Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4633

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2013
Datum publicatie
01-08-2014
Zaaknummer
23-003532-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1256, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zaak Dombe. De verdachte heeft zich gedurende een periode van 8 jaren schuldig gemaakt aan ernstige vormen van vermogenscriminaliteit. Hij heeft als feitelijk leidinggever van een rechtspersoon een groot aantal personen opgelicht, dan wel geprobeerd op te lichten en een beleggingsobject aangeboden zonder te beschikken over een daartoe door de AFM verleende vergunning. Daarnaast heeft de verdachte een grote som geld verduisterd en een gewoonte gemaakt van witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-003532-11

datum uitspraak: 12 november 2013

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 augustus 2011 in de strafzaak onder de parketnummers 13/845102-08 en 13/993034-05 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

adres:[adres 1]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2013 en 17 en 29 oktober 2013, en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijzigingen van de tenlastelegging is aan de verdachte ten laste gelegd hetgeen hieronder is vermeld.

Feit 1

(zaakspv2)

[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2]en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of[bedrijf 6]en/of [bedrijf 7] en/of [bedrijf 8] en/of[bedrijf 9] op één (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 15 september 2008, te Ugchelen, gemeente Apeldoorn, en/of Zwolle, althans in Nederland, en/of te Santo Domingo en/of elders op de Dominicaanse Republiek, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, (telkens) met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door (een)

listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer perso(o)n(en) heeft/hebben bewogen tot het teniet doen van (een) inschuld(en), te weten onder meer:

[slachtoffer 1], voor een geldbedrag van € 119.975, in elk geval enig geldbedrag (D-1002 en bijlage 2 OPV) en/of

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], voor een geldbedrag van € 53.500, in elk geval enig geldbedrag (D-1009 en bijlage 2 OPV) en/of

[slachtoffer 4], voor een geldbedrag van € 8.500, in elk geval enig geldbedrag (D-1013 en bijlage 2 OPV) en/of

[slachtoffer 5], voor een geldbedrag van € 18.000, in elk geval enig geldbedrag (D-1014 en bijlage 2 OPV) en/of

[slachtoffer 6], voor een geldbedrag van € 35.000, in elk geval enig geldbedrag (D-1017 en bijlage 2 OPV) en/of

[slachtoffer 7], voor een geldbedrag van € 58.500, in elk geval enig geldbedrag (D-1020 en bijlage 2 OPV) en/of

[slachtoffer 8], voor een geldbedrag van € 34.750, in elk geval enig geldbedrag (D-1021 en bijlage 2 OPV) en/of

[slachtoffer 9], voor een geldbedrag van € 70.650, in elk geval enig geldbedrag (D-1022, bijlage 2 OPV en voegingsformulier 219) en/of

[slachtoffer 10], voor een geldbedrag van € 17.532, in elk geval enig geldbedrag (D-1025 en bijlage 2 OPV) en/of

[slachtoffer 11], voor een geldbedrag van € 25.000, in elk geval enig geldbedrag (D-1004) en/of

[slachtoffer 12], voor een geldbedrag van € 44.775, in elk geval enig geldbedrag (D-1007) en/of

[slachtoffer 13], voor een geldbedrag van € 22.000, in elk geval enig geldbedrag (D-1012 en voegingsformulier 5),

hierin bestaande dat [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2]en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of[bedrijf 6]en/of [bedrijf 7] en/of [bedrijf 8] en/of[bedrijf 9] en/of haar/hun mededader(s) (telkens) met vooromschreven oogmerk -zakelijk weergegeven – (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
- bedoelde perso(o)n(en) heeft/hebben medegedeeld (per brief en/of mail en/of via de website en/of telefonisch en/of persoonlijk) dat het Break Even Point 1 (BEP 1) was bereikt en/of dat het Project [naam project]) (per 1 september 2007) was begonnen en/of
- (vervolgens) bedoelde perso(o)n(en) heeft/hebben uitgenodigd voor een gesprek met leden van “het Advies team Nederland’’ en/of daartoe (voorafgaand) (een) (voorlopig) koopcontract(en) en/of (een) beheersovereenkomst(en) en/of (een) volmacht(en) doen toekomen en/of

- bedoelde perso(o)n(en) heeft/hebben medegedeeld dat als zij niet zouden tekenen zij hun geld kwijt zouden zijn en/of hun geld zou komen te vervallen aan [naam bedrijf 1] en/of

- ( vervolgens) bedoelde perso(o)n(en) (een) (voorlopig) koopcontract(en) en/of (een) beheersovereenkomst(en) en/of (een) volmacht(en) heeft/hebben laten ondertekenen,

waardoor die perso(o)n(en) (telkens) werden bewogen tot bovenomschreven teniet doen van genoemde inschuld(en),

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan het plegen van welke bovenomschreven strafbare gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

en/of

[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2]en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of[bedrijf 6]en/of [bedrijf 7] en/of [bedrijf 8] en/of[bedrijf 9] op één (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 15 september 2008, te Ugchelen, gemeente Apeldoorn, en/of Zwolle, althans in Nederland, en/of te Santo Domingo en/of elders op de Dominicaanse Republiek, (telkens) ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen (telkens) met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer perso(o)n(en), te weten onder meer:

[slachtoffer 11], voor een geldbedrag van € 25.000, in elk geval enig geldbedrag (D-1004) en/of

[slachtoffer 12], voor een geldbedrag van € 44.775, in elk geval enig geldbedrag (D-1007) en/of

[slachtoffer 13], voor een geldbedrag van € 22.000, in elk geval enig geldbedrag (D-1012 en voegingsformulier 5)

(telkens) te bewegen tot het teniet doen van een inschuld, met vooromschreven oogmerk -zakelijk weergegeven – (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
- bedoelde perso(o)n(en) heeft/hebben medegedeeld (per brief en/of mail en/of via de website en/of telefonisch en/of persoonlijk) dat het Break Even Point 1 (BEP 1) was bereikt en/of dat het Project [naam project]) (per 1 september 2007) was begonnen en/of

- ( vervolgens) bedoelde perso(o)n(en) heeft/hebben uitgenodigd voor een gesprek met leden van “het Advies team Nederland’’ en/of daartoe (voorafgaand) (een) (voorlopig) koopcontract(en) en/of (een) beheersovereenkomst(en) en/of (een) volmacht(en) heeft/hebben doen toekomen en/of

- bedoelde perso(o)n(en) heeft/hebben medegedeeld dat als zij niet zouden tekenen zij hun geld kwijt zouden zijn en/of hun geld zou komen te vervallen aan [naam bedrijf 1] en/of

- ( vervolgens) bedoelde perso(o)n(en) heeft/hebben gevraagd (een) (voorlopig) koopcontract(en) en/of (een) beheersovereenkomst(en) en/of (een) volmacht(en) te ondertekenen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan het plegen van welke bovenomschreven strafbare gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

subsidiair

hij op één (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 15 september 2008, te Ugchelen, gemeente Apeldoorn, en/of Zwolle, althans in Nederland, en/of te Santo Domingo en/of elders op de Dominicaanse Republiek, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, (telkens) met het oogmerk om zich of (een) anderen wederrechtelijk te bevoordelen, hetzij door (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer perso(o)n(en) heeft/hebben bewogen
tot het teniet doen van (een) inschuld(en), te weten onder meer:

[slachtoffer 1], voor een geldbedrag van € 119.975, in elk geval enig geldbedrag (D-1002 en bijlage 2 OPV) en/of

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], voor een geldbedrag van € 53.500, in elk geval enig geldbedrag (D-1009 en bijlage 2 OPV) en/of

[slachtoffer 4], voor een geldbedrag van € 8.500, in elk geval enig geldbedrag (D-1013 en bijlage 2 OPV) en/of

[slachtoffer 5], voor een geldbedrag van € 18.000, in elk geval enig geldbedrag (D-1014 en bijlage 2 OPV) en/of

[slachtoffer 6], voor een geldbedrag van € 35.000, in elk geval enig geldbedrag (D-1017 en bijlage 2 OPV) en/of

[slachtoffer 7],voor een geldbedrag van € 58.500, in elk geval enig geldbedrag (D-1020 en bijlage 2 OPV) en/of

[slachtoffer 8], voor een geldbedrag van € 34.750, in elk geval enig geldbedrag (D-1021 en bijlage 2 OPV) en/of

[slachtoffer 9], voor een geldbedrag van € € 70.650, in elk geval enig geldbedrag (D-1022, bijlage 2 OPV en voegingsformulier 219) en/of

[slachtoffer 10], een geldbedrag van € 17.532, in elk geval enig geldbedrag (D-1025 en bijlage 2 OPV) en/of

[slachtoffer 11], voor een geldbedrag van € 25.000, in elk geval enig geldbedrag (D-1004) en/of

[slachtoffer 12], voor een geldbedrag van € 44.775, in elk geval enig geldbedrag (D-1007) en/of

[slachtoffer 13], voor een geldbedrag van € 22.000, in elk geval enig geldbedrag (D-1012 en voegingsformulier 5),

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders (telkens) met vooromschreven oogmerk -zakelijk weergegeven – (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:
- bedoelde perso(o)n(en) medegedeeld (per brief en/of mail en/of via de website en/of telefonisch en/of persoonlijk) dat het Break Even Point 1 (BEP 1) was bereikt en/of dat het Project [naam project]) (per 1 september 2007) was begonnen en/of
- (vervolgens) bedoelde perso(o)n(en) uitgenodigd voor een gesprek met leden van “het Advies team Nederland’’ en/of daartoe (voorafgaand) (een) (voorlopig) koopcontract(en) en/of (een) beheersovereenkomst(en) en/of (een) volmacht(en) doen toekomen en/of

- bedoelde perso(o)n(en) medegedeeld dat als zij niet zouden tekenen zij hun geld kwijt zouden zijn en/of hun geld zou komen te vervallen aan [naam bedrijf 1] en/of

- ( vervolgens) bedoelde perso(o)n(en) (een) (voorlopig) koopcontract(en) en/of (een) beheersovereenkomst(en) en/of (een) volmacht(en) laten ondertekenen,

waardoor die perso(o)n(en) (telkens) werden bewogen tot bovenomschreven teniet doen van genoemde inschuld(en);

en/of

hij op één (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 15 september 2008, te Ugchelen, gemeente Apeldoorn, en/of Zwolle, althans in Nederland, en/of te Santo Domingo en/of elders op de Dominicaanse Republiek, (telkens) ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen hetzij door (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meer perso(o)n(en), te weten onder meer:

[slachtoffer 11], voor een geldbedrag van € 25.000, in elk geval enig geldbedrag (D-1004) en/of

[slachtoffer 12], voor een geldbedrag van € 44.775, in elk geval enig geldbedrag (D-1007) en/of

[slachtoffer 13], voor een geldbedrag van € 22.000, in elk geval enig geldbedrag (D-1012 en voegingsformulier 5),

(telkens) te bewegen tot het teniet doen van een inschuld, met vooromschreven oogmerk -zakelijk weergegeven – (telkens) opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid:

- bedoelde perso(o)n(en) heeft/hebben medegedeeld (per brief en/of mail en/of via de website en/of telefonisch en/of persoonlijk) dat het Break Even Point 1 (BEP 1) was bereikt en/of dat het Project [naam project]) (per 1 september 2007) was begonnen en/of
- (vervolgens) bedoelde perso(o)n(en) heeft/hebben uitgenodigd voor een gesprek met leden van “het Advies team Nederland’’ en/of daartoe (voorafgaand) (een) (voorlopig) koopcontract(en) en/of (een) beheersovereenkomst(en) en/of (een) volmacht(en) heeft/hebben doen toekomen en/of

- bedoelde perso(o)n(en) heeft/hebben medegedeeld dat als zij niet zouden tekenen zij hun geld kwijt zouden zijn en/of hun geld zou komen te vervallen aan [naam bedrijf 1] en/of

- ( vervolgens) bedoelde perso(o)n(en) heeft/hebben gevraagd (een) (voorlopig) koopcontract(en) en/of (een) beheersovereenkomst(en) en/of (een) volmacht(en) te ondertekenen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 2

(zaakspv 3)

hij op één of meer tijdstip(pen),

in of omstreeks de periode van 1 april 1999 tot en met 1 april 2006 te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of te Santo Domingo en/of elders in de Dominicaanse Republiek,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, (telkens) opzettelijk

(een) (grote) geldbedrag(en) van (in totaal) ongeveer 3,6 miljoen euro (bankrekeningen [rekeningnummer 1] bij ABN Amro en [rekeningnummer 2] bij Van Lanschot t.n.v. [bedrijf 4]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan aandeelhouders [bedrijf 12] Inc., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welke geldbedragen/goederen verdachte en/of zijn mededader(s) telkens uit hoofde van zijn, verdachtes, persoonlijke dienstbetrekking van/als directeur/managing director van[bedrijf 4], en aldus anders dan door misdrijf onder zich had(den) (D112 en D113), telkens wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders onder meer:

1) (ongeveer) € 1.152.051, althans een of meer geldbedrag(en), belegd (voornamelijk in IT-aandelen) (bijlage 5 OPV en D201a) en/of

2) (ongeveer) € 344.654, althans een of meer geldbedrag(en), uitgegeven ten behoeve van/betaald aan American Express (Bijlage 21 OPV, AH70a, AH-75 en D343) en/of

3) in totaal (ongeveer) € 109.261, althans een of meer geldbedrag(en), uitgeleend aan[betrokkene 1]

(€ 26.572; D201a p. 7437) en/of [betrokkene 5](€ 50.000; D201a p. 7441) en/of [betrokkene 2]

(€ 10.000; D201a p. 7442) en/of [betrokkene 3] (€ 22.689; D201a p. 7452) en/of

4) (ongeveer) € 250.000, althans een of meer geldbedrag(en), overgemaakt aan [betrokkene 4] (ten behoeve van aandelen) (p. 7450/7453/7455-D201a) en/of

5) (ongeveer) € 32.743, althans een of meer geldbedrag(en), aan pinbetalingen/-opnamen gedaan (bijlage 6 OPV en D201a) en/of

6) (ongeveer) € 150.910 (bijlage 7 OPV en D201a) en/of € 126.030 (bijlage 20 OPV), althans een of meer geldbedrag(en), aan/in contanten (per kas) opgenomen en/of

7) (ongeveer) € 70.604 (€ 65.604 en/of € 5.000), althans een of meer geldbedrag(en), overgemaakt naar (post)bankrekening(en) [rekeningnummer 3] en/of [rekeningnummer 4] t.n.v. [betrokkene 6] (bijlage 8 OPV en D201a) en/of (ongeveer) € 133.531, althans een of meer geldbedrag(en), overgemaakt naar (post)bankrekening(en) [rekeningnummer 5] en/of [rekeningnummer 6] en/of [rekeningnummer 7] t.n.v. [betrokkene 6] (bijlage 19 OPV) en/of

8) (ongeveer) € 28.273 (p. 7425/7454-D201a en bijlage 8 OPV) en/of € 63.999 (bijlage 18 OPV; D-270/p. 7986; D-298/p. 8386), althans een of meer geldbedrag(en), aangewend ten behoeve van en/of overgemaakt naar (de) bankrekening(en) van [betrokkene 7] en/of

9) (ongeveer) € 108.750, althans een of meer geldbedrag(en), overgemaakt aan (althans geïnvesteerd/belegd in)[naam bedrijf 2] (AH50 p.1477; D298/p. 8380 en 8384) en/of

10) voor in totaal (ongeveer) €187.305, althans een of meer geldbedrag(en),[naam bedrijf 3] haarproducten gekocht (voor [naam bedrijf 4]) (Bijlage 10 bij OPV; AH86/p. 1863 en 1866 en D296, p. 8245/8278/8298 en AH-98 p. 1920/1921).

Feit 3

(zaakspv 4)

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 december
2001 tot en met 17 juni 2009, te Amsterdam en/of Ugchelen, gemeente Apeldoorn
en/of elders in Nederland en/of te Santo Domingo en/of elders in de
Dominicaanse Republiek en/of te Zwitserland en/of in de Verenigde Staten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) één of meer voorwerp(en), te weten,

A) (par. 4.1 i.h.b. 4.1.1 zaakspv 4)

1.

een of meer geldbedrag(en) van (omgerekend in totaal ongeveer) € 5.767.973, althans enig geldbedrag, (als lening(en)) op naam van [betrokkene 8] en/of [naam bedrijf 4] (privé bedrij(f)(ven) van [betrokkene 9]) (AH117) en/of

2.

een (bedrijfs)pand, althans onroerend(e) goed(eren), aan de [adres 2] ([betrokkene 9]’s Restaurant) te Santa Domingo (in de koopovereenkomst omschreven als: een stuk grond met bebouwing binnen de zone van perceel nr. 229-N van Kadastraal district van het Nationaal District) (AH117/par. 5.4.1/p 2017 t/m 2019; D-401/D-401a) en/of

3.

een auto Mercedes-Benz (AH117/par 5.3 en 5.9; D299 en D299a/p. 8407 t/m 8411;D-397/p 8754 en D293/p. 8188) en/of

4.

a) een appartement, althans onroerend(e) goed(eren), aan de [adres 3] te Santa Domingo (AH117/par. 5.4.2) en/of

4.

b) een appartement, althans onroerend(e) goed(eren), aan de [adres 4] te Santa Domingo (in de koopovereenkomst omschreven als: appartement D-2 van het [naam bedrijf 5] XX) en/of de huurpenningen voor het appartement [adres 4] te Santa Domingo (AH117/par. 5.4.2; D405; D406a; D296;D294) en/of

5.

penthouses (penthouses 1001 en/of 1002), althans onroerend(e) goed(eren), aan de [adres 5] te Santa Domingo (AH117/par. 5.4.3; D-410/D-410a) en/of

6.

een geldbedrag van (voor omgerekend ongeveer) € 1.156.487 uitgegeven aan privé doeleinden en/of eigen (privé) ondernemingen door middel van cheques(betalingen) (AH82) en/of

7. (

diverse) inboedel en/of sanitair en/of rolluiken en/of apparatuur, althans goederen voor de inrichting/decoratie/beveiliging van de woning(en) van [betrokkene 9] (AH83(a) en/of

8. (

een grote hoeveelheid) schilderijen (AH-126 en AH117 par. 5.8) en/of

9.

inboedel [betrokkene 10] (AH117/par. 5.5; D-418) en/of

B) (par. 4.2 zaakspv 4)

1.

a) een of meer geldbedragen van (omgerekend in totaal ongeveer) € 291.952 overgemaakt naar (Zwitserse) bankrekeningen t.n.v.[betrokkene 11] (bijlage 18 OPV) en/of

1.

b) een of meer geldbedrag(en) van (omgerekend in totaal ongeveer) € 54.480 overgemaakt naar Zwitserland t.b.v. een auto voor[betrokkene 11] (bijlage 18 OPV; D-270/p. 7986; D-298/p. 8386) en/of

2.

een of meer geldbedrag(en) van (omgerekend in totaal ongeveer) € 261.033 op (Zwitserse) bankrekeningen t.n.v. [betrokkene 6] (Bijlage 19 OPV) en/of

C) (par. 4.3 zaakspv 4)

1.

een of meer geldbedrag(en) van (omgerekend in totaal ongeveer) € 6.693.134, althans enig geldbedrag, op (een) (Amerikaanse) bankrekening(en) van [bedrijf/rekeningnummer]en/of [bank/rekeningnummer] (AH58, p. 1609; D296) en/of

2.

een of meer geldbedrag(en) van (omgerekend in totaal ongeveer) € 598.217, althans enig geldbedrag, op (een) (Dominicaanse) bankrekening bij[bank] t.n.v. [betrokkene 6] ([rekeningnummer 8]) (AH58, p. 1609; D296, p. 8244 en 8253) en/of

D) (par. 4.4 zaakspv 4 en zaakspv 3)

1.

aandelen [naam bedrijf 2] (AH50 p.1477; D298/p. 8380 en 8384) en/of

2.

een [bedrijf 10] en/of [bedrijf 11] (AH86/p. 1863,1864 en p 7805 t/m 7808-D240), en/of

3. (

een grote hoeveelheid)[naam bedrijf 3] haarproducten (Bijlage 10 bij OPV; AH86/p. 1863 en 1866 en D296, p. 8245/8278/8298 en AH-98 p. 1920/1921) en/of
4. (een grote hoeveelheid) sigaren (Golf One Cigars) (Bijlage 9 OPV; AH 50, p 1477 en D98)

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten (van) bovengenoemd(e) geldbedrag(en) en/of (een) vermogensrecht(en) en/of (een) appartement(en) en/of penthouse(s) en/of woning(en) en/of (bedrijfs)panden(en), althans onroerend(e) goed(eren), en/of auto’s en/of schilderijen en/of haarproducten en/of inboedel en/of sanitair en/of rolluiken en/of apparatuur en/of sigaren gebruik gemaakt (telkens) terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat het/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Feit 4

(zaakspv 1)

[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2]op één (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 15 september 2008, te Ugchelen, gemeente Apeldoorn, en/of elders in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, (telkens) opzettelijk zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning (een) beleggingsobject(en), te weten participaties (in de vorm van Real Estate Investment Titles, "REITS") in onroerend goed op de Dominicaanse Republiek
(onder de naam[investeringsplan 1]), heeft/hebben aangeboden,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan het plegen van welke bovenomschreven strafbare gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) en/of alleen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

subsidiair

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september
2007 tot en met 15 september 2008, te Ugchelen, gemeente Apeldoorn, en/of elders in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, (telkens) opzettelijk zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning (een) beleggingsobject(en), te weten participaties (in de vorm van Real Estate Investment Titles, "REITS") in onroerend goed op de Dominicaanse Republiek (onder de naam[investeringsplan 1]), heeft/hebben aangeboden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Bespreking van de voorvragen

Het hof neemt van de rechtbank over hetgeen in het vonnis is opgenomen over de geldigheid van de dagvaarding (onder 2.1) en de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie (onder 2.2). Welke onderdelen als hier ingelast dienen te worden beschouwd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan met uitzondering van de onderdelen die door het hof worden overgenomen, niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechter in eerste aanleg.

Partiële vrijspraak

Het hof zal de verdachte – anders dan de rechtbank - vrijspreken voor zover het betreft de geldbedragen genoemd onder 7 van het onder 2 tenlastegelegde, te weten € 65.604,00 en € 5.000,00, die zijn overgemaakt naar de bankrekeningen [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] t.n.v. [betrokkene 6].1 Het hof acht het niet onaannemelijk – mede gezien de omschrijving bij de overboekingen – dat de betalingen van € 65.604,00 en € 5.000,00 reguliere salarisbetalingen aan de verdachte betreffen.

Bespreking van de verweren

Feit 1

Break Even Point 1 (BEP1)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte BEP1 kon uitroepen zodra er voldoende belangstelling was om vast te kunnen stellen dat de kosten op basis van een door hem te kiezen voorlopige begroting konden worden gedekt. Hiertoe heeft de raadsman betoogd dat BEP1 weliswaar aanvankelijk was gekoppeld aan de verkoop van 2.500 eenheden, maar dat die koppeling later is losgelaten in het kader van het zogenaamde ‘Opstartproject’ en dat de betreffende personen door deelname aan het Opstartproject ermee instemden dat het kader van het prospectus, op basis waarvan zij zich aanvankelijk hadden ingeschreven, werd verlaten.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij wegens de commotie die was ontstaan rond het project wilde bezien of hij met een kleiner opstartproject wel BEP1 kon bereiken.

Het hof stelt het volgende vast.

De verdachte heeft verklaard in 1996 of 1997 te zijn gestart met het [investeringsplan 2]project.2 Vanaf eind 1999 konden belangstellenden zich inschrijven voor een appartementsrecht in de Dominicaanse Republiek. Het beleggingsproduct kreeg – na meerdere namen te hebben gehad – uiteindelijk de naam [investeringsplan 1]. Het betrof een toeristisch onroerend goed project waarbij een bovengemiddeld rendement van 25% werd nagestreefd.3 De verdachte hield de beleggers op de hoogte van de ontwikkelingen onder andere door middel van verscheidene prospectussen en nieuwsbrieven.

In diverse publicaties over het AIP was opgenomen dat het project alleen doorgang zou vinden wanneer er een redelijke mate van zekerheid bestond dat de geprognosticeerde opbrengsten de kosten van het project zouden dekken. Dit werd het zogenoemde Break Even Point (BEP1) genoemd, welke op basis van gedetailleerde berekeningen zou worden bepaald en waarbij de bouw van het project van start kon gaan.4 In meerdere publicaties werd genoemd dat het door de verdachte gedefinieerde BEP1 zou worden bereikt bij circa 2.500 verkochte woningen. Dit aantal is terug te vinden in:

- het prospectus [naam bedrijf 6]5 (vervaardigd in 19996);

- de brochure[investeringsplan 1]7 (in de jaren 2000-2003 uitgereikt8).

In tegenstelling tot voornoemde brochures werd aan de deelnemers vanaf 2002 via door de verdachte uitgegeven nieuwsbrieven bij herhaling meegedeeld dat er een opstartfase in het leven was geroepen, wat inhield dat er 2.500 appartementsrechten moesten worden verkocht alvorens van start te kunnen gaan,9 waarbij 2.500 appartementsrechten gelijk stonden aan 500 woningen.10

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het bovenstaande valt af te leiden dat de verdachte pas vanaf 2002 de opstartfase in het leven heeft geroepen omdat – naar het hof begrijpt – de verkoop van woningen tegenviel. In plaats van 2.500 verkochte woningen, zouden nu 2.500 verkochte appartementsrechten voldoende zijn om van start te kunnen gaan. De raadsman heeft daarbij aangevoerd dat de verdachte mocht afwijken van hetgeen in het prospectus stond vermeld nu in onderdeel 8, onder de ‘De Opstartfase’ staat vermeld dat “De opstartfase kan afwijken van hetgeen er in het prospectus staat vermeld”. Dat de verdachte gaandeweg de ondergrens van de start van het project heeft verschoven, waardoor BEP1 eerder zou zijn bereikt, doet naar het oordeel van het hof niet ter zake, nu noch 2.500 woningen, noch 2.500 appartementsrechten zijn verkocht en door [naam bedrijf 7] uiteindelijk slechts 432 kamers zijn begroot. Daar komt bij dat de verdachte nooit de definitie van BEP1, zoals opgenomen in het prospectus, kenbaar heeft gewijzigd.

Daarnaast betreffen bovengenoemde stukken steeds documenten die door of namens de verdachte onder (potentiële) deelnemers zijn verspreid en waarvan deze deelnemers kennis hebben genomen of hebben kunnen nemen.11 Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het hier gaat om mededelingen gedaan buiten het bestek van enige prospectus, zodat niet valt in te zien waarom de in de voorwaarden gegeven bevoegdheid tot afwijken van het prospectus (waarin BEP1 gelijk werd gesteld aan 2.500 verkochte woningen) relevant zou zijn. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte op enig moment namens de vennootschap het voorstel heeft gedaan om BEP 1 uit toe roepen bij een lager aantal verkochte woningen, noch dat de beleggers met een dergelijk voorstel hebben ingestemd. Derhalve was een wijziging van de voorwaarde waaronder deelnemers geld hebben ingelegd niet geoorloofd.

Dwaling

Subsidiair heeft de verdediging het verweer gevoerd dat de verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van de informatie die hij van zijn verkopers en van [naam bedrijf 7] heeft ontvangen. De raadsman stelt dat de verdachte enerzijds de voorlopige begroting van [naam bedrijf 7] had aangevraagd en anderzijds aan de verkopers [verkoper 1], [verkoper 2] en [verkoper 3] had gevraagd van hoeveel Real Estate Investment Titles (REITS) hij uit kon gaan. Op basis van deze informatie kon de verdachte vaststellen dat er voldoende belangstelling van beleggers was om het geld bij elkaar te krijgen dat nodig was om de door [naam bedrijf 7] begrote bouwkosten te financieren en BEP1 uit te roepen. De raadsman stelt dat het de verdachte niet kan worden verweten als achteraf blijkt dat de door [naam bedrijf 7] en de verkopers verstrekte gegevens niet klopten.

Het hof overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

Het hof stelt allereerst vast dat de verdachte niet heeft betwist dat er aanvankelijk met de deelnemers is afgesproken dat er 2.500 woningen of appartementsrechten verkocht dienden te worden teneinde het project doorgang te kunnen laten vinden. Zoals hierboven reeds is overwogen, stond het de verdachte niet vrij om – zonder instemming van de deelnemers met wijziging van de voorwaarden – af te wijken van deze overeenkomst. Het maakt derhalve niet uit op basis van welke informatie de verdachte is afgeweken van de voorwaarden, aangezien hier geen enkele grond voor was. Reeds daarom slaagt het verweer niet. Zoals de verdachte ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard wist hij dat het aantal van 2.500 verkochte woningen of appartementsrechten niet was gehaald op 1 september 2007.

De informatieverstrekking

Daarnaast heeft de verdediging het verweer gevoerd dat de verdachte aan de verkopers de opdracht had gegeven om de beleggers te informeren over het feit dat het project uiteindelijk aanzienlijk kleiner zou worden dan waar men in het begin vanuit was gegaan. Dat dit door het verkoopteam niet aan de beleggers duidelijk is gemaakt, kan volgens de raadsman redelijkerwijs niet aan de verdachte worden verweten. Het waren immers de verkopers en niet de verdachte die de contacten met de beleggers in Nederland onderhielden.

Het hof overweegt dat de deelnemers ten tijde van het uitroepen van BEP1 niet hebben ingestemd met een kleiner project dan waarvoor zij hadden ingeschreven. De verdachte kan zich op dit punt niet verschuilen achter het verkoopteam. Immers, ook de verdachte heeft rechtstreeks met deelnemers gecommuniceerd door informatie over het project en de voorwaarden te publiceren op de website[website 1] – welke stond geregistreerd op naam van de verdachte12 – en door middel van door de verdachte uitgebrachte nieuwsbrieven en brochures. Nimmer heeft de verdachte kenbaar gemaakt dat het project uiteindelijk kleinschaliger zou zijn (geworden) dan in eerste instantie de bedoeling was. Integendeel, in het door de verdachte op de hiervoor genoemde website op 16 november 200713 gepubliceerde prospectus [naam project] staat zelfs dat het te ontwikkelen resort een hotelcapaciteit van circa 5.000 kamers heeft, verdeeld over studio’s, appartementen en villa’s.14 Dit strookt geenszins met het door [naam bedrijf 7] berekende project van 432 kamers. Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

Teniet doen van een inschuld

De verdediging stelt dat er op het moment van uitroepen van BEP1 hooguit een voorwaardelijke terugbetalingsverplichting of ‘inschuld’ jegens de beleggers bestond. Volgens de verdediging zou er pas sprake zijn van een betalingsverplichting of ‘inschuld’ na het behalen van BEP2, die ook pas dan teniet zou kunnen worden gedaan. De verdediging meent dat de beleggers de ingelegde gelden nog steeds konden terugvorderen, wat met zich meebrengt dat de betreffende inschuld geenszins teniet is gegaan.

Het hof stelt het volgende vast.

Als aanbetaling voor zekerheid van deelname aan het Project en het nakomen van de verplichtingen van de deelnemers werd aan geïnteresseerde inschrijvers [investeringsplan 2] en nieuwe deelnemers vanaf eind 2000 een overeenkomst [investeringsplan 1] voorgelegd door de verdachte en de verkopers (Adviesteam Nederland). Van de getekende overeenkomst [investeringsplan 1] zijn meerdere versies in omloop.15 Hoewel niet in alle versies in de leverings- en betalingsvoorwaarden van deze overeenkomst is opgenomen dat de deelnemers hun depotstorting terugkrijgen indien de opstartfase van het project op 31 december 2007 nog niet is begonnen16, geldt – of is deze deadline gaan gelden – voor alle deelnemers, zo blijkt uit de verklaringen van de verdachte.17

Zoals het hof reeds eerder in dit arrest heeft geoordeeld, heeft de verdachte de beleggers op 1 september 2007 voorgespiegeld dat BEP1 was gehaald en dat het project derhalve doorgang zou vinden. In de loop van 2008 ontvingen 321 deelnemers een brief van [bedrijf 1] waarin zij werden uitgenodigd voor een gesprek met[verkoper 1] en [verkoper 2] namens het Adviesteam Nederland te Ugchelen om de koopovereenkomst te ondertekenen.18 Uit de verklaringen van gehoorde deelnemers die op de uitnodiging zijn ingegaan, blijkt dat hen in dit gesprek werd medegedeeld dat zij het reeds ingelegde geld kwijt zouden zijn als zij het koopcontract niet zouden ondertekenen.19 De verdachte heeft onder meer in brieven van 22 april 200820 en 11 september 200821 aan deelnemers ook zelf bevestigd dat als gevolg van de beslissing om de koopovereenkomst niet te ondertekenen het betaalde inschrijfgeld alsmede de betaalde depotstorting in zijn geheel kwam te vervallen aan [naam bedrijf 1].

Uit het bovengenoemde volgt dat de inschuld in geen geval pas teniet zou zijn gedaan bij het behalen van BEP2.

Op grond van het vorenstaande overweegt het hof voorts dat de beleggers een vorderingsrecht zouden hebben op de vennootschap, wanneer het project of de opstartfase geen doorgang zou vinden vóór 31 december 2007. Door de beleggers ten onrechte voor te houden dat het project gestart kon worden omdat aan de voorwaarde van BEP1 zou zijn voldaan, heeft de verdachte beoogd bij de beleggers de veronderstelling te wekken dat daarmee hun inschuld kwam te vervallen. Voor het teniet doen van een inschuld is niet relevant of de inschuld op dat moment ook al invorderbaar was.

Het hof verwerpt ook dit verweer.

Feitelijk leidinggeven aan de gedragingen van de verkopers

De verdediging heeft primair het verweer gevoerd dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als feitelijk leidinggever aan de gedragingen van het verkoopteam. Dit verkoopteam werkte volgens de verdediging op volstrekt zelfstandige basis. Daarnaast stelt de verdediging dat de betreffende gedragingen ook niet aan de rechtspersonen [bedrijf 1], [bedrijf 3] en[bedrijf 4]. kunnen worden toegerekend.

Voorts heeft de verdediging het verweer gevoerd dat de verdachte niet wegens het subsidiair ten laste gelegde medeplegen kan worden veroordeeld omdat er geen sprake was van een bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoering met het verkoopteam.

Nu het hof de verdachte vrij zal spreken van het feitelijk leidinggeven aan de gedragingen van het verkoopteam (gesprek met de deelnemers) en de gedragingen van het verkoopteam ook niet aan de rechtspersonen [bedrijf 1], [bedrijf 3] en[bedrijf 4]zal toerekenen, noch de verkopers als medeplegers bewezen zal verklaren, behoeft het verweer geen bespreking.

Feit 2

De verdediging heeft ten aanzien van de verduistering – zoals door het hof begrepen - het verweer gevoerd dat het opzet op de wederrechtelijke toe-eigening heeft ontbroken. De verdachte heeft de in [bedrijf 12] ingelegde gelden, welke zijn gestort op de bankrekeningen van [bedrijf 4]bij de ABN Amro en Van Lanschot –, overgeboekt naar de Dominicaanse Republiek om het aldaar tegen een zo gunstig mogelijk rentepercentage uit te zetten. De verdachte heeft op de Dominicaanse Republiek die gelden vermengd met zijn privévermogen, omdat hij meende dat hij vrijelijk over die gelden mocht beschikken.

In plaats van het maken van extra rendement werd op een gegeven moment verlies geleden vanwege koersdalingen van zowel de Dominicaanse peso, de Amerikaanse dollar en de IT-aandelen. De raadsman stelt dat dit het gevolg is geweest van tegenspoed of zelfs domheid, maar dat er geen opzet was zich de in [bedrijf 12] ingelegde gelden opzettelijk wederrechtelijk toe te eigenen.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging overweegt het hof als volgt.

Geen van de in feit 2 genoemde uitgaven die het hof bewezen zal verklaren, betreffen gelden die eerst naar de Dominicaanse republiek zijn overgemaakt voordat de verdachte de betreffende uitgave heeft gedaan. Het hof verwerpt dan ook het verweer vanwege het ontbreken van feitelijke grondslag.

Feit 3 Witwassen

Onder feit 3 is aan de verdachte tenlastegelegd dat hij in de periode van 14 december 2001 tot en met 17 juni 2009 een aantal goederen en geldbedragen heeft witgewassen.

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte ten aanzien van feit 3 moet worden vrijgesproken nu de voorwerpen niet van misdrijf afkomstig zijn en subsidiair, dat vrijspraak moet volgen voor voorwerpen die afkomstig zijn van door verdachte zelf gepleegde misdrijven, terwijl geen verhullingshandelingen hebben plaatsgevonden.

Het hof overweegt als volgt.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij begin jaren negentig een eigen vermogen van 1,5 miljoen Zwitserse francs heeft meegenomen naar de Dominicaanse Republiek. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij vanaf 1995 van dit vermogen heeft geleefd. Volgens de verdachte heeft hij voornoemd bedrag op de Dominicaanse Republiek door middel van rente weten te vermenigvuldigen met factor 10.

Het hof acht bewezen dat verdachte op enig moment samen met anderen eigenaar van een stuk grond in de Dominicaanse Republiek is geworden. Dat de verdachte naast de in grond belegde gelden nog over een substantieel eigen vermogen beschikte acht het hof echter niet aannemelijk geworden.

Zo heeft de verdachte bij de rechtbank op 25 juli 2011 verklaard dat hij [betrokkene 12] (het hof begrijpt eind 1994) niet heeft afbetaald, ‘omdat hij dat niet kon’. [betrokkene 12] had destijds (eind 1994) een vordering van 1,8 miljoen Zwitserse Franken op de verdachte.22 Ook uit de vermogensopstelling van de verdachte23 blijkt in die periode niet van enig substantieel eigen vermogen. Tenslotte is de verdachte er niet in geslaagd zijn stelling dat hij wel over eigen vermogen beschikte op enigerlei wijze concreet en verifieerbaar aan de hand van bijvoorbeeld schriftelijke stukken te onderbouwen.

Het hof acht het dan ook niet aannemelijk geworden dat de verdachte over enig substantieel eigen vermogen in de Dominicaanse Republiek beschikte. Uit het voorafgaande volgt – bij gebreke van enig andere bron van inkomsten - dat het niet anders kan zijn dan dat de tenlastegelegde uitgaven naar het oordeel van het hof zijn gedaan met gelden afkomstig van beleggers.

Ten overvloede merkt het hof nog op dat voor zover wel sprake zou zijn geweest van substantieel privévermogen dit een bewezenverklaring ten aanzien van witwassen niet in de weg zou staan.

Het hof overweegt dat de verdachte door het in de Dominicaanse Republiek vermengen van de gelden van [bedrijf 4] met zijn privévermogen en daarna het niet registreren van verdere uitgaven van dat gemengde vermogen naar uitgaven ten behoeve van [bedrijf 4] en uitgaven ten behoeve van de verdachte als privépersoon, teruggave van het geld aan[bedrijf 4]. onmogelijk zou hebben gemaakt, dan wel ernstig zou hebben bemoeilijkt. Naar het oordeel van het hof waren daarmee de naar de Dominicaanse Republiek door[bedrijf 4]overgemaakte gelden door de verdachte verduisterd.24

Daarenboven blijkt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad verder dat als van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn vermengd met vermogensbestanddelen uit legale activiteiten, het vermengde vermogen kan worden aangemerkt als ‘mede’ of ‘deels’ uit misdrijf afkomstig. Het legale vermogen is door de vermenging besmet geraakt doordat daaraan van misdrijf afkomstige vermogensbestanddelen zijn toegevoegd. Dit brengt met zich mee dat betalingen verricht uit dit vermogen gedeeltelijk afkomstig zijn uit enig misdrijf. Er kunnen omstandigheden zijn die maken dat dergelijke transacties geen witwassen opleveren. Dit is het geval indien het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel dat met op legale wijze verkregen vermogen vermengd is geraakt een dusdanige geringe waarde vertegenwoordigt dat dit niet in verhouding staat tot de omvang van het op legale wijze verkregen deel.25

In casu hebben 1.100 beleggers in totaal een bedrag van 22 miljoen euro ingelegd, welk geldbedrag zich heeft vermengd met het privévermogen van de verdachte. Zoals hierboven reeds weergegeven is op geen enkele wijze gebleken dat het privévermogen van de verdachte in verhouding tot de ingelegde gelden zo aanzienlijk was dat het door de beleggers ingelegde gedeelte daardoor danig werd overtroffen, integendeel.

Ontbrekende betalingsbewijzen

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat witwassen niet bewezen kan worden in de gevallen waarin betalingsbewijzen ontbreken (zoals bij appartement D1, de penthouses en de woninginrichting) en ten aanzien van de uitgaven middels cheques van de Dominicaanse rekening van [bedrijf 7]waarmee schilderijen en privé-uitgaven zijn betaald overweegt het hof het volgende.

Nu, zoals hiervoor overwogen, het hof het niet aannemelijk acht dat de verdachte in de tenlastegelegde periode over een substantieel eigen vermogen beschikte en bij gebreke van enige andere bron van inkomsten de tenlastegelegde uitgaven naar het oordeel van het hof moeten zijn gedaan met gelden afkomstig van beleggers, acht het hof het niet van belang dat de betalingsbewijzen ontbreken en betalingen via cheques zouden zijn gedaan. Het hof zal de verdachte echter vrijspreken van appartement D1, nu op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte dit appartement in de tenlastegelegde periode heeft aangekocht. Voor het overige verwerpt het hof het verweer.

Criminele herkomst

De verdediging heeft aangevoerd dat de criminele herkomst van het geld waarmee de verdachte de in de tenlastelegging genoemde goederen heeft aangeschaft niet kan worden vastgesteld.

Nu het hof bewezen acht dat de verdachte gelden van [bedrijf 4]heeft verduisterd, behoeft dit verweer geen nadere bespreking.

Verhullingshandelingen

Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad van 8 januari 2013 doet de raadsman een beroep op het ontbreken van een verhullingshandeling en stelt dat het enkele voorhanden hebben van een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf onvoldoende is.26

Het hof overweegt dat de desbetreffende casus van andere orde is dan de onderhavige. In voornoemd arrest ging het om het enkel bij zich dragen van door de verdachte zelf verduisterd geld. Onderhavige verdachte heeft echter de door hem verduisterde gelden aangewend voor onder meer het op zijn eigen naam dan wel op naam van zijn privéondernemingen aanschaffen van onroerend goed, schilderijen en/of aan overige goederen. Deze handelingen kunnen worden aangemerkt als verhullingshandelingen, bedoeld om de criminele herkomst te verhullen.

Verweer schending artikel 6, derde lid, EVRM

De verdediging heeft een beroep gedaan op schending van artikel 6, derde lid onder d EVRM, nu zijn verzoek tot het horen van diverse getuigen omtrent het door de verdachte ingebrachte eigen vermogen wegens het ontbreken van een verdedigingsbelang in hoger beroep op de terechtzitting van 16 juli 2012 is afgewezen. Naar het oordeel van de verdediging dient deze schending te worden gecompenseerd door uit te gaan van de stelling van verdachte dat hij beschikte over een eigen vermogen.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof heeft op de zitting van 16 juli 2012 het verzoek tot het horen van de door de raadsman bedoelde getuigen afgewezen omdat niet per getuige concreet, duidelijk en onderbouwd werd aangegeven welke van de onder 3 ten laste gelegde gedragingen werden betwist en wat de getuigen hieromtrent precies zouden kunnen verklaren, zodat niet aannemelijk was geworden dat het horen van de door de verdediging gevraagde getuigen van belang zou zijn voor enig te nemen beslissing in de zin van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.

De raadsman heeft zijn verzoek tot het horen van getuigen over het beginvermogen van de verdachte tijdens de terechtzitting van 19 februari 2013 herhaald, doch beperkt tot één getuige.

Het hof heeft daarop het noodzaakscriterium toegepast en geoordeeld dat van de noodzaak tot het horen van deze getuige niet is gebleken. Het hof komt tot de conclusie dat op de verzoeken van de raadsman het juiste criterium is toegepast en dat de verdachte door de genomen beslissing niet is geschaad in zijn recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, derde lid, EVRM.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1

[bedrijf 1] en[bedrijf 4]in de periode van 1 september 2007 tot en met

15 september 2008, in Nederland en op de Dominicaanse Republiek, telkens met het oogmerk om een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door een listige kunstgreep, personen hebben bewogen tot het teniet doen van inschulden, te weten onder meer:

[slachtoffer 1], voor enig geldbedrag en

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], voor enig geldbedrag en

[slachtoffer 4], voor enig geldbedrag en

[slachtoffer 5], voor enig geldbedrag en

[slachtoffer 6], voor enig geldbedrag en

[slachtoffer 7], voor enig geldbedrag en

[slachtoffer 8], voor enig geldbedrag en

[slachtoffer 9], voor enig geldbedrag en

[slachtoffer 10], voor enig geldbedrag en

[slachtoffer 11], voor enig geldbedrag en

[slachtoffer 12], voor enig geldbedrag en

[slachtoffer 13], voor enig geldbedrag

hierin bestaande dat [bedrijf 1] en[bedrijf 4] telkens met voor omschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – telkens opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:
- bedoelde personen hebben medegedeeld dat het Break Even Point 1 (BEP 1) was bereikt en dat het Project [naam project]) per 1 september 2007 was begonnen en

waardoor die personen werden bewogen tot bovenomschreven teniet doen van genoemde inschulden,

aan het plegen van welke bovenomschreven strafbare gedraging hij, verdachte, telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

en

[bedrijf 1] en [bedrijf 4] in de periode van 1 september 2007 tot en met 15 september 2008, in Nederland en op de Dominicaanse Republiek, telkens ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk om een ander wederrechtelijk te bevoordelen, door een listige kunstgreep, personen

te bewegen tot het teniet doen van een inschuld, met vooromschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – (telkens) opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid:
- bedoelde personen hebben medegedeeld dat het Break Even Point 1 (BEP 1) was bereikt en dat het Project [naam project]) per 1 september 2007 was begonnen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

aan het plegen van welke bovenomschreven strafbare gedraging hij, verdachte, telkens feitelijke leiding heeft gegeven.

Feit 2

hij in de periode van 1 april 1999 tot en met 1 april 2006 in Nederland en in de Dominicaanse Republiek, telkens opzettelijk geldbedragen van bankrekeningen [rekeningnummer 1] bij ABN Amro en [rekeningnummer 2] bij Van Lanschot t.n.v. [bedrijf 4], toebehorende aan een ander dan aan verdachte, en welke geldbedragen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend, immers heeft verdachte:

1) € 1.152.051,00 belegd, voornamelijk in IT-aandelen, en

2) ongeveer € 344.654,00, betaald aan American Express en

3) geldbedragen, uitgeleend aan[betrokkene 1] (€ 26.572,74) en [betrokkene 2] (€ 10.000,00) en

4) € 250.000,00 overgemaakt aan [betrokkene 4] ten behoeve van aandelen, en

5) € 32.743,00, aan pinbetalingen gedaan en

6) ongeveer € 150.910,00 en € 126.030,00, aan contanten opgenomen en

7) geldbedragen overgemaakt naar bankrekeningen [rekeningnummer 5] en [rekeningnummer 6] t.n.v. [betrokkene 6] en

8) geldbedragen overgemaakt naar bankrekeningen van [betrokkene 7] en

9) € 108.750,00- belegd in [naam bedrijf 2] en

10) voor meer geldbedragen[naam bedrijf 3] haarproducten gekocht voor [naam bedrijf 4].

Feit 3

hij in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 17 juni 2009, te Nederland en in de Dominicaanse Republiek, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte voorwerpen, te weten,

A) (par. 4.1 i.h.b. 4.1.1 zaakspv 4)

2.

een (bedrijfs)pand aan de [adres 2] ([betrokkene 9]’s Restaurant) te Santa Domingo en

3.

een auto Mercedes-Benz en

4.

b) een appartement aan de [adres 4] te Santa Domingo en

5.

penthouses (penthouses 1001 en 1002) aan de[adres 5] te Santa Domingo en

6.

een geldbedrag van (voor omgerekend ongeveer) € 1.156.487 uitgegeven aan privé doeleinden en/of eigen (privé) ondernemingen door middel van cheques(betalingen) en

7.

inboedel, sanitair, rolluiken en apparatuur voor de inrichting van de woning(en) van [betrokkene 9] en

8. (

een grote hoeveelheid) schilderijen en

9.

inboedel [betrokkene 10] en

D) (par. 4.4 zaakspv 4 en zaakspv 3)

3.

een grote hoeveelheid[naam bedrijf 3] haarproducten en
4. een grote hoeveelheid sigaren

voorhanden gehad, telkens terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig waren uit enig misdrijf.

Feit 4

[bedrijf 1] in de periode van 1 november 2007 tot en met 15 september 2008, in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk zonder een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten verleende vergunning een beleggingsobject, te weten participaties, in de vorm van Real Estate Investment Titles, "REITS", in onroerend goed op de Dominicaanse Republiek onder de naam[investeringsplan 1], heeft aangeboden,

aan het plegen van welke bovenomschreven strafbare gedragingen hij, verdachte, telkens feitelijk leiding heeft gegeven.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen in de aanvulling verkort arrest zijn vervat en op de hierna opgenomen bewijsoverweging.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

Op grond van het dossier is komen vast te staan dat de beleggers aan wie het koopcontract, de beheersovereenkomst en de volmacht is voorgelegd, is medegedeeld dat zij hun ingelegde geld niet terug zouden krijgen wanneer genoemde overeenkomsten niet ondertekend zouden worden. In totaal hebben 248 beleggers – onder wie alle personen die in de bewezenverklaring van feit 1 worden genoemd – hiertoe een gesprek gehad met het Advies Team Nederland.27Voor deze beleggers geldt dat zij minst genomen tijdens het verkoopgesprek op de hoogte zijn geraakt dat met het uitroepen van BEP1 hun inschuld was komen te vervallen. Het hof acht derhalve ten aanzien van deze beleggers voltooide oplichting bewezen.

Ten aanzien van de overige beleggers – die geen gesprek hebben gevoerd met het Advies Team Nederland – kan niet zonder meer op grond van de inhoud van het dossier worden vastgesteld dat zij ervan op de hoogte waren dat hun inschuld teniet was gedaan door de listige kunstgreep van de verdachte. Dientengevolge kan niet bewezen worden dat zij zijn bewogen tot het teniet doen van een inschuld. Het hof acht ten aanzien van deze groep personen wel de poging tot oplichting bewezen.

Ten aanzien van de feiten 1 en 4

Feitelijk leidinggeven aan [bedrijf 4]en [bedrijf 1]

Om te kunnen spreken van het geven van 'feitelijke leiding' in de zin van art. 51, tweede lid, Wetboek van Strafrecht moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

1.

de mogelijkheid om feitelijk leiding te geven veronderstelt een zekere macht, invloed en verantwoordelijkheid ten aanzien van het strafbare feit dat door de rechtspersoon is begaan;

2.

er dient sprake te zijn van een causaal verband tussen de wijze van leidinggeven en het plaatsvinden van strafbare feiten;

3.

voor leidinggeven is dubbel opzet vereist: opzet op het leidinggeven zelf en opzet op het grondfeit dat door de rechtspersoon wordt begaan.

Tegen de achtergrond van deze vereisten voor het feitelijke leidinggeven is van belang dat de verdachte de volledige zeggenschap had over de gedragingen die in het verband van de rechtspersonen [bedrijf 4]en [bedrijf 1] werden verricht. De verdachte was directeur van deze vennootschappen en had daar als enige zeggenschap over.28

In de onderhavige zaak blijkt uit de bewijsmiddelen het volgende:

- De verdachte was enig medewerker en de enige leidinggevende van [bedrijf 1].29

- De verdachte was vanaf 21 januari 1999 de managing director van [bedrijf 4]en de enige directeur.30

  • -

    De verdachte heeft de beleggers voorgespiegeld dat BEP1 gehaald was, terwijl dit niet het geval was. De verdachte had daartoe ook de macht als enig directeur van [bedrijf 4] en was derhalve ook bevoegd tot het uitroepen van BEP1. Het hof overweegt dat de gedraging – het uitroepen van BEP 1 ook is verricht in het kader van de taak en de doelstelling van de rechtspersoon.

  • -

    De verdachte heeft vervolgens namens[bedrijf 1] brieven verstuurd aan 321 deelnemers31 waarin zij werden uitgenodigd voor een gesprek met het Adviesteam Nederland, bestaande uit de verkopers [verkoper 1] en [verkoper 2] teneinde de koopovereenkomst, beheersovereenkomst en volmacht te ondertekenen.32 Uit onderzoek is gebleken dat bij een uitnodiging per e-mail gericht aan één van de deelnemers tevens concepten van de voorlopige koopovereenkomst, beheersovereenkomst en volmacht als bijlagen waren bijgevoegd.33 Op grond hiervan acht het hof niet onaannemelijk dat bij de rest van de uitnodigingen – zowel per e-mail als per post verstuurd – eveneens concepten van de voorlopige koopovereenkomst, beheersovereenkomst en volmacht zijn meegestuurd.

- De verdachte heeft op 22 april 2008 en op 11 september 2008 namens [naam bedrijf 1] een brief naar deelnemers gestuurd met daarin de mededeling dat niet alleen zijn inschrijfgeld maar ook zijn depotstorting kwam te vervallen aan [naam bedrijf 1] als gevolg van het niet ondertekenen van de hierboven genoemde overeenkomsten.34

Op grond van het bovenstaande concludeert het hof dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de rechtspersonen [bedrijf 4]en [bedrijf 1] Dat de feitelijke verkoop is verricht door verkopers die niet in dienst waren van de rechtspersoon doet niet ter zake, nu de door de verkopers verrichte handelingen voortvloeien uit het door de rechtspersoon verrichte strafbare feit en de verdachte als enig bestuurder en enig werknemer zeggenschap had over de handelingen van de rechtspersoon en in die hoedanigheid zich van een listige kunstgreep heeft bediend door de deelnemers voor te spiegelen dat BEP 1 was bereikt terwijl dit in werkelijkheid niet zo was. Het gaat er niet om of de verdachte leiding heeft gegeven aan het verkoopteam, maar of de verdachte leiding heeft gegeven aan de rechtspersoon. Van dat laatste is in casu sprake. Het hof verwerpt derhalve het verweer.

Ten aanzien van feit 2

Uit het dossier blijkt dat de inleg voor de aandelen [bedrijf 12] is terechtgekomen op 2 bankrekeningen. Vanaf 22 april 1999 tot en met 19 februari 2003 is in totaal € 2.232.793,93 gestort op ABN Amro rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [bedrijf 4]35. Vanaf 31 december 1999 tot en met 1 april 2006 is in totaal € 1.452.784,00 gestort op de Van Lanschot bankrekening [rekeningnummer 2] ten name van [bedrijf 4]36. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard zeggenschap te hebben over beide rekeningen. Ook heeft hij op dezelfde zitting verklaard zeggenschap te hebben over [bedrijf 4]

Het ingelegde geld op de rekeningen zou worden gebruikt om het project te promoten en zodoende de verkoop van het beleggingsproject te stimuleren.

Uit het dossier blijkt uit de analyse van de geldstromen37 dat van de ABN Amro rekening vrijwel geen betalingen ten behoeve van het project plaatsvonden. Het merendeel van de uitgaven betreft de in de tenlastelegging genoemde verduisteringen.

Ad. 1) IT-aandelen

Van de rekening van de ABN Amro bank heeft de verdachte vrijwel vanaf het begin van de ontvangst van de eerste gelden van beleggers op zeer grote schaal IT-aandelen gekocht. Bij vermogenswaarden is sprake van verduistering ingeval het ingelegde geld tegen de afspraken in wordt beheerd.38

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de verdachte door de door de beleggers voor onroerend goed project ingelegde gelden op grote schaal te investeren in IT-aandelen, de inleg niet heeft aangewend in het kader van de gepretendeerde marketing of promotie van het project. Dat de IT-aandelen op naam van [bedrijf 4]stonden doet daar niets aan af. In totaal werd van de ABN-Amrorekening [rekeningnummer 1] voor

€ 1.152.051,14 aan IT-aandelen aangeschaft, waar in de onderzoeksperiode uiteindelijk € 144.274,25 van is teruggekomen.

Het hof merkt daarbij nog op dat het grootste deel van de terugontvangen gelden vrijwel direct na ontvangst, op 15-11-2005 en 28-12-2005 worden overgeboekt naar de rekening van[bedrijf 7](nr. 63.25.23.778).39 Het hof acht op basis van het hiervoor overwogene de verduistering van het bedrag van € 1.152,051,00 aan IT-aandelen bewezen.

Ad. 2) American Express

De € 344.654,00 aan uitgaven American Express is rechtstreeks van de ABN Amrorekening [rekeningnummer 1] gedaan. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit onderzoek naar de creditcardbestedingen blijkt dat het geld is besteed aan zaken die zich als privébestedingen laten omschrijven.40

Ad 3) leningen aan[betrokkene 1] (€ 26.572,74) en [betrokkene 2] (€ 10.000,00)

Nu uit het dossier niet blijkt dat [betrokkene 1] of [betrokkene 2] activiteiten hebben verricht ten behoeve de promotie van het project is het hof met de rechtbank van oordeel dat deze leningen moeten worden beschouwd als privé transacties.

Ad. 4) [betrokkene 4]

Ten aanzien van de betalingen van € 250.000,00 aan de [betrokkene 4] overweegt het hof het volgende. Bij twee van de drie overboekingen van de ABN Amro rekening [rekeningnummer 1] - € 75.000,00 op 29-10-200141 en € 75.000,00 op 23-1-200242 - staat als investeerder vermeld ‘participatie/[betrokkene 9]/[betrokkene 8]’ respectievelijk ‘deelname [betrokkene 8]’.

Op basis van deze vermeldingen acht het hof bewezen dat de gehele participatie van € 250.000,00 niet werd gehouden ten behoeve van de vennootschap [bedrijf 4], maar ten behoeve van [betrokkene 8] respectievelijk de verdachte als privépersoon. Op basis van het voorgaande acht het hof ook de verduistering van de

€ 250.000,00 bewezen.

6) ongeveer € 150.910,00 en € 126.030,00 aan contanten opgenomen

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat de contante opnamen betrekking hebben op zowel privéuitgaven als ook op zakelijke uitgaven. Hij heeft echter geen enkel stuk overgelegd waaruit kan blijken dat ook zakelijke uitgaven van deze contante opnamen zijn gedaan. Naar zijn zeggen heeft hij er geen enkele boekhouding van bijgehouden. Uit het overzicht op pagina 0164 van het dossier blijkt ook dat de verdachte vrijwel maandelijks een vast contant bedrag van € 5.000,00 op nam. Ook dat verwijst naar het oordeel van het hof eerder naar regelmatige (huishoudelijke) privéopnamen, dan naar het (incidenteel) betalen van zakelijke rekeningen. Bij deze stand van zaken acht het hof het niet aannemelijk geworden dat de verdachte met de contante opnamen ook zakelijke uitgaven heeft gedaan en acht het ten laste gelegde bewezen.

8) geldbedragen overgemaakt naar bankrekeningen van [betrokkene 7]

De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat deze overboekingen naar Zwitserland (€ 13.273,07 op 28 juli 1999, €15.000,00 op 8 januari 2002 en € 9.590,00 op 27 juni 2002) betrekking hebben op alimentatiebetalingen aan zijn ex-vrouw, maar mogelijk ook betalingen aan het Zwitserse kantoor van [betrokkene 5] zijn geweest. Met de rechtbank acht het hof dit laatste ongeloofwaardig nu uit het dossier niet blijkt dat er in Zwitserland marketing activiteiten hebben plaatsgevonden.

10) voor meer geldbedragen[naam bedrijf 3] haarproducten gekocht voor [naam bedrijf 4]

Het hof is van oordeel dat de besteding voor aanschaf van haarproducten voor een andere vennootschap van de verdachte, een besteding is voor een ander doel dan waarvoor de gelden waren bestemd. Het hof acht daarmee net als de rechtbank het verduisteren van de tenlastegelegde € 187.305,00, minus de bedragen waarvoor het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in verband met de eerdere vervolging (€ 31.094,00 en € 30.000,00), bewezen.

Ten aanzien van feit 4

Bewezen is verklaard dat de rechtspersoon waaraan de verdachte feitelijk leiding gaf in Nederland een beleggingsobject heeft aangeboden zonder in het bezit te zijn van een daartoe door de Autoriteit Financiële Markten (AFM) verleende vergunning.

Met de rechtbank en de advocaat-generaal stelt het hof vast dat [bedrijf 1] beleggers de mogelijkheid heeft geboden om te investeren in zogenoemde REITS ter waarde van US$ 225.000,00 per stuk. Dit aanbod is neergelegd in het door[bedrijf 1]uitgegeven prospectus ‘[naam project]’ welke was gepubliceerd op de website [website 2].43 Daarnaast zijn deelnemers in het AIP per brief of per e-mail uitgenodigd om een voorlopig koopcontract te tekenen en zo een overeenkomst tot aankoop van één of meer REITS te sluiten.44 Uiteindelijk hebben 321 deelnemers in de loop van 2008 een brief ontvangen van [bedrijf 1], waarin zij werden uitgenodigd voor een persoonlijk gesprek met het Adviesteam Nederland te Ugchelen, alwaar hun de koopovereenkomst zou worden voorgelegd.45

De AFM is van oordeel dat het door [bedrijf 1] aangeboden product een beleggingsobject in de zin van artikel 1:1 Wft betreft.46Het hof komt tot eenzelfde conclusie, omdat met de aankoop van een REIT een recht wordt verkregen op (een deel van) onroerend goed47, een recht op rendement in geld in het vooruitzicht wordt gesteld, welk rendement wordt geprognosticeerd op circa US $22.500,00 netto per jaar48 en het beheer (te weten de verhuur van het vastgoed waar de REIT recht op geeft) wordt uitgevoerd door een ander dan de verkrijger, namelijk door [bedrijf 5]49.

Derhalve diende [bedrijf 1]over een door de AFM verleende vergunning te beschikken als bedoeld in artikel 2:55 Wft. Van deze vergunningplicht kunnen aanbieders van beleggingsproducten onder bepaalde omstandigheden worden vrijgesteld, mits de aanbieder bij een aanbod van beleggingsobjecten en in reclame-uitingen en documenten waarin een dergelijk aanbod in het vooruitzicht wordt gesteld, vermeldt dat hij voor het aanbieden niet vergunningplichtig is ingevolge de Wft en niet onder toezicht staat van de AFM (artikel 2, tweede lid, Vrijstellingsregeling Wft.). In de zich in het dossier bevindende stukken betrekking hebbende op de verkoop van REITS is niet opgenomen dat [bedrijf 1] onder de voornoemde vrijstellingscoupure viel, noch dat deze vennootschap niet onder toezicht stond van de AFM waardoor niet is voldaan aan de vereisten van de vrijstellingsregeling.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op:

Feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van oplichting, meermalen gepleegd en feitelijk leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van een poging tot oplichting, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Verduistering, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Gewoontewitwassen.

Het onder 4 primair bewezen verklaarde levert op:

Feitelijk leiding geven aan het medeplegen van overtreding van art. 2:55, eerste lid van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten aanzien van het onder 1 primair, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank Amsterdam de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis van 17 april 2008 (parketnummer 13/993034-05) gelast, zijnde een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor dezelfde feiten als waarvoor de verdachte in eerste aanleg is veroordeeld zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaren met aftrek van de tijd door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van 8 jaren schuldig gemaakt aan ernstige vormen van vermogenscriminaliteit. Hij heeft als feitelijk leidinggever van een rechtspersoon een groot aantal personen opgelicht, dan wel geprobeerd op te lichten en een beleggingsobject aangeboden zonder te beschikken over een daartoe door de AFM verleende vergunning. Daarnaast heeft de verdachte een grote som geld verduisterd en een gewoonte gemaakt van witwassen.

De verdachte heeft vanaf eind 1999 beleggers in Nederland de mogelijkheid geboden geld te investeren in een grootschalig toeristenoord dat op de Dominicaanse Republiek zou worden gebouwd. Met deze investering verkregen de beleggers een aandeel in dit resort waardoor zij (deel)eigenaar werden van een vakantiewoning. Met de verhuur van de woningen zouden hoge rendementen kunnen worden behaald. Om hun deelname aan het project zeker te stellen, dienden de deelnemers inschrijfgeld te betalen en een depotstorting te doen. Hun werd toegezegd dat het project van start zou gaan zodra er een concreet aantal inschrijvingen was bereikt waarmee de voorlopige kosten gedekt zouden worden.

Hoewel de verkoop van de aandelen al gedurende lange tijd stagneerde, wekte de verdachte tegenover de beleggers de indruk dat er meer deelnemers aan het project deelnamen dan werkelijk het geval was. De verdachte wist het vertrouwen van de beleggers gedurende lange tijd te behouden. In het zicht van een door hemzelf vastgestelde deadline zag de verdachte zich genoodzaakt om valselijk voor te wenden dat het vereiste deelnemersaantal voor het laten doorgaan van het project was behaald. Hierdoor verkeerden de beleggers in de veronderstelling dat zij hun ingelegde gelden niet meer terug konden vorderen. De verdachte wist echter dat het benodigde aantal deelnemers in werkelijkheid niet was behaald en dat er van het ingelegde vermogen feitelijk weinig over was.

Van de ontwikkeling van het toeristenoord is niets terecht gekomen. Het door de beleggers ingelegde geld heeft de verdachte ten eigen gunste ten dele verduisterd en witgewassen. In plaats van het ingelegde geld te besteden aan het project, heeft de verdachte zichzelf hiermee verrijkt door de aanschaf van privéappartementen in de Dominicaanse republiek, een eigen restaurant, een grote hoeveelheid schilderijen, dure sigaren, juwelen, overnachtingen in dure hotels en diners. Door er een dergelijke levensstijl op na te houden bekostigd met het geld van de beleggers, is er van door hen ingelegde geld, thans weinig over. Of de beleggers op enig moment een (substantieel) deel van hun inleg nog terug kunnen krijgen is dan ook nog maar de vraag. Het staat in ieder geval onomstotelijk vast dat zij door het handelen van de verdachte ernstig zijn gedupeerd.

De deelnemers hebben, blijkens hun verklaringen afgelegd bij de FIOD, ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, grote financiële zorgen en ongemak ondervonden toen bleek dat zij in plaats van de hun voorgespiegelde rendementen te ontvangen, naar alle waarschijnlijkheid het door hen ingelegde vermogen (nagenoeg) kwijt waren.

De integriteit van het financiële en economische verkeer valt of staat met het vertrouwen dat gesteld wordt en gesteld moet kunnen worden in partners in het zakelijke verkeer en financiële verkeer, almede in de juistheid van de inhoud van stukken zoals overeenkomsten. Dit vertrouwen is door het handelen van de verdachte in ernstige mate aangetast.

Voorts heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 9 oktober 2013, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van fraude gerelateerde delicten.

Het hof acht alles overwegende en in onderlinge samenhang bezien een langdurige gevangenisstraf passend en geboden. Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten.

Het hof ziet echter aanleiding om de straf enigszins te matigen wegens een overschrijding van de redelijke termijn. In eerste aanleg is de redelijke termijn met meer dan 6 maanden overschreden en in hoger beroep met 2 maanden. Rekening houdend met deze overschrijding en met een situatie als bedoeld in artikel 63 Wetboek van Strafrecht - de verdachte is in een eerdere strafzaak, betrekking hebbende hetzelfde project, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk - zal het hof in plaats van een gevangenisstraf van 5 jaren, een gevangenisstraf van 4 jaar en 6 maanden opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 51, 57, 63, 321, 326, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, artikel 2:55 van de Wet op het financieel toezicht en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

Benadeelde partijen

De rechtbank heeft in haar vonnis een groot aantal vorderingen van benadeelde partijen toegewezen. De advocaat-generaal heeft de toewijzing gevorderd van de vorderingen van alle benadeelde partijen die zich in deze zaak hebben gesteld, ter hoogte van het netto-schadebedrag met toewijzing van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat – indien het hof tot een veroordeling komt – de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Deze onevenredige belasting zit volgens de raadsman in de verscheidenheid aan berekeningen van de vorderingen in het dossier, alsmede de situatie dat sommige vorderingen wegens verschillende redenen door de rechtbank deels niet-ontvankelijk zijn verklaard.

Het hof stelt vast dat het merendeel van de benadeelde partijen hun vordering heeft beperkt tot een vergoeding van de netto-inleg in de beleggingsobjecten[investeringsplan 1], [bedrijf 12] en [investeringsplan 3]. De op de inleg ontvangen rente-uitkeringen, (geld)opnames en inschrijfkosten voor het AIP maken hier geen deel (meer) van uit. Daarnaast heeft de FIOD alle vorderingen van de benadeelde partijen aan de hand van bankafschriften gecontroleerd op rente-uitkeringen en opnames en – waar dit nog niet reeds was gebeurd – van de vordering afgetrokken.

Het hof is van oordeel dat de vorderingen van de benadeelde partijen nog net geen onevenredige belasting van het strafproces opleveren, nu het uitgangspunt de netto-inleg is en het hof over een duidelijk overzicht van de vorderingen van de benadeelde partijen beschikt.

Omvang van het aantal vorderingen in hoger beroep

In eerste aanleg hebben zich 287 beleggers gevoegd als benadeelde partij.

De rechtbank heeft 34 benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering. Dit betreffen de erfgenamen die zich als benadeelde partij hebben gesteld, benadeelde partijen die ervoor hebben gekozen hun [investeringsplan 1]-storting op een depotrekening van TMF te storten en een benadeelde partij wiens vordering gelijk was aan de reeds in een civiele procedure aan hem toegekende vordering. Deze benadeelde partijen hebben zich geen van allen opnieuw in de procedure in hoger beroep gevoegd. Dit betekent dat deze vorderingen niet meer aan de orde zijn in de procedure van het hoger beroep.

Beslissing

De verdediging heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de door de rechtbank toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de in de bijlage genoemde benadeelde partijen als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade hebben geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vorderingen zullen worden toegewezen met inachtneming van het volgende. Het hof zal de vorderingen van de benadeelden partijen toewijzen zoals ook de rechtbank dat heeft gedaan.

Het hof neemt van de rechtbank over hetgeen in het vonnis is opgenomen met betrekking tot benadeelde partijen die minder hebben gevorderd dan door de FIOD is berekend, andere opgevoerde posten dan de netto-inleg, de rentevergoeding en hetgeen de rechtbank heeft opgemerkt onder het kopje ‘inleiding’ onder ‘onderdeel B’, alsmede de beslissing de vorderingen toe te wijzen tot het netto-schadebedrag

– deze onderdelen dienen hier als ingelast te worden beschouwd – met dien verstande dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard voor het deel dat zij bij TMF in depot hebben gestort en overeenkomstig het aan het vonnis gehechte overzicht.

De schadevergoedingsmaatregel

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte op dit moment in Nederland van een bijstandsuitkering leeft en dat op zijn vermogen in de Dominicaanse Republiek door Justitie conservatoir beslag is gelegd. Daarmee staat het volgens de raadsman op voorhand vast dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het tenuitvoerleggen van de daaraan subsidiair verbonden vervangende hechtenis.

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge het tweede lid van art. 36f van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter de schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. De draagkracht van de verdachte speelt bij de bepaling van de hoogte van het bedrag geen rol. In geval van oplegging van de maatregel bepaalt de rechter de vervangende hechtenis (art. 36f, zesde lid, Sr). Niettemin kan het gebrek aan draagkracht onder omstandigheden voor de rechter reden zijn ervan af te zien de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan daarvan sprake zijn. Daarbij kan in het bijzonder worden gedacht aan gevallen waarin op voorhand vast staat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van de vervangende hechtenis.

Het hof overweegt dat de verdachte blijkens het dossier op dit moment beschikt over vermogensbestanddelen in de Dominicaanse Republiek. De verdachte heeft noch tijdens het vooronderzoek, noch tijdens de terechtzitting in hoger beroep ten behoeve van de benadeelden afstand gedaan van dat vermogen. Daarnaast valt niet in te zien dat de verdachte in de toekomst niet in staat zou zijn verdiencapaciteit van enige omvang te bereiken en valt niet uit het dossier vast te stellen of al het vermogen van de verdachte al in beeld is bij zijn schuldeisers.

Het hof acht daarom geen termen aanwezig om het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel achterwege te laten. Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof derhalve de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2008 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De raadsman verzoekt afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf zoals voormeld, omdat de proeftijd van die voorwaardelijke straf volgens de raadsman pas is gaan lopen nadat de in de onderhavige zaak ten laste gelegde feiten zijn gepleegd.

Het hof stelt vast dat de proeftijd van de bij vonnis van 17 april 2008, parketnummer 13/993034-05, opgelegde voorwaardelijke straf is ingegaan op 11 december 2009, daar de verdachte zijn hoger beroep in deze zaak op die datum heeft ingetrokken en daarmee het vonnis vanaf dat moment onherroepelijk is geworden.

Het hof overweegt dienaangaande dat wanneer het gaat om niet-naleving van de algemene voorwaarde als bedoeld in artikel 14c, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, ook een strafbaar feit begaan vóór het ingaan van de proeftijd tot tenuitvoerlegging aanleiding kan geven.50 Het hof ziet in de ernst van de zaak aanleiding van deze mogelijkheid gebruik te maken. Het hof is in het onderhavige geval van oordeel dat ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2008, de tenuitvoerlegging van de bij dat vonnis voorwaardelijk opgelegde 4 maanden gevangenisstraf dient te worden gelast, nu is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder feit 2 opgenomen onderdeel ‘(…) immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededaders onder meer’ nietig, voor zover het de woorden ‘onder meer’ betreft.

Verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van de volgende onderdelen van de tenlastelegging:

  • -

    feit 2, onderdeel 8, de transactie van € 54.408,84 die onderdeel uitmaakt van het daarin genoemde bedrag van € 63.999,00 (bijlage 18 OPV);

  • -

    feit 2, onderdeel 10, de transacties van € 31.094,00 en € 30.000,00 (30 september 2002) , die onderdeel uitmaken van het daarin genoemde bedrag van € 187.305 (bijlage 10 OPV);

  • -

    feit 3, onderdeel B1b.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3 en 4 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2008, parketnummer 13/993034-05, te weten

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Wijst toe de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen overeenkomstig het overzicht dat als bijlage A aan dit arrest is gehecht. In dat overzicht staan de benadeelde partijen van wie de vordering (gedeeltelijk) wordt toegewezen met naam, woonplaats en het FIOD-nummer vermeld. Ook staat in dat overzicht vermeld voor welk bedrag hun vorderingen worden toegewezen. Dit komt neer op een totaalbedrag van € 8.021.428,62.

Voornoemd bedrag wordt toegewezen ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde.

Verklaart de vorderingen van deze benadeelde partijen voor het meerdere niet-ontvankelijk.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de slachtoffers, opgenomen in de bijlage A, een bedrag te betalen van € 8.021.428,62 (acht miljoen-eenentwintigduizend-vierhonderdachtentwintig Euro en tweeënzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel, mr. J.D.L. Nuis en mr. P. Greve in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck - Dezentje, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 november 2013.

1 bijlage 8 OPV en D-201a.

2 Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 25 juli 2011

3 Zaakspv 2, p. 547.

4 Zie onder andere D-050, p. 5874.

5 D-094, p. 6153 en p. 6186.

6 AH-065, p. 1657.

7 D-050, p. 5887.

8 AH-065, p. 1664.

9 D-103, p. 6286, D-118, D-127.

10 D-103, p. 6286.

11 AH-65, p. 1657 (emissieprospectus[naam bedrijf 6]), p. 1664 (brochure[investeringsplan 1]).

12 D-001, p. 5001.

13 AH-65, p. 1676.

14 D-001, p. 5027.

15 Verd02-04, p. 3030.

16 Zie de overeenkomsten D138a, D-1001a en D-1007w waarin de deadline van 31 december 2007 is opgenomen in de leverings- en betalingsvoorwaarden.

17 Verd02-04, p. 3112 en de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 25 juli 2011.

18 AH-056, p. 1580.

19 Zie onder andere GB-02-02 p. 3657, GB-04-02 p. 3682, GB-07-01 p. 3709, GB-08-01 p. 3735, GB-12-01 p. 3768 en GB-13-01 p. 3776.

20 D-1022q, p. 9718.

21 D-369, p. 8662.

22 D-324, p. 8497 t/m 8502.

23 D-325, p. 8503 t/m 8516 en D-326, p. 8517 t/m 8526.

24 HR 6 juli 1999, NJ 1999/740.

25 HR 23 september 2010, LJN: BN0578.

26 HR 8 januari 2013, LJN: BX4449.

27 D-093, p. 6107 t/m 6117.

28 Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 25 juli 2011.

29 V02-02, p. 3100 (verklaring van de verdachte).

30 D-112 en V-02-05, p. 3127 (verklaring van de verdachte).

31 AH-056, p. 1580

32 Zie o.a. D-1001q, p. 8926.

33 GB-04-02, p. 3682.

34 D-369, p. 8662.

35 AH/070a, p. 1739.

36 AH/098, p. 1917.

37 AH-070, p. 1736.

38 HR 12 mei 1998, NJ 1998/695.

39 AH-201A, p. 7462.

40 AH-070, p. 1737.

41 AH-070, p. 7453.

42 D-201A, p. 7455.

43 D-003, p. 5324

44 O.a. D-1001q, p. 8926 en D-373 p. 8670

45 AH-056, p. 1580

46 D-001, p. 5005

47 D-003, p. 5324

48 D-003, p. 5324

49 D-003, p. 5326

50 HR 14 juni 2005, LJN: AT5752.