Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4663

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
200.123.535-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Keuken niet afgenomen. Geen fatale termijn overeengekomen.

Schuldeisersverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.123.535/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 517260/HA ZA 12-608

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 december 2013

inzake

1 [appellant sub 1],

2. [appellante sub 2],

beiden wonend te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. J.A. Oudendijk te Amsterdam,

tegen:

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[geïntimeerde sub 1],

gevestigd te [woonplaats],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonend te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. L.G.M. Delahaije te Breda.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellanten] (appellanten), [geïntimeerde sub 1] (geïntimeerde sub 1), [geïntimeerde sub 2] (geïntimeerde sub 2) en [geïntimeerden] (geïntimeerden gezamenlijk) genoemd.

[appellanten] is bij dagvaarding van 30 januari 2013 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2012 en 31 oktober 2012, gewezen tussen [appellanten] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord;

- akte;

- antwoordakte.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellanten] heeft geconcludeerd, conform de appeldagvaarding, dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog zijn vorderingen zoals reeds in eerste aanleg geformuleerd zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] om de reeds betaalde proceskosten van de eerste aanleg terug te betalen en met beslissing over de proceskosten.

[geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen, met beslissing over de proceskosten.

Prud'homme c.s. en [geïntimeerden] hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 31 oktober 2012 onder 2.1 tot en met 2.14 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn, voor zover van belang en hieronder niet nader besproken, in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in dit geschil om het volgende.

3.1.1.

[geïntimeerde sub 1] drijft een onderneming in exclusieve Italiaanse keukens van het merk Arclinea. [appellanten] heeft op 25 juni 2008, na gesprekken met [geïntimeerde sub 2], een keuken gekocht in de winkel van [geïntimeerde sub 1] te Amsterdam. De koopprijs van de keuken bedroeg € 67.500,- inclusief BTW. De orderbevestiging is door [appellanten] voor akkoord getekend en luidt, voor zover van belang:

‘Levertijd: 14 weken na opdracht o.o.v.  nov/dec 08

Betalingskonditie: 30% bij opdracht, 60% bij aflevering

10% bij algehele oplevering

(…)

Hoogachtend,

Arclinea Amsterdam

[geïntimeerde sub 2]’.

De orderbevestiging vermeldt het nummer waaronder de besloten vennootschap [geïntimeerde sub 2] Beheer BV is ingeschreven bij de kamer van koophandel.

3.1.2.

[geïntimeerde sub 2] heeft bij brief van 29 juli 2008 aan [appellanten] verzocht om de overeengekomen aanbetaling ad € 20.250,- over te maken op de in die brief genoemde bankrekening van [geïntimeerde sub 1]. De brief wordt afgesloten met:

‘Hoogachtend,

ARC LINEA AMSTERDAM BV

[geïntimeerde sub 2]’.

De brief vermeldt net als de orderbevestiging het nummer van de kamer van koophandel dat behoort bij de besloten vennootschap [geïntimeerde sub 2] Beheer BV. [appellanten] heeft op 1 oktober 2008 het bedrag betaald op de in de brief genoemde bankrekening van [geïntimeerde sub 1].

3.1.3.

[appellanten] heeft in maart/april 2009 aan [geïntimeerde sub 2] meegedeeld het restant van de koopsom niet te kunnen voldoen wegens financiële problemen. [geïntimeerde sub 1] heeft op 15 juli 2010 de keuken die zij bij haar leverancier(s) voor [appellanten] had besteld en geleverd had gekregen, verkocht aan een derde. [appellanten] heeft in september 2010 contact opgenomen met [geïntimeerde sub 2] en meegedeeld de keuken te willen afnemen mits over de betaling afspraken konden worden gemaakt. [geïntimeerde sub 2] en [appellanten] hebben vervolgens diverse malen contact gehad over de afwikkeling van de koop. Tot levering van de keuken aan [appellanten] of enige verder betaling door [appellanten] is het niet gekomen.

3.1.4.

De advocaat van [appellanten] heeft bij brief van 21 juni 2011, gericht aan [geïntimeerde sub 1], deze in gebreke gesteld met betrekking tot in die brief genoemde verplichtingen, de overeenkomst ontbonden voor zover vereist en aanspraak gemaakt op terugbetaling van de reeds door [appellanten] verrichte aanbetaling. De advocaat van [appellanten] heeft bij e-mail van 26 juli 2011, met verwijzing naar de brief van 21 juni 2011, aan [geïntimeerde sub 2] bericht dat de koopovereenkomst is ontbonden. De advocaat van [geïntimeerde sub 2] heeft [appellanten] bij brief van 26 maart 2012 gesommeerd de keuken af te nemen althans zich daarover uit te laten. Bij brief van 29 maart 2012 heeft de advocaat van [geïntimeerde sub 1] de overeenkomst ontbonden.

3.2.

[appellanten] vorderde in eerste aanleg (en ook thans), kort gezegd, [geïntimeerde sub 1] te veroordelen tot betaling van het bedrag dat hij heeft aanbetaald met rente en [geïntimeerde sub 2] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.158,- met rente. [appellanten] stelde daartoe – samengevat - dat hij de keuken heeft gekocht van [geïntimeerde sub 2] Beheer B.V., dat hij de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden omdat deze vennootschap niet vóór 1 januari 2009 en dus niet tijdig aan haar verplichting tot levering had voldaan, dat er daarom geen rechtsgrond is geweest voor de aanbetaling aan [geïntimeerde sub 1] en hij dus onverschuldigd heeft betaald. Hij stelde voorts dat [geïntimeerde sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem door de verkoop van de keuken aan een derde te verzwijgen en dat hij daardoor onnodige kosten voor rechtsbijstand heeft gemaakt tot het door hem op [geïntimeerde sub 2] gevorderde bedrag. [geïntimeerden] voerde verweer en [geïntimeerde sub 1] vorderde op haar beurt, kort gezegd, de koopovereenkomst te ontbinden, althans ontbonden te verklaren, en [appellanten] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 24.448,18, althans voor het geval haar beroep op verrekening met de door [appellanten] verrichte aanbetaling opgaat een bedrag van € 4.198,18. Zij stelde daartoe dat niet zij maar [appellanten] in verzuim is geraakt, dat zij haar leveringsverplichting heeft mogen opschorten en de koopovereenkomst heeft mogen ontbinden omdat [appellanten] haar meedeelde de koopsom niet te kunnen betalen. Zij stelde voorts dat zij als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten van [appellanten] schade lijdt tot een bedrag van € 24.448,18.

3.3.

De rechtbank overweegt in het bestreden vonnis dat zij als vaststaand aanneemt dat [appellanten] de koopovereenkomst heeft gesloten met [geïntimeerde sub 1]. Zij vat de stellingen van [appellanten] zo op dat hij terugbetaling van de aanbetaling vordert op grond van ongedaanmakingsverbintenissen die zijn ontstaan door de door hem gestelde ontbinding van de koopovereenkomst. De rechtbank legt voorts de leveringsafspraken zo uit dat er geen uiterste leverdatum is afgesproken. [geïntimeerde sub 1] is aldus niet in verzuim geraakt door niet vóór 1 januari 2009 te leveren. [geïntimeerde sub 1] heeft gelet op de mededeling van [appellanten] in maart/april 2009 dat hij niet kon betalen haar leveringsverplichting mogen opschorten. In dit geval brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid niet mee dat [geïntimeerde sub 1] mededeling moest doen van het uitoefenen van haar opschortingsrecht. [appellanten] is op grond van artikel 6:59 BW door de opschorting in schuldeisersverzuim geraakt. [geïntimeerde sub 1] kon daardoor niet in verzuim raken op grond van artikel 6:61 lid 2 BW. [appellanten] is in schuldeisersverzuim gebleven en was daarom op 21 juni 2011 niet gerechtigd de koopovereenkomst te ontbinden. De verkoop van de keuken aan een derde doet daar niet aan af. Door deze verkoop is nakoming van de leveringsplicht niet onmogelijk geworden omdat [geïntimeerde sub 1] de onderdelen van de keuken opnieuw kon bestellen. De rechtbank wijst op deze gronden de vordering van [appellanten] jegens [geïntimeerde sub 1] af. De rechtbank overweegt voorts dat het verzwijgen van de verkoop van de keuken aan een derde zonder nadere onderbouwing die ontbreekt niet als onrechtmatig valt aan te merken en dat daarbij van belang is dat [geïntimeerde sub 1] nog steeds aan haar leveringsverplichting kon voldoen. Zij wijst daarom de vordering van [appellanten] jegens [geïntimeerde sub 2] eveneens af. De rechtbank overweegt omtrent de vordering van [geïntimeerde sub 1] jegens [appellanten] het volgende. [appellanten] heeft in maart/april 2009, en een aantal malen daarna, meegedeeld dat hij het restant van de koopsom niet kon betalen. [geïntimeerde sub 1] was op grond van artikel 6:80 lid 1 sub b BW dan ook bevoegd de overeenkomst te ontbinden, ook indien het restant van de koopsom nog niet opeisbaar was. [geïntimeerde sub 1] heeft de overeenkomst op 29 maart 2012 rechtsgeldig ontbonden. [appellanten] hebben in beginsel recht op terugbetaling van de aanbetaling, maar [geïntimeerde sub 1] stelt voor een hoger bedrag aan schade te hebben geleden. [geïntimeerde sub 1] heeft recht op vergoeding van deze schade. Op grond van artikel 6:63 BW komen de opslagkosten die [geïntimeerde sub 1] heeft moeten maken eveneens voor vergoeding in aanmerking. Het verweer van [appellanten] ten aanzien van de schadeberekening, namelijk dat de keuken die [geïntimeerde sub 1] aan de derde heeft verkocht niet (geheel) dezelfde is als die hij had besteld, wordt bij gebrek aan onderbouwing verworpen. De rechtbank begroot de schade overeenkomstig de berekening van [geïntimeerde sub 1] op € 24.488,18. Na verrekening met de aanbetaling van [appellanten] heeft [geïntimeerde sub 1] recht op vergoeding van € 4.198,18. De rechtbank veroordeelt [appellanten] dit bedrag aan [geïntimeerde sub 1] te betalen. [appellanten] wordt voorts zowel in conventie als in reconventie in de proceskosten veroordeeld.

3.4.

[appellanten] stelt bij zijn grieven 1 tot en met 3 (gelet op de toelichting) en 8 tot en met 10, zo begrijpt het hof, dat de rechtbank ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat hij met [geïntimeerde sub 1] heeft gecontracteerd. Het hof gaat er bij de beoordeling van deze grieven, bij gebreke van andersluidende stellingen, van uit dat [appellanten] in hoger beroep nog steeds het standpunt inneemt dat hij met [geïntimeerde sub 2] Beheer B.V. heeft gecontracteerd, zoals hij in zijn inleidende dagvaarding onder 7 heeft aangevoerd. Het hof overweegt het volgende. [appellanten] heeft de overeenkomst gesloten in een winkel die is gevestigd op het adres waar ook [geïntimeerde sub 1] is gevestigd. De besloten vennootschap [geïntimeerde sub 2] Beheer B.V. is op een ander adres gevestigd. Dat betekent dat [appellanten], die kennelijk ervan uitging met een rechtspersoon te contracteren, mocht verwachten dat hij met [geïntimeerde sub 2] B.V. handelde. Dat [appellanten] daarvan ook daadwerkelijk uitging, wordt bevestigd doordat hij - zonder enige aanmerking - de eerste termijn aan [geïntimeerde sub 1] heeft betaald. Daar staat slechts - als enige aanwijzing dat [appellanten] met [geïntimeerde sub 2] Beheer B.V. contracteerde - tegenover dat de opdrachtbevestiging en het verzoek tot betaling van de eerste termijn het nummer vermelden waaronder [geïntimeerde sub 2] Beheer B.V. bij de kamer van koophandel is ingeschreven. Dat is onvoldoende om het voorgaande te weerleggen. Voorts moge het zo zijn dat [geïntimeerde sub 2] onduidelijkheid heeft veroorzaakt omtrent de vraag voor welke vennootschap hij optrad, dat maakt nog niet dat [appellanten] mocht menen met [geïntimeerde sub 2] Beheer B.V. te contracteren. De advocaat van [appellanten] heeft overigens zijn brief van 21 juni 2011, waarin hij meedeelt dat [appellanten] de koopovereenkomst ontbindt, aan [geïntimeerde sub 1] gericht. Dat bevestigt dat [appellanten] op dat moment nog steeds ervan uitging dat hij met [geïntimeerde sub 1] had gecontracteerd. Daaraan doet niet af dat de advocaat van [appellanten] in 2011 in confraternele correspondentie de advocaat van [geïntimeerden] heeft verzocht om duidelijkheid te verschaffen over de vraag met wie [appellanten] had gecontracteerd. De grieven falen.

3.5.

De grieven 1 en 2 luiden overigens dat de rechtbank op geen enkel wijze is ingegaan op de kwalificatie van de overeenkomst als consumentenkoop en dat aan deze kwalificatie een leveringsplicht is gekoppeld. Het hof gaat aan deze stellingen voorbij omdat [appellanten] heeft nagelaten daaraan een (duidelijke) conclusie te verbinden. Het hof merkt nog op dat niet blijkt dat de rechtbank is voorbijgegaan aan de plicht tot levering van de keuken die [geïntimeerde sub 1] op grond van de overeenkomst had.

3.6.

[appellanten] richt zijn grieven 11 tot en met 16 tegen het oordeel van de rechtbank dat hij de overeenkomst bij de brief van zijn advocaat van 21 juni 2011 niet rechtsgeldig heeft ontbonden en tegen de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. [appellanten] bestrijdt in dit verband dat de overeenkomst zo dient te worden uitgelegd dat geen fatale termijn is overeengekomen. [appellanten] voert aan dat uit de opdrachtbevestiging blijkt dat de keuken uiterlijk in 2008 geleverd diende te worden. Het door de rechtbank in haar overwegingen genoemde telefoongesprek omstreeks november/december 2008 waarin [appellanten] zou hebben aangegeven dat de keuken nog niet kon worden afgenomen omdat de verbouwing van de woning nog niet gereed was, heeft nog niet plaatsgevonden. [appellanten] wijst voorts erop dat [geïntimeerden] heeft erkend dat eind 2008 zou worden geleverd. Het hof overweegt naar aanleiding van deze grieven het volgende.

3.7.

Eerst dient te worden beoordeeld of partijen zijn overeengekomen dat 1 januari 2009 heeft te gelden als een voor voldoening bepaalde termijn als bedoeld in artikel 6:83 sub a BW, zoals [appellanten] stelt. De tekst van de overeenkomst, zoals hiervoor onder 3.1.1 geciteerd, geeft onvoldoende aanleiding om daarvan uit te gaan. Daaruit is slechts af te leiden dat is afgesproken dat omstreeks november/december 2008 zou worden geleverd. Een dergelijke niet exact omschreven termijn is niet snel aan te merken als een fatale termijn. [appellanten] heeft daarnaast onvoldoende gesteld om ervan uit te gaan dat partijen hebben bedoeld een fatale termijn overeen te komen. Integendeel, uit de stellingen van [appellanten] is eerder af te leiden dat daarvan geen sprake was. [appellanten] heeft in zijn inleidende dagvaarding immers aangevoerd dat hij betwijfelt of de in de opdrachtbevestiging genoemde leveringsperiode wel juist was omdat in juni 2008 al vaststond dat zijn woning eerst halverwege 2009 afgebouwd zou worden en dat de keuken (dus) niet eerder dan in de zomer 2009 geleverd zou hoeven worden. [appellanten] is in hoger beroep niet uitdrukkelijk op deze stellingen teruggekomen. Het hof ziet voorts niet dat [geïntimeerden] in eerste aanleg heeft erkend dat 1 januari 2009 was afgesproken als fatale leveringstermijn. [geïntimeerden] stelt immers (conclusie van antwoord onder 9 tot en met 14) dat bij de koop was afgesproken dat eind 2008 zou worden geleverd, dat in overleg met [appellant sub 1] de keuken bij de fabrikant is besteld voor levering in week 4 van 2009 en dat de keuken door de fabrikant tijdig aan [geïntimeerde sub 1] is geleverd en in afwachting van de levering aan [appellanten] is opgeslagen. [appellanten] heeft [geïntimeerde sub 1] daarna aan het lijntje gehouden en heeft zich vervolgens in maart 2009 op betalingsonmacht beroepen, aldus [geïntimeerden] in eerste aanleg. In hoger beroep voegt [geïntimeerden] daaraan toe dat het aan [appellanten] was om de levering af te roepen omdat [appellanten] wist hoe ver de bouw was gevorderd.

3.8.

Het hof is van oordeel dat [appellanten] de door [geïntimeerden] gestelde gang van zaken onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Zijn stellingen geven eerder steun aan de juistheid van de stellingen van [geïntimeerden] Hij heeft immers toegegeven dat levering van de keuken geen zin had voor zolang zijn woning niet was afgebouwd en hij heeft voorts gesteld dat de verwachting was dat deze woning pas in de zomer van 2009 klaar zou zijn. Het hof gaat dan ook, met de rechtbank, ervan uit dat partijen weliswaar een richtlijn zijn overeengekomen met betrekking tot de leveringstermijn maar dat geen sprake is geweest van een overeengekomen fatale termijn per 1 januari 2009. Voorts is niet gebleken dat [appellanten] om levering van de keuken heeft verzocht (de levering heeft ‘afgeroepen’) voordat hij in maart/april 2009 aan [geïntimeerden] heeft meegedeeld dat hij het restant van de koopsom niet kon betalen. Het hof volgt dan ook de rechtbank in haar conclusie dat [appellanten] met die mededeling in schuldeisersverzuim is geraakt, voordat [geïntimeerde sub 1] in verzuim was, en in de overige gevolgen die de rechtbank daaraan heeft verbonden.

3.9.

Grief 15 richt zich nog tegen de overweging van de rechtbank dat [geïntimeerde sub 1] van de uitoefening van haar opschortingsrecht geen mededeling behoefde te doen. De grief treft geen doel. Het was immers [appellanten] zelf die meedeelde dat hij de levering (en betaling) wenste uit te stellen zodat een bericht met die strekking van de zijde van [geïntimeerde sub 1] aan hem zinloos zou zijn.

3.10.

Het hof ziet aanleiding in dit verband ook de grieven 6 en 7 te bespreken. [appellanten] stelt bij deze grieven aan de orde dat de keuken op 15 juli 2010 reeds aan een derde was verkocht en dat [geïntimeerden] daarover welbewust heeft gezwegen. Voor zover [appellanten] met deze grieven bedoelt te betogen dat [geïntimeerde sub 1] door deze verkoop (en levering) niet meer aan hem kon leveren, wijst het hof erop dat de rechtbank in het bestreden vonnis onder 4.10 heeft overwogen dat [geïntimeerde sub 1] ondanks deze verkoop aan haar leveringsverplichting kon voldoen door de onderdelen van de keuken opnieuw bij de fabrikant te bestellen. [appellanten] heeft in hoger beroep slechts in algemene zin (in haar toelichting op grief 16) gesteld dat de rechtbank onbesproken laat of sprake was van de koop van een species- of een genuszaak. Hij heeft daarmee onvoldoende feitelijk betwist dat [geïntimeerde sub 1] de onderdelen van de keuken opnieuw kon bestellen en daarmee alsnog aan haar leveringsplicht jegens hem kon voldoen. Ook de verkoop van de keuken aan een derde levert [appellanten] geen grond op om de overeenkomst te ontbinden.

3.11.

Voor zover [appellanten] met haar grieven 6 en 7 wil betogen dat [geïntimeerde sub 2] door het verzwijgen van de verkoop van de keuken aan een derde onrechtmatig heeft gehandeld, kan dat evenmin worden volgehouden. [geïntimeerde sub 2] heeft immers terecht ervan uit kunnen gaan dat [geïntimeerde sub 1] alsnog kon leveren door de keuken opnieuw te bestellen. Voor zover [appellanten] bij deze grieven stelt dat [geïntimeerde sub 1] de op 28 april 2011 gemaakte afspraken niet is nagekomen, gaat het hof daaraan voorbij nu [appellanten] aan deze stelling geen duidelijke conclusie heeft verbonden.

3.12.

Gelet op een en ander kan niet worden gezegd dat [geïntimeerde sub 1] op enig moment in verzuim is geraakt of dat nakoming door haar blijvend of tijdelijk onmogelijk is geworden. [appellanten] had dan ook geen grond voor ontbinding van de koopovereenkomst. Dat betekent dat er geen aanleiding is voor toewijzing van de vordering van [appellanten] jegens [geïntimeerde sub 1]. Er is evenmin grond voor toewijzing van zijn vordering jegens [geïntimeerde sub 2] omdat er geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen van [geïntimeerde sub 2] jegens [appellanten] De grieven 6 en 7 en 10 tot en met 16 falen.

3.13.

De grieven 4 en 5 betreffen de (kosten van) opslag van de keuken in afwachting van de levering aan [appellanten] Voor zover [appellanten] met deze grieven beoogt te bestrijden dat hij de opslagkosten ad € 1.700,- aan [geïntimeerde sub 1] dient te voldoen, overweegt het hof dat [geïntimeerde sub 1] in eerste aanleg ter onderbouwing van door haar gemaakte en als schade opgevoerde opslagkosten een factuur heeft overgelegd van Mondial Movers ad € 1.700,- exclusief BTW. [appellanten] heeft niet althans onvoldoende gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde sub 1] deze factuur heeft ontvangen en heeft betaald in verband met de opslag van de voor hem bestelde keuken. [appellanten] heeft evenmin (gemotiveerd) bestreden dat hij op grond van artikel 6:63 BW de opslagkosten aan [geïntimeerde sub 1] dient te vergoeden, zoals de rechtbank heeft overwogen. De grieven bevatten voor het overige geen voldoende duidelijke conclusies. Dit betekent dat ook deze grieven falen.

3.14.

[appellanten] heeft in de toelichting van grief 16 nog aangevoerd dat de rechtbank zijn stelling dat de keuken die aan de derde is verkocht afwijkt van de door hem bestelde keuken, onbesproken is gebleven. Het hof gaat hieraan voorbij. [appellanten] heeft zijn stelling dat de keuken afwijkt, na de gemotiveerde betwisting daarvan door [geïntimeerden] ter comparitie in eerste aanleg, niet nader toegelicht. [appellanten] heeft bovendien nagelaten aan deze stelling een concrete conclusie te verbinden.

3.15.

Grief 17 heeft geen zelfstandige betekenis en kan dus onbesproken blijven.

3.16.

De slotsom is dat alle grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en [appellanten] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van dit hoger beroep worden veroordeeld.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 1.862,- aan verschotten en € 1.737,- voor salaris;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, D.J. van der Kwaak en M.J.J. de Bontridder en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 december 2013.