Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4704

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
12/00198
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:758
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De bewijslast dient op grond van art. 27e AWR onverkort omgekeerd en verzwaard te worden - ook ten aanzien van posten waarvan de bewijslast reeds op belanghebbende rust - aangezien belanghebbende niet (binnen de daarvoor gestelde termijn) aangifte heeft gedaan. Belanghebbende is er niet in geslaagd te doen blijken dat de betaalde hypotheekrente volledig voor ziens rekening diende te komen en op hem heeft gedrukt. De inspecteur had zijn schatting van het inkomen uit sparen en beleggen in redelijkheid niet mede mogen baseren op het renseignement. De inspecteur heeft zich in redelijkheid echter wel op het standpunt kunnen stellen dat belanghebbende uit hoofde van betrokkenheid bij drugstransporten in het onderhaivge jaar financieel voordeel heeft genoten. Belanghebbende heeft het tegendeel niet doen blijken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2931
FutD 2014-0016
FutD 2014-0017
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 12/00198

19 september 2013

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X], te [Z], belanghebbende,

gemachtigde: drs. A. de Hoogd

alsmede

op het incidenteel hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst Holland-Noord/kantoor Zaandam, de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/2744 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen belanghebbende en de inspecteur

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 17 december 2010 aan belanghebbende voor het jaar 2007 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.695 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.311. Bij gelijktijdig genomen beschikking heeft de inspecteur € 1.331 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 7 april 2011, de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 26 januari 2012, heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de belastingaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.695 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.751 en de inspecteur gelast de heffingsrente dienovereenkomstig te verminderen.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 2 maart 2012, aangevuld bij brief van 28 maart 2012. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld waarop belanghebbende heeft geantwoord bij brief van 25 juni 2012.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.1.

De rechtbank heeft de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.1. Aan eiser is op of omstreeks 28 februari 2008 een aangifte IB/PVV 2007 uitgereikt. De inlevertermijn van deze aangifte eindigde op 1 april 2008. Nadat indiening van de aangifte binnen deze termijn uitbleef, heeft verweerder de onder 1.1 vermelde aanslag opgelegd.

2.2.

Eiser heeft bij nader stuk, door de rechtbank ontvangen op 19 juli 2011, een aangiftebiljet IB/PVV 2007 gevoegd. In deze aangifte geeft eiser een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.484 aan en geen inkomsten uit sparen en beleggen. Het inkomen uit werk en woning is als volgt opgebouwd:

- Inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking € 46.695

- Eigen woning € -/- 10.211

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 36.484

2.3.1.

Eiser was in het onderhavige jaar tezamen met [A] (hierna: [A]) (ieder voor de onverdeelde helft) eigenaar van de onroerende zaak aan de[A-straat 1] te [Q]. Ter zake van deze onroerende zaak is een hypothecaire lening ad € 232.500 afgesloten bij [bank 1]. In de jaaropgave 2007 van [bank 1] is onder meer het volgende vermeld:

“[...] Hypotheek saldo 31-12-2006 saldo 31-12-2007 in rekening

Nr soort gebrachte rente

01 afl. vrijdag € 232.500,00 € 232.500,00 € 11.256,91

Kosten in 2007 in rekening gebracht € 11,61

Specificatie kosten:

Vertragingsrente € 0,61

Achterstandskosten € 11,00”

2.3.2.

Eiser en [A] zijn niet met elkaar gehuwd in het onderhavige jaar en evenmin bestaat er tussen hen een geregistreerd partnerschap.

2.3.3.

In een “akte houdende veilingvoorwaarden” is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Heden, [datum], is voor mij, [naam], notaris te [plaats] verschenen:

[naam] (…), te dezen handelend als schriftelijk gevolmachtigde van de naamloze vennootschap [bank 1], gevestigd te [plaats] (…), hierna ook te noemen: “de verkoper”of : “bank” (…).

(…)

Omschrijving registergoed

HET WOONHUIS met erf, tuin, ondergrond en verdere aanhorigheden plaatselijk bekend te [postcode] [Q],[A-straat 1], kadastraal bekend gemeente [Q], (…).

EIGENAAR

Tot dit registergoed is gerechtigd:

- de heer [X], geboren te [plaats] op [datum], wonende te [postcode] [Q], [straat], ongehuwd en niet geregistreerd als partner;

- [A], geboren te [plaats] op [datum], wonende te [postcode] [plaats], [straat], ongehuwd en niet geregistreerd als partner,

hierna tezamen te noemen: eigenaar;

(…)

HYPOTHEEK

Het registergoed is bezwaard met een eerste hypothecaire inschrijving ten behoeve van de bank, met een geldlening, oorspronkelijk in hoofdsom groot twee honderd twee en dertig duizend vijf honderd euro (€ 232.500,00), blijkens een akte van geldlening met hypotheekstelling, op [datum] verleden voor een waarnemer van [naam], notaris te [Q] (…).

Deze akte strekt tot zekerheid van de betaling door genoemde heer [X], en [A], hierna tezamen te noemen: “schuldenaar”, van de hoofdsom, alsmede al hetgeen de schuldenaar aan de bank verschuldigd mocht zijn of worden zowel terzake van reeds verstrekte of alsnog te verstrekken geldleningen als terzake van kredieten dan wel uit welke hoofden ook zulks tot een maximum van twee honderd twee en dertig duizend vijf honderd euro (€ 235.500,00), met renten, boeten, kosten en premies begroot op een honderd zestien duizend twee honderd vijftig (€ 116.250,00), dus tezamen ten belope drie honderd acht en veertig duizend zeven honderd vijftig euro (€ 348.750,00).

(…)”

2.4.

In de databank van de Belastingdienst is voor het jaar 2007 een renseignement opgenomen betreffende rekeningnummer [rekeningnummer], ten name van eiser. Volgens dit renseignement was het saldo op dit rekeningnummer begin 2007 nihil en eind 2007 € 126.482 en is een bedrag aan rente ontvangen van € 3.216. Voorts is een renseignement opgenomen betreffende een op naam van eiser staande effectenportefeuille. De waarde van deze portefeuille is volgens dit renseignement vanaf 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 € 1.108.

2.5.

Eiser is bij vonnis van de rechtbank Haarlem van 23 december 2008, nr. 15/840161-07, strafrechtelijk[e] veroordeeld wegens betrokkenheid bij een achttal drugstransporten, waarbij zo’n 27 kilo cocaïne is ingevoerd.”

2.2.1.

Nu partijen geen bezwaren hebben aangevoerd tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten, zoals hiervoor aangehaald, zal ook het Hof van deze feiten uitgaan.
In aanvulling hierop stelt het Hof het volgende vast.

2.2.2.

Het in de uitspraak van de rechtbank onder 2.2 genoemde bedrag van (negatief) € 10.211 is in de (te laat gedane) aangifte vermeld als het saldo van de geclaimde rente-aftrek van € 11.267 en een bedrag van € 1.056 als eigenwoningforfait.

2.2.3.

In het vonnis van de rechtbank Haarlem van 23 december 2008, nr. 15/840161-07, is het volgende opgenomen.

“3.5 Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1. en 2. tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1

hij op tijdstippen in de periode van 22 november 2007 tot en met 4 maart 2008 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of te Amsterdam, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

-omstreeks 29 november 2007, een grote hoeveelheid cocaïne (zaaksdossier B2) en

-op 12 december 2007, 4.010 gram cocaïne (zaaksdossier B3) en

-op 12 december 2007, 3.997 gram cocaïne (zaaksdossier B4) en

-op 27 januari 2008, ongeveer 1.170 gram cocaïne (zaaksdossier B10) en

-op 31 januari 2008, 780 gram cocaïne (zaaksdossier B11) en

-op 5 februari 2008, 2.975 gram cocaïne (zaaksdossier B13) en

-op 26 februari 2008, 2.383 gram cocaïne (zaaksdossier B15) en

-op 4 maart 2008, 7.989 gram cocaïne (zaaksdossier B16).

Feit 2

hij op tijdstippen in de periode van 22 november 2007 tot en met 4 maart in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen,

- zich en anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen voorhanden heeft gehad waarvan hij, verdachte en/of zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit

hebbende verdachte en/of zijn mededaders, telkens daartoe

- meermalen met elkaar en/of met opdrachtgevers uit het buitenland telefonisch contact gehad en/of

- meermalen afspraken gemaakt en/of overleg gehad met elkaar over het uit vliegtuigen halen van verdovende middelen en/of

- meermalen inlichtingen ingewonnen en/of verstrekt en/of

- meermalen elkaar ontmoet en/of

- zich als werknemer van Asito of KLM of CSU, al dan niet tijdens werktijd, beschikbaar gesteld en vervolgens gehouden om meermalen verdovende middelen uit vliegtuigen op de luchthaven Schiphol te halen en/of

- foto’s voorhanden gehad van verbergplekken in vliegtuigen.”

3 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de aanslag IB/PVV 2007 naar het juiste bedrag is opgelegd. Dit geschil betreft primair de vragen of belanghebbende recht heeft op aftrek van kosten van de eigen woning en of de inspecteur terecht een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking heeft genomen. Indien beantwoording van die vragen ertoe leidt dat de aanslag zou moeten worden verminderd, is vervolgens in geschil of – bij wege van interne compensatie – het belastbare inkomen in verband met betrokkenheid van belanghebbende bij drugstransporten verhoogd kan worden met een zodanig bedrag dat de opgelegde aanslag toch niet te hoog is vastgesteld.

In debat is, voorts, in hoeverre sprake dient te zijn van omkering en/of verzwaring van de bewijslast.4. Beoordeling van het geschil

Omkering en verzwaring van de bewijslast

4.1.

De rechtbank heeft inzake de omkering en verzwaring van de bewijslast het volgende overwogen.

“4.1. Nu eiser verweerders stelling dat hij geen aangifte heeft gedaan, althans niet binnen de daarvoor gestelde termijn, niet heeft betwist, volgt de rechtbank verweerder in zijn stelling dat de bewijslast omgekeerd en verzwaard dient te worden in de zin van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). De door eiser gestelde omstandigheid dat hij niet tijdig over de benodigde gegevens beschikte om aangifte te doen, kan hem niet baten, nu het op zijn weg lag om hieromtrent tijdig passende maatregelen te treffen.

4.2.Ingevolge artikel 27e van de AWR verklaart de rechtbank het beroep ongegrond indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Het vorenstaande betekent dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard, tenzij eiser overtuigend aantoont dat de bestreden uitspraak onjuist is. Hierbij dient in acht te worden genomen dat de aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar dient te berusten op een redelijke schatting. Het overtuigend aantonen geldt echter niet met betrekking tot situaties waarbij de bewijslast reeds op eiser rust (HR 3 februari 2006, LJN: AV0821, BNB 2006/204).”

4.2.1.

Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat de bewijslast op grond van artikel 27e AWR omgekeerd en verzwaard dient te worden, aangezien is komen vast te staan dat belanghebbende niet (binnen de daarvoor gestelde termijn) aangifte heeft gedaan. Met de enkele stelling dat hij gedetineerd was, kan belanghebbende zich daarvan niet disculperen.

4.2.2.

Onder verwijzing naar het arrest HR 3 februari 2006, BNB 2006/204, acht de rechtbank de omkering en verzwaring van de bewijslast niet van toepassing met betrekking tot situaties waarin deze bewijslast reeds op belanghebbende rust. Op dit punt volgt het Hof de rechtbank niet in haar oordeel. In situaties waarin toepassing van artikel 27e AWR berust op het niet (tijdig) doen van de vereiste aangifte als bedoeld in artikel 8 AWR is de omkering en verzwaring van de bewijslast naar het oordeel van het Hof onverkort van toepassing. Voor het onderhavige geval betekent dat (onder meer) dat belanghebbende ook ter zake van de door hem gestelde hypotheekrente ervan dient te doen blijken dat en voor welk bedrag deze door hem is betaald (verzwaarde bewijslast).

Aftrek van hypotheekrente

4.3.1.

De rechtbank heeft ter zake van de aftrek van hypotheekrente het volgende overwogen:

“4.4. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op een aftrek van € 11.267 aan rente en kosten ter zake van de eigen woning en heeft ter onderbouwing daarvan de onder 2.3.1 genoemde jaaropgave verstrekt. Verweerder heeft hiertegenover gesteld dat voor zover aftrek al aan de orde is, deze hoe dan ook niet meer kan bedragen dan het aandeel van eiser in de eigendom van de woning van 50%. Voorts heeft verweerder het standpunt ingenomen dat er in 2007 in het geheel geen recht bestaat op aftrek, omdat eiser in 2007 geen rente en kosten heeft betaald. De jaaropgave van [bank 1] vermeldt alleen de voor het jaar 2007 in rekening gebrachte rente en kosten, terwijl daarop ook vertragingsrente en achterstandkosten zijn vermeld. Voorts blijkt uit de "akte houdende veilingvoorwaarden" dat er een betalingsachterstand aanwezig was op 14 juli 2010 voor wat betreft op de hypothecaire lening te betalen rente, welke inclusief boeten, kosten en premies werd begroot op € 116.250,00, aldus verweerder.

4.5.

Ingevolge artikel 3.147 van de Wet IB 2001 komen aftrekbare kosten en uitgaven voor inkomensvoorzieningen - voor zover niet anders is bepaald - voor aftrek in aanmerking op het tijdstip waarop zij zijn:

a. betaald;

b. verrekend;

c. ter beschikking zijn gesteld of

d. rentedragend zijn geworden.

4.6.

Gelet op deze bepaling geldt dat voor zover er in 2007 al sprake is van op eiser drukkende rente en kosten met betrekking tot de eigen woning, deze bedragen slechts in 2007 aftrekbaar zijn indien zij ook in dat jaar zijn betaald, verrekend, ter beschikking gesteld of rentedragend zijn geworden. Eiser, op wie de bewijslast rust, heeft dat met de enkele overlegging van de jaaropgaaf van [bank 1] en de ontkenning dat de betalingsachterstand van de rente en kosten ziet op het jaar 2007, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, onvoldoende aannemelijk gemaakt. Reeds hierom faalt het standpunt van eiser en komen de gestelde rente en kosten ter zake van de eigen woning in 2007 niet in aftrek op zijn inkomen."

4.3.2.

Nadat ter zitting in hoger beroep door belanghebbende kopieën van bankafschriften zijn overgelegd, wordt door de inspecteur niet langer betwist dat belanghebbende in het jaar 2007 een bedrag van € 11.256,91 aan hypotheekrente (en € 11,61 aan kosten) heeft betaald aan [bank 1], zijnde het volledige op de hypothecaire lening verschuldigde bedrag aan rente. De inspecteur heeft echter zijn ook in eerste aanleg naar voren gebrachte stelling gehandhaafd dat de aftrek niet groter kan zijn dan de helft van het dat bedrag, omdat belanghebbende, zoals blijkt uit de onder 2.3.3 van de uitspraak van de rechtbank aangehaalde akte (hierna: de akte), de eigendom van de woning aan de[A-straat 1] te [Q] (hierna: de woning) heeft verworven tezamen met[A] die – evenals belanghebbende – voor de hypotheekschuld hoofdelijk aansprakelijk was. De inspecteur ziet – kort gezegd – geen reden waarom de hypotheekrente niet voor de helft op [A] zou drukken. Gelet op deze stelling en met inachtneming van het bepaalde in artikel 27e AWR, ligt het alsdan op de weg van belanghebbende ervan te doen blijken dat de hypotheekrente voor meer dan de helft op hem heeft gedrukt.

4.3.3.

Naast de omstandigheid dat de hypotheekrente volledig van zijn bankrekening is afgeschreven heeft belanghebbende aangevoerd dat [A], nadat zij met hem de woning had verworven, heeft besloten dat zij niet in het huis wilde wonen en dat zij er nooit haar intrek heeft genomen. Op grond van deze omstandigheden stelt belanghebbende dat de hypotheekrente terecht volledig door hem in aftrek is gebracht.

4.3.4.

Uit de akte leidt het Hof af dat belanghebbende voor de onverdeelde helft eigenaar is van de woning en dat de andere onverdeelde helft het eigendom is van [A]. Hiervan uitgaande, heeft het op de weg van belanghebbende gelegen ervan te doen blijken dat de betaalde hypotheekrente volledig voor diens rekening diende te komen en (mitsdien) op hem heeft gedrukt. In dit bewijs acht het Hof belanghebbende niet geslaagd. Dientengevolge bestaat naar het oordeel van het Hof in zoverre geen recht op aftrek.

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

4.4.1.

Met betrekking tot het inkomen uit sparen en beleggen heeft de rechtbank het volgende overwogen:

“4.7. Met betrekking tot het door verweerder vastgestelde inkomen uit sparen en beleggen van € 9.311 overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft - na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld - de onder 2.4 genoemde renseignementen overgelegd. Eiser heeft gesteld dat hij in 2007 noch over effecten noch over spaartegoeden beschikte, dat het rekeningnummer [rekeningnummer] hem niet bekend voorkomt, dat het voor de hand ligt dat dit (7-cijferige) nummer een Postbankrekening betrof en dat de klantenservice van ING-bank hem heeft medegedeeld dit rekeningnummer nimmer uitgegeven te hebben. Eiser heeft met deze - niet nader onderbouwde [-] stellingen (...) echter tegenover de door verweerder overgelegde renseignementen niet overtuigend aangetoond dat hij in 2007 geen inkomsten uit sparen en beleggen heeft genoten. Gelet hierop heeft eiser in zoverre niet doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is."

4.4.2.

In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat hij in 2007 niet over effecten of spaartegoeden beschikte en dat het bankrekeningnr. [rekeningnummer] hem niet bekend voorkomt. De klantenservice van ING-Bank heeft volgens hem verklaard dat nummer nooit te hebben uitgegeven. De inspecteur heeft verwezen naar het oordeel van de rechtbank.

4.4.3.

Desgevraagd heeft de inspecteur ter zitting van het Hof verklaard dat het renseignement als vermeld onder 2.4 van de uitspraak van de rechtbank, afkomstig is van ‘[bank 2]’. Gelet op de stellige en gemotiveerde verklaring van belanghebbende dat hij met deze rekening volstrekt onbekend is en de onwaarschijnlijkheid dat belanghebbende een dergelijk saldo aanhoudt bij ‘[bank 2]’, heeft het op de weg van de inspecteur gelegen om nadere inlichtingen over deze rekening en de tenaamstelling ervan in te winnen. Nu hij dit heeft nagelaten en op dit punt ook overigens geen bewijs heeft bijgebracht heeft de Inspecteur zijn schatting van het inkomen uit sparen en beleggen in redelijkheid niet (mede) mogen baseren op het renseignement.

4.4.4.

Nu de inspecteur – behoudens hetgeen hierna wordt overwogen met betrekking tot inkomsten uit hoofde van betrokkenheid bij drugstransporten – niets heeft gesteld waaruit kan volgen dat belanghebbende enig ander vermogen in box 3 heeft bezeten dan de onder 2.4 van de uitspraak van de rechtbank vermelde effectenportefeuille van € 1.108, concludeert het Hof dat het inkomen uit sparen en beleggen met inaanmerkingneming van het heffingvrije vermogen nihil bedraagt.

Tussenconclusie

4.5.

Op grond van het vorenoverwogene zou belanghebbende in aanmerking komen voor een vermindering van het door de inspecteur vastgestelde belastbare inkomen uit werk en woning met een bedrag van € 5.106 (de helft van het saldo van inkomsten en aftrekposten van de eigen woning) op het door de inspecteur vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning, en zou het belastbare inkomen uit sparen en beleggen tot nihil dienen te worden verminderd. Voor dat geval komt evenwel het beroep van de inspecteur op interne compensatie aan de orde.

Interne compensatie en redelijke schatting

4.6.1.

De rechtbank heeft in 4.8 van haar uitspraak het volgende overwogen:

“De rechtbank zal thans beoordelen of de aanslag berust op een redelijke schatting. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in 2007 (in ieder geval) tot een bedrag van € 46.695 inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking heeft genoten.

Met betrekking tot het inkomen uit sparen en beleggen overweegt de rechtbank dat verweerder uit de renseignementen afleidt dat eiser per 1 januari 2007 niet beschikte over vermogensbestanddelen en per 31 december 2007 over een totaal van € 127.590. Dit leidt tot een gemiddelde rendementsgrondslag in 2007 van € 63.795. Het inkomen uit sparen en beleggen bedraagt ingevolge artikel 5.1 en 5.2 van de Wet IB 2001 op die grondslag € 1.751 (...) Verweerder heeft ter zake van het hoger vastgestelde inkomen uit sparen en beleggen ten bedrage van € 9.311 enkel verklaard dat niet is te achterhalen hoe dit bedrag is samengesteld. Aldus heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de aanslag in zoverre berust op een redelijke schatting.

Voor zover verweerder onder verwijzing naar de onder 2.5 genoemde uitspraak heeft aangevoerd dat de aanslag niet te hoog is, omdat bij vaststelling daarvan nog geen rekening is gehouden met door eiser genoten inkomsten uit invoer en handel in cocaïne, leidt dat niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft niet gesteld tot welk geschatte bedrag inkomsten uit drugstransport en -handel zouden zijn genoten door eiser, noch heeft verweerder zijn stelling dat de toename van het vermogen in 2007 van nihil naar € 127.590 is te verklaren door invoer en handel in cocaïne op enige wijze onderbouwd. Ook in zoverre kan niet worden gezegd dat de aanslag berust op een redelijke schatting. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat eiser niet is veroordeeld voor de handel in drugs, maar voor betrokkenheid bij de invoer daarvan".

4.6.2.

In incidenteel hoger beroep herhaalt de inspecteur zijn stelling dat (bij wege van interne compensatie) rekening moet worden gehouden met “de verdiensten die belanghebbende heeft gehad in verband met zijn betrokkenheid met de invoer op verschillende data in 2007 van grote hoeveelheden cocaïne”. Het Hof verstaat het standpunt van de inspecteur aldus, dat reeds met de belasting in box 1 over de desbetreffende inkomsten (en dus afgezien van de extra belasting in box 3 in verband met eventuele vermogenscorrecties) het verschil tussen de opgelegde aanslag en de aanslag die op basis van de in 4.5 vermelde tussenconclusie zou moeten worden vastgesteld (ruimschoots) wordt ‘opgevuld’.

4.6.3.

Vaststaat dat belanghebbende op 23 december 2008 strafrechtelijk is veroordeeld ter zake van betrokkenheid bij een achttal drugstransporten, waarvan drie in het onderhavige jaar hebben plaatsgevonden. Naar 's Hofs oordeel heeft de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat belanghebbende uit hoofde van die betrokkenheid in het onderhavige jaar financieel voordeel heeft genoten. Ook op dit punt heeft het op de weg van belanghebbende gelegen om ervan te doen blijken dat ter zake geen voordeel door hem is genoten. Tevens acht het Hof de in dit verband door de inspecteur gestelde correctie, bezien in het licht van de in het onderhavige jaar begane feiten waarvoor belanghebbende strafrechtelijk is veroordeeld, ook qua omvang niet onredelijk. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat (reeds) een in aanmerking te nemen wederrechtelijk voordeel in de orde van grootte van € 12.000 (€ 4.000 per drugstransport) ruim voldoende zou zijn om de uit hoofde van de tussenconclusie te verminderen belasting te compenseren.

4.6.4.

Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof gesteld dat hij ter zake van zijn betrokkenheid bij drugstransporten in het geheel niets heeft ontvangen. Met deze (blote) stelling heeft hij naar 's Hofs oordeel niet de onjuistheid van het standpunt van de inspecteur dat belanghebbende inkomsten zal hebben genoten in verband met zijn betrokkenheid bij de invoer van cocaïne doen blijken. De enkele omstandigheid dat tegen belanghebbende ter zake van die betrokkenheid geen ontnemingsvordering is ingesteld brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

4.6.5.

Ook overigens heeft belanghebbende niet ervan doen blijken dat, met in aanmerkingneming van inkomsten uit hoofde van betrokkenheid bij drugstransporten, de aanslag te hoog is vastgesteld.

Slotsom

4.7.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat het incidenteel hoger beroep gegrond is. Het Hof zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen en, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep ongegrond verklaren

5 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is gedaan door mrs. J. den Boer, voorzitter van de belastingkamer, E.A.G. van der Ouderaa en H.N. van der Kolk, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Detweiler-Cox als griffier. De beslissing is op 19 september 2013 in het openbaar uitgesproken. De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.