Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4768

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
200.135.285/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Wrakingsverzoek ingediend naar aanleiding van (motivering van) regie-beslissingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-003297-12

rekestnummer: 200.135.285/01

Beschikking van de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam van 23 december 2013 op het op
11 oktober 2013 ter griffie ingekomen schriftelijke verzoek tot wraking, in de strafzaak met
parketnummer 23-003297-12 tegen:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

thans gedetineerd in [HvB],

hierna te noemen: verzoeker.

Advocaat: mr. M.R. Kok.

1 Het geding

1.1.

In de strafzaak tegen de verzoeker in hoger beroep, heeft op 26 augustus 2013 een zogenoemde regie-terechtzitting plaatsgevonden, op welke terechtzitting namens de verzoeker onderzoekswensen naar voren zijn gebracht en het openbaar ministerie omtrent die onderzoekswensen is gehoord. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens onderbroken tot 2 oktober 2013. Op de terechtzitting van 2 oktober 2013 heeft de voorzitter blijkens het proces-verbaal terechtzitting de beslissingen van de strafkamer op de onderzoekswensen van de verdediging medegedeeld (hierna ook: de regie-beslissingen).

Op 11 oktober 2013 is ter griffie van het gerechtshof Amsterdam een schriftelijk verzoek ingekomen tot wraking van de leden van het gerechtshof die op 2 oktober 2013 de regie-beslissingen hebben gegeven (hierna ook: de strafkamer).

1.2.

De raadsheren op wie het wrakingsverzoek betrekking heeft, hebben te kennen gegeven niet in de wraking te berusten. Voorts heeft de wrakingskamer een schriftelijke reactie van de voorzitter van de strafkamer ontvangen, mede ingediend namens de andere leden van de strafkamer, van 27 november 2013. De voorzitter deelt in deze reactie ondermeer mede dat de leden van de strafkamer geen vooringenomenheid jegens de verzoeker koesteren. Voorts stellen de leden van de strafkamer zich in die reactie op het standpunt dat de regie-beslissingen en de motiveringen daarvan geen grond behoren op te leveren om vooringenomenheid niettemin te vrezen.

1.3.

De wrakingskamer heeft een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van de advocaat-generaal van 28 november 2013 ontvangen. De advocaat-generaal heeft zich op standpunt gesteld dat de strafkamer zich jegens de verzoeker niet vooringenomen heeft betoond, noch dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De advocaat-generaal heeft de wrakingskamer in zijn reactie in overweging gegeven het wrakingsverzoek af te wijzen.

1.4.

De wrakingskamer heeft ter openbare raadkamer van 2 december 2013 de advocaat van de verzoeker en de advocaat-generaal omtrent het wrakingsverzoek gehoord. De verzoeker heeft afstand gedaan van zijn recht bij de behandeling aanwezig te zijn. De raadsheren op wie het verzoek betrekking heeft waren bij de mondelinge behandeling niet aanwezig. De advocaat-generaal heeft in raadkamer gepersisteerd bij zijn schriftelijke reactie.

2 Ontvankelijkheid

2.1.

Het verzoekschrift houdt het volgende in ten aanzien van de tijdigheid van het verzoek. Ter terechtzitting van 2 oktober 2013 -toen de strafkamer de beslissingen op de onderzoekswensen heeft medegedeeld- waren de verzoeken en diens raadsman niet aanwezig. Op 3 oktober 2013 heeft de raadsman het proces-verbaal terechtzitting ontvangen, waarna afschrift daarvan naar de verzoeker in de penitentiaire inrichting is verzonden. Kennelijk wegens trage postverstrekking in de inrichting, heeft de verzoeker dit proces-verbaal pas op 10 oktober 2013 ontvangen, waarna hij de inhoud daarvan op
11 oktober 2013 met zijn raadsman heeft besproken.

2.2.

Het verzoekschrift is vervolgens die dag, 11 oktober 2013, door de raadsman ter griffie van het gerechtshof ingediend.

2.3.

Gelet op voorstaande acht de wrakingskamer het wrakingsverzoek tijdig gedaan. Ook overigens is het verzoek ontvankelijk.

3 Inleidende overwegingen

3.1.

Algemeen

3.1.1.

Blijkens het verzoekschrift tot wraking van 11 oktober 2013 en de daarop in raadkamer gegeven mondelinge toelichting is het wrakingsverzoek gebaseerd op het volgende. Bij de verzoeker is de vrees ontstaan dat de strafkamer jegens hem vooringenomenheid koestert. Die vrees komt voort uit overwegingen en beslissingen van de strafkamer in het proces-verbaal terechtzitting van 26 augustus 2013 en 2 oktober 2013, omtrent verzoeken en stellingen van de verdediging die volstrekt onbegrijpelijk zijn en waaruit blijkt dat de te voeren verweren reeds ten nadele van de verdediging zijn beslecht.

Vervolgens zijn de gronden waarop het wrakingsverzoek rust in het verzoekschrift en bij de mondelinge behandeling nader gemotiveerd, waarbij namens verzoeker naar verschillende door de strafkamer gegeven motiveringen van beslissingen is verwezen.

3.1.2.

De wrakingskamer zal hierna het wrakingsverzoek per afzonderlijk aangevoerde grond beoordelen. Dit laat onverlet dat de wrakingskamer de gronden waarop het wrakingsverzoek rust en (de motivering van) de regie-beslissingen van de strafkamer, in het geheel van het geding heeft beschouwd en beoordeeld.

3.2.

Juridisch kader

3.2.1.

Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek staat het volgende voorop.

Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Naar vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van een wrakingsverzoek voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van de klagende partij belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van de klagende partij aan de onpartijdigheid van de rechter of het gerecht, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.

Voorts geldt dat het niet aan de wrakingskamer is een door de rechter gegeven beslissing inhoudelijk te toetsen, ook niet indien een beslissing op het oog onjuist zou kunnen worden geacht. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen. De vrees voor vooringenomenheid kan indien het wrakingsverzoek zich richt op (de motivering van) een gegeven beslissing slechts objectief gerechtvaardigd zijn indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval, de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.

3.2.2.

De wrakingskamer overweegt ten aanzien van dit laatste nog als volgt. Dat (de motivering van) een beslissing slechts objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid kan opleveren als die beslissing zozeer onbegrijpelijk is dat die redelijkerwijs slechts kan zijn ingegeven door vooringenomenheid, moet worden onderscheiden van het geval waarin de motivering erop duidt dat de rechter zijn beslissing (mede) heeft gebaseerd op (betwiste doch) door hem reeds vastgestelde feiten of op een reeds gevormd oordeel omtrent vragen die eerst bij eindbeslissing aan de orde dienen te komen. Dan immers, is een (al dan niet begrijpelijke) beslissing niettemin ingegeven door vooringenomenheid, althans kan de vrees daarvoor dan objectief gerechtvaardigd zijn.

4 Wrakingsgrond (De start van het onderzoek)

4.1.

De grond waarop het wrakingsverzoek rust

Namens de verzoeker is deze grond waarop het wrakingsverzoek rust, in het verzoekschrift en bij de mondelinge behandeling -samengevat- als volgt nader toegelicht.

De verdediging heeft in eerste aanleg onderbouwd verweer gevoerd met betrekking tot onrechtmatigheden bij de start van het vooronderzoek, die dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en bewijsuitsluiting. De verdediging heeft aangekondigd deze verweren te handhaven en verder te willen onderbouwen in hoger beroep middels het horen van getuigen. De strafkamer heeft in algemene zin overwogen dat zij voldoende is voorgelicht omtrent de gang van zaken bij de start van het onderzoek Hattem. Daaraan voorafgaand heeft de strafkamer opgesomd hetgeen haar uit het dossier is gebleken, maar daarbij is de verklaring van getuige [verbalisant A] selectief ten faveure van de stelling van het openbaar ministerie gebezigd. Een onderdeel van die verklaring dat belangrijk is voor de aannemelijkheid van de visie van de verdediging, en die steun geeft aan de onderbouwing van de verzoeken, is weggelaten. Het hof ziet vervolgens geen belang in onderzoek naar de gang van zaken bij de start van het onderzoek Hattem en wekt met de thans voorliggende opsomming de indruk dat de daarin genoemde feiten vaststaan, nog voordat de verweren dienaangaande inhoudelijk zijn gevoerd.

Dit alles staat volgens verzoeker in direct verband met het volgende. De strafkamer heeft de verzoeken tot het horen van officieren van justitie [officier van justitie A] en [officier van justitie B] afgewezen, en daarbij (onder meer) overwogen dat geen sprake is van een uitzonderingsgeval een officier van justitie als getuige te horen en dat het openbaar ministerie zich ter terechtzitting verantwoordt omtrent genomen beslissingen, terwijl door de verdediging aan de getuigenverzoeken onderzoek naar de eigen waarnemingen van [officier van justitie A] en [officier van justitie B] ten grondslag heeft gelegd. Onmiskenbaar is volgens de advocaat van verzoeker voorts dat de verzoeken van de verdediging onderzoek betreffen naar stukken die ten grondslag lagen aan de start van het onderzoek Hattem. Dit laatste in weerwil van de overweging van de strafkamer dat voor zover al sprake zou zijn van onrechtmatigheden, deze hebben plaatsgevonden met betrekking tot andere onderzoeken en niet in het kader van het voorbereidend onderzoek van de in de strafzaak aan de verdachte ten laste gelegde feiten.

Het oordeel van de strafkamer dat zij voldoende is voorgelicht, en de afwijzing van het verzoek tot het horen van [officier van justitie A] en [officier van justitie B] zijn ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien dermate onbegrijpelijk dat deze een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid vormen, althans dat de desbetreffende vrees bij de verzoeker objectief gerechtvaardigd is, aldus het verzoekschrift.

Ten gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft de advocaat van de verzoeker gepersisteerd bij de inhoud van het verzoekschrift en in dat verband opgemerkt dat aan het wrakingsverzoek niet ten grondslag ligt dát feiten zijn vastgesteld, maar wélke feiten door de strafkamer zijn vastgesteld.

4.2.

Inhoud van de stukken

4.2.1.

De door de advocaat van de verzoeker in de strafzaak schriftelijk ingediende ‘Nadere toelichting onderzoekswensen’ houdt voor zover van belang het volgende in.

De verdediging wenst deze officieren van justitie (wrakingskamer: [officier van justitie A] en [officier van justitie B]) te ondervragen over de start van het onderzoek.

(nadere toelichting:)

De verdediging stelt zich op het standpunt dat doelbewust of met grove veronachtzaming aan de

belangen van [medeverdachte] en [verzoeker] (wrakingskamer: de verzoeker en een medeverdachte) te kort is gedaan aangaande de startinformatie van het onderzoek. Dit dient te leiden tot de niet ontvankelijkheid van het OM dan wel tot bewijsuitsluiting van alle op basis van de startinformatie ingezette opsporingsmiddelen. De verdediging stelt dat het Hattem onderzoek is gestart op basis van onjuiste verstrekte informatie (te weten het CIE pv van [verbalisant A] d.d. 7 augustus 2009, dat volgens [verbalisant A] enkel gebaseerd was op het kluispv van [verbalisant B] op 7 augustus 2009). [verbalisant B] stelt in het kluispv (01 003) dat er onderliggende stukken als bijlagen bij dit pv zijn gevoegd en dat het pv met toestemming van [verbalisant C] ter beschikking is gesteld aan de afschermfunctionaris. Vast moet komen te staan welke onderliggende stukken dat waren. De verdediging betwist de lezing van [verbalisant B] hieromtrent. De verdediging stelt (itt de rechtbank p 13 vonnis) dat [verbalisant B] bij de RC ongeloofwaardig en leugenachtig heeft verklaard over het zogenaamde gespreksverslag (dat op 4 augustus 2009 zou zijn opgemaakt en mede ten grondslag lag aan zijn kluispv). De verdediging wenst ovj [verbalisant C] vragen te stellen over zijn kennis van een gespreksverslag en of dit als bijlage met zijn toestemming ter beschikking is gesteld. Ovj [officier van justitie A] had de leiding over het Atlas onderzoeken kan eveneens verklaren over de stukken / bijlagen die aan Hattem ter beschikking zijn gesteld.

4.2.2.

Het proces-verbaal terechtzitting van 26 augustus 2013 en 2 oktober 2013 houdt, voor zover van belang, als beslissingen en overwegingen van de strafkamer het volgende in.

De start van het onderzoek

Het hof overweegt hieromtrent dat bij de beoordeling van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van strafvordering (Sv) de vraag naar de herstelbaarheid van het verzuim voorop staat. Pas als herstel niet meer mogelijk is, kan sanctionering van het vormverzuim worden overwogen. Daarbij geldt tevens dat het dient te gaan om een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachte ter zake van (het) tenlastegelegde feit(en). Artikel 359a Sv vindt geen toepassing, indien het vormverzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek.

(…)

Met betrekking tot de gang van zaken bij de start van het onderzoek is het hof uit dossier het volgende gebleken.

Het conceptverbaal is op 4 augustus 2009 opgemaakt. De observanten die betrokken waren bij de

observaties op 3 augustus 2009 zijn hierover op 11 en 16 mei 2011, in aanwezigheid van de verdediging, bij de rechter-commissaris gehoord. Ten aanzien van hun werkwijze hebben zij verklaard dat in het algemeen een van de observanten (in dit geval 65) wordt aangewezen om het observatieverslag op te maken. De desbetreffende verbalisant noteert naast zijn eigen waarnemingen ook de waarnemingen die de andere observanten aan hem doorgeven. Al deze informatie wordt verwerkt in een concept proces-verbaal, dat wordt gecontroleerd door één van de werkvoorbereiders (in dit geval T-51 en T-52, die ook bij de rechter-commissaris zijn gehoord) op taal- en tikfouten. Daarna wordt het ter ondertekening aan de observanten voorgelegd. Iedere observant leest het verbaal door en tekent voor zijn eigen waarnemingen. Daarbij komt het voor dat de opsteller van het concept proces-verbaal, in dit geval observant 65, wordt verzocht hetgeen is weergegeven aan te passen, omdat een bepaalde waarneming niet zo is gedaan of omdat die waarneming onjuist of onvolledig op papier is terechtgekomen. Gebleken is dat in het onderhavige geval wijzigingen zijn doorgevoerd. Te dien aanzien heeft observant 54 verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren of hij die wijzigingen heeft doorgegeven, maar hij sluit het niet uit.

Het aldus opgemaakte conceptverbaal is vervolgens door (tussenkomst van) de chef van het observatieteam verbalisant [verbalisant D] aan het Atlas-onderzoek verstrekt. Verbalisant [verbalisant D] is hierover, in aanwezigheid van de verdediging, bij de rechter-commissaris gehoord op 2 maart 2011. Hij heeft bij die gelegenheid uitgelegd dat vanwege het vermoeden dat er op korte termijn iets stond te gebeuren, in dit geval, hoewel dit niet gebruikelijk was, een conceptverbaal is verstrekt.

De door hem beschreven tijdsdruk vindt steun in de verklaringen van de verbalisanten [verbalisant A], [verbalisant B] en [verbalisant E]. Zij zijn allen, in aanwezigheid van de verdediging, bij de rechter-commissaris ([verbalisant A] op 2 maart 2011 en [verbalisant B] en [verbalisant E] op 26 maart 2011) gehoord.

Plaatsvervangend bureauchef [verbalisant A] van de CIE Amsterdam-Amstelland heeft verklaard dat de CIE Hollands Midden in de zomer van 2009 vroeg of hij geïnteresseerd was in informatie uit een bij hen lopend onderzoek (Atlas) met betrekking tot de gebroeders [verzoeker(s)]. Gelet op de sinds 2008 bij de CIE bekende reputatie van [medeverdachte] en [verzoeker] heeft hij er bij de tactische recherche op aangedrongen de zaak op te pakken, hetgeen op 4 augustus 2009 is geschied. Hij heeft vervolgens het kluisverbaal met bijlagen van verbalisant [verbalisant B] ontvangen. Hij heeft de tekst uit het proces-verbaal overgenomen in het door hem opgemaakte wegtipverbaal. [verbalisant A] heeft die informatie, overeenkomstig gangbare praktijk, niet meer op juistheid gecontroleerd.

Verbalisant [verbalisant B], tactisch coördinator van het Atlas-onderzoek en sinds april 2010 ook van het Hattem-onderzoek, heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij op 4 augustus 2009 door het OT team is gebeld, hetgeen moet blijken uit de door hem overgelegde gespreksnotitie. Vermoedelijk heeft hij toen aan het OT-team gevraagd om zo snel mogelijk met een observatieverslag van 3 augustus 2009 te komen. Hij heeft het betreffende conceptverbaal tussen 4 en 7 augustus 2009 ontvangen. Het door hem opgestelde kluisverbaal van 7 augustus 2009 is gebaseerd op het conceptverbaal, de gespreksnotitie, maar ook op eerdere observaties en bakengegevens, aldus [verbalisant B] bij de rechter-commissaris.

Verbalisant [verbalisant E] was destijds als ondersteunend coördinator binnen het Atlas-onderzoek verantwoordelijk voor de OT-werkzaamheden. Na zijn vakantie (die duurde tot 9 augustus 2009) kreeg hij het conceptverbaal onder ogen. Hij was niet tevreden over de inhoud ervan, Aangezien het OT-team al vaker op deze personen had gereden, was hij ervan overtuigd dat er meer NN-mannen bij naam konden worden genoemd. Hij heeft daarop het conceptverbaal met een coördinator (het hof begrijpt, gelet op zijn verklaring bij de rechter-commissaris op 16 mei 2011: observant 48) besproken. Aan de hand van getoonde beelden herkende observant 48 [medeverdachte 2] als een van de personen die hij op 3 augustus 2009 had gezien. Ook op deze punten is het conceptverbaal vervolgens aangepast. [verbalisant E] heeft het definitieve proces-verbaal later ook gezien. Desgevraagd heeft [verbalisant E] nog verklaard dat het OT-verslag (het hof begrijpt: de door [verbalisant B] overgelegde gespreksnotitie van 4 augustus 2009) de reden zal zijn geweest om zo snel mogelijk een conceptverslag op te vragen.

Gelet op het bovenstaande acht het hof zich op grond van de verklaringen van de verschillende getuigen bij de rechter-commissaris, de processen-verbaal van bevindingen van de officieren van justitie en de overige stukken in het dossier, een en ander in onderlinge samenhang bezien, voldoende voorgelicht omtrent de gang van zaken bij de start van het onderzoek Hattem. Dit laat evenwel onverlet dat het hof een te zijner tijd bij de inhoudelijke behandeling van de zaak van de verdachte door de verdediging gevoerd verweer dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv op zijn merites zal dienen te beoordelen.

Beslissingen van het hof

Het hof wijst af het verzoek tot het doen oproepen van de onder 6 en 7 verzochte getuigen, [officier van justitie A] en [officier van justitie B]. Vooropgesteld wordt dat slechts in uitzonderingsgevallen plaats is voor het oproepen van een officier van justitie als getuige (ter terechtzitting). Van zo’n uitzonderingsgeval is hier, gelet op de redengeving die aan de verzoeken ten grondslag is gelegd en hetgeen hierna is overwogen, niet gebleken. Daar komt nog bij dat het openbaar ministerie zich ter terechtzitting verantwoordt over in het kader van opsporing en vervolging genomen beslissingen. Bovendien bevindt zich in het dossier een door de officier van justitie [officier van justitie C] op 9 juni 2010 opgemaakt proces-verbaal, waarin hij de start van het onderzoek nader uiteen zet. Het hof betrekt bij zijn oordeel voorts dat voor zover al sprake zou, zijn van onrechtmatigheden, deze hebben plaatsgevonden met betrekking tot andere opsporingsonderzoeken en niet in het kader van het voorbereidend onderzoek van de in deze zaak aan de verdachte ten laste gelegde feiten. Redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door de afwijzing van het verzoek om [officier van justitie A] en [officier van justitie B] als getuige ter terechtzitting op te roepen niet in zijn verdediging wordt geschaad.

4.3.

Beoordeling

De wrakingskamer overweegt en beslist als volgt.

4.3.1.

De strafkamer heeft zich naar aanleiding van de getuigenverzoeken van de verdediging omtrent de start van het onderzoek klaarblijkelijk de vraag gesteld of zij zich op grond van de stukken van het dossier niet reeds voldoende voorgelicht achtte. In dit verband heeft de strafkamer aanleiding gezien de inhoud weer te geven van de stukken die zij in het dossier heeft aangetroffen. Anders dan de verzoeker en -blijkens zijn schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek- ook de advocaat-generaal van mening zijn, heeft de strafkamer naar het oordeel van de wrakingskamer hiermee niet blijk gegeven de in die weergave vervatte feiten en omstandigheden reeds te hebben vastgesteld, maar heeft zij, zoals gezegd, slechts weergegeven dat die gegevens uit het dossier blijken. Evenmin kan hieruit een oordeel omtrent de te voeren verweren worden afgeleid. Uit de omstandigheid dat de strafkamer zich voldoende voorgelicht acht, kan immers niet meer worden afgeleid dan dat naar het oordeel van de stafkamer reeds zodanige feiten en omstandigheden aan haar zijn voorgelegd dat zij in staat is tot een afgewogen rechterlijk oordeel te komen, welk oordeel uiteindelijk ten voor- of ten nadele van het door de verdediging te voeren verweer kan uitvallen.

4.3.2.

De vraag of onbegrijpelijk is dat de strafkamer zich voldoende voorgelicht acht kan de wrakingskamer slechts zeer beperkt toetsen, nu dit een inhoudelijke beoordeling zou vergen. In ieder geval is het oordeel van de strafkamer niet zo onbegrijpelijk te achten, dat dit slechts kan zijn ingegeven door vooringenomenheid. Dat in de weergave van de inhoud van het dossier niet de door de verdediging van belang geachte passage uit de verklaring van de getuige [verbalisant A] is opgenomen, kon bij de verzoeker vraagtekens doen reizen, maar dit maakt op zichzelf zijn vrees voor vooringenomenheid -naar het oordeel van de wrakingskamer- nog niet objectief gerechtvaardigd. De strafkamer heeft immers overwogen dat zij zich mede op grond van de verklaringen van de verschillende getuigen bij de rechter-commissaris, de processen-verbaal van bevindingen van de officieren van justitie en de overige stukken van het dossier, in onderlinge samenhang bezien, voldoende voorgelicht acht, en dus niet slechts op grond van de weergave in het proces-verbaal terechtzitting.

4.3.4.

Voorts heeft de advocaat aangevoerd dat de afwijzende beslissingen op de verzoeken tot het horen van de officieren van justitie [officier van justitie A] en [officier van justitie B] onbegrijpelijk zijn. Hetgeen de advocaat op dit punt heeft aangevoerd, komt er in de kern op neer dat de advocaat de juistheid van de aan de afwijzende beslissingen ten grondslag liggende motivering aan de orde stelt. Immers kunnen volgens de raadsman -in weerwil van de motivering van de strafkamer- (samengevat) andere vertegenwoordigers van het openbaar ministerie niet verklaren omtrent de eigen waarnemingen van [officier van justitie A] en [officier van justitie B], en zagen de verzoeken van de verdediging op stukken die wel degelijk ten grondslag lagen aan het onderzoek waarvoor de verzoeker vervolgd wordt. De juistheid of begrijpelijkheid van de motiveringen van de beslissingen kan de wrakingskamer echter slechts zeer beperkt toetsen. De wrakingskamer acht de inhoud van die motiveringen in ieder geval niet zozeer onbegrijpelijk dat die slechts door vooringenomenheid kan zijn ingegeven.

4.3.5.

De wrakingskamer acht de vrees voor vooringenomenheid van de strafkamer dan ook niet objectief gerechtvaardigd. Hierbij neemt de wrakingskamer in aanmerking dat namens de verzoeker niet is gesteld dat zijn vrees voor vooringenomenheid mede rust op de grond dat de strafkamer met de overweging dat mogelijke onrechtmatigheden niet in het onderzoek naar de ten laste gelegde feiten plaatsvonden -afgezien van de (on)begrijpelijkheid of juistheid van die overweging- inhoudelijk vooruit is gelopen op een bij eindarrest te nemen beslissing. Het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.

5 Beslissing

De wrakingskamer:

wijst af het verzoek tot wraking van mr. Verhoeff, mr. Hoek en mr. Oldekamp.

Deze beschikking is gewezen door de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. M.P. van Achterberg en mr. M.J.L. Mastboom, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Olthof, griffier, en is uitgesproken in openbare raadkamer van dit gerechtshof op
23 december 2013.

Mr. Mastboom is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.