Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4638

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
200.126.749/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevelen DNA-onderzoek, kostenveroordeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 194 en 237, geldigheid: 2013-12-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 17 december 2013

Zaaknummer: 200.126.749/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/500848/FA RK 11-8170 (AW IZ)

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

verzoekster.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante wordt hierna de vrouw genoemd.

Belanghebbenden zijn de heer [x] (hierna: de man) en mr. J.L. Muller, advocaat te Amsterdam (hierna tevens: de bijzonder curator).

1.2.

De vrouw is op 8 mei 2013 in hoger beroep gekomen van de tussenbeschikking van 5 september 2012 en van een gedeelte van de eindbeschikking van 20 februari 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/500848/FA RK 11-8170 (AW IZ).

1.3.

De bijzonder curator heeft op 2 juli 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door mr. R.C. Tdlohreg, advocaat-generaal bij het ressortsparket Amsterdam, heeft op 8 juli 2013 het schriftelijk standpunt Openbaar Ministerie ingediend.

1.5.

De zaak is op 18 juli 2013 tegelijk met de zaak met zaaknummer 200.1260749/02 ter terechtzitting behandeld, alwaar zijn verschenen:

- de advocaat van de vrouw,

- de bijzonder curator,

- het openbaar ministerie, vertegenwoordigd door mr. M. Bakker.

1.6.

De vrouw en de man zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

1.7.

Bij beschikking van 30 juli 2013 van dit hof in de zaak 200.126.749/02 is de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking geschorst voor zover daarbij de vrouw is veroordeeld in de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek totdat in de onderhavige hoofdzaak is beslist.

2 De feiten

2.1.

Uit de vrouw is geboren […] (hierna: [de minderjarige]) [in] 2002.

2.2.

Bij beschikking van 11 januari 2012 van de rechtbank Amsterdam is mr. J.L. Muller benoemd tot bijzonder curator over [de minderjarige].

2.3.

Blijkens een op 3 januari 2013 opgesteld rapport van dr. N.M. Lardy, als gerechtelijk DNA-deskundige werkzaam bij Stichting Sanquin Bloedvoorziening, Afdeling Vaderschapsonderzoek, is de man met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de biologische vader van [de minderjarige].

2.4.

Bij beschikking van 20 februari 2013 van de rechtbank Amsterdam is het vaderschap van de man ten aanzien van [de minderjarige] vastgesteld.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking van 5 september 2012 is - voor zover thans van belang - Stichting Sanquin benoemd tot deskundige teneinde aan de rechtbank schriftelijk rapport uit te brengen omtrent de vraag welke conclusies kunnen worden getrokken uit de resultaten van het DNA-onderzoek aangaande de man, de vrouw en [de minderjarige] met betrekking tot de mogelijkheid dat de man de biologische vader van [de minderjarige] is. Voorts is in de bestreden beschikking het voorschot begroot op € 990,- terwijl de rechtbank bij eindbeslissing zal bepalen te wiens laste de aan het onderzoek verbonden kosten zullen komen. De zaak is aangehouden pro forma tot 15 oktober 2012.

Bij de bestreden, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 20 februari 2013 zijn - voor zover thans van belang – de vrouw en de man elk bij helfte veroordeeld in de kosten verbonden aan het deskundigenonderzoek van € 990,- aldus voor elk € 495,-.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikkingen in zoverre, te bepalen dat het voor het bewijs niet noodzakelijk was het verwekkerschap middels een deskundigenonderzoek vast te laten stellen en dat de kosten van het deskundigenonderzoek voor ’s Rijks kas komen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Aan de orde is de vraag of de rechtbank terecht een DNA-onderzoek heeft bevolen teneinde het vaderschap van de man over [de minderjarige] vast te stellen en of de vrouw terecht is veroordeeld in de helft van de daaraan verbonden kosten. De vrouw is niet bevoegd namens de man te appelleren tegen zijn veroordeling in de helft van de kosten van het deskundigenonderzoek, althans van een door de man verleende machtiging daartoe is in hoger beroep niet gebleken, zodat het hof de vrouw in zoverre niet-ontvankelijk in haar hoger beroep zal verklaren.

4.2.

De vrouw stelt – kort samengevat – dat er geen noodzaak bestond voor een DNA-onderzoek aangezien zowel de man als zijzelf van mening waren dat de man de verwekker van [de minderjarige] is en dat zij beiden hebben aangegeven niet de financiële mogelijkheden te hebben om de daaraan verbonden kosten te voldoen. Daarentegen was het wel in het belang van [de minderjarige] dat vast kwam te staan wie haar vader is omdat ongehuwd moederschap in de Marokkaanse cultuur niet wordt geaccepteerd. De rechtbank heeft deze argumenten niet dan wel onvoldoende gewogen, aldus de vrouw.

4.3.

De bijzonder curator stelt – kort samengevat – dat alle belanghebbenden het erover eens waren dat de man de verwekker van [de minderjarige] is. Het is begrijpelijk dat de rechtbank zekerheid wilde, temeer nu de man aanspraak maakte op een DNA-onderzoek. Zowel de man als de vrouw verkeren in een financieel moeilijke positie, terwijl het voor [de minderjarige] gezien haar Marokkaanse nationaliteit van belang is dat het vaderschap juridisch vaststaat en zij zijn achternaam draagt. De vrouw en de bijzonder curator waren dan ook aangewezen op deze rechtsgang en de verklaringen van de vrouw en de man waren geheel naar waarheid. Alles afwegende dienen de kosten van het DNA-onderzoek voor ’s Rijks kas te komen, aldus de bijzonder curator.

4.4.

De visie van het openbaar ministerie is - kort samengevat - dat de rechtbank terecht en begrijpelijk heeft geoordeeld dat er een noodzaak voor DNA-onderzoek was gelet op de door de vrouw en de man gewenste gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man ten aanzien van [de minderjarige]. Zoals door de vrouw is toegegeven, ontbraken concrete, objectieve en verifieerbare aanwijzingen voor het vaderschap van de man en zowel de man als de vrouw hebben nadrukkelijk hun medewerking aan het te verrichten onderzoek toegezegd. De man achtte het zelfs van belang dat zijn vaderschap via DNA-onderzoek werd vastgesteld. Nu slechts door DNA-onderzoek genoegzame zekerheid omtrent het vaderschap verkregen kon worden is het niet meer dan redelijk en billijk de kosten daarvan voor rekening van de vrouw en de man te brengen ongeacht hun on- of minvermogendheid, aldus het openbaar ministerie.

4.5.

Het hof onderschrijft de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het gelasten van het DNA-onderzoek en maakt deze tot de zijne. Het hof overweegt aanvullend dat het vaststellen van het biologisch vaderschap niet ter vrije bepaling van personen is, dat de man aanspraak maakte op een DNA-onderzoek en dat zowel de vrouw als [de minderjarige] gelet op hun Marokkaanse cultuur groot belang hebben bij het vaststelling van het vaderschap van de man ten aanzien van [de minderjarige]. Het verzoek van de vrouw in hoger beroep de kosten van het deskundigenonderzoek voor ’s Rijks kas te laten komen, wordt afgewezen nu dat geen steun vindt in de wet.

4.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de veroordeling van de man bij helfte in de kosten verbonden aan het deskundigenonderzoek van € 990,- aldus voor elk € 495,-;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Wigleven, mr. M.M.A. Gerritzen - Gunst en mr. B.F.P. Lhoëst in tegenwoordigheid van mr. C.M. van Harten als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2013.