Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4593

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-12-2013
Datum publicatie
18-12-2013
Zaaknummer
12/00567 en 12/00568
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof is van oordeel dat de wetgever bij de totstandbrenging van de per 1 januari 2010 gewijzigde successiewetgeving de ingevolge artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM vereiste ‘fair balance’, zowel op wetgevingsniveau als op individueel niveau, in acht heeft genomen. Het in aanmerking nemen van de (woz-)waarde naar het prijspeil op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar van overlijden (op grond van artikel 21 lid 5 Sw) leidt niet tot een 'individual and excessive burden'.

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 21, geldigheid: 2013-12-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-3124
V-N Vandaag 2013/2864
RN 2014/22
V-N 2014/11.20
mr. L. Bergman annotatie in NTFR 2014/676

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 12/00567 en 12/00568

5 december 2013

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op de hogere beroepen van

de inspecteur van de Belastingdienst/Rijnmond/kantoor Rotterdam, de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaken met kenmerk AWB 11/5838 en 11/5839 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in de gedingen tussen

[AX] en[CX], beiden wonende te [Z], belanghebbenden,

gemachtigde: W.J. Engel,

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 19 juli 2011 aan belanghebbenden aanslagen erfbelasting opgelegd voor belaste verkrijgingen van € 214.207 als gevolg van het overlijden van [X] (hierna: erflater) in 2010 en te betalen bedragen aan erfbelasting van € 31.041. Tegelijkertijd met de aanslagen heeft de inspecteur bij beschikkingen € 54 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken, gedagtekend 4 oktober 2011, de aanslagen en beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 2 juli 2012 heeft de rechtbank de door belanghebbenden ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de aanslagen verminderd tot aanslagen berekend naar belaste verkrijgingen van € 195.026 en de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig verminderd.

1.4.

De tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 9 augustus 2012, aangevuld bij brieven van 31 augustus 2012. De gemachtigde heeft verweerschriften ingediend. Bij brief van 28 november 2012 heeft de inspecteur een nader stuk ingebracht.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1 tot en met 2.5 van haar uitspraak de volgende feiten vastgesteld. Belanghebbenden worden daarin (evenals in het hierna opgenomen citaat uit deze uitspraak) aangeduid als ‘eiseressen’, de inspecteur als ‘verweerder’:

2.1.

Op 6 april 2010 is overleden [X] (hierna: erflater). Bij testament zijn tot erfgenamen benoemd zijn twee dochters, eiseressen, ieder voor 99/200e deel en (wijlen) zijn echtgenote, [Y] voor 1/100e deel.

2.2.

Tot de nalatenschap van erflater behoort de woning aan de [a-straat 1A] te [Z] (hierna: de woning).

2.3.

De waarde van de woning is ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: WOZ-waarde) voor het kalenderjaar 2010, naar de waardepeildatum 1 januari 2009, vastgesteld op € 840.000. De WOZ-waarde van de woning is voor het kalenderjaar 2011, naar de waardepeildatum per 1 januari 2010, vastgesteld op € 762.500.

2.4.

In de aangifte voor de erfbelasting is aan de woning een waarde van € 762.500 toegekend, zijnde de WOZ-waarde naar de peildatum 1 januari 2010.

2.5.

Bij het opleggen van de aanslagen erfbelasting aan eiseressen heeft verweerder de waarde van de woning gesteld op € 840.000, zijnde de WOZ-waarde naar de peildatum 1 januari 2009. Verweerder heeft voor de berekening van de erfbelasting het aangegeven saldo van de nalatenschap van € 432.377 gecorrigeerd met € 38.750 naar € 471.127.

2.2.

Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit.

2.3.1.

Het Hof voegt hieraan nog de volgende feiten toe:

2.3.2.

De woning omvat vier appartementsrechten die recht geven op het uitsluitend gebruik van de twee naast elkaar gelegen garageplaatsen in het souterrain (waarvan de tussenmuur is weggebroken), een woning op de 3e verdieping met een woonoppervlakte van 250 m2 en twee bergingen (nrs. [...] en [...]).

2.3.3.

De woning is, met uitzondering van de bergingen met de nrs. [...] en [...], bij overeenkomst d.d. 17 juli 2012 verkocht voor € 800.000 . De levering van de woning heeft, onder uitstel van betaling, plaatsgevonden op 19 september 2012. De betaling is, conform de overeenkomst van 19 september 2012, gedaan in 2013.

2.3.4.

In hoger beroep heeft de inspecteur een taxatierapport overgelegd van 17 augustus 2012. Daarin is de waarde van de woning op 6 april 2010, getaxeerd op € 840.000.

Voor deze taxatie is gebruik gemaakt van de referentiewoning [a-straat 1D], die is gelegen in hetzelfde complex. Deze woning, met een woonoppervlakte van 272 m2 en 1 garageplek in het souterrain, is op 10 september 2010 verkocht (en op 5 november 2010 geleverd) voor € 900.000.

3 Geschil in hoger beroep

Evenals bij de rechtbank is in geschil of artikel 21, vijfde lid, Successiewet 1956 in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft in haar uitspraak het volgende geoordeeld:

4.1.

Artikel 21, vijfde lid, eerste volzin van de Sw (tekst 2010) luidt:

“Onroerende zaken die in gebruik zijn als woning, worden in aanmerking genomen naar de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor die onroerende zaken vastgestelde waarde voor het kalenderjaar waarin de verkrijging plaatsvindt.”

4.2.

In de Memorie van toelichting bij invoering van artikel 21, vijfde lid, Sw (tekst 2010) is onder meer opgemerkt (TK 2008-2009, 31.930, nr. 3, blz. 35, 36):

“In het voorgestelde vijfde lid wordt voorgesteld de waarde van onroerende zaken die als woning in gebruik zijn, te stellen op de waarde die is vastgesteld op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ-waarde). Het gebruik van de WOZ-waarde leidt tot een belangrijke vereenvoudiging in de uitvoering, zowel voor de Belastingdienst als voor de belastingplichtigen. Voor deze vereenvoudiging is essentieel dat de WOZ-waarde in zoveel mogelijk gevallen wordt gebruikt en dat daarmee discussies over de waarde worden vermeden. Daarom is, behoudens bij verhuurde panden (zie de toelichting bij het zesde lid), geen tegenbewijs toegelaten.

Het voorgestelde vijfde lid ziet alleen op onroerende zaken die als woning in gebruik zijn. De reden hiervoor is dat het voor de heffing van schenk- en erfbelasting in het overgrote deel van de gevallen gaat om woonhuizen. (…)”

4.3.

Met ingang van 1 januari 2012 is het vijfde lid gewijzigd, in die zin dat op verzoek van de belastingplichtige ook kan worden uitgegaan van de WOZ-waarde van het kalenderjaar volgend op het jaar van verkrijging. In de parlementaire geschiedenis is onder meer opgemerkt (TK 2011-2012, 33.003, nr. 23, amendement van het lid Schouten):

“Uit praktisch oogpunt kan de WOZ-waarde worden gehanteerd voor woningen die worden verkregen. Deze waarde kan zowel voor de Belastingdienst als voor de belanghebbenden eenvoudig worden geraadpleegd en hoeft weinig bezwaren op te leveren indien de WOZ-waarde een goede benadering vormt van de werkelijke waarde van de woning ten tijde van de verkrijging. De peildatum voor het vaststellen van de WOZ-waarde en de datum ten tijde van de verkrijging zijn evenwel niet hetzelfde. In een woningmarkt waarbij de prijzen dalen, kan dit ertoe leiden dat er een groot verschil ontstaat tussen de WOZ-waarde en de werkelijke waarde van een woning. Door de huidige stagnatie op de woningmarkt ervaren belastingplichtigen het als onrechtvaardig dat er thans erf- of schenkbelasting kan worden geheven over een deel van de waarde die in werkelijkheid niet wordt verkregen door de erfgenaam/begiftigde (er kan worden geheven over «gebakken lucht»). Dit gevolg is bovendien niet in overeenstemming met de kern van de Successiewet dat er schenk- of erfbelasting wordt verkregen over het voordeel dat de verkrijger ontvangt. (…).”

Bij kamerstuknummer 70 is het amendement gewijzigd, maar de onderbouwing in het stuknummer 23 is voor het amendement van belang gebleven.

4.4.

Het is vaste rechtspraak (vgl. Hoge Raad 3 april 2009, LJN: BC2816, in navolging van rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)) dat belastingheffing is te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol. Naar tussen partijen niet in geschil is, is te dezen voldaan aan de door het EHRM geformuleerde eisen van ‘lawfullness’ (de aantasting moet op een wettelijke basis berusten) en ‘legitimate aim’ (met de inbreuk moet een legitieme doelstelling van algemeen belang worden gediend). Artikel 1 van het Eerste Protocol brengt volgens diezelfde rechtspraak van het EHRM voorts mee dat een inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom slechts is toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist het bestaan van een redelijke verhouding (‘fair balance’) tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keus van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. Eiseressen hebben – kort gezegd – aangevoerd dat artikel 21, vijfde lid, van de Sw (tekst 2010) niet voldoet aan dat vereiste van ‘fair balance’.

4.5.

De Sw heeft, zoals ook blijkt uit de hiervoor onder 4.3 aangehaalde parlementaire geschiedenis, – kort gezegd – tot doel en strekking de verkrijging uit een nalatenschap te belasten naar de waarde daarvan op het moment van overlijden. De wetgever heeft er om redenen van vereenvoudiging vanaf 1 januari 2010 voor gekozen om bij de bepaling van de waarde van woningen voor de Sw, de WOZ-waarde van de woning tot uitgangspunt te nemen. Daarbij is (tot 1 januari 2012) aangesloten bij de WOZ-waarde die van toepassing is in het kalenderjaar van de verkrijging. Dat betekent dat die waarde is bepaald naar de peildatum 1 januari van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Dat sluit aan bij de regelingen zoals die ook gelden voor de waardering van woningen voor (onder meer) de onroerendezaakbelastingen en de inkomstenbelasting. Voor de Sw brengt dit waarderingsvoorschrift mee dat er ten minste 12 maanden en maximaal 24 maanden liggen tussen het moment van de verkrijging van de woning en het moment waarnaar de waarde van de woning is bepaald. In een stijgende woningmarkt brengt dat in het algemeen mee dat woningen voor een lagere waarde in de erfbelasting worden betrokken en in een dalende woningmarkt brengt dat mee dat woningen voor een hogere waarde in de erfbelasting worden betrokken. De regeling bevat daardoor een zekere ruwheid, maar daarmee is de wetgever in zijn algemeenheid niet getreden buiten de ruime beoordelingsmarge die hem toekomt onder artikel 1 van het Eerste Protocol.

4.6.

Met betrekking tot de vraag of in het onderhavige geval is voldaan aan het ‘principle of fair balance’ geldt het volgende. Beslissend voor de vraag of sprake is van een individuele buitensporige last is de mate waarin de betrokkene in de gegeven omstandigheden getroffen wordt door de desbetreffende verplichting. In het onderhavige geval is de WOZ-waarde van de woning tussen 1 januari 2009 en 1 januari 2010 met € 77.500 gedaald. De stelling van verweerder ter zitting dat de waarde in het economische verkeer van de woning ten tijde van het overlijden mogelijk ook veel hoger zou kunnen zijn dan € 840.000 heeft hij niet onderbouwd. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat de vastgestelde WOZ-waarden ook de waarde in het economische verkeer van de woningen vertegenwoordigen op de peildata. Indien van die waarden wordt uitgegaan brengt het voorgaande mee dat op grond van artikel 21, vijfde lid, van de Sw (tekst 2010) bij beide eiseressen erfbelasting over 99/200e deel van € 38.750 wordt geheven terwijl zij niet daadwerkelijk een erfenis met die waarde hebben verkregen. Als gevolg hiervan zijn de aanslagen erfbelasting beide € 3.836 hoger dan die zouden zijn indien de waardedaling tussen 1 januari 2009 en 1 januari 2010 wel in aanmerking zou zijn genomen. Dit is zowel absoluut als relatief gezien een zware last, te meer nu aan de verkrijging van een woning eigen is dat daarmee geen (directe) middelen worden verkregen om de verschuldigde erfbelasting te kunnen betalen.

4.7.

Gelet op het vorenoverwogene, moet worden geconcludeerd dat de waardering van de woning naar de waardepeildatum 1 januari 2009 in het onderhavige geval leidt tot een met artikel 1 van het Eerste Protocol strijdige buitensporige last. Van een ‘fair balance’ is daarom in dit geval geen sprake. Dit betekent dat een strikte toepassing van artikel 21, vijfde lid, van de Sw (tekst 2010) achterwege dient te blijven. De strijdigheid met artikel 1 van het Eerste Protocol kan in dit geval worden opgeheven door, zoals eiseressen ook bepleiten, aan te sluiten bij de door de wetgever vanaf het jaar 2012 ingevoerde wetgeving, zodat in plaats van de WOZ-waarde naar de peildatum 1 januari 2009 de WOZ-waarde van de woning in aanmerking dient te worden genomen naar de peildatum 1 januari 2010.

4.8.

Uit het voorgaande volgt dat het saldo van de nalatenschap € 432.377 bedraagt, dat aan elk van eiseressen daarvan 99/200e toekwam en dat voor elk van hen de belaste verkrijging na toepassing van de vrijstelling van € 19.000, € 195.026 bedraagt. Aangezien uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de belastingaanslagen moeten worden verminderd, dienen ook de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig te worden verminderd.

4.9.

Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

5 Standpunten van partijen

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken en het proces-verbaal van de zitting.

6 Beoordeling van het geschil

6.1.

Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EHRM (hierna: EP) luidt als volgt:

1. Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

2. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat de Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendommen te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

6.2.

Uit het tweede lid van artikel 1 EP blijkt uitdrukkelijk dat het eigendomsgrondrecht niet het recht van de verdragsluitende staten aantast om belastingen te heffen, mits daarbij de in het EVRM gegarandeerde rechten worden gerespecteerd. Toepassing van dit toetsingskader op de onderhavige casus brengt het Hof tot de volgende oordelen.

6.3.

Het EHRM hanteert een ten opzichte van het nationale recht autonome en ruime uitleg van het begrip ‘eigendom’ in de zin van artikel 1 EP. Als eigendom (‘possession’) in de zin van deze bepaling worden ook beschouwd rechten en belangen die een vermogenswaarde vertegenwoordigen. Het Hof is van oordeel dat belanghebbenden aan artikel 1 EP het recht ontlenen op het ongestoorde genot van de geërfde woning en dat de onderhavige heffing van belasting daarop een inbreuk vormt.

6.4.

De onderhavige inbreuk op het eigendomsgrondrecht van belanghebbenden is naar het oordeel van het Hof evenwel rechtsgeldig omdat die inbreuk in overeenstemming is met de nationale wetgeving. Deze op regelmatige wijze tot stand gekomen wetgeving (artikel 21, vijfde lid, SW) is voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening. Bovendien wordt daarmee een legitiem doel in het algemeen belang nagestreefd.

Nu het Hof van oordeel is dat de bestreden heffing een rechtsgeldige inbreuk vormt op het eigendomsgrondrecht met een doelstelling in het algemeen belang, moet vervolgens worden getoetst of er een redelijke proportionaliteit bestaat tussen het individuele belang van de door deze heffing getroffen belastingplichtigen en het algemeen belang.

6.5.

Deze proportionaliteitstoets vindt op twee niveaus plaats:

a. op het niveau van de regelgeving: is er een redelijke mate van evenredigheid tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd, dat wil zeggen een redelijke verhouding (‘fair balance’) op wetgevingsniveau tussen de bescherming van individuele rechten en het algemeen belang;

b. op individueel niveau: ook al is de wetgever binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge gebleven en is er op het niveau van de regelgeving derhalve sprake van een ‘fair balance’, dan nog is er geen proportionaliteit als een bepaald individu een buitensporige last draagt (‘individual and excessive burden’).

6.6.

Bij deze proportionaliteitstoets moet voorop worden gesteld dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid (‘wide margin of appreciation’) toekomt wat betreft de beoordeling van wat in het algemeen belang is, alsmede bij de keuze van de middelen om dit belang te dienen. Met name bij maatregelen op sociaaleconomisch terrein, waartoe ook belastingheffing wordt gerekend, komt volgens vaste jurisprudentie van het EHRM aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe; het EHRM zal de gemaakte afweging respecteren, tenzij deze afweging elke redelijke grond ontbeert. Dat het gestelde doel ook met een lichter middel kan worden bereikt, is op zichzelf niet voldoende om te concluderen dat de inbreuk ongerechtvaardigd is.

Het gaat hierbij om de gegevens die de wetgever bij de totstandkoming van de desbetreffende wetgeving ter beschikking stonden, terwijl in beginsel alle met deze wetgeving nagestreefde doelstellingen in de bedoelde afweging moeten worden betrokken (vgl. HR 16 november 2001, nr. C00/142HR, NJ 2002, 469 en AB 2002, 25 , Herstructurering varkenshouderij, r.o. 6.2.3, 6.3 en 7.2).

6.7.

Met inachtneming van deze uitgangspunten zal het Hof beoordelen of de met ingang van 1 januari 2010 van kracht geworden wettelijke regeling inzake de waardering van onroerende zaken die in gebruik zijn als woning (artikel 21, vijfde lid, Sw), voldoet aan de hiervoor bedoelde ‘fair balance’. Deze regeling komt erop neer dat de voor de heffing in aanmerking te nemen waarde wordt vastgesteld naar het prijspeil op 1 januari van het jaar voorafgaande aan het jaar van overlijden.

6.8.

In de Memorie van toelichting bij invoering van artikel 21, vijfde lid , Sw (tekst 2010) is onder meer opgemerkt (Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 35, 36):“In het voorgestelde vijfde lid wordt voorgesteld de waarde van onroerende zaken die als woning in gebruik zijn, te stellen op de waarde die is vastgesteld op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ-waarde). Het gebruik van de WOZ-waarde leidt tot een belangrijke vereenvoudiging in de uitvoering, zowel voor de Belastingdienst als voor de belastingplichtigen. Voor deze vereenvoudiging is essentieel dat de WOZ-waarde in zoveel mogelijk gevallen wordt gebruikt en dat daarmee discussies over de waarde worden vermeden. Daarom is, behoudens bij verhuurde panden (zie de toelichting bij het zesde lid), geen tegenbewijs toegelaten.

Het voorgestelde vijfde lid ziet alleen op onroerende zaken die als woning in gebruik zijn. De reden hiervoor is dat het voor de heffing van schenk- en erfbelasting in het overgrote deel van de gevallen gaat om woonhuizen. (…)”

6.9.

Het Hof is van oordeel dat de wetgever ten tijde van de invoering van de onderhavige regelgeving de vereiste ‘fair balance’ heeft betracht tussen het algemene belang en de bescherming van de met deze wetgeving gemoeide individuele belangen van de erbij betrokken belastingplichtigen. Bij de keuze voor de onderhavige wetsbepaling is het de bedoeling van de wetgever geweest een praktische en eenvoudige regeling voor de waardering van (kort gezegd) eigen woningen te treffen. Daarbij is aanvaard dat de relevante waarderingsdatum minimaal 12 en maximaal 24 maanden ligt vóór de overlijdensdatum (de algemene wettelijke waarderingsdatum op grond van artikel 21, eerste lid, SW) . De wetgever heeft toentertijd niet gekozen voor een waardepeildatum gelegen in het jaar van overlijden vanwege het daaraan verbonden risico dat ten tijde van het doen van aangifte, de relevante WOZ-waarde nog niet zou zijn vastgesteld. Met invoering van de nieuwe regeling heeft de wetgever aanvaard dat de woning in de erfbelasting wordt betrokken voor een waarde die (hoogstwaarschijnlijk) afwijkt van de waarde ten tijde van de algemene wettelijke waarderingsdatum. Van de afwegingen die ten grondslag hebben gelegen aan deze keuze kan niet worden gezegd dat zij elke redelijke grond ontberen.

6.10.

Daarbij zij opgemerkt dat de waardeontwikkeling tussen de waardepeildatum en de dag van overlijden van de erflater er enerzijds toe kan leiden dat belasting geheven wordt over een inmiddels ‘vervluchtigde’ waarde (bij een dalende woningmarkt) en anderzijds dat belasting wordt geheven over een lagere waarde dan die op het moment van overlijden (bij een stijgende woningmarkt).

6.11.

Anders dan in de zaak die heeft geleid tot het arrest van 22 oktober 2010, nr. 08/02324, BNB 2010/335, inzake rechtsgeldigheid van de zogenoemde Fierens marge, is de onzekerheid die uit het wettelijke waardebegrip bij deze geschillen voortvloeit, dus niet eenzijdig voor risico van de belanghebbende gebracht. Daar komt bij dat de belastingplichtige rechtsmiddelen ter beschikking staan tegen de vaststelling per de wettelijke peildatum.

6.12.

Dit alles afwegende, is het Hof van oordeel dat de wetgever door het hanteren van een waardepeildatum die is gelegen aan het begin van het kalenderjaar voorafgaande aan het jaar van overlijden, is gebleven binnen de hem ter zake toekomende beoordelingsmarge. In deze door de wetgever gemaakte afweging zal het Hof niet treden.

6.13.

Beoordeeld dient evenwel nog te worden of belanghebbenden als gevolg van de onderhavige heffing een buitensporige last dragen (‘individual and excessive burden’).

6.14.

Ook die vraag wordt door het Hof ontkennend beantwoord. De woning is op 17 juli 2012 verkocht (en op 19 september 2012 geleverd) voor een bedrag van € 800.000. Deze koopoverkomst c.q. levering omvatte naast de woning ook de onder 2.3.2 genoemde garages doch niet de in het souterrain gelegen bergingen (nrs. [...]/[...]). Het Hof gaat er van uit dat deze koopsom de waarde van de woning (exclusief de bergingen) op 19 september 2012 weerspiegelt.

6.15.

Belanghebbenden stellen dat zij als gevolg van de onderhavige aanslagen een buitensporige last dragen omdat (een deel van) de door de inspecteur gehanteerde

WOZ-waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2009, door het uitbreken van de financiële crisis in oktober 2008, welke crisis in 2009 en 2010 een negatieve invloed heeft gehad op de huizenmarkt, was vervluchtigd op het tijdstip van overlijden van de erflater (6 april 2010).

6.16.

Het Hof acht met belanghebbenden aannemelijk dat als gevolg van het uitbreken van de financiële crisis in oktober 2008, in 2009 en 2010 sprake was van een dalende woningmarkt welke (algemene) ontwikkeling ook van invloed is geweest op de waarde van de woning in die periode. Het voorgaande brengt mee dat het Hof er van uitgaat dat de waarde van de woning op 6 april 2010, de sterfdatum van erflater, ten minste € 800.000 bedroeg, zijnde de voor de woning op 17 juli 2012 overeengekomen koopsom, maar waarschijnlijk meer dan dat bedrag. Het Hof acht aannemelijk dat de woning ook in de periode van 6 april 2010 tot 17 juli 2012, in waarde is gedaald.

Zo al sprake is van een vervluchtigde waarde, bedraagt deze derhalve maximaal € 40.000.

6.17.

Daarbij komt dat de in 6.14 genoemde bergingen, die deel uitmaken van de onderhavige woning/verkrijging, niet zijn begrepen in de verkoopovereenkomst van 17 juli 2012, maar wel in de onderhavige maatstaf van de heffing begrepen moeten worden. Partijen hebben noch in de stukken noch ter zitting uitsluitsel gegeven over de waarde van deze bergingen. Dat dergelijke bergingen een zekere waarde vertegenwoordigen acht het Hof, zonder zich daarbij uit te laten over de exacte waardering daarvan, aannemelijk.

6.18.

Gelet op dit een en ander is het Hof van oordeel dat belanghebbenden hun stelling dat door verweerder is geheven over een ten tijde van de verkrijging reeds vervluchtigde waarde, niet aannemelijk hebben gemaakt, terwijl dat wel op hun weg lag. De grief mist in zoverre feitelijke grondslag.

6.19.

Zo al veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat door de inspecteur is geheven over een ten tijde van de verkrijgingen vervluchtigde waarde, komt het Hof de omvang daarvan, gerelateerd aan de verkrijging als geheel (waarin begrepen de woning) dermate gering voor, dat dit niet meebrengt dat sprake is van een ‘individual and excessive burden’.

6.21.

Het Hof is derhalve van oordeel dat bij de totstandbrenging respectievelijk toepassing van de per 1 januari 2010 gewijzigde successiewetgeving de ingevolge artikel 1 EP vereiste ‘fair balance’, zowel op wetgevingsniveau als op individueel niveau, in acht is genomen. Het gelijk is aan de inspecteur.

Slotsom

De slotsom is dat de hogere beroepen gegrond zijn en dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd.

7 Kosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

8 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank; en

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond.

De uitspraak is gedaan door mrs. C.J. Hummel, voorzitter, J. den Boer en J.P. Kruimel, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Couperus als griffier. De beslissing is op 5 december 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.