Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4790

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
26-03-2014
Zaaknummer
200.126.159-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kredietovereenkomst. Abrupte blokkering door de bank van het aan reisbureau verleende krediet was onzorgvuldig en in relevate mate oorzaak van faillissement. Eisen redelijkheid en billikheid verzetten zich ertegen dat de hoofdelijk aansprakelijke bestuurders voor meer dan 50% van de onbetaalde schuld uit de kredietovereenkomst worden aangesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0140
NTHR 2014, afl. 3, p. 160
NJF 2014/244
JONDR 2014/677

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.126.159/01

zaak-/rolnummer rechtbank: 135379/HA ZA 12-74(Alkmaar)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 december 2013

inzake

1 [APPELLANT SUB 1],

wonend te [woonplaats],

2. [APPELLANT SUB 2],

wonend te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. J. de Haan v te Alkmaar,

de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. R. Dijkema te Hilversum.

1 Het geding in hoger beroep

Appellanten worden hierna gezamenlijk [appellanten] en afzonderlijk [appellant sub 1] en [appellant sub 2] genoemd. Geïntimeerde wordt aangeduid als ABN.

[appellant sub 1] zijn bij dagvaarding van 11 maart 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Alkmaar van 12 december 2012 onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen ABN als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, [appellanten] als gedaagden en [appellant sub 1] als eiser in reconventie.

Partijen hebben de volgende stukken ingediend:

  • -

    memorie van grieven, met producties;

  • -

    memorie van antwoord.

Vervolgens is arrest gevraagd.

[appellanten] hebben geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en de vorderingen van ABN, uitvoerbaar bij voorraad, alsnog zal afwijzen en die van [appellant sub 1] zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

ABN heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, met beslissing over de proceskosten.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.12 de feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Deze feiten zijn niet in geschil en worden derhalve ook in hoger beroep als vaststaand aangemerkt. Rechtsoverweging 3.1 behelst een samenvatting daarvan.

3 Beoordeling

3.1.(i) [appellant sub 1] was directeur en enig aandeelhouder van GSE Beheer B.V. (hierna: GSE Beheer) een zogenoemde stamrechtvennootschap. GSE Beheer en [appellant sub 2] waren samen de bestuurders en aandeelhouders van de vennootschap Grupo SolEspaña B.V. (hierna: Grupo SolEspaña). Grupo SolEspaña dreef een reisbureau, met name gericht op het aanbieden van can accomodaties en hotelkamers in Spanje.

(ii) Op 11 oktober 2007 is tussen Grupo SolEspaña en ABN een kredietovereenkomst “OndernemersRekeningCourantKrediet” (hierna: de kredietovereenkomst) gesloten op grond waarvan ABN aan Grupo SolEspaña een kredietfaciliteit ter hoogte van maximaal € 75.000,- ter beschikking heeft gesteld.

[appellanten] hebben zich in het kader daarvan naast Grupo SolEspaña hoofdelijk verbonden “voor al hetgeen ABN AMRO nu of te eniger tijd uit hoofde van de onderhavige kredietverhouding van de Kredietnemer te vorderen heeft of zal hebben.”

(iii) Op 8 juli 2009 heeft ABN naar aanleiding van intern overleg besloten om geen verder krediet aan Grupo SolEspaña te verstrekken en de bankrekeningen van deze vennootschap te blokkeren. Deze blokkade is meteen geëffectueerd.

(iv) Een op 9 juli 2009 gepland gesprek tussen [X], die bij ABN als accountmanager van de Grupo SolEspaña fungeerde, waartoe op 3 juli 2009 een afspraak was gemaakt en waar de blokkade van de bankrekeningen aan de vennootschap zou worden medegedeeld, heeft geen doorgang gevonden.

(v) ABN heeft op 10 juli 2009 een liquiditeitsprognose tot en met augustus 2009 van Grupo SolEspaña ontvangen. Bij brief van 14 juli 2009 heeft ABN Grupo SolEspaña onder meer verzocht om de jaarcijfers 2008, de actuele stand van de crediteurenpositie en een prognose over heel 2009.

(vi) Nadat ABN op 13 juli 2009 had besloten dat zij bereid was om de kredietrelatie voort te zetten mits de kredietlimiet tot een bedrag van € 30.000,- werd verlaagd is op 16 juli 2009 tussen ABN en Grupo SolEspaña een “wijzigingsovereenkomst ondernemersrekeningcourantkrediet” tot stand gekomen waarbij het krediet met een bedrag van € 45.000,- werd verlaagd tot € 30.000,-. Op laatstvermelde datum heeft ABN de blokkade van de bankrekeningen van Grupo SolEspaña opgeheven.

(vii) Grupo SolEspaña is op 10 augustus 2009 op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard. Het faillissement is bij beschikking van 6 september 2011 opgeheven bij gebrek aan baten. De curator heeft in zijn faillissementsverslag vermeld: “In beginsel zou er gezien de hoogte van het krediet voldoende ruimte aanwezig moeten zijn geweest om een groot deel van de betalingen aan het agentschap door te leiden. Kennelijk heeft de bank gezien de bankstand op dat moment aanleiding gezien het krediet fors in te perken, als gevolg waarvan een acuut liquiditeitsprobleem is ontstaan en verder geboekte reizen niet konden worden betaald.”

3.2.

ABN vordert in dit geding de hoofdelijke veroordeling van [appellanten] tot betaling van een bedrag van € 31.821,58 vermeerderd met de overeengekomen rente van 9,85 % per jaar vanaf 18 januari 2012.

[appellant sub 1] vordert, kort gezegd, een verklaring voor recht dat ABN tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de kredietovereenkomst alsmede de veroordeling van ABN tot vergoeding van de als gevolg van die tekortkoming door [appellant sub 1] geleden schade.

3.3.

Met betrekking tot de vordering van ABN oordeelt het hof als volgt.

3.3.1.

Door het sluiten van de kredietovereenkomst is ABN niet alleen tot kredietnemer Grupo SolEspaña maar ook tot Verbuggen c.s., die zich naast Grupo SolEspaña jegens ABN als hoofdelijk medeschuldenaar hebben verbonden, in een (mede) door de redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding komen te staan, die meebracht dat zij bij haar handelwijze tevens acht diende te slaan op de betrokken belangen van deze laatsten.

3.3.2.

Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank dat het op 8 juli 2009 zonder enig voorafgaand overleg of aankondiging blokkeren van het krediet jegens Grupo SolEspaña onzorgvuldig was. Mede op grond van de verklaring die door de advocaat van ABN ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg is afgelegd, moet worden aangenomen dat ABN zich ervan bewust was dat de blokkade voor Grupo SolEspaña en [appellanten] als een donderslag bij heldere hemel kwam. Voorts volgt uit die verklaring dat vervolgens aan Grupo SolEspaña de keuze is geboden van het sluiten van een kredietovereenkomst met een limiet van € 30.000,- of ‘helemaal niets’ en dat ABN zich realiseerde dat [appellanten] bij het sluiten van de wijzigingsovereenkomst namens Grupo SolEspaña met hun rug tegen de muur stonden.

Uit de hierboven geciteerde passage uit het verslag van de curator in het faillissement van Grupo SolEspaña valt op te maken dat indien ABN toen het krediet niet had verlaagd, de liquiditeitsproblemen die in augustus 2009 tot het faillissement van Grupo SolEspaña hebben geleid vermeden hadden kunnen worden en dat Grupo SolEspaña derhalve in ieder geval de kans zou hebben gehad haar betalingsverplichting uit hoofde van de kredietovereenkomst af te lossen.

3.3.3.

Dit wettigt de gevolgtrekking dat als gevolg van de handelwijze van ABN de mogelijkheid dat [appellanten] uit hoofde van de door hen als hoofdelijk medeschuldenaar aangegane verbintenis zouden worden aangesproken in relevante mate is toegenomen.

Bij de beantwoording van de vraag in hoeverre dit meebrengt dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat ABN haar vordering uit hoofde van de kredietrelatie geheel of gedeeltelijk op [appellanten] verhaalt kan, in het licht van de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden, aan [appellanten] niet dan slechts in beperkte mate worden tegengeworpen dat zij namens Grupo SolEspaña de wijzigingsovereenkomst zijn aangegaan. [appellanten] werden immers door de plotselinge blokkade van het krediet overvallen in het toeristische hoogseizoen, en derhalve in een periode dat het reisbureau mede met het oog op de belangen van haar klanten extra kwetsbaar was voor stagnatie van het betalingsverkeer. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen onder 3.3.2 is vermeld betreffende de verklaring van de advocaat van ABN ter comparitie van partijen in eerste aanleg waaruit op te maken valt dat ook ABN zich ervan bewust was dat [appellanten] met hun rug tegen te muur stonden en in feite geen andere keus hadden.

Daarentegen is wel van betekenis dat niet uit te sluiten valt dat ook de terugval van de omzet en de opstelling van één van haar grootste schuldeisers bij de deconfiture van Grupo SolEspaña en daarmee bij het onbetaald blijven van de onderhavige schuld een rol hebben gespeeld en dat denkbaar is dat ook indien ABN op minder drastische wijze had geopereerd, Grupo SolEspaña in een positie zou zijn komen te verkeren dat zij niet in staat was om aan haar verplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst te voldoen. Voorts valt [appellanten] toe te rekenen dat zij niet (expliciet en prompt) aan ABN hebben gemeld dat Grupo SolEspaña door de blokkade in ernstige financiële nood zou komen te verkeren. Het hof acht aldus ook de causale bijdrage van het gedrag en de omstandigheden aan de zijde van [appellanten] van niet te verwaarlozen betekenis.

3.3.4.

Het hof komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de eisen van redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat ABN jegens [appellanten] aanspraak maakt op betaling van meer dan 50% van de als gevolg van het faillissement van Grupo SolEspaña onbetaald gelaten schuld uit hoofde van de kredietrelatie.

Het vonnis van de rechtbank zal derhalve worden vernietigd en [appellanten] zullen worden veroordeeld om 50 % van het onafgeloste bedrag, zijnde € 15.910,79, vermeerderd met de overeengekomen rente, aan ABN te voldoen

3.4.

De vordering die [appellant sub 1] in reconventie heeft ingesteld strekt tot vergoeding van de (verdere) schade die [appellant sub 1] als gevolg van de (ge-

deeltelijke) blokkade van het krediet en het faillissement van Grupo SolEspaña heeft geleden. [appellant sub 1] stelt dat hij via GSE Beheer in Grupo SolEspaña heeft geïnvesteerd en dat hij via GSE Beheer middellijk aandeelhouder was van Grupo SolEspaña, hetgeen op zich niet in geschil is. Hij maakt echter in het geheel niet duidelijk hoe hij, waar het een eventuele tekortkoming van ABN jegens Grupo SolEspaña betreft, geacht kan worden anders dan in zijn belang als (indirect) aandeelhouder van Grupo SolEspaña c.q. GSE Beheer te zijn geschaad. Dergelijke (afgeleide) schade komt niet voor vergoeding in aanmerking (HR 2 december 1994 NJ 95 288 Poot/ABP). Dit brengt mee dat ook het hof tot de slotsom komt dat de vordering van [appellant sub 1] niet toewijsbaar is.

3.5.

Uit het voorgaande volgt dat de grieven van [appellanten] gedeeltelijk slagen voorzover zij gericht zijn tegen de door de rechtbank in conventie genomen beslissing en leiden tot het alsnog afwijzen van 50% van het door ABN in hoofdsom gevorderde bedrag.Voor het overige falen de grieven. In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen bestaat bij een verdere behandeling daarvan onvoldoende belang.

Het vonnis van de rechtbank in conventie zal worden vernietigd.

De kosten van het geding in conventie zullen worden gecompenseerd in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Het hof ziet in de uitkomst van het hoger beroep aanleiding om ook de kosten daarvan op voormelde wijze te compenseren.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover in conventie gewezen;

veroordeelt [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hoofdelijk, des dat de één betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan ABN te betalen een bedrag van € 15.910,79 te vermeerderen met de overeengekomen rente van 9,85% per jaar daarover vanaf 18 januari 2012 tot de dag der algehele voldoening;

compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

wijst het anders of meer door ABN gevorderde af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover in reconventie gewezen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, G.J. Visser en P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 december 2013.