Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4747

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-11-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
200.071.997/02 OK
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking Ondernemingskamer d.d. 8 november 2013;

VEB NCVB / AGEAS SA/NV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2014/17
OR-Updates.nl 2014-0003
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

VOORZITTER ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.071.997/02

beschikking van de voorzitter van de Ondernemingskamer van 8 november 2013

inzake

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

VEB NCVB,

gevestigd te 's-Gravenhage,

VERZOEKSTER,

advocaat: mr. J.M.K.P. Cornegoor, kantoorhoudende te Amsterdam,

t e g e n

de naamloze vennootschap

AGEAS SA/NV,

gevestigd te Brussel, België,

VERWEERSTER,

advocaat: mr. H.J. de Kluiver, kantoorhoudende te Amsterdam,

e n t e g e n

1 Jean-Paul François Caroline VOTRON,

wonende te Brussel, België,

advocaat: mr. P.D. Olden, kantoorhoudende te Amsterdam,

BELANGHEBBENDE,

e n t e g e n

2 Maurice Robert Josse Ghislain LIPPENS,

wonende te Knokke-Heist, België,

advocaat: mr. A.F.J.A. Leijten, kantoorhoudende te Amsterdam,

3. Herman Cyriel Lucien VERWILST,

wonende te Gent, België,

advocaat: mr. P.J. van der Korst, kantoorhoudende te Amsterdam,

4. Filip Robert Jules DIERCKX,

wonende te Knokke-Heist, België,

advocaat: mr. J.W. van der Staay, kantoorhoudende te Amsterdam,

5. Gilbert Georges Henri MITTLER,

wonende te Knokke-Heist, België,

advocaat: mr. W.W. de Nijs Bik, kantoorhoudende te Amsterdam,

6. Jozef Germain DE MEY,

wonende te Sint-Martens-Latem, België,

advocaat: mr. R.L.M.M. Tan, kantoorhoudende te Amsterdam,

7. Karel August Maria DE BOECK,

wonende te Mariakerke (Gent), België,

advocaat: mr. J.J. van Hees, kantoorhoudende te Amsterdam,

8. Alexander Maria KLOOSTERMAN,

wonende te Amsterdam,

advocaat: mr. Y. Borrius, kantoorhoudende te Amsterdam,

BELANGHEBBENDEN,

e n t e g e n

9. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging MERRILL LYNCH INTERNATIONAL,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

advocaat: mr. J.F. Ouwehand, kantoorhoudende te Amsterdam,

10. de naamloze vennootschap ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat: mr. M.A. Blom, kantoorhoudende te Amsterdam,

11. de coöperatie COÖPERATIEVE CENTRALE RAIFFEISEN-BOERENLEENBANK B.A.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat: mr. A.R.J. Croiset van Uchelen, kantoorhoudende te Amsterdam,

12. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging FOX-PITT, KELTON LTD,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

advocaat: mr. R.P.J.L. Tjittes, kantoorhoudende te Den Haag,

BELANGHEBBENDEN,

e n t e g e n

13. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van vestiging BNP PARIBAS FORTIS SA/NV,

gevestigd te Brussel, België,

advocaat: mr. R. van de Klashorst, kantoorhoudende te Den Haag,

BELANGHEBBENDE.1. Het verloop van het geding

De hierna volgende paragrafen 1.1 tot en met 1.14 zijn identiek aan de gelijkgenummerde paragrafen in de beschikking van de voorzitter van de Ondernemingskamer van 6 november 2013 en in de beschikking van de Ondernemingskamer van 7 november 2013. Paragraaf 1.15 is voorts identiek aan de gelijkgenummerde paragraaf van laatstgenoemde beschikking.

1.1

Partijen zullen in het vervolg (ook) als volgt worden aangeduid.

  • -

    verzoekster met VEB,

  • -

    verweerster met Ageas,

  • -

    belanghebbende sub 1 met Votron,

  • -

    belanghebbenden sub 2 tot en met 8 afzonderlijk bij hun achternaam en tezamen met Lippens c.s.,

  • -

    belanghebbenden 1 tot en met 8 tezamen ook met de oud-functionarissen,

  • -

    belanghebbenden sub 9 tot en met 12 tezamen met Merril Lynch International c.s.,

  • -

    belanghebbende sub 13 met Paribas Fortis,

  • -

    en belanghebbenden de 9 tot en met 13 tezamen ook met de banken.

1.2

De Ondernemingskamer heeft in de met deze zaken samenhangende zaak met rekestnummer 200.015.810/01 OK beschikkingen gegeven op 24 november 2008, 5 december 2008, 9 februari 2009, 8 mei 2009, 26 november 2009, 18 mei 2010, 16 juni 2010 en 25 augustus 2010, en in de onderhavige zaak op 16 maart 2011, 16 juni 2011 en 5 april 2012. Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer in de eerste plaats naar die beschikkingen.

1.3

Bij de beschikking van 24 november 2008 heeft de Ondernemingskamer – voor zover hier van belang – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Fortis N.V, verder Fortis, rechtsvoorgangster van Ageas, over de periode vanaf 29 mei 2007. Bij de beschikking van 5 december 2008 heeft de Ondernemingskamer dr. F.J.G.M. Cremers, mr. C.E. Drion en drs. C.J.M. Scholtes aangewezen als onderzoekers.

1.4

Bij de beschikking van 16 juni 2010 heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het door de onderzoekers uitgebrachte verslag van het door hen uitgevoerde onderzoek (verder het onderzoeksverslag), tezamen met de bijlagen C-97, C-98 en C-99 ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor een ieder en dat de overige bijlagen (hierna de overige bijlagen) ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage liggen voor belanghebbenden.

1.5

Bij de beschikking van 5 april 2012 heeft de Ondernemingskamer verstaan dat uit het verslag van het onderzoek in deze zaak ter zake van een aantal onderwerpen blijkt van wanbeleid van Fortis in de periode vanaf september 2007 tot en met september 2008.

1.6

Tegen voormelde beschikking van 5 april 2012 van de Ondernemingskamer is cassatie ingesteld.

1.7

VEB heeft bij op 24 april 2013 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verzoekschrift met producties de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht haar op de voet van artikel 2:353 lid 3 BW

machtiging te verlenen om aan derden mededelingen te doen uit het verslag (met inbegrip van de bijbehorende bijlagen) van het onderzoek naar Fortis N.V. (thans: Ageas SA/NV) zoals bevolen bij beschikking van de Ondernemingskamer van 24 november 2008 en zoals op 15 juni 2010 aangeboden aan de Ondernemingskamer, met dien verstande dat het doen van dergelijke mededelingen beperkt zal zijn tot gebruik van het verslag in de rechtszaak die thans bij de Rechtbank Amsterdam aanhangig is onder rolnummer 2011/594, met inbegrip van voortzetting van die procedure in hoger beroep en in (verwijzing na) cassatie.

1.8

Ageas heeft bij op 21 mei 2013 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift met producties de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht het verzoek af te wijzen, subsidiair verzocht om VEB – kort gezegd – te bevelen om haar verzoek nader te specificeren.

1.9

Lippens c.s. hebben bij op 21 mei 2013 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht overeenkomstig het verweerschrift van Ageas.

1.10

Votron heeft bij op 21 mei 2013 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift/verzoekschrift de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht overeenkomstig het verweerschrift van Ageas. Daarnaast heeft hij, subsidiair, voor het geval het verzoek van VEB geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen de Ondernemingskamer respectievelijk de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht (met Bijlagen worden de overige bijlagen bedoeld)

a. te worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van de eerder genoemde beschikking van de Ondernemingskamer van 16 juni 2010 en hem beschikking althans inzage te geven over respectievelijk in de Bijlagen alsmede hem te machtigen daaruit mededeling te doen, althans

b. het Verzoek slechts toe te wijzen onder de voorwaarde dat, als de VEB in de civiele procedure op enigerlei wijze gebruik maakt van een of meerdere van de Bijlagen, Votron alsdan wordt aangemerkt als belanghebbende in de zin van de eerdergenoemde beschikking van de Ondernemingskamer van 16 juni 2010 en hem beschikking althans inzage wordt gegeven over respectievelijk in de Bijlagen alsmede machtiging daaruit mededeling te doen.

Meer subsidiair heeft Votron verzocht om aan mogelijke toewijzing van het verzoek

(i) de voorwaarde te verbinden dat de VEB kopie van alle Bijlagen binnen twee weken na de datum van de beslissing op het Verzoek aan Votron verstrekt alsmede de machtiging van Votron te verbinden daaruit mededelingen te doen althans

(ii) de voorwaarde te verbinden dat de VEB de Bijlagen integraal in de civiele procedure overlegt.

1.11

Merrill Lynch International c.s. hebben bij op 21 mei 2013 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift/verzoekschrift de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van VEB af te wijzen, althans (met de Banken worden Merrill Lynch International c.s. bedoeld)

af te wijzen ten aanzien van die Bijlagen die van (een of meerdere van) de Banken afkomstig zijn of aan (een of meerdere van) de Banken zijn gericht, waar (een of meerdere van) de Banken partij bij zijn of welke (een of meerdere van) de Banken betreffen.

Daarnaast hebben zij – voor zover de verzochte machtiging wordt verleend – een voorwaardelijk tegenverzoek gedaan zoals vermeld in het verweerschrift.

1.12

Paribas Fortis heeft bij op 21 mei 2013 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen verweerschrift/verzoekschrift de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht – naar de Ondernemingskamer begrijpt – overeenkomstig hetgeen Merrill Lynch International c.s. hebben verzocht.

1.13

Bij op 2 oktober 2013 ter griffie van de Ondernemingskamer ingekomen aanvullend verweerschrift/verzoekschrift hebben Lippens c.s. zich aangesloten bij het voorwaardelijk tegenverzoek van Votron.

1.14

Het verzoek en de tegenverzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2013 van – gelijktijdig – de Ondernemingskamer onderscheidenlijk de voorzitter van de Ondernemingskamer. Bij die gelegenheid hebben

  • -

    mr. Cornegoor voornoemd en mr. G.T.J. Hoff, advocaat te Haarlem, namens VEB,

  • -

    mr. De Kluiver voornoemd en mr. M.F. Poot, advocaat te Amsterdam, namens Ageas,

  • -

    mr. Ouwehand voornoemd namens Merril Lynch International c.s. en

  • -

    mr. Van der Klashorst voornoemd namens Paribas Fortis,

de standpunten van hun cliënten toegelicht aan de hand van – aan de Ondernemingskamer respectievelijk haar voorzitter en aan de wederpartijen overgelegde – aantekeningen en voor zover het VEB betreft onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer respectievelijk haar voorzitter en aan de wederpartijen gezonden nadere producties.

VEB heeft voorafgaand aan haar toelichting aan de voorzitter van de Ondernemingskamer verzocht haar de gevraagde machtiging vooralsnog te geven voor de behandeling in dit geding. De voorzitter van de Ondernemingskamer heeft daarop overwogen dat – gelet op de strekking van het stelsel van artikel 2:353 leden 2 en 3 BW (bepaling voor wie ter inzage, vertrouwelijkheid, machtiging) – moet worden aangenomen dat VEB in het kader van de behandeling van haar verzoek moet kunnen citeren uit de overige bijlagen voor zover zij dat in redelijkheid ter toelichting van haar verzoek behoeft. De voorzitter van de Ondernemingskamer heeft de machtiging met deze laatste restrictie vervolgens – als op de voet van artikel 279 Rv aanstonds toewijsbaar – verleend.

Mrs. Leijten en Van der Korst voornoemd hebben zich – de Ondernemingskamer respectievelijk haar voorzitter neemt aan: mr. Leijten namens Lippens c.s. in het algemeen en mr. Van der Korst in het bijzonder namens Verwilst – bij het betoog van Ageas, voor zover zich dat richt tegen het verzoek van VEB, aangesloten en hebben enkele aanvullende toelichtende opmerkingen gemaakt. Partijen hebben voorts vragen van de Ondernemingskamer respectievelijk haar voorzitter beantwoord.

Uit de uitlatingen van de advocaten van Merrill Lynch International c.s. en Paribas Fortis heeft de Ondernemingskamer respectievelijk heeft haar voorzitter afgeleid, dat hun onderscheiden voorwaardelijk tegenverzoeken – mutatis mutandis – gelijkluidend aan dat van Votron kunnen worden gelezen. VEB heeft verzocht de gevraagde machtiging uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ageas heeft zich tegen deze vermeerdering van het verzoek verzet.

1.15

Bij beschikking van 6 november 2013 heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer uitspraak gedaan op het verzoek tot machtiging van VEB.

1.16

Bij beschikking van 7 november 2013 heeft de Ondernemingskamer uitspraak gedaan op het voorwaardelijk verzoek tot inzage in het onderzoeksverslag van belanghebbenden.

2 De gronden van de beslissing

2.1

Bij zijn voormelde beschikking van 6 november 2013 heeft de voorzitter van de Ondernemingskamer VEB gemachtigd om uit de overige bijlagen bij het verslag mededeling te doen door daarvan in de door haar in de bij de rechtbank Amsterdam aanhangig gemaakte procedure onder rolnummer 2011/594, tevens in hoger beroep en een (verwijzing na) cassatie, gebruik te maken voor zover zij dat gebruik ter toelichting en/of (ondersteuning van) bewijs van haar stellingen in die procedure nodig heeft, een en ander zoals nader omschreven in rechtsoverweging 2.8 en 2.9 van die beschikking. Bij voormelde beschikking van 7 november 2013 heeft de Ondernemingskamer – kort gezegd – bepaald dat het gehele onderzoeksverslag, de overige bijlagen daaronder begrepen, ter inzage van belanghebbenden ligt en dat zij daarvan afschrift ontvangen. Thans is aan de orde het verzoek van belanghebbenden hen te machtigen gebruik te maken van de overige bijlagen in de door VEB aanhangig gemaakte aansprakelijkheidsprocedure.

2.2

Hetgeen de Ondernemingskamer in haar beschikking van 7 november 2013 onder 2.3 tot en met 2.8 heeft overwogen is mutatis mutandis ook van toepassing op hetgeen over en weer is gesteld ten aanzien van het machtigingsverzoek van belanghebbenden. De voorzitter neemt die overwegingen – ook hier: mutatis mutandis – over en maakt deze tot de zijne.

2.3

Gelet op dit een en ander is de voorzitter van de Ondernemingskamer van oordeel dat belanghebbenden een voldoende zwaarwegend belang bij de gevraagde machtiging hebben. Hij zal de machtiging verlenen en daaraan dezelfde beperking verbinden als in zijn beschikking van 6 november 2013 gegeven op het machtigingsverzoek van VEB. Hij zal derhalve bepalen dat de machtiging is beperkt tot gebruik in de aansprakelijkheidsprocedure voor zover de onderscheiden belanghebbenden ieder voor zich dat gebruik ter toelichting en/of (ondersteuning van) bewijs van hun stellingen in die procedure nodig hebben. Ook hier geldt als vanzelfsprekend, dat (de advocaat van) de betrokken belanghebbenden daarbij een zekere beoordelingsvrijheid toekomt en dat het gebruik maken daarvan met terughoudendheid dient te worden getoetst.

2.4

Nu de verzoeken in feite niet zijn bestreden acht de voorzitter van de Ondernemingskamer termen aanwezig om de kosten van het geding tussen de partijen te compenseren zoals hierna te vermelden.

2.5

De voorzitter van de Ondernemingskamer ziet ten slotte aanleiding de machtiging uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3 De beslissing

De voorzitter van de Ondernemingskamer:

machtigt

- Jean-Paul François Caroline VOTRON,

wonende te Brussel, België,

- Maurice Robert Josse Ghislain LIPPENS,

wonende te Knokke-Heist, België,

- Herman Cyriel Lucien VERWILST,

wonende te Gent, België,

- Filip Robert Jules DIERCKX,

wonende te Knokke-Heist, België,

- Gilbert Georges Henri MITTLER,

wonende te Knokke-Heist, België,

- Jozef Germain DE MEY,

wonende te Sint-Martens-Latem, België,

- Karel August Maria DE BOECK,

wonende te Mariakerke (Gent), België,

- Alexander Maria KLOOSTERMAN,

wonende te Amsterdam,

- MERRILL LYNCH INTERNATIONAL,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

- ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

- COÖPERATIEVE CENTRALE RAIFFEISEN-BOERENLEENBANK B.A.,

gevestigd te Amsterdam,

- FOX PITT, KELTON LTD,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

- BNP PARIBAS FORTIS SA/NV,

gevestigd te Brussel, België,

ieder voor zich om uit het verslag van het door dr. F.J.G.M. Cremers, mr. C.E. Drion en drs. C.J.M. Scholtes verrichte onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Fortis N.V., gevestigd te Utrecht, rechtsvoorgangster van Ageas SA/NV, gevestigd te Brussel, België, neergelegd ter griffie van de Ondernemingskamer op 16 juni 2010, mededeling te doen door daarvan in de door VEB in de bij de rechtbank Amsterdam aanhangig gemaakte procedure onder rolnummer 2011/594, tevens in hoger beroep en in (verwijzing na) cassatie, gebruik te maken voor zover de betrokken belanghebbende dat gebruik ter toelichting en/of (ondersteuning van) bewijs van zijn stellingen in die procedure nodig heeft, een en ander zoals hiervoor nader omschreven in rechtsoverweging 2.3;

compenseert de kosten van het geding tussen de partijen aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. Ingelse in tegenwoordigheid van mr. R. Verheggen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 2013.