Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4766

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
200.135.009/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek toegewezen. Wrakingsverzoek ingediend naar aanleiding van (motivering van) regie-beslissingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-00396-12

rekestnummer: 200.135.009/01

Beschikking van de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam van 23 december 2013 op het op
7 oktober 2013 ter griffie ingekomen schriftelijke verzoek tot wraking, in de strafzaak met
parketnummer 23-00396-12 tegen:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in [P.I.],

hierna te noemen: verzoeker.

Advocaat: mr. A.N. Slijters.

1 Het geding

1.1.

In de strafzaak tegen de verzoeker in hoger beroep, heeft op 26 augustus 2013 een zogenoemde regie-terechtzitting plaatsgevonden, op welke terechtzitting namens de verzoeker onderzoekswensen naar voren zijn gebracht en het openbaar ministerie omtrent die onderzoekswensen is gehoord. Het onderzoek ter terechtzitting is vervolgens onderbroken tot 2 oktober 2013. Op de terechtzitting van 2 oktober 2013 heeft de voorzitter blijkens het proces-verbaal terechtzitting de beslissingen van de strafkamer op de onderzoekswensen van de verdediging medegedeeld (hierna ook: de regie-beslissingen).

Op 7 oktober 2013 is ter griffie van het gerechtshof Amsterdam een schriftelijk verzoek ingekomen tot wraking van de leden van het gerechtshof die op 2 oktober 2013 de regie-beslissingen hebben gegeven (hierna ook: de strafkamer).

1.2.

De raadsheren op wie het wrakingsverzoek betrekking heeft, hebben te kennen gegeven niet in de wraking te berusten. Voorts heeft de wrakingskamer een schriftelijke reactie van de voorzitter van de strafkamer ontvangen, mede ingediend namens de andere leden van de strafkamer, van 27 november 2013. De voorzitter deelt in deze reactie onder meer mede dat de leden van de strafkamer geen vooringenomenheid jegens de verzoeker koesteren. Voorts stellen de leden van de strafkamer zich in die reactie op het standpunt dat de regie-beslissingen en de motiveringen daarvan geen grond behoren op te leveren om vooringenomenheid niettemin te vrezen.

1.3.

De wrakingskamer heeft een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van de advocaat-generaal van 28 november 2013 ontvangen. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de strafkamer zich jegens de verzoeker niet vooringenomen heeft betoond, noch dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De advocaat-generaal heeft de wrakingskamer in zijn reactie in overweging gegeven het wrakingsverzoek af te wijzen.

1.4.

De wrakingskamer heeft ter openbare raadkamer van 2 december 2013 de verzoeker, diens advocaat en de advocaat-generaal omtrent het wrakingsverzoek gehoord. De raadsheren op wie het verzoek betrekking heeft waren daarbij niet aanwezig. De advocaat-generaal heeft in raadkamer gepersisteerd bij zijn schriftelijke reactie.

2 Ontvankelijkheid

2.1.

Ten aanzien van de tijdigheid van het wrakingsverzoek is door de advocaat het volgende naar voren gebracht bij de mondelinge behandeling. De verzoeker is ter terechtzitting van 2 oktober 2013 aanwezig geweest. Toen zijn door de strafkamer slechts de beslissingen op de onderzoekswensen medegedeeld, en niet de motiveringen daarvan. Op 3 oktober 2013 heeft de raadsvrouw het proces-verbaal terechtzitting ontvangen, waarna zij op 7 oktober 2013 de beslissingen en motiveringen met de verzoeker in de penitentiaire inrichting heeft kunnen bespreken.

2.2.

Het verzoekschrift is vervolgens die dag, 7 oktober 2013, door de raadsvrouw ter griffie van het gerechtshof ingediend.

2.3.

Gelet op voorstaande acht de wrakingskamer het wrakingsverzoek tijdig gedaan. Ook overigens is het verzoek ontvankelijk.

3 Inleidende overwegingen

3.1.

Algemeen

3.1.1.

Blijkens het verzoekschrift tot wraking van 7 oktober 2013 en de daarop in raadkamer gegeven mondelinge toelichting is het wrakingsverzoek gebaseerd op het volgende.

Bij de verzoeker is de vrees ontstaan dat de strafkamer jegens hem vooringenomenheid koestert. Hij stelt dat met de regie-beslissingen is vooruitgelopen op een inhoudelijke beoordeling van de strafzaak, en dat met die beslissingen reeds beslist is op te voeren verweren voordat het betreffende verweer inhoudelijk is gevoerd. Het verzoek betreft geen ‘verkapt appel’ tegen onwelgevallige beslissingen en van de wrakingskamer wordt geen oordeel gevraagd over de (on)juistheid van de regie-beslissingen. De grond waarop het wrakingsverzoek berust is (telkens) de inhoud van de motivering van de (afwijzende) beslissingen. Die inhoud laat geen ruimte voor een (uiteindelijk) ander oordeel van de strafkamer. Daarnaast zijn de overwegingen van de strafkamer dermate onbegrijpelijk dat deze de genoemde vrees (mede) veroorzaken.

Vervolgens zijn de gronden waarop het wrakingsverzoek rust in het verzoekschrift en bij de mondelinge behandeling nader gemotiveerd waarbij namens verzoeker naar verschillende door de strafkamer gegeven motiveringen en beslissingen is verwezen.

3.1.2.

De wrakingskamer zal hierna het wrakingsverzoek per afzonderlijk aangevoerde grond beoordelen. Dit laat onverlet dat de wrakingskamer de gronden waarop het wrakingsverzoek rust en (de motivering van) de regie-beslissingen van de strafkamer, in het geheel van het geding heeft beschouwd en beoordeeld.

3.2.

Juridisch kader

3.2.1.

Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek staat het volgende voorop.

Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Naar vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van een wrakingsverzoek voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van de klagende partij belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van de klagende partij aan de onpartijdigheid van de rechter of het gerecht, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.

Voorts geldt dat het niet aan de wrakingskamer is een door de rechter gegeven beslissing inhoudelijk te toetsen, ook niet indien een beslissing op het oog onjuist zou kunnen worden geacht. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen. De vrees voor vooringenomenheid kan indien het wrakingsverzoek zich richt op (de motivering van) een gegeven beslissing slechts objectief gerechtvaardigd zijn indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval, de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.

3.2.2.

De wrakingskamer overweegt ten aanzien van dit laatste nog als volgt. Dat (de motivering van) een beslissing slechts objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid kan opleveren als die beslissing zozeer onbegrijpelijk is dat die redelijkerwijs slechts kan zijn ingegeven door vooringenomenheid, moet worden onderscheiden van het geval waarin de motivering erop duidt dat de rechter zijn beslissing (mede) heeft gebaseerd op (betwiste doch) door hem reeds vastgestelde feiten of op een reeds gevormd oordeel omtrent vragen die eerst bij eindbeslissing aan de orde dienen te komen. Dan immers is een (al dan niet begrijpelijke) beslissing niettemin ingegeven door vooringenomenheid, althans kan de vrees daarvoor dan objectief gerechtvaardigd zijn.

4 Eerste wrakingsgrond

4.1.

De grond waarop het wrakingsverzoek rust

Namens de verzoeker is de eerste grond waarop het wrakingsverzoek rust, in het verzoekschrift en bij de mondelinge behandeling -samengevat- als volgt nader toegelicht.

De verdediging heeft ter regiezitting van 26 augustus 2013 verzocht de officier van justitie [officier van justitie A] als getuige te horen omtrent de gang van zaken rond de getuige [getuige]. In eerste aanleg is door de verdediging aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat door politie en justitie is getracht onjuiste verklaringen van de getuige te verkrijgen, ondermeer door hem onjuiste informatie te verschaffen over de door de getuige gekozen raadsman. In eerste aanleg is, en in hoger beroep zal worden betoogd dat uit het proces-verbaal van verhoor van de getuige van 16 november 2009 blijkt dat de politie hem die onjuiste informatie heeft verschaft. Met de motivering van de (afwijzende) beslissing heeft de strafkamer een beslissing ten gronde (op een verweer) genomen voordat de zaak inhoudelijk is behandeld. De strafkamer heeft namelijk geoordeeld dat geen sprake is van een beperking van het recht op een gekozen raadsman en dat de stukken geen steun bieden voor de stelling dat in dit verband oneigenlijke druk op de getuige is gelegd, terwijl overigens het verzoek de getuige te horen (ook) is afgewezen. De motivering laat geen enkele ruimte en geeft de verzoeker de stellige indruk dat op dit onderdeel van het te voeren verweer al is beslist.

4.2.

Inhoud van de stukken

4.2.1.

De door de advocaat van de verzoeker in de strafzaak ingediende schriftuur ex artikel 410 van het Wetboek van Strafvordering, van 13 augustus 2012, houdt voor zover van belang het volgende in (cursiveringen door de wrakingskamer).

Teneinde de verdediging volledig vorm te kunnen geven, wordt verzocht de navolgende getuigen in appèl te horen.

Met betrekking tot de gang van zaken rond de getuige [getuige]:

(...)

3. [officier van justitie A], officier van justitie

(...)

Toelichting: de verdediging heeft in het kader van een niet-ontvankelijkheidsverweer in eerste aanleg betoogd oa dat door politie en justitie is getracht [getuige] belastende verklaringen te laten afleggen, dat hij daartoe is geïsoleerd van zijn gekozen raadsman, dat hem onjuiste feiten zijn voorgehouden, dat hem oneigenlijke toezeggingen zijn gedaan, dat hij onder druk is gezet etc. terwijl hij -gelijktijdig- is gevoed met voor [verzoeker] belastende informatie, die als ‘eigen wetenschap’ van [getuige] is gerelateerd in processen-verbaal (‘opgeplust’), terwijl de verslaglegging van deze gang van zaken onjuist, onvolledig en onzorgvuldig is geweest. De rechtbank heeft het verweer verworpen, heeft daarbij maar zeer ten dele op dit verweer gerespondeerd en heeft ten aanzien van een aantal gestelde omstandigheden geoordeeld dat deze niet aannemelijk zijn geworden. Teneinde dit verweer (nader) te kunnen onderbouwen in hoger beroep, is het van belang opgemelde getuigen (die allen uit eigen wetenschap omtrent de gang van zaken rond de getuige [getuige] kunnen verklaren) te horen.

4.2.2.

De door de advocaat van de verzoeker ter terechtzitting in de strafzaak van 26 augustus 2013 voorgehouden pleitnotitie houdt, voor zover van belang, het volgende in als ‘nadere motivering van onderzoekswensen (…)’ (cursiveringen door de wrakingskamer).

Met betrekking tot de gang van zaken rond de getuige [getuige]:

In eerste aanleg is met betrekking tot deze getuige verweer gevoerd, zowel wat betreft de totstandkoming, als de inhoud van zijn verklaringen (pleitnota 26 t/m59 en 81 t/m 87). Voor wat betreft de totstandkoming van de verklaringen van [getuige] zijn onder meer de volgende onderdelen (voor de verdediging) van belang:

1. [getuige] is door de Nederlandse politie angst aangepraat;

2. Hij is van zijn gekozen raadsman afgehouden;

3. Er zijn aan [getuige] door politie en justitie oneigenlijke toezeggingen gedaan om (belastende) verklaringen te verkrijgen;

4. Er is aan [getuige] informatie verstrekt die vervolgens als wetenschap van de getuige wordt gepresenteerd;

5. Er is (bewust) onjuiste verslaglegging in het dossier gevoegd, zowel van de totstandkoming als van de inhoud van de afgelegde verklaringen;

De rechtbank heeft geoordeeld (p.14 van het vonnis) dat (1) het niet onbegrijpelijk is dat steeds meer druk op de getuige werd gelegd en (2) het verdedigbaar is dat is getracht tot een overeenkomst met de getuige te komen. De rechtbank heeft niet aannemelijk gevonden dat in dat kader ontoelaatbare toezeggingen zijn gedaan. Evenmin zijn voldoende aanwijzingen gevonden dat [getuige] van zijn gekozen advocaat is weggehouden.(...)

De navolgende personen dienen te worden gehoord, om het verweer (inhoudende dat opzettelijk is getracht, middels oneigenlijke middelen, een belastende verklaring te verkrijgen, waarbij inhoudelijke informatie is verstrekt en de verslaglegging onjuist is, in al zijn onderdelen) nader te kunnen onderbouwen:
(…)

3. [officier van justitie A], officier van justitie

4.2.3.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 augustus 2013 en 2 oktober 2013 houdt onder het kopje ‘de gang van zaken rondom [getuige]’ voor zover van belang het volgende in als beslissingen en motiveringen van de strafkamer.

(...) de gang van zaken rondom [getuige]

De verzochte getuigen (wrakingskamer: onder wie [officier van justitie A]) dienen ter onderbouwing van het verweer dat opzettelijk is getracht, met oneigenlijke middelen, een belastende verklaring van [getuige] te verkrijgen, waarbij inhoudelijke informatie aan hem is verstrekt en de verslaglegging onjuist is.

(…)

Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door de afwijzing van het verzoek om (…) [officier van justitie A] als getuige te doen oproepen niet in zijn verdediging is geschaad.

(...)

Ten aanzien van officier van justitie [officier van justitie A] komt daar nog bij dat slechts in uitzonderingsgevallen plaats is voor het oproepen van een officier van justitie als getuige (ter terechtzitting). Van zo’n uitzonderingsgeval is hier, gelet op de redengeving die aan het verzoek ten grondslag is gelegd en hetgeen hiervoor is overwogen, niet gebleken. Ook niet met betrekking tot de gang van zaken ‘rondom het wisselen van advocaten’. Het is bij uitstek de direct betrokkene, in dit geval dus [getuige], die tekst en uitleg kan geven over de gang van zaken op dit punt. Dat heeft hij, in aanwezigheid van de raadsvrouw op 8 februari 2012 bij de rechter-commissaris ook gedaan. Uit die verklaring, bezien in samenhang met de stukken uit het dossier, leidt het hof af dat [getuige] bij zijn voorgeleiding heeft verzocht om [advocaat A] als voorkeursadvocaat. Vervolgens heeft niet [advocaat A], maar (het hof begrijpt:) [advocaat B] hem als advocaat gaan bijstaan. [getuige] heeft -naar eigen zeggen- nog voordat hij na afloop van het verhoor op 16 november 2009 ging roken, die raadsman laten vervangen door [advocaat C]. Van een (onaanvaardbare) beperking van de keuzevrijheid van de verdachte is op grond hiervan dan ook niet gebleken. De stelling van [getuige] dat hij hiertoe is gekomen omdat ze (het hof begrijpt: de verbalisanten [verbalisant A] en [verbalisant B]) zoveel in zijn hoofd hebben gedaan, maakt dit niet anders. Het hof betrekt bij zijn oordeel dat de verbatim uitwerking van het verhoor geen steun biedt voor de beweerde druk die zou zijn uitgeoefend, terwijl ook overigens door [getuige] niet nader is toegelicht waaruit die druk zou hebben bestaan.

4.3.

Beoordeling

De wrakingskamer overweegt en beslist als volgt.

Het onderhavige onderdeel van het wrakingsverzoek komt er in de kern op neer dat de strafkamer volgens de verzoeker met haar motivering van de afwijzende beslissing op het getuigenverzoek, blijk heeft gegeven haar oordeel op de vraag of [getuige] is ‘geïsoleerd van zijn gekozen raadsman’ of in andere bewoordingen ‘van zijn gekozen raadsman is afgehouden’, reeds te hebben gevormd. Die stelling wordt door de verdediging in de stafzaak mede ten grondslag gelegd aan een beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De wrakingskamer merkt allereerst op dat uit de overwegingen van de strafkamer geen oordeel blijkt omtrent de vraag of het ‘afhouden’ van een gekozen raadsman, al dan niet in samenhang met de overige door de verdediging benoemde omstandigheden -als, in de woorden van de strafkamer, met ‘oneigenlijke middelen’ [getuige] tot een belastende verklaring te brengen- tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kan of moet leiden.

Uit de hiervoor geciteerde schriftuur en de pleitnotitie van de advocaat van de verzoeker, volgt echter dat aan dit beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie door de verdediging de stelling ten grondslag wordt gelegd dát sprake is geweest van het afhouden van [getuige] van zijn gekozen raadsman, dat de rechtbank dit niet voldoende aannemelijk heeft geoordeeld, en dat de verdediging in hoger beroep de getuige [officier van justitie A] wenst te horen om (onder meer) deze stelling nader te kunnen onderbouwen. Hieruit volgt ook dat de vraag of aannemelijk is dat [getuige] (welbewust) is afgehouden van zijn gekozen raadsman, is voorgelegd aan de strafkamer ter beoordeling op grond van het onderzoek ter terechtzitting.

De wrakingskamer acht voorstelbaar, gezien ook de schriftelijke reactie van de strafkamer op het wrakingsverzoek, dat de strafkamer met haar motivering van de regie-beslissing op het verzoek
[officier van justitie A] als getuige te horen, slechts de stelling van de verdediging in het kader van de toetsing van het belang van de verdediging bij het horen van [officier van justitie A] (althans of sprake is van een uitzonderingsgeval de officier van justitie als getuige te horen), heeft willen afwegen in het licht van de stukken die haar reeds waren aangereikt. Ook is voorstelbaar dat de strafkamer de vraag voor ogen heeft gehad of het getuigenverzoek, met inachtneming van de inhoud van de stukken van het dossier, een voldoende onderbouwing kende, dan wel of zij zich reeds voldoende voorgelicht achtte op grond van de stukken die haar reeds waren aangereikt.

Dat de motivering van de strafkamer niet meer is dan het resultaat van een afweging in dat kader blijkt echter niet uit de bewoordingen van de overweging. De overweging duidt erop dat de strafkamer tot een verdergaande, inhoudelijke beoordeling van de stelling van de verdediging is gekomen. De overweging kon -naar het oordeel van de wrakingskamer- door de verzoeker redelijkerwijs worden opgevat als een waardering van feiten en omstandigheden door de strafkamer, te weten van de inhoud van het verhoor van [getuige] van 8 februari 2012, van de stelling van [getuige] dat hij hiertoe (de wrakingskamer begrijpt: het wisselen van advocaat) is gekomen omdat verbalisanten zoveel in zijn hoofd hebben gedaan, en de omstandigheid dat door [getuige] niet is toegelicht waar de druk uit zou hebben bestaan. De overweging dat van (onaanvaardbare) beperking van de keuzevrijheid van de verdachte op grond hiervan niet is gebleken, duidt erop dat de strafkamer op grond van deze waardering zich reeds een oordeel heeft gevormd omtrent de aannemelijkheid van de stelling van de verdediging dat [getuige] is afgehouden van zijn gekozen raadsman. De rechter is tot dergelijke oordeelsvorming pas geroepen na sluiting van het onderzoek, wanneer partijen hun (inhoudelijke) argumenten aan de rechter hebben kunnen voorleggen. De vrees bij verzoeker voor vooringenomenheid van de strafkamer op dit punt acht de wrakingskamer dan ook objectief gerechtvaardigd. De wrakingskamer betrekt bij dit oordeel dat de overwegingen die schijnbaar onderdeel zijn van oordeelsvorming door de strafkamer stellig en zonder voorbehoud zijn gegeven en in die zin niet slechts een voorlopige toetsing lijken te behelzen.

5 Tweede wrakingsgrond

5.1.

De grond waarop het wrakingsverzoek rust

Namens de verzoeker is de tweede grond waarop het wrakingsverzoek rust in het verzoekschrift en bij de mondelinge behandeling -samengevat- als volgt nader toegelicht.

In het kader van een verweer omtrent de start van het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte is verzocht [officier van justitie B] en [officier van justitie C] als getuige te horen. Zij waren officieren van justitie in het (politie)onderzoek Atlas. Uit dat onderzoek is informatie verstrekt aan het (politie)onderzoek Hattem (naar de feiten waarvoor de verdachte wordt vervolgd). Het is de stelling van de verdediging dat opzettelijk inhoudelijk onjuiste informatie aan het Hattem-team is verstrekt en dat -wetende dat die startinformatie onjuist was- daarvan in het vervolg van het onderzoek gebruik is gemaakt. In eerste aanleg is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, danwel dat de resultaten moeten worden uitgesloten van bewijs. In hoger beroep moet de vraag of de inhoud van het kluisverbaal is gebaseerd op het concept proces-verbaal in volle omvang worden gevoerd. Een belangrijk onderdeel van het verweer is dat het kluisverbaal nu juist niet op het concept proces-verbaal van observatie is gebaseerd, maar informatie bevat die niet op enig onderzoeksresultaat is terug te voeren. Met haar overweging dat het kluisverbaal is gebaseerd op het conceptverbaal, heeft de strafkamer een inhoudelijke beslissing genomen. Overigens, zo stelt verzoeker, is het oordeel van de stafkamer dat het verzoek [officier van justitie B] en [officier van justitie C] te horen ‘onderbouwing ontbeert’ zo onbegrijpelijk dat dit mede de bij de verzoeker ontstane vrees voor vooringenomenheid veroorzaakt.

5.2.

Inhoud van de stukken

5.2.1.

In het proces-verbaal terechtzitting van 26 augustus 2013 en 2 oktober 2013, is hetgeen door de raadsvrouw op die zitting is aangevoerd op dit punt als volgt samengevat.

[officier van justitie B] en [officier van justitie C] waren van de kant van het Atlas-onderzoek betrokken bij het verkrijgen (uit bob-middelen) en het verstrekking (aan Hattem) van informatie. Gebleken is dat de inhoud van het kluisverbaal van verbalisant [verbalisant C] feitelijk onjuist was. Dat proces-verbaal bevat informatie afkomstig uit het concept proces-verbaal van de observatie van 3 augustus 2009, maar ook informatie die niet uit het laatstgenoemde proces-verbaal kan worden afgeleid. Het gespreksverslag van [verbalisant C] bevat informatie die hij op 4 augustus 2009 niet van het observatieteam kan hebben verkregen. [verbalisant C] heeft verklaard dat hij deze informatie wel van het observatieteam heeft verkregen (en dus niet zelf heeft ingevuld aan de hand van de hem bekende stand van zaken in het Atlas-onderzoek, zoals de rechtbank heeft geoordeeld).

Het gaat om het gebruik van conceptinformatie (die belastender was dan de in werkelijkheid beschikbare informatie), nadat duidelijk was geworden dat het observatieteam die waarnemingen op 3 augustus 2009 niet heeft gedaan én om de inhoud van het kluisproces-verbaal van verbalisant [verbalisant C]. [verbalisant C] heeft in zijn proces-verbaal informatie opgenomen die niet uit enig onderzoek is voortgekomen. Deze informatie is wel aan een rechter gepresenteerd als ‘feitelijke gegevens uit een lopend onderzoek’ en op basis van die informatie zijn op grond daarvan dwangmiddelen ingezet. Middels een verhoor van deze getuigen kan de verdediging aannemelijk maken dat wel degelijk sprake is geweest van opzet of in ieder geval grove veronachtzaming van de belangen van de verdachten.

5.2.2.

Het proces-verbaal terechtzitting van 26 augustus 2013 en 2 oktober 2013 houdt voorts het volgende in als overwegingen en beslissingen van de strafkamer.

Het hof wijst af het verzoek tot het doen oproepen van [officier van justitie B] en [officier van justitie C] en overweegt daartoe als volgt. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat het kluisverbaal van [verbalisant C] feitelijk onjuist is. Nog daargelaten de juistheid van het aangevoerde - het kluisverbaal is immers gebaseerd op het conceptverbaal - vermag het hof niet in te zien hoe dit kan dienen ter onderbouwing van het verzochte. Nu het verzoek ook overigens een onderbouwing ontbeert, zal het hof het verzochte afwijzen. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door de afwijzing van het verzoek om [officier van justitie B] en [officier van justitie C] als getuige op te roepen niet in zijn verdediging wordt geschaad.

5.3.

Beoordeling

De wrakingskamer overweegt en beslist als volgt.

Het onderhavige onderdeel van het wrakingsverzoek komt er in de kern op neer dat de strafkamer volgens de verzoeker met haar motivering van de afwijzende beslissing op het getuigenverzoek van
[officier van justitie B] en [officier van justitie C], blijk heeft gegeven haar oordeel op de vraag of het kluisproces-verbaal van verbalisant [verbalisant C] (geheel) gebaseerd is op het concept proces-verbaal van observatie, reeds te hebben gevormd.

Uit de hiervoor geciteerde pleitnotitie van de advocaat van de verzoeker, en de door de strafkamer in het proces-verbaal terechtzitting daarvan gegeven samenvatting, volgt dat door de verdediging in de strafzaak de stelling is ingenomen dat het kluisproces-verbaal informatie bevat die niet uit enig onderzoek is voortgekomen aangezien dit kluisproces-verbaal informatie bevat die niet uit het conceptproces-verbaal van observatie kan worden afgeleid en een gespreksverslag van [verbalisant C] (ook) niet aan dit kluisproces-verbaal ten grondslag kan hebben gelegen. Hieruit volgt ook dat de vraag of deze stellingen aannemelijk zijn, en het kluisproces-verbaal in die zin als ‘onjuist’ kan worden aangemerkt, zijn voorgelegd aan de strafkamer ter beoordeling op grond van het onderzoek ter terechtzitting.

De overweging van de strafkamer ‘het kluisverbaal is immers gebaseerd op het conceptverbaal’ duidt er op zichzelf op dat de strafkamer van oordeel is dat het kluisproces-verbaal is gebaseerd op het concept proces-verbaal van observatie. De wrakingskamer overweegt dat door de verdediging in de strafzaak niet wordt bestreden dat het kluisproces-verbaal gedeeltelijk wel op het concept proces-verbaal van observatie is, of kan zijn, gebaseerd maar wel dat het hele kluisproces-verbaal uitsluitend op het concept is gebaseerd. De verzoeker kon aan de stellige bewoordingen van de overweging, en het feit dat die is gegeven in het kader van de vraag of het kluisproces-verbaal ‘feitelijk onjuist’ is, naar het oordeel van de wrakingskamer de vrees ontlenen dat de strafkamer reeds van oordeel is (dat niet aannemelijk is) dat het kluisproces-verbaal geen andere informatie bevat dan die afkomstig is uit het concept proces-verbaal van observatie, en dat de strafkamer de stelling van de verdediging dat (samengevat) het kluisproces-verbaal feitelijk onjuist is, dus reeds onjuist (of onaannemelijk) heeft geoordeeld. Tot (definitieve) oordeelsvorming omtrent de aannemelijkheid van deze stelling van de verdediging, is de strafkamer pas geroepen na voltooiing van het onderzoek ter terechtzitting, wanneer partijen hun inhoudelijke argumenten aan de strafkamer hebben kunnen voorleggen. De wrakingskamer acht de vrees voor vooringenomenheid dan ook objectief gerechtvaardigd.

De wrakingskamer heeft onderzocht of aan de overweging een bepaald voorlopig karakter moet worden toegekend, in het licht van het feit dat de overweging kennelijk is gegeven in het kader van de beoordeling van het verdedigingsbelang bij het horen van getuigen. Gezien de stellige bewoordingen kan in de overweging die nuancering echter niet voldoende worden gevonden, in ieder geval niet zodanig dat de vrees voor vooringenomenheid bij de verzoeker niet objectief gerechtvaardigd is te noemen.

6 Derde wrakingsgrond

6.1.

De grond waarop het wrakingsverzoek rust

Namens de verzoeker is de derde grond waarop het wrakingsverzoek rust in het verzoekschrift en bij de mondelinge behandeling -samengevat- als volgt nader toegelicht.

In het kader van een in eerste aanleg gevoerd, en in hoger beroep te herhalen verweer betreffende de onrechtmatigheid van de start van het onderzoek is verzocht [officier van justitie A] als getuige te horen. Dit verhoor dient ter onderbouwing van het verweer dat (kortweg) rechters (door het openbaar ministerie) opzettelijk onjuist zijn voorgelicht. Voorts is het de stelling van de verdediging, zoals ook in eerste aanleg bepleit, dat bij de inzet van bob-bevoegdheden (in het gevoegde onderzoek Atlas, waarvan de resultaten in het onderzoek Hattem zijn gevoegd en gebruikt, danwel in het onderzoek Hattem) telkens gebruik is gemaakt van informatie waarvan justitie wist dat die inhoudelijk onjuist was. De strafkamer heeft met haar motivering van de (afwijzende) beslissing op het getuigenverzoek miskend hetgeen door de verdediging ten grondslag is gelegd aan het verzoek. Voorts heeft de strafkamer volgens de raadsvrouw geoordeeld dat geen sprake is geweest van een onrechtmatige situatie danwel een vormverzuim, waarmee inhoudelijk vooruit wordt gelopen op een bij eindarrest te nemen beslissing. Met de overweging dat ‘voor zover al sprake zou zijn van onrechtmatigheden, deze hebben plaatsgevonden in het kader van het Atlas-onderzoek en niet in het kader van het voorbereidend onderzoek van de in deze zaak aan de verdachte ten laste gelegde feiten’, is het gehele verweer betreffende de start van het onderzoek ‘naar de prullenbak verwezen’. Deze (inhoudelijke) overweging laat geen enkele ruimte en is overigens zo onbegrijpelijk dat dit de vrees voor vooringenomenheid bij verzoeker mede draagt, aldus de advocaat van de verzoeker.

6.2.

Inhoud van de stukken

Het vonnis in de strafzaak tegen de verzoeker houdt als beoordeling door de rechtbank van in eerste aanleg gevoerde verweren omtrent de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, voor zover van belang het volgende in.

Beoordeling

A Start van het onderzoek

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld met betrekking tot de gang van zaken rond het tot stand komen van de startinformatie ten behoeve van het Hattem-onderzoek blijkt dat aan het politiekorps Amsterdam-Amstelland onjuiste informatie is verstrekt door het politiekorps Hollands-Midden over de connectie tussen de auto waarmee de aanslag is gepleegd en de gebruikers van de [adres], in het bijzonder [medeverdachte]. Vast staat voorts dat op basis daarvan bijzondere opsporingsbevoegdheden zijn ingezet, in het bijzonder de doorzoeking van de woning aan de [adres].
Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat daarmee sprake is van schending van een beginsel van goede procesorde. Dat levert een vormverzuim op dat is begaan in het voorbereidend onderzoek van de onderhavige zaak, dat niet meer kan worden hersteld.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 augustus 2013 en van 2 oktober 2013 houdt onder het kopje ‘de start van het onderzoek’ voor zover van belang het volgende in als motiveringen en beslissingen van de strafkamer.

(...) de start van het onderzoek

Het verzoek van de raadsvrouw dient in het algemeen ter onderbouwing van een te voeren verweer tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op grond van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, zoals bedoeld in artikel 359a Sv.

Het hof overweegt hieromtrent dat bij de beoordeling van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van strafvordering (Sv) de vraag naar de herstelbaarheid van het verzuim voorop staat. Pas als herstel niet meer mogelijk is, kan sanctionering van het vormverzuim worden overwogen. Daarbij geldt tevens dat het dient te gaan om een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek jegens de verdachte ter zake van (het) tenlastegelegde feit(en). Artikel 359a Sv vindt geen toepassing, indien het vormverzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek.

(…)

Gelet op het bovenstaande acht het hof zich op grond van de verklaringen van de verschillende getuigen bij de rechter-commissaris, de processen-verbaal van bevindingen van de officieren van justitie en de overige stukken in het dossier, een en ander in onderlinge samenhang bezien, voldoende voorgelicht omtrent de gang van zaken bij de start van het onderzoek Hattem. Dit laat evenwel onverlet dat het hof een te zijner tijd bij de inhoudelijke behandeling van de zaak van de verdachte door de verdediging gevoerd verweer dat sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv op zijn merites zal dienen te beoordelen.

Beslissingen van het hof

Vooropgesteld wordt dat slechts in uitzonderingsgevallen plaats is voor het oproepen van een officier van justitie als getuige (ter terechtzitting). Van zo’n uitzonderingsgeval is hier, gelet op de redengeving die aan de verzoeken ten grondslag is gelegd en hetgeen hierna is overwogen, niet gebleken. Daar komt nog bij dat het openbaar ministerie zich ter terechtzitting verantwoordt over in het kader van opsporing en vervolging genomen beslissingen. Bovendien bevindt zich in het dossier een door de officier van justitie [officier van justitie D] op 9 juni 2010 opgemaakt proces-verbaal, waarin hij de start van het onderzoek nader uiteen zet. Het hof betrekt bij zijn oordeel voorts dat voor zover al sprake zou zijn van onrechtmatigheden, deze hebben plaatsgevonden met betrekking tot andere opsporingsonderzoeken en niet in het kader van het voorbereidend onderzoek van de in deze zaak aan de verdachte ten laste gelegde feiten.

(…)

Het hof wijst af het verzoek tot het doen oproepen van [officier van justitie A] en overweegt daartoe als volgt. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat ook nadat

begin september 2009 het definitieve proces-verbaal aan het Hattem-onderzoek was verstrekt -onder leiding van [officier van justitie A]- - aanvragen, machtigingen en bevelen tot inzet van bob-bevoegdheden zijn afgegeven op basis van de onjuiste informatie uit het startproces-verbaal.

De raadsvrouw gaat er kennelijk van uit dat de (na ontvangst van het definitieve proces-verbaal) latere aanvragen, machtigingen en bevelen tot inzet van bob-bevoegdheden enkel en alleen zijn gebaseerd op de aanvankelijke startinformatie. Hiermee miskent de raadsvrouw dat voornoemde startinformatie steeds is aangevuld met nieuwe informatie, zoals ook blijkt uit de desbetreffende aanvragen, machtigingen en bevelen. Deze stelling van de raadsvrouw mist aldus feitelijke grondslag en kan reeds daarom niet dienen ter onderbouwing van het verzochte, zodat het hof het verzoek zal afwijzen. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door de afwijzing van het verzoek om officier van justitie [officier van justitie A] als getuige op te roepen niet in zijn verdediging wordt geschaad. Het hof betrekt bij zijn oordeel tevens dat voor zover al sprake zou zijn van onrechtmatigheden, deze hebben plaatsvonden in het kader van het Atlas-onderzoek en niet in het kader van het voorbereidend onderzoek van de in deze zaak aan de verdachte ten laste gelegde feiten.

6.3.

Beoordeling

De wrakingskamer overweegt en beslist als volgt.

Voor zover aan het wrakingsverzoek ten grondslag is gelegd dat de strafkamer in haar motivering heeft miskend hetgeen de raadsvrouw ter adstructie van het getuigenverzoek heeft aangevoerd, levert dit naar het oordeel van de wrakingskamer geen grond voor wraking op. Mocht de strafkamer de motivering door de raadsvrouw niet overeenkomstig de bedoeling van de raadsvrouw hebben begrepen, dan blijkt hieruit nog geen vooringenomenheid. Ook kan geen vrees voor vooringenomenheid worden aangenomen voor zover die berust op de grond dat de overweging van de strafkamer onbegrijpelijk is voor zover inhoudende dat eventuele onrechtmatigheden niet in het vooronderzoek naar de aan de verzoeken ten laste gelegde feiten plaatsvonden.

Voorts geldt echter het volgende. Uit het hierboven geciteerde proces-verbaal terechtzitting moet worden opgemaakt dat de strafkamer de getuigenverzoeken heeft opgevat als te zijn gedaan in verband met een (ook) in hoger beroep te voeren verweer dat bij de start van het onderzoek onrechtmatigheden hebben plaatsgevonden die tot toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) moeten leiden. Hieruit volgt dat de vraag of de gestelde onrechtmatigheden tot toepassing van artikel 359a Sv moeten leiden is voorgelegd aan de strafkamer, ter beoordeling op grond van het onderzoek ter terechtzitting.

Naar het oordeel van de wrakingskamer is de strafkamer met de overweging -dat voor zover al onrechtmatigheden hebben plaatsgevonden, deze hebben plaatsgevonden in het kader van het Atlas-onderzoek en niet in het vooronderzoek naar de aan de verzoeken ten laste gelegde feiten- schijnbaar vooruitgelopen op deze bij eindarrest te geven beoordeling. Aan deze overweging kon de verzoeker naar het oordeel van de wrakingskamer ontlenen dat de strafkamer reeds van oordeel is dat de door de raadsvrouw in relatie tot de te horen getuige gestelde onrechtmatigheden (zouden die aannemelijk zijn) niet tot toepassing van artikel 359a Sv kunnen leiden, omdat die onrechtmatigheden buiten de werkingssfeer van dat artikel vallen. Een oordeel op dit punt dient de rechter zich echter pas te vormen na voltooiing van het onderzoek ter terechtzitting, wanneer partijen hun inhoudelijke argumenten aan de rechter hebben kunnen voorleggen. Dat de verzoeker de hierboven gegeven uitleg heeft gegeven aan de overweging van de strafkamer met betrekking tot de reikwijdte van artikel 359a Sv is temeer begrijpelijk nu door de strafkamer in haar inleidende overwegingen reeds is overwogen dat artikel 359a Sv geen toepassing vindt indien het vormverzuim is begaan buiten het verband van het voorbereidend onderzoek ter zake de aan verzoeker ten laste gelegde feiten.

De wrakingskamer acht de vrees van verzoeker voor vooringenomenheid van de strafkamer dan ook objectief gerechtvaardigd. Bij dit oordeel betrekt de wrakingskamer dat de overweging van de strafkamer stellig en zonder voorbehoud, en (in enigszins andere bewoordingen) tweemaal is gegeven. De wrakingskamer heeft onderzocht of aan de overweging een bepaald voorlopig karakter moet worden toegekend, in het licht van het feit dat de overweging kennelijk is gegeven in het kader van de beoordeling van het verdedigingsbelang bij het horen van [officier van justitie A], en in het licht van de inleidende overweging van de strafkamer dat zij een te zijner tijd bij de inhoudelijke behandeling van de zaak gevoerd verweer dat sprake is een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv op zijn merites zal dienen te beoordelen. Gezien de stellige bewoordingen kan in de overweging die nuancering echter niet voldoende worden gevonden, in ieder geval niet zodanig dat de vrees voor vooringenomenheid bij de verzoeker niet objectief gerechtvaardigd is te noemen.

7 Slotsom

In bovenstaande overwegingen is de wrakingskamer op een aantal onderdelen tot de conclusie gekomen dat de vrees bij verzoeker voor vooringenomenheid van de strafkamer objectief gerechtvaardigd is. Dit leidt ertoe dat het wrakingsverzoek zal worden toegewezen.

8 Beslissing

De wrakingskamer:

wijst toe het verzoek tot wraking van mr. Verhoeff, mr. Hoek en mr. Oldekamp.

Deze beschikking is gewezen door de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.D.R.M. Boumans, mr. M.P. van Achterberg en mr. M.J.L. Mastboom, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Olthof, griffier, en is uitgesproken in openbare raadkamer van dit gerechtshof op
23 december 2013.

Mr. Mastboom is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.