Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4674

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
200.119.268-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Onverschuldigde betaling aan de erflater. Vordering tot terugbetaling tegen de erven die onder het voorrecht van boedelbeschrijving hebben aanvaard. Vordering tot betaling is niet toewijsbaar. Een dergelijke vordering moet ter vereffening worden ingediend. Wel kan het vorderingsrecht tegen de erven worden vastgesteld, maar de vordering kan vervolgens alleen ten uitvoer kan worden gelegd indien en voorzover de wet dat tegen deze erfgenamen toelaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2014/46

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.119.268/01

zaaknummer rechtbank : 1291742 / HA ZA EXPL 11-404

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 december 2013

inzake

de naamloze vennootschap

NATIONALE NEDERLANDEN LEVENSVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

advocaat: mr. L.A.L. Westerwoudt te Amsterdam,

tegen

1 [gëïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. [geïntimeerde sub 4],

wonende te [woonplaats],

5. [geïntimeerde sub 5],

wonende te [woonplaats],

6. [geïntimeerde sub 6],

wonende te [woonplaats],

7. [geïntimeerde sub 7],

wonende te [woonplaats],

8. [geïntimeerde sub 8],

wonende te [woonplaats],

9. [geïntimeerde sub 9],

wonende te [woonplaats],

10. [geïntimeerde sub 10],

wonende te [woonplaats],

11. [geïntimeerde sub 11],

wonende te [woonplaats],

12. [geïntimeerde sub 12],

wonende te [woonplaats],

13. [geïntimeerde sub 13],

wonende te [woonplaats],

14. [geïntimeerde sub 14],

wonende te [woonplaats],

15. [geïntimeerde sub 15],

wonende te [woonplaats],

16. [geïntimeerde sub 16],

wonende te [woonplaats],

17. [geïntimeerde sub 17],

wonende te [woonplaats],

18. [geïntimeerde sub 18],

wonende te [woonplaats],

19. [geïntimeerde sub 19],

wonende te [woonplaats],

20. [geïntimeerde sub 20],

wonende te [woonplaats],

21. [geïntimeerde sub 21],

wonende te [woonplaats],

22. [geïntimeerde sub 22],

wonende te [woonplaats],

23. [geïntimeerde sub 23],

wonende te [woonplaats],

24. [geïntimeerde sub 24],

wonende te [woonplaats],

25. [geïntimeerde sub 25],

wonende te [woonplaats],

26. [geïntimeerde sub 26],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. H.G.R. Meulmeester, te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Nationale Nederlanden en [geïntimeerden] genoemd.

Nationale Nederlanden is bij dagvaarding van 14 september 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 11 juli 2012, gewezen tussen – blijkens de tekst van het vonnis – Nationale Nederlanden Verzekeringsmaatschappij N.V. als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden.

[geïntimeerden] zijn gedagvaard tegen 20 augustus 2013.

Bij een aan Nationale Nederlanden betekend anticipatie-exploot van 14 december 2012 hebben [geïntimeerden] de in genoemde dagvaarding vermelde roldatum doen vervroegen tot 8 januari 2013.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, tevens akte vermeerdering van eis, met een productie;

- memorie van antwoord, tevens exceptie van niet-ontvankelijkheid, tevens bezwaar tegen vermeerdering van eis, met producties;

- akte uitlating niet-ontvankelijkheid.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Nationale Nederlanden heeft, na vermeerdering van eis, geconcludeerd dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest [geïntimeerden] overeenkomstig hun erfdeel als genoemd in de verklaring van erfrecht zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 23.889,43, te vermeerderen met rente en kosten als nader in het petitum van de memorie van grieven is vermeld.

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot honorering van hun bezwaar tegen de vermeerdering van de eis en tot afwijzing van de vordering van Nationale Nederlanden, met veroordeling van laatstgenoemde in de kosten van de beide instanties.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het in deze zaak op 30 mei 2012 gewezen tussenvonnis onder 2.1 tot en met 2.10 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Deze zaak betreft – zakelijk samengevat – het volgende:

a. tussen Nationale Nederlanden en [erflater] ( hierna ook: de erflater) is een levensverzekering tot stand gekomen met het polisnummer 9561563;

b. op 22 februari 2007 heeft Nationale Nederlanden uit hoofde van die levensverzekering aan de erflater een bedrag van € 23.889,43 uitgekeerd;

c. op 24 februari 2007 is de erflater overleden;

d. in de notariële verklaring van erfrecht, opgemaakt op 6 november 2007, is onder meer het volgende vermeld. De erflater heeft niet bij uiterste wil over zijn nalatenschap beschikt, zodat de wettelijke regels omtrent erfopvolging van toepassing zijn. De erflater is ongehuwd gebleven. Op zijn sterfdag had de erflater geen afstammelingen, geen broers of zusters en geen ouders meer. Uit het huwelijk van de grootouders van de erflater waren op zijn sterfdag 31 afstammelingen in leven. Eén van hen heeft de nalatenschap verworpen, vier van hen hebben het erfdeel aanvaard en 26 van hen hebben de nalatenschap aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. De erfgenamen die de nalatenschap – zuiver dan wel beneficiair – hebben aanvaard worden hierna tezamen aangeduid als: de erfgenamen [erflater];

e. de geïntimeerden – [geïntimeerden] – hebben de nalatenschap aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving;

f. Het polisblad van de levensverzekering vermeldt:

“ Gedurende de onderstaande periode is de daarnaast vermelde uitkering op jaarbasis verzekerd, doch uitsluitend indien op de rentevervaldag aan de hiernaast vermelde voorwaarde is voldaan.”

De “onderstaande periode” is de periode vanaf 1 maart 2003 tot aan de dag van overlijden van de verzekerde. De verzekerde uitkering betreft een bedrag van € 29.750,00 op jaarbasis. De betrokken voorwaarde luidt als volgt:

“Indien en zolang de verzekerde in leven is.”

Voorts vermeldt het polisblad onder het kopje “Bijzondere bepalingen”:

“1. Een “uitkering op jaarbasis” wordt uitbetaald in jaarlijkse termijnen achteraf op de zogenaamde “rentevervaldag”, indien op die rentevervaldag aan de bovenaan de desbetreffende kolom vermelde voorwaarde is voldaan.

2. De rentevervaldag is 1 maart. De eerste rentevervaldag is 1 maart 2004.

3. De verzekering vervalt terstond bij het overlijden van de verzekerde. Na verval bestaat er geen recht op enige uitkering.”

g. Bij brief van 7 maart 2007 heeft Nationale Nederlanden de erfgenamen [erflater] het volgende bericht:

“ (…) De verzekering met polisnummer 9561563 is door dit overlijden geëindigd. Daarom zijn wij vanaf 1 maart 2006 geen uitkeringen meer verschuldigd.

Helaas hebben wij de beëindiging van de verzekering niet op tijd in onze administratie kunnen verwerken. Daardoor hebben wij € 23.889,43 overgemaakt, terwijl wij dat bedrag niet schuldig waren. (…) Wilt U zo vriendelijk zijn dit bedrag terug te storten

op onze rekening?”

h. Nationale Nederlanden heeft de erfgenamen [erflater] meermalen – ook door tussenkomst van mr. Meulmeester en een incassobureau – verzocht tot terugbetaling van het over 2007 uitgekeerde bedrag;

i. stellende onder meer dat zij bovengenoemd bedrag onverschuldigd heeft betaald en dat [geïntimeerden] opzettelijk goederen van de nalatenschap hebben onttrokken aan het verhaal van Nationale Nederlanden als schuldeiser, zoals bedoeld in artikel 4:184 lid 2 BW, als gevolg waarvan Nationale Nederlanden zich thans kan verhalen op het vermogen van [geïntimeerden], heeft Nationale Nederlanden, na vermindering van eis, in eerste aanleg gevorderd – kort samengevat – dat [geïntimeerden] hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot betaling aan haar van bovengenoemd bedrag van € 23.889,43, vermeerderd met rente en kosten. Na het tussenvonnis van 30 mei 2012 heeft Nationale Nederlanden bij akte haar vordering uitdrukkelijk beperkt tot een totaalbedrag van € 25.000,00;

j. na tegen die vordering door [geïntimeerden] gevoerd gemotiveerd verweer heeft de kantonrechter in haar eindvonnis van 11 juli 2012 de vordering van Nationale Nederlanden afgewezen en deze in de gedingkosten veroordeeld;

k. tegen die beslissing en de gronden waarop zij berust komt Nationale Nederlanden in haar memorie van grieven op; in die memorie heeft zij tevens haar eis gewijzigd, zoals hierna zal worden vermeld.

3.2.

[geïntimeerden] hebben in hoger beroep allereerst als verweer opgeworpen dat Nationale Nederlanden in haar hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien het vonnis waarvan beroep is gewezen tussen Nationale Nederlanden Verzekeringsmaatschappij N.V. als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagden en het hoger beroep tegen dat vonnis is ingesteld door Nationale Nederlanden Levensverzekeringsmaatschappij N.V., waarbij het - zo begrijpt het hof - in de visie van [geïntimeerden] om verschillende rechtspersonen gaat.

Dat – door Nationale Nederlanden in haar akte uitlating niet-ontvankelijkheid gemotiveerd bestreden – betoog wordt niet gevolgd. Zoals uit de gedingstukken blijkt zijn de dagvaardingen in eerste aanleg uitgebracht ten verzoeke van de naamloze vennootschap Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. In het in deze zaak gewezen tussenvonnis van 25 januari 2012 en in het proces-verbaal van de comparitie van partijen staat deze naam ook vermeld als die van de eiseres. Klaarblijkelijk is als gevolg van een kennelijke vergissing in het eindvonnis van de kantonrechter, waarvan beroep, de eisende partij aangeduid als “de naamloze vennootschap Nationale Nederlanden Verzekeringsmaatschappij N.V.”,

en niet volgens de aanduiding die in de inleidende dagvaardingen staat vermeld en die vervolgens ook weer in de appeldagvaarding is gebruikt. In de gedingstukken is geen enkele aanwijzing te vinden dat het daarbij niet steeds om een en dezelfde rechtspersoon gaat. Het verweer faalt dus.

3.3.

In eerste aanleg heeft Nationale Nederlanden gevorderd hetgeen hiervoor onder 3.1 sub i – kort samengevat – staat vermeld. Die vordering heeft Nationale Nederlanden in hoger beroep gewijzigd, aldus dat zij thans vordert dat [geïntimeerden] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest zullen worden veroordeeld, overeenkomstig hun erfdeel als genoemd in de verklaring van erfrecht, tot betaling van een bedrag van € 23.889,43 te vermeerderen met rente en kosten, alles als nader in het petitum van de memorie van grieven is vermeld.

[geïntimeerden] hebben die tegen wijziging van de eis bezwaar gemaakt, aangezien - zo stellen zij - de grondslag van de vordering, te weten een vordering tot veroordeling op basis van hoofdelijkheid, is gewijzigd in een vordering tot veroordeling overeenkomstig het erfdeel, welke wijziging volgens [geïntimeerden] in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

Dat bezwaar wordt verworpen. Ingevolge het bepaalde in artikel 130 juncto artikel 353 Rv is de eisende partij bevoegd – ook in hoger beroep – om haar eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen, tenzij dit met de eisen van een goede procesorde in strijd is. Van dat laatste is niet gebleken. De wijziging van de eis betreft in essentie slechts de vervanging van een gevorderde hoofdelijke veroordeling van de wederpartijen door een gevorderde veroordeling overeenkomstig ieders erfdeel. Dat [geïntimeerden] zich tegen die gewijzigde eis niet adeqaat hebben kunnen verdedigen is niet aannemelijk geworden – daartoe is ook te weinig gesteld – en al evenmin dat de eisen van een goede procesorde door die wijziging anderszins in het gedrang zouden komen. Het hof zal dus op de gewijzigde eis recht doen.

3.4.

[geïntimeerden] hebben voorts nog opgeworpen dat Nationale Nederlanden in haar (gewijzigde) vordering niet kan worden ontvangen, nu tussen een aantal van hen en Nationale Nederlanden nog een andere procedure in verband met dezelfde erfenis en vordering bij de rechtbank Noord-Holland, Afdeling Privaatrecht, Sectie Kanton, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter te Haarlem) aanhangig is. Zij verwijzen daartoe naar een overgelegd incidenteel vonnis van de kantonrechter te Haarlemvan 6 februari 2013 en de conclusie van repliek van Nationale Nederlanden in de zaak met zaak/rolnummer 575280/CV EXPL 12-12799, met als partijen Nationale Nederlanden als eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, alsmede 28 personen als gedaagden in de hoofdzaak, eisers in het incident, onder welke 28 personen zich 24 personen bevinden die tevens geïntimeerden in de onderhavige zaak zijn. Het enkele feit echter dat aldus tussen deels dezelfde partijen procedures in verband met eenzelfde erfenis en vordering aanhangig zijn brengt nog niet mee dat Nationale Nederlanden in haar vordering in de onderhavige procedure niet-ontvankelijk zou zijn.

Evenmin leidt het enkele feit dat niet alle erfgenamen van de erflater door Nationale Nederlanden in de onderhavige procedure als partij zijn betrokken er toe dat Nationale Nederlanden om die reden niet-ontvankelijk in haar vordering zou zijn. Een dergelijk - door [geïntimeerden] in eerste instantie al gevoerd - verweer, door de kantonrechter opgevat als een beroep op de zogenoemde exceptio plurium litis consortium, is door de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep onder 4.3 reeds verworpen, omdat – aldus kort samengevat het oordeel van de kantonrechter – de onderhavige procedure er niet toe strekt om de vordering van Nationale Nederlanden op de nalatenschap te verhalen, maar er op is gericht een aantal erfgenamen te veroordelen, waarbij - zo voegt het hof toe - de vordering in eerste aanleg luidde: hoofdelijk, en in hoger beroep: overeenkomstig ieders erfdeel, tot betaling van een schuld van de erflater. Een deugdelijke weerlegging door [geïntimeerden] van de juistheid van dat oordeel wordt in hoger beroep niet gegeven en Nationale Nederlanden heeft er geen grief tegen gericht.

3.5.

Nationale Nederlanden heeft het vonnis waarvan beroep met één grief bestreden. Onder verwijzing naar de inhoud van de hiervoor genoemde verklaring van erfrecht heeft zij gesteld dat haar in hoger beroep gewijzigde vordering - te weten de veroordeling van [geïntimeerden] overeenkomstig hun erfdeel - thans voor toewijzing vatbaar is. Laatstgenoemden hebben de juistheid van die stelling bestreden.

3.6.

Het hof overweegt als volgt.

Kern van de stellingen van Nationale Nederlanden is dat op het moment dat zij een bedrag van € 23.889,43 aan [erflater] betaalde, daartoe op grond van de levensverzekering nog niet was gehouden. De betaling heeft op 22 februari 2007 plaatsgevonden, terwijl de rentevervaldag was op 1 maart 2007. Doordat [erflater] vervolgens op 24 februari 2007 is overleden – dus vóór de rentevervaldag – is volgens Nationale Nederlanden onverschuldigd aan hem betaald.

3.7.

Deze stellingen van Nationale Nederlanden komen erop neer dat zij door het overlijden van [erflater] een vordering op zijn nalatenschap heeft verkregen. Een dergelijke vordering kan als hoofdregel alleen op de goederen van de nalatenschap worden verhaald (artikel 4:184 lid 1 BW). Hiervoor (onder 3.4) is al aan de orde gekomen dat de onderhavige procedure niet strekt tot het verhaal door Nationale Nederlanden van haar vordering op de nalatenschap, maar erop is gericht een aantal erfgenamen te veroordelen. Wat dat betreft geldt als uitgangspunt dat een erfgenaam niet verplicht is een schuld van de nalatenschap te voldoen, tenzij één van de uitzonderingen van lid 2 van artikel 4:184 BW zich voordoet.

3.8.

Deze procedure is alleen aangespannen tegen [geïntimeerden] Zij zijn degenen die de nalatenschap hebben aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving. De procedure richt zich daarmee niet tegen hen die de nalatenschap zuiver hebben aanvaard (artikel 4:184 lid 2 onder a BW). Verder wordt in hoger beroep ter ondersteuning van de vordering van Nationale Nederlanden niet (langer) gesteld dat één van de andere uitzonderingen van lid 2 van artikel 4:184 BW zich ten aanzien van één of meer van de geïntimeerden heeft voorgedaan. Ook is geen voldoende toegelichte grief geformuleerd tegen hetgeen de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep onder 4.4 tot en met 4.8 in dat verband heeft overwogen. In hoger beroep dient dan ook ervan te worden uitgegaan dat geen van de uitzonderingen van lid 2 van artikel 4:184 BW zich voordoet.

3.9.

Ervan uitgaande dat de nalatenschap nog niet is vereffend en verdeeld en dat de vereffening nog gaande is, betekent het voorgaande dat Nationale Nederlanden in elk geval geen ongeclausuleerde veroordeling tot betaling overeenkomstig ieders erfdeel tegen Harteveld c.s. kan verkrijgen. Doordat laatstgenoemden de nalatenschap onder het voorrecht van boedelbeschrijving hebben aanvaard, dient op grond van artikel 4:202 lid 1 BW de nalatenschap overeenkomstig de voorschriften van afdeling 3 van Titel 6, Boek 4 BW te worden vereffend. Nationale Nederlanden kan haar vordering in het kader van die vereffening indienen. [geïntimeerden] kunnen in plaats daarvan niet ongeclausuleerd overeenkomstig hun erfdelen tot betaling van die vordering (uit hun persoonlijk vermogen) worden veroordeeld. Behoudens hetgeen het hof hierna nog overweegt, verdraagt de vordering van Nationale Nederlanden zoals die thans is geformuleerd zich niet met het voorrecht van boedelbeschrijving. Erfgenamen die een nalatenschap beneficiair hebben aanvaard, kunnen niet door een schuldeiser worden aangesproken tot ongeclausuleerde voldoening van een schuld van de nalatenschap, ook niet naar rato van hun erfdelen. Een schuldeiser krijgt hetgeen hem toekomt uitgekeerd door de vereffenaar na het verbindend worden van de uitdelingslijst (artikel 4:220 lid 1 BW). Alle erfgenamen delen in beginsel slechts in een batig saldo dat resteert na de voldoening van de schulden van de nalatenschap (artikel 4:226 lid 1 BW).

3.10.

Het hof overweegt evenwel nog het volgende.

De vordering van Nationale Nederlanden impliceert dat zij haar vorderingsrecht in rechte vastgesteld wenst te zien. Deze mogelijkheid is in artikel 4:223 lid 2 BW voorzien. Daarin wordt bepaald dat tijdens de vereffening een schuldeiser van de nalatenschap zijn vorderingsrecht bij vonnis kan doen vaststellen, welke vordering tegen de vereffenaar wordt ingesteld. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat ingevolge artikel 4:195 lid 1 BW alle erfgenamen vereffenaar zijn, dus ook een ieder van [geïntimeerden], nu niet is gesteld of gebleken dat de rechtbank ingevolge artikel 4:203 lid 1 BW in hun plaats een ander tot vereffenaar heeft benoemd. Alvorens te kunnen beslissen of de aldus begrepen vordering voor toewijzing vatbaar is, zal echter eerst het verweer van [geïntimeerden] dat geen sprake is van onverschuldigde betaling, dat is gevoerd in eerste aanleg en hiervoor nog niet aan de orde is geweest, beoordeeld worden.

3.11.

[geïntimeerden] voeren ter onderbouwing van dit verweer het volgende aan. Nu National Nederlanden ieder jaar het verschuldigde bedrag een week voor de rentevervaldag placht uit te keren, brengen de redelijkheid en billijkheid mee dat 22 februari 2007 als de rentevervaldag moet worden aangemerkt en de uitkering ook per die datum was verschuldigd. Bovendien strookt de uitleg die Nationale Nederlanden aan de polisvoorwaarden geeft niet met het doel van de levensverzekering. Dat was namelijk om de erflater gedurende diens leven van extra inkomsten te voorzien, waarbij iedere dag dat hij in leven was als een verzekerde dag moet worden aangemerkt en waarover uitkering moet plaatsvinden.

3.12.

Het hof overweegt dat uit de hiervoor onder 3.1. sub f weergegeven vermeldingen op het polisblad volgt dat de uitkering op jaarbasis wordt uitbetaald en wel achteraf op de rentevervaldag, zijnde 1 maart, mits de verzekerde dan nog in leven is. Het enkele feit dat Nationale Nederlanden jaarlijks enkele dagen voor 1 maart tot betaling overging, leidt er niet toe dat het beroep van Nationale Nederlanden op de rentevervaldag naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Voorts is de door [geïntimeerden] verdedigde uitleg van de polisvoorwaarden in strijd met de duidelijke bewoordingen van het polisblad (uitkering op jaarbasis; achteraf op de rentevervaldag; de rentevervaldag is 1 maart). Nu een nadere toelichting ontbreekt, wordt deze uitleg als niet (voldoende) feitelijk onderbouwd gepasseerd.

Uit het voorgaande volgt dat het verweer dat geen sprake is van onverschuldigde betaling niet opgaat. [geïntimeerden] stellen dat de verschuldigde inkomstenbelasting over 2007 op basis van het door Nationale Nederlanden ten behoeve van de belastingdienst verstrekte jaaroverzicht 2007, waarin is vermeld dat over dat jaar aan erflater een bedrag van € 29.750,- (bruto) is uitgekeerd, is vastgesteld en niet meer kan worden gecorrigeerd. [geïntimeerden] maken naar het oordeel van het hof niet duidelijk om welke reden deze omstandigheid tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van de vordering van Nationale Nederlanden zou moeten leiden. Het hof passeert dan ook deze stelling.

3.13.

Nu Nationale Nederlanden onverschuldigd heeft betaald, is de vordering op grond van artikel 4:223 lid 2 BW als volgt toewijsbaar. [geïntimeerden] zullen worden veroordeeld om elk overeenkomstig zijn of haar erfdeel als genoemd in de verklaring van erfrecht van 6 november 2007, hiervoor onder 3.1 sub d genoemd, tot betaling van € 23.889,43 aan Nationale Nederlanden, met dien verstande dat deze veroordeling niet ten uitvoer kan worden gelegd dan indien en voor zover de wet toelaat tegenover erfgenamen die de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving hebben aanvaard (vergelijk HR 20 februari 1936, NJ 1936, nr. 420 en TM, Parl. Gesch. Boek 4, p. 1026).

3.14.

Nationale Nederlanden heeft gesteld dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. [geïntimeerden] hebben deze vordering niet bestreden. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen daarom worden toegewezen.

3.15.

Nationale Nederlanden vordert wettelijke rente vanaf 24 februari 2007, althans 7 maart 2007. Zij heeft echter onvoldoende gemotiveerd dat en waarom op één van deze data het verzuim reeds was ingetreden. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dag van de (laatste) dagvaarding, te weten 26 september 2011.

3.16.

De door Nationale Nederlanden geformuleerde grief slaagt. Met vernietiging van het vonnis waarvan beroep wordt beslist zoals hierna wordt vermeld. [geïntimeerden] worden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerden] om, elk overeenkomstig zijn of haar erfdeel als genoemd in de verklaring van erfrecht van 6 november 2007, tot betaling van € 23.889,43 aan Nationale Nederlanden, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 26 september 2011 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerden] ter zake van buitengerechtelijke kosten tot betaling van € 1.000,- aan Nationale Nederlanden;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van Nationale Nederlanden begroot op € 873,- aan verschotten en € 1.000,- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 1.938,17 aan verschotten en € 1.158,- voor salaris op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, alsmede met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf veertien dagen na de betekening van dit arrest;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de hiervoor weergegeven veroordelingen niet ten uitvoer kunnen worden gelegd dan indien en voor zover de wet toelaat tegenover erfgenamen die de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving hebben aanvaard;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, J.W.M. Tromp en A. Bockwinkel en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 december 2013.