Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:46

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
200.078.633-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof heeft op grond van door Van den Berg ondertekend schadeformulier van derde voorshands bewezen geacht dat schade aan caravan van die derde in de caravanstalling van Van den Berg is veroorzaakt door Van den Berg, zodat ASR zich voor die schade op hem kan verhalen. Van den Berg is niet geslaagd in tegenbewijs tegen dit bewijsvermoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

sector handelsrecht, team II

zaaknummer : 200.078.633/01

zaaknummer rechtbank Alkmaar/Noord-Holland : 308331 \ CV EXPL 09-3640

arrest van de meervoudige kamer van 15 januari 2013

inzake

de naamloze vennootschap ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

APPELLANTE,

advocaat: mr. M.S.W. Begheijn, te Malden,

t e g e n

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

GEÏNTIMEERDE,

advocaat: mr. M. Verhoog, te Heerhugowaard.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Partijen worden hierna ASR en [geïntimeerde] genoemd. ASR is bij exploot van 11 november 2010 in hoger beroep gekomen van de vonnissen die door de rechtbank te Alkmaar onder nummer 308331 \ CV EXPL 09-3640 tussen partijen zijn gewezen en die zijn uitgesproken op 22 februari 2010 en 30 augustus 2010, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

1.2

ASR heeft bij memorie grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd en een bewijsaanbod gedaan, met conclusie, zakelijk weergegeven, tot vernietiging van het vonnis en veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 3.470,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 januari 2011 over de hoofdsom van € 2.738,27 alsmede € 535,50 aan buitengerechtelijke kosten en de proceskosten, alles uitvoerbaar bij voorraad.

1.3

[geïntimeerde] heeft daarop bij memorie van antwoord de grieven bestreden en een bewijsaanbod gedaan, met conclusie tot verwerping van het beroep en veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van ASR tot vergoeding van de proceskosten.

1.4

Ten slotte is gevraagd arrest te wijzen.

2 Waarvan het hof uitgaat

2.1

[geïntimeerde] exploiteert een caravanstalling. ASR’s verzekerde, [J], heeft zijn caravan krachtens overeenkomst met [geïntimeerde] in de caravanstalling gestald.

2.2

Nadat [J] op 4 juli 2005 zijn caravan had opgehaald uit de caravanstalling is schade aan het dak van de caravan geconstateerd. Naar aanleiding daarvan is een standaard Europees Aanrijdingsformulier ingevuld. In het voorgedrukte vak 11 “Zichtbare schade aan voertuig A” staat vermeld: “Links achter (Bovendak) gebogen gedeelte ingedeukt”. In het voorgedrukte vak 13 “Situatieschets van de aanrijding” ontbreekt een (op de in het geding gebrachte kopie zichtbare) tekening maar wordt opgemerkt: “Bij het verplaatsen van de Caravan door de tegenpartij”. Dat formulier is door [J] en door [geïntimeerde] ondertekend.

[geïntimeerde] heeft daarnaast een formulier “Schadeaangifte” van zijn verzekeraar Interpolis ingevuld, ondertekend en aan hem toegezonden. Onder “Oorzaak en toedracht” is ingevuld: “Bij verplaatsen caravan deuk in dak veroorzaakt”. Op vraag 7a “Is materiele schade toegebracht?” werd geantwoord: “ja, bestaande uit deuk in dak”. Onder vraag 10 “Wie is naar uw mening schuldig?” werd geantwoord: “[geïntimeerde] (…) omdat dhr. [geïntimeerde] geholpen heeft caravan te verplaatsen”.

2.3

Bureau [A]. heeft op verzoek van ASR de schade begroot op € 2.848,27.

2.4

ASR heeft aan [J], in verband met diens eigen risico, een bedrag van € 2.738,27 uitgekeerd en vordert in hoofdsom, als gesubrogeerde, betaling daarvan door [geïntimeerde].

3 Behandeling van het hoger beroep

3.1

De rechtbank heeft, na het horen van [J] als getuige, de vordering afgewezen. Volgens grief 1 werd de bewijslast dat [geïntimeerde] de schade heeft veroorzaakt ten onrechte op ASR gelegd. Onder grief 2 voert ASR daartoe (mede) aan dat de rechtbank onvoldoende betekenis aan het ingevulde en door [geïntimeerde] ondertekende schadeformulier heeft gehecht. De rechtbank heeft, aldus ASR ten slotte onder grief 3, ten onrecht geoordeeld dat het bewijs door ASR niet geleverd werd.

3.2

Het hof stelt voorop dat ASR, als gesubrogeerd in de rechten van [J], dient te stellen en bij gemotiveerde betwisting te bewijzen, dat de schade aan de caravan is veroorzaakt door [geïntimeerde]. Niet gemotiveerd weersproken is dat het Aanrijdingsformulier door [J] samen met, of in ieder geval in aanwezigheid van [geïntimeerde], is ingevuld zoals hierboven is aangegeven. [geïntimeerde] heeft dat formulier zonder voorbehoud ondertekend. Evenmin is betwist dat met “de tegenpartij” [geïntimeerde] bedoeld wordt. Het hof merkt dit, door beide partijen ondertekende formulier aan als een onderhandse akte in de zin van artikel 156 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Daaruit vloeit voorshands het bewijs voort dat de schade is ontstaan bij het verplaatsen van de caravan door of onder verantwoordelijkheid van [geïntimeerde]. Daarenboven kan bewijs worden ontleend aan de door [geïntimeerde] ondertekende schadeaangifte, waarin hij jegens zijn verzekeraar ook te kennen geeft dat de deuk in het dak van de caravan is veroorzaakt bij het verplaatsen daarvan en hij daarvoor verantwoordelijk is. Ook dit stuk kan tot bewijs van de oorzaak van de schade dienen. Daaraan doet niet af dat het stuk geen akte is in de zin van artikel 156 Rv, noch dat [geïntimeerde] niet de bedoeling heeft gehad dat dit stuk in het bezit van ASR zou komen. Dat de voormalige partner van [geïntimeerde] dit formulier heeft ingevuld is in dit geschil niet relevant. Vast staat dat [geïntimeerde] het heeft ondertekend. Ten slotte overweegt het hof nog dat [J] onder ede heeft verklaard dat hij zijn caravan bij het stallen in het midden van de bollenschuur heeft neergezet en deze bij het ophalen aan de rechterzijde van de schuur geparkeerd stond en dus verplaatst moet zijn, en dat het schadebeeld correspondeert met de mogelijkheid dat de linker achterzijde van de caravan tegen de - vanuit [J] gezien toen - rechterdakspanten is aangekomen.

3.3

Tegen bovenstaand voorshands bewijsoordeel van het hof is tegenbewijs toegelaten hetgeen [geïntimeerde] ook heeft aangeboden. Hij zal daarom worden toegelaten tot het bewijs, in de zin van tegenbewijs, dat de deuk in het dak van de caravan niet is veroorzaakt doordat bij het verplaatsen van de caravan door of onder verantwoordelijkheid van [geïntimeerde], het dak van de caravan een van de spanten van het dak van de stalling heeft geraakt.

3.4

Het hof oordeelt voorts reeds nu dat de hoogte van de gevorderde schade niet voldoende gemotiveerd is weersproken. Dat partijen zelf aanvankelijk hebben gemeend dat de schade € 800, zou bedragen, zoals zou zijn geschat door een niet nader geïdentificeerde “Firma Mijts”, doet onvoldoende af aan het door Bureau H.A. van Ameyde opgemaakte, gemotiveerde rapport. Door ASR is naar aanleiding van het verweer bij conclusie van antwoord evenwel niet nader gemotiveerd dat en waarom zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt in verband met de gevorderde schade zodat de vordering in zoverre zal worden afgewezen. De betwisting van de wettelijke rente volgt de betwisting van de hoofdsom zodat de toewijsbaarheid daarvan afhankelijk is.

3.5

Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.

4 Beslissing

Het hof:.

laat [geïntimeerde] toe door getuigen te bewijzen dat dat de deuk in het dak van de caravan niet is veroorzaakt doordat bij het verplaatsen van de caravan door of onder verantwoordelijkheid van [geïntimeerde], het dak van de caravan een van de spanten van het dak van de stalling heeft geraakt;

beveelt dat een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. W.J. Noordhuizen, daartoe als raadsheer-commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, Prinsengracht 436 te Amsterdam, op 22 maart 2013 om 13:00 uur;

bepaalt dat alleen de advocaat van [geïntimeerde], voor het geval de raadslieden van weerszijden of de getuige(n) op evenvermeld tijdstip verhinderd zijn, uiterlijk op de rol van 29 januari 2013 schriftelijk aan het enquêtebureau van het hof kan verzoeken om bepaling van een andere datum, onder opgave van de te horen getuige(n) en van de verhinderdata van alle partijen, raadslieden en getuigen in de maanden maart, april en mei 2013.

en bepaalt dat bij gebreke daarvan geen andere gelegenheid tot getuigenverhoor zal worden geboden.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J. Noordhuizen, J.C. Toorman en G.C.C. Lewin en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2013 door de rolraadsheer.