Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4677

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
200.117.290-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Regresvordering als bedoeld in art. 6:10 BW. Ingevolge art. 3:310 BW is de verjaringstermijn vijf jaar vanaf het tijdstip waarop een hoofdelijke schuldeiser meer aan zijn aandeel dan de schuldeiser betaald. Zijn stuitingsbrieven verzonden naar adressen waaraan degene die de regresvordering pretendeert, redelijkwijs kon aannemen dat de medeschuldenaren daar konden worden bereikt, en zijn ze op die adressen aangekomen? Bewijs opdracht. Is de schuld die is betaald een gemeenschappelijke boedelschuld van de erfgenamen, of een eigen schuld van degene die de regresovrdering pretendeert? Deze vraag moet nog worden beantwoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer 200.117.290/01 :

zaaknummer rechtbank Amsterdam 503325/HA ZA 11-2671 :

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 december 2013

inzake

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. E.C. Ramdihal te Amsterdam,

tegen:

1 [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

wonend te [woonplaats],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

wonend te [woonplaats],

3. [GEÏNTIMEERDE SUB 3],

wonend te [woonplaats],

4. [GEÏNTIMEERDE SUB 4],

wonend te [woonplaats],

5. [GEÏNTIMEERDE SUB 5],

wonend te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. E.V. Brunings te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 5 november 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 augustus 2012, gewezen tussen [appellant] als eiser en (onder meer) [geïntimeerden] als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 4 november 2013 doen bepleiten door hun hiervoor genoemde advocaten, [appellant] aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. De bij die pleitnotitie gevoegde (nieuwe) productie 1 is, na bezwaar, door het hof geweigerd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis, voor zover tegen [geïntimeerden] gewezen, zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog

[geïntimeerden] zal veroordelen tot betaling van elk € 29.645,89, vermeerderd met rente over € 15.882,31 en met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis , met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

[appellant] is een broer van [geïntimeerden] De vader van partijen (hierna ook: erflater of vader) dreef bij leven een reisbureau in de vorm van een eenmanszaak, met filialen in Utrecht, Rotterdam en Amsterdam. Na zijn overlijden op 10 november 1993 zijn de filialen in Amsterdam en Rotterdam voortgezet, het filiaal in Amsterdam door [appellant] en het filiaal in Rotterdam door (sommigen van) [geïntimeerden]

Bij vonnis van 22 april 1998 zijn alle partijen (samen met een broer, [X], die in hoger beroep geen partij is, hierna [X]) hoofdelijk veroordeeld tot betaling van hfl. 498.601,64 met rente aan een schuldeiser van het reisbureau, [Y] (hierna: [Y]).

[appellant] (en zijn echtgenote) hebben, nadat [Y] beslag op hun woning had gelegd, hfl. 245.000,= aan [Y] betaald. De rest van de vordering van [Y] is voldaan uit de opbrengst van de executieveiling van een pand aan de [adres], dat tot de boedel behoorde. De moeder van partijen is in 2004 overleden. De boedel van vader (en moeder) is nog niet verdeeld.

3 Beoordeling

3.1.

Inzet van de procedure is een regresvordering van [appellant] op [geïntimeerden] in verband met de betaling van hfl. 245.000,= aan [Y]. De rechtbank heeft deze vordering jegens [geïntimeerden] afgewezen, voor wat betreft [geïntimeerde sub 2] omdat zijn beroep op verjaring slaagde, voor wat betreft de anderen omdat [appellant] onvoldoende had onderbouwd dat de desbetreffende schuld aan [Y] een boedelschuld was.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met zijn grieven op.

3.2

Behoudens [geïntimeerde sub 2] (en [X]), hadden alle thans geïntimeerden verstek laten gaan. Grief II stelt aan de orde dat volgens [appellant] de rechtbank een schijnmotivering heeft gebruikt om de vordering tegen hen af te wijzen, nu zij immers niet in rechte waren verschenen en de vordering niet onrechtmatig of ongegrond was.

Wat daarvan zij, dat aspect mist inmiddels belang nu in hoger beroep E.Premdani c.s. allen zijn verschenen en verweer voeren. In zoverre faalt de grief.

3.3

[geïntimeerden] beroepen zich inmiddels allen op verjaring. [appellant] meent dat dat beroep niet opgaat. Daartoe stelt hij in de eerste plaats dat de verjaringstermijn niet 5 jaar is, maar, op de voet van art. 3:306 jo. 315 BW, 20 jaar.

3.3.1

Het hof is, met [geïntimeerden], van oordeel dat art. 3:315 BW hier toepassing mist. Dit artikel ziet op de “opeising van een nalatenschap”. Daarvan is in casu geen sprake. Het gaat niet om een vordering in het kader van vereffening of verdeling van de boedel, te weten de nalatenschap van erflater; tussen partijen staat vast dat daarvan tot dusver geen sprake is.

Het betreft hier een regresvordering als bedoeld in art. 6:10 BW.

3.3.2

[appellant] meent, dat hij regres kan nemen op [geïntimeerden] omdat hij een groter deel van de schuld aan [Y] heeft betaald dan hem, in de verhouding tot [geïntimeerden], aanging.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 6 april 2012 (LJN BU3784) als volgt overwogen omtrent de in geval van een dergelijke regresvordering toepasselijke verjaringsregeling: Vooropgesteld kan worden dat het hof (…) terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat art. 3:310 lid 1 BW van toepassing is op regresvorderingen uit hoofde van art. 6:10 BW. Een dergelijke regresvordering kan beschouwd worden als een “rechtsvordering tot vergoeding van schade” in de zin van art. 3:310 lid 1, welk begrip een ruime strekking heeft. De rechtsvordering strekt ertoe te voorkomen dat de niet aangesproken schuldenaar ten koste van de aangesproken schuldenaar ongerechtvaardigd wordt verrijkt doordat laatstgenoemde het verschuldigde heeft voldaan voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat (…)

3.6.

Met betrekking tot de vraag op welk moment een regresvordering uit hoofde van art. 6:10 ontstaat, wordt het volgende overwogen. (…)

Daarom moet, anders dan wel is afgeleid uit een aantal eerdere uitspraken van de Hoge Raad (..), tot uitgangspunt dienen dat de regresvordering van een hoofdelijk verbonden schuldenaar pas ontstaat op het moment dat hij de schuld aan de schuldeiser voldoet voor meer dan het gedeelte dat hem aangaat.(…)”

Toepassing van deze regels op dit geval brengt mee, dat de verjaringstermijn vijf jaar is en dat deze is gaan lopen op 17 april 1999, nu partijen het er, blijkens hun uitlatingen ter zitting bij gelegenheid van het pleidooi, over eens zijn dat dit de datum is waarop de betalingen gedaan zijn.

3.4

Nu de dagvaarding in eerste aanleg dateert van 19 oktober 2011 is de vordering dus verjaard, tenzij de verjaring tijdig en deugdelijk is gestuit. Deze stuiting zou, wil zij tijdig zijn, plaats gevonden moeten hebben vóór 18 april 2004.

3.4.1

[appellant] heeft een groot aantal brieven overgelegd die van voor 17 april 1999 dateren; die doen, zoals uit het voorgaande blijkt, voor de stuiting niet ter zake.

3.4.2

De enige door [appellant] overgelegde brieven die een tijdige stuiting zouden opleveren zijn die van 26 juni 2001, volgens [appellant] namens hem verzonden door zijn toenmalige advocaat, mr. Duvekot. Nu [geïntimeerden] betwisten dat zij deze brieven hebben ontvangen en [appellant] daarvan bewijs heeft aangeboden, onder meer door het overleggen van de gegevens van mr. Duvekot aangaande die verzending, zal hij tot het bewijs daarvan worden toegelaten.

Daartoe dient T.Premdani feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat de brieven door hem zijn verzonden naar adressen waarvan hij redelijkerwijs kon aannemen dat [geïntimeerden] aldaar konden worden bereikt, en dat de brieven aldaar zijn aangekomen (HR 14 juni 2013, LJN BZ 4104).

Stuiting jegens één van de broers en zusters werkt niet zonder meer jegens de anderen; nu geen van partijen daaromtrent iets specifieks heeft opgemerkt moet uitgegaan worden van separate stuiting jegens elk van hen.

3.5

Indien [appellant] in dat bewijs niet (ten volle) slaagt is de vordering verjaard (ten opzichte van de broer/zuster ten aanzien van wie het bewijs niet geleverd is).

Indien [appellant] slaagt in dat bewijs is zijn eventuele regresvordering niet verjaard. Niet betwist is dat het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2004 tussen [appellant] en [X] ook stuitende werking toekomt jegens [geïntimeerden], nu zij ter zake van die procedure niet waren gedagvaard, maar wel gesommeerd (dit is ter comparitie in eerste aanleg aan de orde geweest).

Voorts staat vast dat tussen [geïntimeerden] en [appellant] in 2008-2009 is gecorrespondeerd over deze kwestie; overgelegd is in elk geval een brief van mr. Michels aan [appellant] van 14 augustus 2008 namens “de vijf erfgenamen”

([geïntimeerden]), waarop op 5 maart 2009 door/namens [appellant] is gereageerd. Uit de omstandigheid dat [geïntimeerden], naar vast staat, mr. Michels hebben geïnstrueerd ter zake van het schrijven van die brief blijkt dat zij in augustus 2008, dus minder dan 5 jaar na 31 maart 2004, op de hoogte waren van het feit dat [appellant] een vordering op hen pretendeerde (welke vordering inzet is van het onderhavige geding). In de brief van 5 maart 2009 wordt die vordering gehandhaafd.

Uit het voorgaande blijkt, dat in de periode tussen juni 2001 en 19 oktober 2011 geen verjaringstermijn van 5 jaar is voltooid.

3.6

Als [appellant] slaagt in het bewijs zal het hof, te zijner tijd, terugkomen op de overige geschilpunten. Het hof merkt daarover reeds nu op, dat aan het vonnis van 31 maart 2004 en aan het vonnis van 22 april 1998 tussen de partijen in dit geding geen gezag van gewijsde toekomt, zoals zij bij gelegenheid van het pleidooi ook hebben erkend. Dat betekent, dat de centrale vraag die hen verdeeld houdt, te weten of de betalingen van [appellant] zagen op een (gemeenschappelijke) boedelschuld of op een eigen schuld van hem in het kader van zijn bedrijfsvoering en dus los van de boedel, in dit geding beantwoord zal moeten worden. Hoewel niet onmogelijk is dat ook op dat punt bewijslevering noodzakelijk zal zijn ziet het hof uit proceseconomische overwegingen geen aanleiding daarop reeds nu in te gaan.

3.7

Het hof houdt elke verdere beslissing aan.

4 Beslissing

Het hof:

laat [appellant] toe tot het bewijs van zijn stelling dat op of omstreeks 26 juni 2001 aan elk van [geïntimeerden] een stuitingsbrief als overgelegd in productie 5 bij memorie van grieven is verzonden naar adressen waarvan [appellant] redelijkerwijs kon aannemen dat hij [geïntimeerden] daar kon bereiken, en dat deze brieven daar zijn aangekomen;

beveelt dat, indien [appellant] daartoe getuigen wil doen horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, daartoe tot raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam op een nader te bepalen dag en uur;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] uiterlijk op 15 januari 2014 schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de periode van 1 februari 2014 tot 1 april 2014 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een datum te bepalen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken- Röell, A.L.M. Keirse en P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 december 2013.