00 uur tot zondag 18.00 uur.

  • -

    De man haalt en brengt de minderjarigen bij de vrouw.

  • -

    Vakanties en officiële feestdagen bij helfte en in onderling overleg nader vast te stellen.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.3.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1983. Zij vormt met de kinderen een eenoudergezin.

Zij is 20 uren per week werkzaam in loondienst. Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar € 11.054,-.

Zij ontvangt een Wajong-uitkering. Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar € 5.637,-.

2.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1981. Hij leeft vanaf 1 september 2012 samen met zijn partner mevrouw [x].

Hij is werkzaam in loondienst. Blijkens de jaaropgave over 2012 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 21.300,-.

Aan huur en enige servicekosten betaalde hij tot 1 juli 2013 € 370,- per maand en betaalt hij sindsdien € 384,- per maand. Hij ontvangt in 2013 een huurtoeslag van € 1.602,- op jaarbasis.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 137,- per maand. Hij heeft in 2012 een zorgtoeslag ontvangen van € 63,- per maand en hij ontvangt in 2013 een zorgtoeslag van € 1.015,- op jaarbasis. Het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden bedraagt € 350,- per jaar.

Hij heeft kosten in verband met de omgang met de kinderen.

In verband met de onderbewindstelling van zijn goederen betaalt hij maandelijks € 87,- voor financiële begeleiding en € 12,- voor CAK / Zorg zonder Verblijf.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 37,- per kind per maand met ingang van 14 maart 2012.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw een bijdrage te bepalen van € 470,90 per maand met ingang van 14 maart 2012, dan wel een zodanige bijdrage te bepalen als de rechtbank juist zou achten.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, met ingang van 14 maart 2012 een bijdrage te bepalen van € 235,45 per kind per maand, dan wel een bijdrage te bepalen met ingang van een zodanige datum en op een zodanig bedrag als het hof juist zal achten.

3.3.

De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen tot 1 april 2013 en met ingang van die datum een bijdrage te bepalen van € 55,50 per kind per maand. Bij de hierboven onder 1.10 genoemde brief heeft hij zijn verzoek gewijzigd, met dien verstande dat de bijdrage met ingang van 1 september 2013 weer op € 37,- per kind per maand dient te worden vastgesteld.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

In geschil is het bedrag dat de man met ingang van 14 maart 2012 dient te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en op voeding van de kinderen.

4.2.

Bij de bestreden beschikking is ervan uitgegaan dat de behoefte van de kinderen aan een bijdrage in voormelde zin € 235,- per kind per maand bedraagt. De rechtbank heeft aldus beslist, omdat de man met dit bedrag had ingestemd, terwijl de behoefte van beide kinderen tezamen volgens de vrouw € 470,90 per maand zou bedragen. In hoger beroep is dit behoeftebedrag niet aan de orde gesteld voor wat betreft de periode vanaf 14 maart 2012 tot 1 april 2013, zodat het hof gedurende deze periode eveneens van dit bedrag zal uitgaan. Evenmin is er bezwaar tegen gemaakt dat de vrouw volgens de bestreden beschikking in staat is in dit tijdvak € 207,- per maand van de behoefte van de kinderen te dragen. Het hof dient derhalve nog te beoordelen met welk bedrag de man vanaf 14 maart 2012 tot 1 april 2013 in staat is te voorzien in de resterende behoefte van de kinderen.

4.3.

Bij het bepalen van de draagkracht van de man zal het hof, naast de hierboven onder 2.4 genoemde feiten, uitgaan van het volgende.

Het hof zal het inkomen van de man bepalen aan de hand van zijn jaaropgave over 2012. Hij heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij zijn ontslag met succes heeft aangevochten. Weliswaar verricht hij thans andere werkzaamheden dan voorheen, maar het salaris dat hij thans verdient is hetzelfde als voorheen, aldus de man.

Het hof zal bij het hanteren van deze jaaropgave in aanmerking nemen dat vanaf 2013 de inkomensafhankelijke bijdrage premie Zorgverzekeringswet op een andere wijze wordt geheven over het loon.

Volgens de tot 1 april 2013 geldende gebruikelijke normen wordt bij het vaststellen van kinderalimentatie ervan uitgegaan dat de nieuwe partner van de onderhoudsplichtige in eigen onderhoud kan voorzien. Dit betekent dat de nieuwe partner voor wat betreft de toepassing van de bijstandsnorm en het draagkrachtpercentage buiten beschouwing dient te worden gelaten. Ten aanzien van de man zal derhalve de bijstandsnorm voor een alleenstaande worden gehanteerd. Van de aanwezige draagkracht zal 70% beschikbaar worden geacht voor kinderalimentatie.

Vanaf 14 maart 2012 zullen de huurlasten die de man tot 1 juli 2013 heeft gehad, in aanmerking worden genomen. De man en zijn partner zijn op 1 september 2012 gaan samenwonen. Anders dan de vrouw heeft betoogd, zal het hof vanaf die datum geen deel van de woonlasten van de man aan zijn partner toerekenen. Het hof acht dit redelijk, nu voldoende aannemelijk is geworden dat de partner van de man tot 1 april 2013 geen inkomsten heeft gehad en zij volgens hem toen in een slechte financiële situatie verkeerde vanwege vele schulden en haar goederen onder bewind zijn gesteld.

Volgens de vrouw moet de partner van de man redelijkerwijs in staat worden geacht een inkomen te genereren, waarmee zij vanaf 1 september 2012 de helft van de woonlasten van de man voor haar rekening behoort te nemen. Hierin volgt het hof de vrouw derhalve niet, nu zij onvoldoende heeft gesteld om de partner van de man een fictieve verdiencapaciteit toe te kennen.

Vanaf 1 april 2013 heeft de partner van de man een inkomen uit arbeid. Hierdoor zal zij volgens de man vanaf die datum in redelijkheid een bijdrage van 30% in zijn woonlasten kunnen leveren. De man heeft verzocht de door hem te betalen kinderbijdragebijdrage sindsdien te bepalen op € 55,50 per kind per maand.

Het hof overweegt, dat per 1 april 2013 aan de kant van de man sprake is van een wijziging van omstandigheden, op grond waarvan de bijdragen ten behoeve van de kinderen opnieuw moeten worden berekend. Het hof zal dit doen aan de hand van de sinds 1 april 2013 geldende normen. Hierop zal onder 4.6 tot en met 4.8 nader worden ingegaan.

Het hof houdt het ervoor dat de man vanaf 14 maart 2012 tot het einde van dat jaar een huurtoeslag heeft ontvangen van € 12,- per maand, welk bedrag door de man in eerste aanleg is opgevoerd en waarvan de rechtbank bij het bepalen van zijn draagkracht is uitgegaan. Daarna zal tot 1 april 2013 rekening worden gehouden met de huurtoeslag van € 1.602,- op jaarbasis zoals door de man voor dat jaar is opgevoerd.

Vanaf 1 januari 2013 tot 1 april 2013 zal rekening worden gehouden met de door de man opgevoerde zorgtoeslag over 2013 van € 1.015,- op jaarbasis. Het verplicht eigen risico in verband met de zorgverzekering van de man zal niet in aanmerking worden genomen, nu hij onvoldoende heeft gesteld dat sprake is van daadwerkelijk door hem gemaakte dan wel nog te maken ziektekosten.

Het hof zal, net zoals de rechtbank, gelet op de bij beschikking van 19 december 2012 vastgestelde omgangsregeling, rekening te houden met omgangskosten van 43,- per maand. Het hof ziet aanleiding vooruit te lopen op de bij die beschikking bepaalde uitbreiding van de omgang naar eenmaal per veertien dagen een weekend. Daar komt bij dat de man en de kinderen volgens die beschikking ook recht hebben op omgang met elkaar gedurende de helft van de vakanties en officiële feestdagen.

De kosten die de man in verband met de onderbewindstelling van zijn goederen maakt, zullen in aanmerking worden genomen. Volgens de rechtbank is gebleken dat de goederen van de man reeds tijdens de relatie van partijen onder bewind stonden, wat in hoger beroep niet is weersproken door de vrouw. Voldoende aannemelijk is geworden dat de kosten in verband met de onderbewindstelling voor de man een noodzakelijke last vormen die ten opzichte van de kinderen als een redelijke uitgave kan worden beschouwd, terwijl de man niet voor bijstandsverlening ten aanzien van die kosten in aanmerking komt, zo is ter zitting in hoger beroep namens hem verklaard.

4.4.

Het voorgaande leidt ertoe dat de man met ingang van 14 maart 2012 tot 1 januari 2013 een draagkracht heeft voor het voldoen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 38,- per kind per maand. Met ingang van 1 januari 2013 tot 1 april 2013 is aan de zijde van de man een voor kinderalimentatie beschikbare draagkracht van € 128,- per kind per maand aanwezig. Bij dit laatste bedrag is rekening gehouden met het fiscaal voordeel dat voor hem verbonden is aan het betalen van een dergelijke bijdrage, waarop hij mede gelet op de omgangskosten die hij maakt aanspraak heeft.

Op deze bedragen zal de door de man te betalen bijdrage voor deze tijdvakken worden bepaald, nu de bij beide partijen voor kinderalimentatie beschikbare draagkracht niet de behoefte van de kinderen – die in 2012 na indexering € 476,- per maand bedraagt – overstijgt.

De periode na 1 april 2013

4.5.

Zoals het hof reeds onder 4.3 heeft overwogen, doet zich met ingang van 1 april 2013 een rechtens relevante wijziging van omstandigheden voor, die maakt dat het bedrag dat hij in staat is bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen opnieuw moet worden berekend aan de hand van de sinds 1 april 2013 geldende normen.

4.6.

Teneinde de kosten van de kinderen over partijen te kunnen verdelen, komt het niet alleen aan op de draagkracht van de man, maar ook die van de vrouw. Bij het beoordelen van de draagkracht van ieder der partijen zal hun netto besteedbaar inkomen (hierna ook: NBI) tot uitgangspunt worden genomen. Blijkens de hierboven onder 1.9 en 1.10 vermelde brieven, zijn partijen het erover eens dat het netto besteedbaar inkomen van de man € 1.421,- per maand bedraagt.

Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw zal worden vastgesteld door het bruto inkomen van de vrouw zoals dit blijkt uit de door haar overgelegde jaaropgaven van 2012 te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. Bij het hanteren van deze jaaropgaven zal in aanmerking worden genomen dat vanaf 2013 de inkomensafhankelijke bijdrage premie Zorgverzekeringswet op een andere wijze wordt geheven over het loon. Daarnaast zal aan de zijde van de vrouw rekening worden gehouden met de alleenstaande-ouderkorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting, waarvoor zij in aanmerking komt omdat de kinderen bij haar wonen. Verder zal de jonggehandicaptenkorting in aanmerking worden genomen bij haar, nu de rechtbank dit eveneens heeft gedaan en hiertegen in hoger beroep geen bezwaar is gemaakt. Op basis daarvan kan het netto besteedbaar inkomen van de vrouw worden gesteld op € 1.298,- per maand.

De draagkracht van de man zal conform de geldende draagkrachttabel, uitgaande van een netto besteedbaar inkomen dat is gelegen tussen € 1.400,- en € 1.450,- per maand, worden vastgesteld op € 126,- per maand. Bij het bepalen daarvan zijn de werkelijke woonlasten van de man en het gedeelte daarvan dat door zijn partner wordt bijgedragen dan wel dat zij geacht kan worden bij te dragen, niet relevant. Bij een dergelijke draagkracht kan de man geen aanspraak maken op het fiscaal voordeel dat verbonden is aan het betalen van een kinderbijdrage.

De draagkracht van de vrouw zal conform de geldende draagkrachttabel, uitgaande van een netto besteedbaar inkomen dat is gelegen tussen € 1.250,- en € 1.300,- per maand, worden vastgesteld op € 75,- per maand.

4.7.

De berekende draagkracht van de man overstijgt zijn aandeel in de kosten van de kinderen niet, ook niet als daarbij het kindgebonden budget en de maximaal te ontvangen zorgkorting in aanmerking zouden worden genomen. De door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bedraagt met ingang van 1 april 2013 derhalve € 126,- per maand, zijnde € 63,- per kind per maand.

4.8.

De advocaat van de man heeft bij brief van 17 september 2013 het verzoek van de man gewijzigd, omdat zich wijzigingen in de situatie van ieder der partijen hebben voorgedaan. Volgens die brief zou de vrouw zwanger zijn en woont de man, wiens relatie is verbroken op 30 augustus 2013, vanaf 6 september 2013 niet meer samen met zijn partner. Hierom dient volgens de man de door hem te betalen kinderbijdrage met ingang van 1 september 2013 weer op € 37,- per kind per maand te worden vastgesteld.

Het hof acht het gewijzigde verzoek evenwel in een zodanig laat stadium gedaan, terwijl de vrouw hierop niet heeft kunnen reageren, dat dit in deze procedure niet meer kan worden meegenomen. Om dezelfde reden zullen de door de man opgevoerde gewijzigde omstandigheden evenmin in aanmerking worden genomen, nog los van de omstandigheid dat het verbreken van de relatie van de man niet meer van invloed is op zijn draagkracht, berekend volgens de per 1 april 2013 geldende nieuwe normen.

4.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

bepaalt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 38,- (ACHTENDERTIG EURO) per kind per maand met ingang van 14 maart 2012 tot 1 januari 2013;

bepaalt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 128,- (EENHONDERD ACHTENTWINTIG EURO) per kind per maand met ingang van 1 januari 2013 tot 1 april 2013;

bepaalt een door de man bij vooruitbetaling te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 63,- (DRIEËNZESTIG EURO) per kind per maand met ingang van 1 april 2013;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Wigleven, mr. M.M.A. Gerritzen-Gunst en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2013 door de oudste raadsheer.