Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4744

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-12-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
200.117.553-01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht van de KNB tegen 2 notarissen in verband met het in rekening brengen van Kadasterkosten bij cliënten, het doorboeken van Kadasterkosten binnen kantoor en het uitboeken van Kadastergelden terwijl nog geen bewijs van inschrijving van het Kadaster was ontvangen. Het hof vernietigt de bestreden beslissing, verklaart de klacht (deels) gegrond en legt aan beide notarissen de maatregel van berisping op.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt, geldigheid: 2013-12-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.117.553/01 NOT

nummer eerste aanleg : 07.831/2012/21 en 22

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 24 december 2013

inzake

KONINKLIJKE NOTARIËLE BEROEPSORGANISATIE,

gevestigd te Den Haag,

appellante,

gemachtigde: mr. W.J. Geselschap,

tegen:

1. [notaris],

2. [notaris],

notarissen te [plaatsnaam],

geïntimeerden,

gemachtigde: mr. N. van Mook, advocaat te Lith.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Van de zijde van appellant, verder de KNB, is bij een op 29 november 2012 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift - met bijlage - tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Arnhem, verder de kamer, van 23 november 2012, waarbij de kamer de klacht van de KNB voor zover die is gericht tegen [notaris], ongegrond heeft verklaard en voor zover die is gericht tegen [notaris] gedeeltelijk gegrond heeft verklaard met oplegging aan hem van de maatregel van waarschuwing en voor het overige ongegrond heeft verklaard.

1.2.

Van de zijde van geïntimeerden, verder gezamenlijk: de notarissen, is op 5 maart 2013 een verweerschrift - met bijlagen - ter griffie van het hof ingekomen.

1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 10 oktober 2013. De gemachtigde van de KNB is verschenen. De notarissen zijn eveneens verschenen, bijgestaan door mr. L.M.P. van Zandvoort, advocaat te Lith. Allen hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van de KNB aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3 De feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4 De standpunten van partijen

4.1.

De KNB beklaagt zich erover dat:

  1. de notarissen gelden die bij cliënten als “Kadasterkosten” in rekening zijn gebracht voor andere doeleinden hebben gebruikt, waardoor het saldo op hun kantoorrekening tot tweemaal toe ontoereikend was om de nota’s van het Kadaster te voldoen en zij afgesloten zijn geweest van de digitale toegang tot het Kadaster. Daarmee hebben zij in strijd met artikel 23 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna) gehandeld;

  2. de notarissen in de verschillende periodes waarin het kantoor was afgesloten van de digitale toegang tot het Kadaster niet in staat waren om te voldoen aan de rechercheplicht;

  3. [notaris] in zijn brief van 15 juli 2009 aan het Kadaster heeft verzocht valsheid in geschrift te plegen;

  4. [notaris] met betrekking tot de in de brief van 15 juli 2009 bedoelde transactie niet heeft voldaan aan de rechercheplicht;

  5. [notaris] met betrekking tot de in de brief van 15 juli 2009 bedoelde transactie gelden heeft uitgeboekt terwijl nog geen bewijs van inschrijving van het Kadaster was ontvangen.

4.2.

De notarissen hebben verweer gevoerd, waarop het hof in zijn beoordeling (voor zover van belang) nader zal ingaan.

5 De beoordeling

5.1.

Het hof verstaat dat op klachtonderdeel b niet (meer) behoeft te worden beslist, aangezien de gemachtigde van de KNB ter terechtzitting heeft verklaard dat dit klachtonderdeel als ingetrokken kan worden beschouwd en het hof van oordeel is dat het algemeen belang geen voortzetting van de behandeling vordert.

5.2.1.

Met betrekking tot klachtonderdeel a overweegt het hof het volgende. De notarissen hebben uitgelegd dat zij gelden die als “Kadasterkosten” bij hun cliënten in rekening worden gebracht na ontvangst doorboeken naar hun kantoorrekening, nu dat geen derdengelden zijn. Doordat er vanwege de vakantieperiode weinig werk was, is op die rekening in augustus 2011 en wederom in augustus 2012 een zodanig laag saldo ontstaan dat dit na betaling van andere kantoorkosten, zoals personeelskosten, ontoereikend was om de nota’s van het Kadaster te voldoen. De notarissen hebben hierbij aangegeven dat zij niet bewust ervoor hebben gekozen om andere kosten eerst te voldoen, maar dat erin is geslopen.

5.2.2.

Niet in geschil is dat voor het Kadaster bestemde gelden in formele zin geen derdengelden zijn. Dit betekent naar ’s hofs oordeel echter niet dat deze met een specifiek doel geïnde gelden ter voldoening van andere (kantoor)kosten mogen worden gebruikt, zeker gezien de consequentie daarvan, te weten afsluiting van de digitale toegang tot het Kadaster. Door dit - zelfs tot tweemaal toe - wel te doen hebben de notarissen naar het oordeel van het hof klachtwaardig gehandeld. Dat, naar het zich laat aanzien, uiteindelijk niemand door de afsluitingen is benadeeld, doordat de notarissen tegen contante betaling hun zaken aan de balie van het Kadaster konden regelen, is in dit verband niet van belang. Het hof acht klachtonderdeel a, anders dan de kamer, dan ook gegrond.

5.3.1.

Klachtonderdeel c heeft betrekking op de brief van 15 juli 2009 van [notaris] aan het Kadaster. Met de kamer is het hof van oordeel dat de KNB in dit klachtonderdeel kan worden ontvangen. Ook in hoger beroep is immers onweersproken gebleven dat de KNB eerst op 8 november 2011 van deze brief heeft kennisgenomen, zodat de in artikel 99 lid 12 (oud) Wna (met ingang van 1 januari 2013 vernummerd tot lid 15) bedoelde termijn van drie jaar pas op die datum is aangevangen en de KNB haar klacht op 6 september 2012 dus tijdig heeft ingediend.

5.3.2.

Voormelde brief van 15 juli 2009 luidt, voor zover thans van belang:

“Bij deze wil ik u verzoeken of het mogelijk is om de inschrijfdatum te wijzigen, zodanig dat bij de inschrijving wordt vermeld dat de akte al was gepasseerd in het jaar 2008 en niet in 2009. Nu is bij de inzage niet te zien dat de akte van levering reeds op 1 september 2008 was ondertekend.”

Anders dan de KNB, is het hof van oordeel dat uit deze passage niet blijkt dat [notaris] de bedoeling had om (het Kadaster ertoe te bewegen) valsheid in geschrift te plegen. Uit de geciteerde passage blijkt dat [notaris] een aanvulling op de inschrijving wenste te bewerkstelligen, niet een (met de waarheid strijdige) wijziging daarvan. Het doen van een dergelijk verzoek acht het hof niet klachtwaardig. De kamer heeft klachtonderdeel c dan ook terecht ongegrond verklaard.

5.4.

De transactie waarop de brief van 15 juli 2009 ziet, betreft de overdracht van de woning aan [adres] te [plaatsnaam]. Op basis van hetgeen de notarissen hierover ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep hebben verklaard, is komen vast te staan dat dit dossier alleen door [notaris] is behandeld en dat hij het geld voor die woning heeft uitgeboekt terwijl nog geen bewijs van inschrijving van het Kadaster was ontvangen. Gelet hierop verenigt het hof zich met het oordeel van de kamer dat klachtonderdeel e gegrond is. Het hof komt ten aanzien van klachtonderdeel d, anders dan de kamer, eveneens tot dat oordeel. De KNB heeft in hoger beroep verklaard dat met dit klachtonderdeel alleen over het door [notaris] niet voldoen aan de rechercheplicht met betrekking tot deze transactie wordt geklaagd en niet, zoals de kamer

heeft aangenomen, over het meermalen verzaken van die plicht door de notarissen. [notaris] heeft aangevoerd dat wel degelijk recherche heeft plaatsgevonden ten aanzien van de desbetreffende woning, maar dat hem toen niet is opgevallen dat de akte van levering niet was ingeschreven. Hiermee heeft [notaris] evenwel niet gecontroleerd of de inschrijving daadwerkelijk had plaatsgevonden. Dit had hij naar het oordeel van het hof wel moeten doen en in die zin heeft hij dan ook onjuist gehandeld.

5.5.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat het opleggen van een maatregel aan de notarissen gepast en geboden is. Het hof heeft zich er rekenschap van gegeven dat tegen [notaris] alleen klachtonderdeel a gegrond is verklaard en tegen [notaris] ook klachtonderdelen d en e. De handelwijze waarop klachtonderdeel a ziet, is echter dermate onzorgvuldig dat het hof het gerechtvaardigd acht om aan elk van hen de maatregel van berisping op te leggen. Daarbij heeft het hof tevens in aanmerking genomen dat op 15 november 2011 aan zowel [notaris] als aan [notaris] reeds een waarschuwing ter zake van een bewaringstekort is opgelegd, terwijl klachtonderdeel a soortgelijke handelingen betreft en deze handelingen ook deels nog na die waarschuwing hebben plaatsgevonden.

5.6.

Nu het hof zowel ten aanzien van een aantal klachtonderdelen als ten aanzien van de op te leggen maatregelen tot een andere beslissing is gekomen dan de kamer, zal de beslissing van de kamer omwille van de duidelijkheid geheel worden vernietigd.

5.7.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend verder onbesproken blijven.

5.8.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing en, opnieuw rechtdoende:

- verstaat dat klachtonderdeel b is ingetrokken;

- verklaart klachtonderdeel a tegen [notaris] en [notaris] gegrond;

- verklaart klachtonderdeel c tegen [notaris] ongegrond;

- verklaart klachtonderdelen d en e tegen [notaris] gegrond;

- legt aan [notaris] en aan [notaris] ieder de maatregel van berisping op.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.L.G.A. Stille, J.C.W. Rang en J.W. van Zaane en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 24 december 2013 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-

NOTARISSEN TE ARNHEM

Kenmerk: 07.831/2012/21 en 22

Beslissing van de Kamer van Toezicht te Arnhem op de klacht van

de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie

zetelend te ‘s-Gravenhage,

tegen

1.

[notaris],

2.

[notaris],

notarissen te [plaatsnaam],

gemachtigde mr. N. van Mook.

Partijen zullen verder als ‘de KNB’, ‘de notarissen’ (gezamenlijk) of ‘[notaris]’ en ‘[notaris]’ (afzonderlijk) worden aangeduid.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de brief met bijlagen van het bestuur van de KNB van 6 september 2012, waarin de klacht tegen de notarissen is neergelegd, tevens verzoek tot schorsing van de notarissen op grond van artikel 106 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: ‘Wna’);

- de brief met bijlagen van de gemachtigde van de notarissen van 14 september 2012;

- de mondelinge behandeling van het verzoek tot schorsing op 20 september 2012;

- de beslissing van de voorzitter van de Kamer van 20 september 2012 tot afwijzing van het verzoek tot schorsing;

- de brief met bijlagen van de gemachtigde van de notarissen van 3 oktober 2012, inhoudende een aanvulling op het verweer van de notarissen;

- de brief van het Bureau Financieel Toezicht van 19 oktober 2012 ter zake van de financiële positie van het kantoor van de notarissen;

- de mondelinge behandeling van de klacht op 2 november 2012, waarbij zijn verschenen de heer mr. W.J. Geselschap namens de KNB alsmede de notarissen bijgestaan door mr. Van Mook voornoemd;

- de pleitnotities van mr. Geselschap en mr. Van Mook.

2. De feiten

2.1.

In een brief van 15 juli 2009 schrijft [notaris] aan het Kadaster, voor zover hier van belang:

Op 1 september 2008 is voor mij verleden de akte van levering waarbij is overgedragen het appartement plaatselijk bekend

[adres] [plaatsnaam]

(…)

Op 2 september 2008 zijn door mij de stukken klaargezet voor Web Elan. Om een voor mij onverklaarbare reden zijn de stukken niet aangekomen bij het Kadaster, aangezien bij latere controle is gebleken dat de akte niet was ingeschreven.

Door mij is alsnog op 9 maart 2009 de akte ingeschreven bij het Kadaster (…)

Bij deze wil ik u verzoeken of het mogelijk is om de inschrijfdatum te wijzigen, zodanig dat bij de inschrijving wordt vermeld dat de akte al was gepasseerd in het jaar 2008 en niet in 2009. Nu is bij de inzage niet te zien dat de akte van levering reeds op 1 september 2008 was ondertekend.

(…)

2.2.

Vanwege betalingsachterstanden bij het Kadaster is het kantoor van de notarissen medio augustus 2011 afgesloten van digitale toegang tot de registers van het Kadaster.

2.3.

Medio augustus 2012 is het kantoor van de notarissen opnieuw afgesloten van de toegang tot de digitale registers. De afsluiting heeft twee weken geduurd.

3 De klacht

3.1.

De KNB heeft verzocht de notarissen uit het ambt te ontzetten. De KNB voert daartoe de volgens klachtonderdelen aan:

  1. Uit de betalingsachterstanden die hebben bestaan bij het Kadaster volgt dat de notarissen gelden bestemd voor het Kadaster hebben gebruikt voor andere doeleinden. De notarissen hebben volgens de KNB dan ook handelingen verricht waarvan zij redelijkerwijs moesten verwachten dat deze ertoe zouden kunnen leiden dat zij niet zouden kunnen voldoen aan hun financiële verplichtingen, een en ander als bedoeld in artikel 23 lid 1 Wna.

  2. De notarissen waren in de periodes dat het kantoor door het Kadaster was afgesloten van digitale toegang tot het register niet in staat te voldoen aan hun rechercheplicht.

  3. [notaris] heeft in de brief van 15 juli 2009 aan het Kadaster verzocht valsheid in geschrifte te plegen.

  4. De notarissen nemen het niet zo nauw met hun rechercheplicht.

  5. [notaris] heeft met betrekking tot de in de brief van 15 juli 2009 bedoelde transactie gelden uitgeboekt terwijl nog geen bewijs van inschrijving van het Kadaster was ontvangen.

3.2.

De notarissen hebben gemotiveerd verweer gevoerd. De Kamer zal daarop hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.

4 De beoordeling van de klacht


4.1. Ingevolge artikel 98 lid 1 Wet op het notarisambt zijn notarissen aan het tuchtrecht onderworpen terzake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij de zorg die zij als notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. De Kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notarissen een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert. De Kamer overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van de klachtonderdelen a. en b.

4.2.

De notarissen hebben aangevoerd dat de bij cliënten geïnde, voor het Kadaster bestemde, gelden in formele zin geen derdengelden zijn en (dus) niet behoren tot de bewaring. Het gaat om kantoorkosten. De KNB heeft dat ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 2 november 2012 erkend, zodat dat verder niet ter discussie staat. Dat laat echter onverlet de vraag of de notarissen klachtwaardig hebben gehandeld door tweemaal een aanzienlijke betalingsachterstand bij het Kadaster te laten ontstaan.

4.3.

Vast staat dat de notarissen niet aan al hun financiële verplichtingen konden voldoen omdat het saldo op de kantoorrekening daarvoor ontoereikend was. Dat de notarissen ervoor hebben gekozen de rekeningen van het Kadaster geen prioriteit te geven is zonder nadere toelichting die ontbreekt op zich, hoewel naar het oordeel van de Kamer toegang tot het Kadaster de kerntaak van de notaris raakt, niet klachtwaardig nu niet is gebleken dat de notarissen daarmee enig risico hebben genomen dat hun cliënten daardoor benadeeld werden.

4.4.

De KNB heeft op dat punt wel gesteld dat de notarissen niet aan hun rechercheplicht konden voldoen ten tijde van de afsluiting, maar dat is door de notarissen gemotiveerd weersproken. Zij hebben aangevoerd dat het Kadaster hen wel toestond tegen contante betaling recherches konden verrichten en aan de balie aktes in te schrijven. De notarissen ontvingen van het Kadaster vervolgens per fax de bewijzen van inschrijving. Dat is door de KNB niet betwist. De KNB heeft (eerst) ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 2 november 2012 aangevoerd dat de notarissen dienen aan te tonen dat zij voor iedere van de in de periodes van afsluiting gepasseerde akte aan hun rechercheplicht hebben voldaan. Naar het oordeel van de Kamer kan de KNB echter, gelet op haar rol van klager in deze procedure, niet met die enkele stelling volstaan. Het was aan de KNB het gestelde klachtwaardige gedrag van de notarissen te onderzoeken en daarbij zo nodig de notarissen te verzoeken de repertoria en verleden aktes over te leggen. Indien de notarissen aan een dergelijk verzoek niet zouden hebben voldaan, had de KNB zich in deze procedure kunnen opstellen als zij thans heeft gedaan. De KNB heeft echter enkel in zijn algemeenheid gesteld dat de notarissen niet aan hun rechercheplicht konden voldoen of hebben voldaan, hetgeen in het licht van voornoemde gemotiveerde betwisting door de notarissen door de KNB onvoldoende is onderbouwd.

4.5.

Op grond van het vorenstaande kan niet worden aangenomen dat de notarissen niet aan hun rechercheplicht hebben voldaan of konden voldoen in de periodes van afsluiting. Evenmin is door de KNB voldoende gesteld om te oordelen dat de notarissen een onverantwoord risico hebben genomen door te handelen op de wijze zoals zij hebben gedaan. Niet aangevoerd of gebleken is dat het Kadaster bij betalingsachterstanden op enig moment ook inschrijvingen ‘aan de balie’, tegen contante betaling, niet meer toestaat en de notarissen er dus ernstig rekening mee moesten houden dat zij door de betalingsachterstanden niet aan hun rechercheplicht zouden kunnen voldoen. Uit het door de notarissen gestelde volgt het tegendeel, omdat zij van een aantal aktes hebben getoond recherche te hebben verricht en derhalve te hebben kunnen verrichten op de wijze zoals door hen gesteld. Ook op dit punt schiet de onderbouwing door de KNB van haar klacht tekort.

4.6.

Deze klachtonderdelen zijn derhalve ongegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel c.

4.7.

Beoordeeld dient te worden of de KNB, gelet op het bepaalde in artikel 99 lid 12 Wna, ontvangen kan worden ter zake van dit klachtonderdeel met betrekking tot de brief van 15 juli 2009. De Kamer is van oordeel dat de KNB ontvankelijk is omdat zij onweersproken heeft gesteld dat de brief van [notaris] haar (eerst) op 8 november 2011 ter kennis is gekomen. De in artikel 99 lid 12 Wna bedoelde termijn van drie jaar is daarom eerst op die datum aangevangen, zodat de KNB door de indiening van haar klacht op 6 september 2012 binnen de klachttermijn over die handeling heeft geklaagd.

4.8.

Anders dan door de KNB aangevoerd, kan de brief van [notaris] naar het oordeel van de Kamer niet worden geduid als een verzoek tot het plegen van valsheid in geschrifte. De, door de KNB in haar pleitnota (te) selectief geciteerde, passage uit de brief dient naar het oordeel van de Kamer te worden opgevat als een verzoek tot het doen van een aanvullende vermelding, niet als een verzoek tot het – in strijd met de waarheid – wijzigen van de inschrijving. Daargelaten of het door [notaris] verzochte mogelijk is, is het doen van een dergelijk verzoek, nu op dat punt door de KNB overigens niets is aangevoerd en evenmin is gebleken, niet klachtwaardig.

Ten aanzien van klachtonderdeel d.

4.9.

De KNB leidt uit het verzoek van [notaris] af, zo verstaat de Kamer het in de klachtbrief van 6 september 2012 op pagina 2 bovenaan gestelde, dat de notarissen het (in zijn algemeenheid) niet zo nauw nemen met hun rechercheplicht.

4.10.

De notarissen hebben erkend dat in het in de brief van 15 juli 2009 bedoelde geval, de overdracht van de woning aan [adres] te [plaatsnaam], klaarblijkelijk onvoldoende adequate narecherche heeft plaatsgevonden. Het was hen immers niet opgevallen dat geen bewijs van inschrijving was ontvangen.

4.11.

De Kamer stelt voorop dat onweersproken is dat [notaris] het bedoelde dossier heeft behandeld en dat [notaris] daarmee geen bemoeienis heeft gehad. Voor zover de klacht erop ziet dat de kantoororganisatie van de notarissen niet voldoet, is die klacht door de KNB derhalve onvoldoende onderbouwd. Aangevoerd noch gebleken is immers op welke wijze die gedraging aan [notaris] kan worden verweten.

4.12.

Wel is het de Kamer opgevallen dat in een aantal van de door de notarissen overgelegde stukken, met betrekking tot door hen gepasseerde aktes uit de narecherche niet blijkt van een inschrijving in register hypotheken 4 van de daartoe bestemde openbare registers en daarmee op de attendering van een wijziging van eigenaar. De Kamer wijst op de door de notarissen overgelegde stukken met betrekking tot de woningen aan [adres] in [plaatsnaam] en aan [adres] in [plaatsnaam]. De notarissen hebben daarvan echter gesteld dat zij de hiervoor genoemde faxberichten van het Kadaster hebben ontvangen met bewijzen van inschrijving. Door de KNB is dat onweersproken gelaten, zodat niet van een meermalen tekortschieten op dit punt en aldus een gebrek in de kantoororganisatie van de notarissen kan worden uitgegaan. Beoordeeld kan louter worden of [notaris] het niet zo nauw heeft genomen met de rechercheplicht gelet op de gang van zaken met betrekking tot de woning aan [adres] in [plaatsnaam].

4.13.

Onweersproken is de stelling van [notaris] dat het onderhavige geval de enige keer is dat hij een dergelijke fout heeft begaan. Gelet daarop is door de KNB onvoldoende gesteld om de algemene stelling te onderbouwen dat[notaris] het niet zo nauw neemt met de rechercheplicht. Het aldus geformuleerde klachtonderdeel is naar het oordeel van de Kamer dan ook ongegrond.

Ten aanzien van klachtonderdeel e.

4.14.

Door de notarissen is erkend dat het geld voor de woning aan [adres] in [plaatsnaam] is uitgeboekt terwijl (klaarblijkelijk) geen bewijs van inschrijving was ontvangen. Dit klachtonderdeel is daarom gegrond.

Omdat onweersproken is, zoals hiervoor uiteengezet, dat louter [notaris] daarvoor verantwoordelijk is, oordeelt de Kamer dat [notaris] op dit punt klachtwaardig heeft gehandeld.

Slotsom

4.15.

De Kamer is van oordeel dat de gebleken feiten en omstandigheden - de aanzienlijke schuld aan het Kadaster en het (daardoor) op ‘ouderwetse’ wijze rechercheren en inschrijven - op zichzelf een zorgelijk beeld geven van de toestand van het kantoor van de notarissen en de wijze waarop zij hun praktijk drijven althans hebben gedreven. In deze procedure oordeelt de Kamer uitsluitend over de diverse klachtonderdelen zoals die zijn gesteld en onderbouwd door de KNB als klager. Het had op de weg van de KNB gelegen het door haar gestelde gevaar voor het vertrouwen in het notariaat als gevolg van het handelen door de notarissen van voldoende onderbouwing te voorzien. Gelet op het vorenstaande is dat onvoldoende gebeurd.

4.16.

De Kamer komt tot het oordeel dat alle klachtonderdelen jegens [notaris] ongegrond zijn.

4.17.

Klachtonderdeel e. jegens [notaris] is gegrond. De Kamer is daarover van oordeel dat sprake is van een op zichzelf ernstige fout c.q. omissie. Het is van groot belang dat erop kan worden vertrouwd dat notarissen op juiste wijze de eigendomsoverdracht van woningen tot stand brengen. De Kamer is van oordeel dat het klachtwaardig handelen van de notaris daarom dient te leiden tot het opleggen van een maatregel aan de notaris. Omdat niet is aangevoerd of is gebleken dat [notaris] eerder een dergelijke fout heeft begaan, wordt aan hem de maatregel van waarschuwing opgelegd. Daarbij wordt opgemerkt dat aan [notaris] eerder maatregelen zijn opgelegd, doch nadat de hem thans verweten gedraging reeds had plaatsgevonden. Er is dus in die zin geen sprake van klachtwaardig handelen ondanks de bekendheid met een eerder opgelegde maatregel. Daarom worden de eerder opgelegde maatregelen niet meegewogen bij bepaling van de maatregel in deze procedure.

5 De beslissing

De Kamer van Toezicht

5.1.

verklaart de klacht voor zover die is gericht tegen [notaris] in al zijn onderdelen ongegrond;

5.2.

verklaart de klachtonderdelen als hiervoor weergegeven onder a. tot en met d. tegen [notaris] ongegrond;

5.3.

verklaart het klachtonderdeel als hiervoor weergegeven onder e. tegen [notaris] gegrond en legt aan hem de maatregel van waarschuwing op.

Deze beslissing is gegeven door mr. L.A. van Son, plv. voorzitter, mrs. A.J.V. Tierolff, J.G.T.M. Castrop, M.J. Blaisse en A.A.H.M. Derks, plv. leden, en in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. van Leeuwen, secretaris, uitgesproken in het openbaar op 23 november 2012

De secretaris De plv. voorzitter