Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4706

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
23-12-2013
Zaaknummer
23-004994-12
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bewijs van 'een materiaal bevattende cocaïne'. Onvoldoende steunbewijs voor resultaat MMC test.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/30

Uitspraak

parketnummer: 23-004994-12

datum uitspraak: 18 december 2013

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 19 november 2012 in de strafzaak onder parketnummer 15-183725-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 december 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 augustus 2012 te Wijdewormer, gemeente Wormerland opzettelijk heeft vervoerd/verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [medeverdachte], in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (10 wikkels, bevattende in totaal) ongeveer 10 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof de verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 32 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Verweren strekkende tot bewijsuitsluiting

Nu het hof de verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde op de gronden als hierna vermeld, zal het hof de verweren van de raadsman van de verdachte strekkende tot bewijsuitsluiting niet bespreken.

Vrijspraak

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen verklaard dat de wikkels cocaïne hebben bevat, zodat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft in dat kader naar voren gebracht dat op grond van het resultaat van de kleuren reactietest van M.M.C. International B.V. (hierna: M.M.C. test) en de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] kan worden bewezen verklaard dat de wikkels cocaïne hebben bevat. Voorts heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat de in beslag genomen wikkels met inhoud zijn vernietigd.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en de verklaring van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep blijkt het navolgende:

  • -

    de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] hadden afgesproken dat de verdachte aan de medeverdachte 10 gram cocaïne zou leveren (processen-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] van 31 augustus 2012 en 1 september 2012, dossierpagina 19 en 23),

  • -

    op een parkeerterrein van Burger King te Wijdewormer heeft de verdachte 10 wikkels met witte inhoud aan de medeverdachte verstrekt (processen-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] van 31 augustus 2012 en 1 september 2012, dossierpagina 19 en 23; proces-verbaal van bevindingen van 31 augustus 2012, dossierpagina 10),

  • -

    nadat de verdachte de wikkels aan de medeverdachte had verstrekt, zijn zij beiden aangehouden en zijn de wikkels in beslag genomen (proces-verbaal van bevindingen van 31 augustus 2012, dossierpagina 10),

  • -

    een monster dan wel monsters van de inhoud van de wikkels is respectievelijk zijn onderworpen aan een M.M.C. test, welke test een positieve reactie gaf op cocaïne (proces-verbaal Opiumwet van 4 september 2012, dossierpagina 8),

  • -

    een dergelijk monster is niet onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (proces-verbaal Opiumwet van 4 september 2012, dossierpagina 8),

  • -

    bij de politie en op de terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte geen (inhoudelijke) verklaring willen afleggen (processen-verbaal van verhoor van verdachte van 31 augustus 2012 en 1 en 2 september 2012, dossierpagina’s 28 t/m 45; proces-verbaal van de terechtzitting van 19 november 2012), en

  • -

    op de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat de wikkels geen cocaïne hebben bevat, maar zogenaamde ‘herbal coke’ (proces-verbaal van de terechtzitting van 4 december 2013). De verdachte heeft aldus gehandeld omdat hij de medeverdachte, een vriend van hem, wilde behoeden voor het gebruik van cocaïne en daarom anders dan afgesproken dit materiaal heeft geleverd. Dat hij nu pas deze toelichting heeft gegeven heeft de verdachte gemotiveerd door de verwijzen naar zijn vrees voor de medeverdachte [medeverdachte], die gelijktijdig met hem in eerste aanleg terecht stond.

Het hof stelt voorop dat, hoewel doorgaans een onderzoek uitgevoerd door het NFI leidt tot de vaststelling dat in beslag genomen materiaal al dan niet cocaïne bevat, onder omstandigheden het resultaat van een M.M.C. test in samenhang met de inhoud van overige bewijsmiddelen kan leiden tot het oordeel dat materiaal zoals vermeld in de tenlastelegging cocaïne heeft bevat. In het onderhavige geval acht het hof dit evenwel niet mogelijk.

Het hof overweegt daartoe dat de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, gelet ook op de omstandigheden waaronder de verdachte de wikkels aan de medeverdachte heeft verstrekt, en de door de verdachte genoemde reden om eerst op die terechtzitting te verklaren dat de wikkels geen cocaïne zouden hebben bevat, veel vragen oproept, onder meer op het punt van betrouwbaarheid.

Ook moet echter worden vastgesteld dat het resultaat van de M.M.C. test, dat een voorlopig karakter heeft, onvoldoende steun kan vinden in de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte]. Deze bevestigt weliswaar dat een overdracht van cocaïne zou plaatsvinden maar hij heeft als gevolg van de onmiddellijke inbeslagneming niet kunnen bevestigen of de wikkels daadwerkelijk cocaïne bevatten.

Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen verklaard dat de wikkels cocaïne hebben bevat, zodat de verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P. Greve, mr. R.C.P. Haentjens en mr. R.M. Steinhaus, in tegenwoordigheid van mr. C. Beuze, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 december 2013.

Mr. R.C.P. Haentjens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.