Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4673

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
19-12-2013
Zaaknummer
200.116.414-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bank niet aansprakelijk voor gevolgen oversluiten hypotheek; geen schending informatie- waarschuwingsplicht; geen overkreditering; gesteld noch gebleken dat oversluitkosten niet binnen aanvaarbare termijn konden worden terugverdiend door lagere maandlasten; klant zelf verantwoordelijk voor regelen spaarvoorziening waarmee hypotheek op termijn kon worden afgelost en zelf verantwoordelijk voor regelen overlijdensrisicoverzekering;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 2, p. 94

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.116.414/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 510350 / HA ZA 12-171

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 december 2013

inzake

[appellant],

wonend te Itterbeck, [Land],

appellante,

advocaat: mr. M.E. Bosman te Arnhem,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. L.A.L. Westerwoudt te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en ING genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 31 oktober 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 augustus 2012, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en ING als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 23 september 2013 doen bepleiten, [appellant] door mr. Bosman voornoemd en ING door mr. Westerwoudt voornoemd, laatstgenoemde aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog haar vordering zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten. ING heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1. tot en met 2.14 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Grief 1 klaagt over de vaststelling onder 2.1. Voor het overige zijn de door de rechtbank vastgestelde feiten niet in geschil en dienen zij ook het hof tot uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

(i) [appellant] en haar inmiddels overleden echtgenoot (hierna ook gezamenlijk [appellanten] hebben in januari 2002 een huis gekocht in [plaats], [Land]. Die aankoop is gefinancierd met een lening van de Duitse Volksbank van € 195.300,-. De oude woning van [appellanten] in [plaats] is naderhand (maart 2003) verkocht. De dubbele woonlasten zijn gefinancierd met een zogeheten overbruggingskrediet. De opbrengst van de woning in [plaats] was onvoldoende voor (gehele) aflossing van het overbruggingskrediet. De restschuld die na de verkoop van de oude woning resteerde en de kosten van de verhuizing naar Duitsland zijn gefinancierd met een lening van Interbank van € 55.000,-.

(ii) Begin 2005 zijn [appellant] (destijds 51 jaar) en haar echtgenoot (destijds 55 jaar) in contact gebracht met ING voor een nieuwe hypotheek op hun woning in Itterbeck omdat zij de rentelasten van de lening bij de Duitse Volksbank te hoog vonden. ING heeft daarop een offerte uitgebracht voor een zogenoemde Combi Hypotheek (deels annuïteiten en deels aflossingsvrij) voor een bedrag van € 265.000,- met een effectieve rente van 4,66% en 4,69% (tegenover 6,12% en 6,13% en 5,5% bij de Duitse Volksbank), zes jaar rentevast en een looptijd van 25 jaar. In mei 2005 is de woning in Itterbeck getaxeerd op een Sachwert van € 297.203,77 en een Verkehrswert van € 243.310,01 en in juli 2005 heeft ING het hypotheekbedrag van € 265.000,- beschikbaar gesteld voor aflossing van de bestaande leningen van (toen) € 192.000,- (Duitse Volksbank) en € 55.322,- (Interbank); uit het restant van (bijna) € 18.000,- zijn de oversluitkosten gefinancierd. Het annuïtaire deel van de lening is in oktober 2005 verhoogd met € 15.000,- (tot € 280.000,-) omdat de wegens vervroegde aflossing aan de Duitse Volksbank verschuldigde boete hoger was dan bij de offerte van mei 2005 was voorzien.

(iii) In december 2008 is de echtgenoot van [appellant] overleden. In 2009 is [appellant] in betalingsproblemen geraakt en vanaf februari 2010 heeft zij geen betalingen aan ING meer gedaan. In maart 2012 bedroeg de betalingsachterstand van [appellant] € 38.127,50 (conclusie van antwoord onder 8). Kort voor de comparitie van partijen in eerste aanleg (juni 2012) is het huis met toestemming van ING onderhands verkocht voor

€ 155.000,-.

3.2

[appellant] vordert in dit geding een verklaring voor recht dat ING in het kader van de hypotheekverstrekking jegens haar tekort is geschoten, althans onrechtmatig heeft gehandeld, en aansprakelijk is voor de door haar dientengevolge geleden schade, met veroordeling van ING tot vergoeding van die schade nader op te maken bij staat. De rechtbank heeft de vordering als ongegrond afgewezen met veroordeling van [appellant] - uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van het geding. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met negen grieven op. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.3

[appellant] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd - samengevat - dat ING bij de totstandkoming van de hypotheek op meerdere punten haar informatieplicht heeft geschonden en niet (voldoende) heeft gewaarschuwd voor de aan de hypotheek verbonden risico’s - kort gezegd: overkreditering en een hoge(re) restschuld - welke risico’s zich ook (deels) hebben verwezenlijkt, zo begrijpt het hof haar betoog. Over haar dientengevolge geleden schade heeft [appellant] in de inleidende dagvaarding onder 34 gesteld dat het daarbij gaat ‘onder meer om de hypotheek zelf en de schuld ten gevolge van de achterstand ten aanzien van de hypotheekverplichtingen’.

3.4

Vertrekpunt voor de beoordeling is dat [appellant] een hypotheekschuld had bij de Duitse Volksbank en Interbank op het moment dat zij zich tot ING wendde. Daarvan uitgaande begrijpt het hof het standpunt van [appellant] aldus, dat de hypotheek van ING haar in een nadeliger financiële situatie heeft gebracht dan waarin zij zou hebben verkeerd indien zij bij de Duitse Volksbank en Interbank was gebleven.

3.5

Feitelijk gaat het om een herfinaciering van een bestaande schuld die van € 247.322,- is verhoogd naar in eerste instantie € 265.000,-. Daar staat tegenover dat de maandelijkse rentelast werd verlaagd. Tussen partijen staat als onbestreden vast dat door de lagere maandlast op termijn de verhoging van de bestaande schuld kon worden terugverdiend. [appellant] heeft met een beroep op een rapport van A.A.G. Tromp van de Hypotheker Harderberg (productie 18 bij de inleidende dagvaarding) betoogd dat bedoeld moment van break-even binnen de eerste vaste renteperiode van zes jaar moest zijn gelegen. ING heeft dit betwist en ook het hof ziet geen aanknopingspunten voor een dergelijk vaste termijn waarbinnen steeds oversluitkosten moeten zijn terugverdiend, zoals door [appellant] bepleit. Dit doet er niet aan af dat dit moment wel binnen een aanvaardbare termijn moet zijn gelegen. Voor zover [appellant] stelt dat die termijn in dit geval niet aanvaardbaar was, had het op haar weg gelegen om voldoende gegevens voor die stelling te verschaffen, nu zij daaraan het rechtsgevolg verbindt dat ING jegens haar aansprakelijk is. Dat heeft zij echter niet gedaan. In het bijzonder wreekt zich hier dat [appellant] omtrent de lasten van de lening van Interbank (een consumptief krediet) in het geheel geen gegevens heeft verschaft.

3.6

Met het voorgaande is tevens weerlegd het betoog van [appellant] dat zij en haar echtgenoot in 2005 - ter voorkoming van overkreditering - een hypotheek van maximaal € 222.612,-, althans € 252.932,- hadden mogen krijgen. Daarin wordt namelijk ten onrechte buiten beschouwing gelaten dat [appellanten] toen al een schuldenlast hadden van per saldo € 247.322,-. In het licht daarvan is bij de hiervoor genoemde verhoging van de bestaande schuldenlast geen sprake van onaanvaardbare (over)kreditering, ervan uitgaande dat het [appellanten] er met de hypotheek van ING om te doen was dat zij lagere maandlasten zouden krijgen, terwijl niet in geschil is dat met die lagere maandlasten de verhoging van hun schuldenlast op termijn kon worden terugverdiend. Los daarvan heeft ING de door [appellant] ingeroepen berekening bestreden. Die berekening uit het rapport van Tromp is gebaseerd op de NHG-normering die volgens ING niet van toepassing is omdat het hier een buitenland hypotheek betreft. ING stelt dat volgens de in haar visie toepasselijke ING Acceptatieregels het hypotheekbedrag van € 265.000,- naar algemene maatstaven toelaatbaar was, hetgeen [appellant] niet afdoende heeft weerlegd door te persisteren bij het rapport van Tromp, waarin op de argumenten van ING niet wordt ingegaan. Al met al ligt in de enkele verhoging van de bestaande schuldenlast met € 18.000,- geen grond voor aansprakelijkheid van ING.

3.7

Bij de beantwoording van de vraag of er niettemin grond is voor aansprakelijkheid van ING jegens [appellant], omdat de hypotheek achteraf nog met een bedrag van € 15.000,- is verhoogd, wordt het volgende overwogen. Onbestreden is dat de advisering van ING betrekking heeft gehad op een hypotheek van € 265.000,- en dat dit bedrag op 20 juli 2005 ter beschikking is gesteld. Gesteld en niet weersproken is dat de verhoging achteraf met € 15.000,-, welk bedrag op 15 december 2005 ter beschikking is gesteld, verband hield met een hogere boete van de Duitse Volksbank dan waarvan ING bij haar offerte, op basis van de door [appellanten]verstrekte gegevens, was uitgegaan. [appellant] heeft niet gemotiveerd uitgelegd dat en waarom ING in dit opzicht is tekortgeschoten, met name niet waarom ING bij de advisering en het uitbrengen van de offerte op 25 april 2005 niet van de door [appellant] en haar echtgenoot verstrekte gegevens mocht uitgaan. Zonder bijkomende omstandigheden die niet zijn gesteld of gebleken, kan [appellant] ING niet verwijten dat een aanvullende lening nodig was om de boete te kunnen financieren.

3.8

Voor de overige verwijten van [appellant] geldt het volgende. Om te beginnen hebben de risico’s van 1) een rentestijging na afloop van de eerste rentevaste periode; 2) van inkomensterugval bij pensionering; en 3) van wijzigingen in de fiscaliteit zich niet verwezenlijkt, zodat te dien aanzien uit enige schending door ING van een verplichting dan ook geen schade kan zijn voortgekomen en reeds daarom geen grond is voor aansprakelijkheid van ING. Daarenboven heeft ING op die punten - voor zover al niet feiten van algemene bekendheid - wel degelijk aan haar informatieplicht voldaan door de dringende waarschuwingen in de offerte met bijlagen, te weten het Europees Gestandaardiseerd Informatieblad (EGI) en de Hypotheken Wegwijzer (producties 5 en 6 bij de inleidende dagvaarding), ook voor de negatieve gevolgen van inkomensterugval na een overlijden of pensioen met vermelding van de producten om die gevolgen af te dekken. Gesteld en niet weersproken is bovendien dat bij het EGI een illustratieve aflossingstabel was gevoegd waaruit [appellanten] precies konden weten hoe hoog de maandelijkse lasten gedurende de hele looptijd van de hypotheek zouden zijn, ook na pensioen. Dat [appellanten] leken waren op het gebied van hypotheken (memorie van grieven onder 50), wat daar ook van zij, kan [appellant] niet baten. Die omstandigheid doet er niet aan af dat het op haar weg heeft gelegen om kennis te nemen van de door ING verstrekte informatie en om zich daarover zo nodig - voor een goed begrip - te laten voorlichten; als zij dat niet heeft gedaan, is dat een omstandigheid die voor haar rekening komt. Daarbij komt dat het om een relatief eenvoudig product ging met de gebruikelijke eigenschappen van een hypotheek, bestaande in een geldlening waarover maandelijks rente en (deels) aflossing moest worden betaald en waarvan het restant, hetzij bij verkoop van de verhypothekeerde woning, hetzij aan het einde van de looptijd moest worden terugbetaald. Daarmee is tevens het verwijt gepareerd dat de constructie van de hypotheek van deels annuïteiten en deels aflossingsvrij niet passend was. [appellant] mag op grond van de offerte en bijlagen met de gevolgen van die constructie bekend worden verondersteld en mitsdien bij de totstandkoming van de hypotheek daarmee te hebben ingestemd. Voor zover zij die constructie achteraf niet als passend heeft ervaren, valt dat ING niet te verwijten.

3.9

In het voorgaande ligt besloten dat ING wel degelijk - in elk geval in de offerte met bijlagen - (ook) heeft geadviseerd om een spaarvoorziening te treffen voor het opbouwen van vermogen waarmee de hypotheek op enig moment kon worden afgelost. Als gesteld en niet weersproken staat bovendien vast dat ING dit punt ook met zoveel woorden met [appellanten] heeft besproken en dat ING toen te kennen heeft gegeven dat zij (ING) die voorziening niet zelf kon verzorgen omdat het een buitenland hypotheek betrof en dat [appellanten] mitsdien zelf een dergelijke voorziening elders moesten zien te regelen. Dat aan de lening bij de Duitse Volksbank wel een spaarvoorziening was gekoppeld, bestaande in een zogenoemd Bausparvertrag waaruit (in februari 2011) een bedrag van € 39.512,92 zou vrijkomen en waarna over een leningsdeel van € 38.487,08 bovendien een lagere rente verschuldigd zou zijn, maakt niet dat ING op dit punt een verdergaande zorgplicht had.

3.10

Het risico van inkomensterugval door overlijden heeft zich wel verwezenlijkt. Het is echter niet aan ING te wijten dat voor de daardoor geleden schade geen dekking bestond. De mogelijkheid van het treffen van een voorziening op dit punt door het sluiten van een levensverzekering is in de bespreking(en) tussen ING en [appellanten] eveneens aan de orde geweest en ook te dien aanzien heeft ING kenbaar gemaakt dat [appellanten] een dergelijke verzekering zelf - elders - moesten afsluiten, hetgeen ook hun bedoeling was, maar waarvan het door de ziekte van de echtgenoot van [appellant] niet meer is gekomen. De stelling dat ING vooruitlopend op die verzekering de hypotheek niet had mogen verstrekken, vindt geen steun in het recht. De stelling dat aan het aan de lening van de Duitse Volksbank gekoppelde Bausparvertrag wel een overlijdensrisicoverzekering was verbonden (memorie van grieven onder 13) is niet toegelicht en leidt overigens - indien al juist - niet tot een ander oordeel.

3.11

Ten slotte heeft [appellant] aan haar vordering ten grondslag gelegd dat het taxatierapport van mei 2005 fouten bevat waardoor de waarde van de woning op een (veel) te hoog bedrag is getaxeerd, terwijl ING de taxateur in kwestie had aangewezen (memorie van grieven onder 18) en daarom voor die fouten aansprakelijk is, aldus [appellant]. Ook dit betoog mist doel, reeds omdat ING gemotiveerd heeft betwist dat zij de taxateur had aangewezen; de makelaar heeft gehandeld in opdracht van [appellanten]., zoals te doen gebruikelijk, aldus ING. [appellant] heeft onvoldoende gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat ING ter voldoening van een op ING rustende verplichtingen de taxateur heeft ingeschakeld. Ook overigens heeft [appellant] onvoldoende concreet toegelicht waarom ING voor eventuele fouten van de taxateur jegens [appellant] aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade. Voor zover in de stellingen van [appellant] besloten ligt dat bij een reële taxatie van de woning deze op een lager bedrag zou zijn getaxeerd en ING de hypotheek dan niet had verstrekt vanwege een te lage waarde van het onderpand, geldt dat [appellant] onvoldoende heeft gemotiveerd dat het voor ING kenbaar was dat de woning voor een te hoog bedrag was getaxeerd. Die stelling mist daarvan uitgaande relevantie.

3.12

De slotsom is dat de grieven falen en dat de vorderingen van [appellant] niet kunnen worden toegewezen. De bewijsaanbiedingen van [appellant] worden verworpen omdat ze niet zijn betrokken op concrete stellingen die, als zij worden bewezen, tot een ander oordeel moeten leiden. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van ING begroot op € 666.- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, A.S. Arnold en J.W. Hoekzema en door mr. Arnold in het openbaar uitgesproken en door mr. S. Arnold en de griffier ondertekend op 17 december 2013.