Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4703

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
12/00083 en 12/00084
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beleggingen en tegoeden op beleggingsrekeningen ten name van de dga hebben tot het vermogen van de dga behoord tot het moment waarop deze in opdracht van de dga zijn overgeboekt naar rekeningen van de BV. De inspecteur heeft het belastbare inkomen terecht gecorrigeerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2912
FutD 2014-0019
NTFR 2014/1196 met annotatie van Mr. A.J.M. Arends
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 12/00083 en 12/00084

5 september 2013

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[A], wonende te [Z], belanghebbende,

gemachtigde mr. E.M. van Zelm (Van Zelm c.s. Advocaten te De Bilt),

tegen de uitspraak in de zaken AWB 10/542 en AWB 10/543 van de rechtbank Haarlem in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Utrecht Orteliuslaan,

de inspecteur,

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 21 juni 2006 aan belanghebbende voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 121.043 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 156.233. Bij gelijktijdig genomen beschikkingen heeft hij een bedrag van € 11.045 aan heffingsrente in rekening gebracht en een vergrijpboete van € 5.355 opgelegd.

1.1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak gedagtekend 15 december 2009 de navorderingsaanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 121.043 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 138.111. Voorts heeft hij de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd tot € 8.500 en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.2.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 21 juni 2006 voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 417.589 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 33.968. Bij gelijktijdig genomen beschikking heeft hij een bedrag van € 3.150 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak gedagtekend 15 december 2009 de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 417.589 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 9.405. Voorts heeft hij de in rekening gebrachte heffingsrente verminderd tot € 1.678.

1.3.

Bij uitspraak van 12 december 2011 heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het tegen de in 1.1.2 en 1.2.2 vermelde uitspraken op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep van belanghebbende is bij het Hof ingekomen op 19 januari 2012, aangevuld bij brieven van 16 februari 2012. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Van belanghebbende zijn op 22 april 2013 nadere stukken ingekomen.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2013. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaken met kenmerk 12/00085 tot en met 12/00087 betreffende aan [X BV]opgelegde aanslagen in de vennootschapsbelasting en dividendbelasting. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

Hier gelden als ingelast de feiten die onder 2.1 tot en met 2.12 zijn vermeld in de gelijktijdig gedane uitspraak in de zaak met kenmerk 12/00085 tot en met 12/00087 betreffende [X BV], van welke uitspraak een afschrift aan deze uitspraak is gehecht. Daarbij dient 'belanghebbende' te worden gelezen als [X BV]en '[A]’ dan wel '[A]' als belanghebbende.

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

In hoger beroep is evenals in eerste aanleg in geschil of de inspecteur het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in de jaren 2001 en 2002 terecht heeft gecorrigeerd ter zake van de beleggingen en tegoeden op de drie beleggingsrekeningen.

In hoger beroep betwist belanghebbende niet langer dat de inspecteur heffingsrente conform het wettelijke regime in rekening mocht brengen. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof bevestigd dat - zoals de rechtbank heeft aangenomen - de correctie wegens het privégebruik van een Ferrari alsmede de daarmee verbonden vergrijpboete niet meer in geschil zijn.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4 Beoordeling van het geschil

Uit hetgeen het Hof onder 5.1 tot en met 5.9.2 heeft overwogen in zijn uitspraak in de zaak met kenmerk 12/00085 tot en met 12/00087 betreffende [X BV], welke overwegingen hier als ingelast gelden, volgt dat de beleggingen en tegoeden op de beleggingsrekeningen tot het moment waarop deze in opdracht van belanghebbende zijn overgeboekt naar rekeningen van [X BV], hebben behoord tot het vermogen van belanghebbende. De correcties, die cijfermatig verder niet worden betwist, zijn derhalve terecht aangebracht.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Proceskosten

Het Hof vindt geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Aldus gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, J. den Boer en E.F. Faase, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Detweiler-Cox als griffier. De beslissing is op 5 september 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.