Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4758

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
28-01-2014
Zaaknummer
200.125.737/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gebleken is dat de omzet van de onderneming van de man in 2012 aanzienlijk is gedaald als gevolg van de economische crisis waardoor de man ook veel minder opdrachten heeft kunnen verwerven. Het salaris dat de man zich laat uitkeren is eveneens aanzienlijk gedaald. De vraag die thans ter beantwoording voor ligt is in hoeverre van de man kan worden gevergd dat hij, zo lang hij nog geen hogere omzet kan genereren, inteert op zijn vermogen, dan wel dat hij gelden onttrekt aan de B.V. om zijn inkomen aan te vullen om aan zijn onderhoudsverplichting tegenover de kinderen te voldoen. Het hof is van oordeel dat het voor de man niet mogelijk is in te teren op zijn privévermogen of het vermogen van de B.V. en dat van de man evenmin kan worden gevergd dat hij nog meer gelden aan de B.V. onttrekt om zijn inkomen aan te vullen. Het hof houdt bij de berekening van de draagkracht van de man rekening met het inkomen dat de man daadwerkelijk heeft gegenereerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 17 december 2013

Zaaknummer: 200.125.737/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 193325 / FA RK 12-1937

Beschikking van de meervoudige familiekamer

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. M. Bootsma te Haarlem,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.M. Vessies te Haarlem.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 19 april 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 januari 2013 van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem), met kenmerk 193325 / FA RK 12-1937.

1.3.

De man heeft op 11 juli 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 16 september 2013 nadere stukken ingediend.

1.5.

De man heeft op 17 september 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 25 september 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

1.8.

De na te noemen minderjarige [kind a] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1993 gehuwd. Hun huwelijk is op 25 augustus 2009 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Haarlem van 9 juni 2009in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren […] (hierna: [kind a]) [in] 1996 en […] (hierna: [kind b]) [in] 1999 en […] (hierna: [kind c]) [in] 2001 (hierna tezamen: de kinderen). De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.

2.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 495,- per kind per maand moet voldoen, alsmede een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van € 1.987,- per maand.

2.3.

Bij beschikking van dit hof van 8 februari 2011 is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man ter zake van pensioenverevening dient te bewerkstelligen dat een bedrag van € 48.160,50 wordt afgestort onder een door de vrouw aan te wijzen verzekeraar, zulks uiterlijk binnen zes weken na de datum van die beschikking.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders

vermeld.

2.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1962. Hij is alleenstaand.

Hij is directeur enig aandeelhouder van [B.V.] Het bedrijfsresultaat van die onderneming bedroeg in 2009, 2010, 2011 en 2012 respectievelijk € 22.738,- negatief, € 27.641,- negatief, € 23.541,- negatief en € 25.946,- negatief.

Blijkens de aangifte IB over 2012 bedroeg zijn fiscaal loon in dat jaar € 64.333,-.

Zijn huidige salaris bedraagt volgens de salarisspecificatie over september 2013 € 1.650,- bruto per maand.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de man bewoonde woning betaalt hij € 1.003,- per maand aan rente, aflossing en spaarpremie. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 201.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 140,- per maand.

Hij heeft kosten in verband met de omgang met de kinderen, die plaatsvindt gedurende een weekend per twee weken van vrijdag 17:00 uur tot zondag 19:00 uur, alsmede iedere maandag en voorts gedurende ongeveer de helft van de vakanties en feestdagen.

2.5.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1965. Zij vormt met de kinderen van partijen een eenoudergezin.

3. Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, overeenkomstig het verzoek van de man, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Haarlem van 9 juni 2009:

- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald op nihil met ingang van 1 juni 2012, onder de bepaling dat de vrouw niet gehouden is tot terugbetaling van hetgeen zij teveel heeft ontvangen;

- de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot haar levensonderhoud bepaald op nihil met ingang van 1 juni 2012.

3.2.

De vrouw verzoekt, na wijziging van haar verzoek ter zitting in hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de man met betrekking tot de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen alsnog af te wijzen, dan wel te bepalen dat dit verzoek deels wordt toegewezen en dat de man met ingang van 1 juni 2012 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te voldoen ter hoogte van € 435,- per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel een bijdrage te bepalen die het hof juist acht.

3.3.

De man verzoekt de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep, althans het door haar in hoger beroep verzochte af te wijzen en – naar het hof begrijpt – de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw haar verzoek in hoger beroep gewijzigd in de zin als hiervoor onder 3.2 weergegeven. Nu de vrouw haar grieven en verzoeken met betrekking tot de uitkering tot haar levensonderhoud niet langer handhaaft, behoeven deze geen bespreking meer.

4.2.

De behoefte van de kinderen aan de bij de echtscheidingsbeschikking bepaalde bijdrage van € 495,- per kind per maand wordt niet betwist en staat derhalve vast. Na indexering bedraagt de behoefte van de kinderen in 2012 € 517,59 per kind per maand.

4.3.

Partijen zijn verdeeld over de draagkracht van de man. De vrouw betoogt – kort gezegd – dat zolang de man nog geen hogere omzet kan genereren, van de man kan worden gevergd dat hij inteert op zowel zijn privévermogen, als het vermogen van de B.V., dan wel dat hij gelden onttrekt aan de B.V. om zijn inkomen aan te vullen, zodanig dat hij in staat blijft om aan de onderhoudsplicht jegens zijn kinderen te voldoen.

De man meent daarentegen dat hij zowel zakelijk als privé over onvoldoende liquide middelen beschikt om nog verder in te teren op zijn vermogen. Voor de bepaling van zijn draagkracht dient zijn huidige inkomen in aanmerking te worden genomen, aldus de man. Op de standpunten van partijen wordt hierna nader ingegaan.

4.4.

Bij de bepaling van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 2.4 weergegeven, behoudens voor zover hiervan in het navolgende zal worden afgeweken. Nu het gaat om een bijdrage ten behoeve van de kinderen, zal het hof rekening houden met de alleenstaandennorm en een draagkrachtpercentage van 70 hanteren.

4.5.

Uitgangspunt is dat de draagkracht wordt vastgesteld conform de nieuwe richtlijnen, indien de ingangsdatum van de te betalen bijdrage is gelegen na 1 april 2013, of indien zich met ingang van een datum gelegen na 1 april 2013 een relevante wijziging voordoet in de draagkracht. Niet gebleken is dat hiervan in de onderhavige zaak sprake is, zodat het hof geen aanleiding ziet om de draagkracht van de man vast te stellen conform de nieuwe richtlijnen.

4.6.

Gebleken is dat de omzet van de onderneming van de man in 2012 aanzienlijk is gedaald als gevolg van de economische crisis waardoor de man ook veel minder opdrachten heeft kunnen verwerven. Het salaris dat de man zich laat uitkeren is eveneens aanzienlijk gedaald. Begin 2012 bedroeg het salaris van de man nog € 8.500,- bruto per maand, in juni en juli 2012 € 3.500,-, vanaf augustus 2012 € 2.500,- en sinds december 2012 € 1.650,- bruto per maand. Als door de vrouw niet langer betwist, staat vast dat de man voldoende inspanningen heeft verricht om nieuwe opdrachten te verwerven, doch dat die inspanningen tot op heden nog niet tot een hogere omzet hebben geleid.

De vraag die thans ter beantwoording voor ligt is in hoeverre van de man kan worden gevergd dat hij, zo lang hij nog geen hogere omzet kan genereren, inteert op zijn vermogen, dan wel dat hij gelden onttrekt aan de B.V. om zijn inkomen aan te vullen om aan zijn onderhoudsverplichting tegenover de kinderen te voldoen.

Hoewel uit de jaarstukken van 2012 blijkt dat de liquide middelen in de B.V. per 31 december 2012 € 97.114,- bedragen, is het hof van oordeel dat dit niet met zich brengt dat de man hierop kan interen om zo aan zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen te voldoen. Tegenover deze liquide middelen staat immers een verplichting van de besloten vennootschap ter zake van de pensioenaanspraak van de man van € 101.513,-.

De vrouw stelt dat de pensioenvoorziening zou moeten worden gecorrigeerd, aangezien het salaris van de man is verlaagd. Op basis van het lagere salaris zou de pensioenvoorziening moeten afnemen, aldus de vrouw. Wat er van deze stelling van de vrouw ook zij, gelet op de overige gegevens in de jaarstukken, leidt aanpassing van de pensioenvoorziening er nog niet toe dat het bedrijfsresultaat positief wordt en dat het salaris van de man zodanig zal stijgen dat hij dan wel voldoende draagkracht heeft om aan zijn onderhoudsverplichting jegens de kinderen te voldoen.

Gebleken is dat de rekening-courantschuld in 2012 nog verder is opgelopen. Het hof acht het, gelet op situatie waarin de onderneming van de man zich thans bevindt, niet verantwoord om deze rekening-courantschuld nog verder te laten oplopen, omdat het gevaar niet ondenkbeeldig is dat de fiscus de opnamen in rekening-courant zal belasten als inkomen van de man, waardoor een belastingschuld voor de man ontstaat. Het hof gaat derhalve voorbij aan de stelling van de vrouw dat, nu de man in het verleden door middel van het laten oplopen van de rekening-courantschuld, gelden heeft onttrokken aan de B.V., van hem kan worden gevergd dat hij dit ook thans blijft doen.

Met betrekking tot de stelling van de vrouw dat van de man kan worden gevergd dat hij inteert op zijn privévermogen overweegt het hof als volgt. Gebleken is dat het saldo van de spaarrekening van de man is gedaald van € 44.273,- in december 2011 naar € 5.116,- in november 2012. Dit spaarsaldo biedt onvoldoende ruimte om nog verder op in te teren. Gebleken is dat de INB beleggingsrekening van partijen is opgeheven en dat te dier zake aan beide partijen een bedrag van € 13.000,- is uitgekeerd. De vrouw meent dat de man met behulp daarvan in staat moet worden geacht om aan zijn onderhoudsverplichting te voldoen. Naar het oordeel van het hof dient te man de uitkering van zijn beleggingsrekening echter aan te wenden om zijn lopende renteverplichtingen in verband met zijn schuld aan de B.V. te voldoen, alsmede om de overige door hem te betalen rekeningen en de hypotheeklasten te voldoen. Het hof volgt de vrouw derhalve niet in haar stelling.

De man heeft de stelling van de vrouw dat hij, ondanks dat hij wist dat zijn contract met […] niet zou worden verlengd, luxe uitgaven bleef doen en niet heeft gespaard, gemotiveerd weersproken. Gelet daarop had het op de weg van de vrouw gelegen haar stelling nader (met stukken) te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten. Om die reden gaat het hof voorbij aan voornoemde stelling van de vrouw.

Het voorgaande leidt ertoe dat het hof van oordeel is dat het voor de man niet mogelijk is in te teren op zijn privévermogen of het vermogen van de B.V. en dat van de man evenmin kan worden gevergd dat hij nog meer gelden aan de B.V. onttrekt om zijn inkomen aan te vullen. Het hof zal bij de berekening van de draagkracht van de man rekening houden met het inkomen dat de man daadwerkelijk heeft gegenereerd.

4.7.

Gelet op het vorenstaande, alsmede gelet op de feiten en omstandigheden zoals vermeld onder 2.4, is het hof van oordeel dat de man met ingang van 1 juni 2012 onvoldoende draagkracht heeft om enige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen. Voor zover de man vanaf 1 juni 2012 tot heden meer heeft betaald en/of meer op hem is verhaald, kan van de vrouw niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt, nu een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt.

4.8.

Evenals de rechtbank ziet ook het hof geen aanleiding om te bepalen dat de man jaarlijks op 1 april zijn jaarstukken, de BTW-aangifte en de aangifte IB aan de vrouw dient toe te zenden op straffe van een dwangsom, nu dit verzoek van de vrouw geen wettelijke grondslag kent. Het hof gaat er van uit dat de man op eigen initiatief zodra zijn inkomen daartoe weer ruimte biedt met de vrouw in overleg zal gaan teneinde een bijdrage in het levensonderhoud van de kinderen af te spreken.

4.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst af het in hoger beroep meer en/of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.G. Kemmers, mr. M.M.A. Gerritzen - Gunst en mr. M. Wigleven in tegenwoordigheid van mr. S.J.M. Lok als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2013.