Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4562

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
07-01-2014
Zaaknummer
200.122.866-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Insurance Passport for Students (IPS). Schadeuitkering ter zake kosten medische behandeling geweigerd.

Relevante schending door verzekerde van wettelijke en contractuele meldingsplicht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2014/33

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1

zaaknummer: 200.122.866/01

zaaknummer rechtbank: 1355827/ HA EXPL 12-802

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 december 2013

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. N.R.H. Boasman-Trustfull te Almere,

tegen

1 de naamloze vennootschap Europeesche Verzekering Maatschappij N.V.,

gevestigd te Amsterdam, en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [geïntimeerde],

geïntimeerden,

advocaat: mr. E.J.J.A. van Dal, te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant], Europeesche en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 16 januari 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 17 oktober 2012, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser in vrijwaring en Europeesche en [geïntimeerde] als gedaagden in vrijwaring.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 23 oktober 2013 doen bepleiten, [appellant] door mr. G.J. van Ommeren, advocaat te Amsterdam, en Europeesche en [geïntimeerde] door hun hierboven genoemde advocaat, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij die gelegenheid hebben Europeesche en [geïntimeerde] nog inlichtingen verschaft.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vordering toe zal wijzen, alsmede om Europeesche en [geïntimeerde] te veroordelen om al hetgeen hij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan hen heeft voldaan aan hem – met rente – terug te betalen, voorts om Europeesche en [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van beide instanties, met nakosten, vermeerderd met rente.

Europeesche en [geïntimeerde] hebben geconcludeerd tot - uitvoerbaar bij voorraad – primair bekrachtiging van het bestreden vonnis en subsidiair vernietiging van dat vonnis en niet-ontvankelijk verklaring van [appellant] in zijn vordering althans afwijzing daarvan, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1. tot en met 1.3. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze vaststelling van feiten is wat betreft de onderdelen 1.1. en 1.2 niet in geschil, doch wat betreft onderdeel 3 wel, in zoverre dat Europeesche en [geïntimeerde] vooralsnog bij gebrek aan wetenschap en nadere (medische) informatie (blijven) bestrijden dat de behandeling die [appellant] in het AMC heeft ondergaan betrekking had op een – naar [appellant] stelt – door [appellant] opgelopen steekwond in de buik. Met die beperking gaat ook het hof van de door de kantonrechter vastgestelde feiten uit.

3 Beoordeling

3.1

Deze zaak betreft – zakelijk samengevat – het volgende:

a. Op aanvraag van [appellant] heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een zogenoemd Insurance Passport for Students (IPS) verstrekt. Op het ten name van [appellant] gesteld verzekeringscertificaat staat vermeld dat de verzekering is ingegaan op 10 september 2007 en eindigt op 10 september 2009, alsmede dat de premie € 221,- bedraagt. Het certificaat is ondertekend door “Europeesche Verzekering Mij. N.V. , de gevolmachtigde [geïntimeerde] ;

b. Rond februari 2008 is [appellant] enige tijd in het AMC te Amsterdam opgenomen geweest en heeft daar toen een medische behandeling ondergaan. De terzake van dat verblijf en die medische behandeling door het AMC aan [appellant] toegezonden factuur tot een bedrag van € 10.640,70 is onbetaald gebleven;

c. Aangezien genoemde factuur onbetaald bleef heeft het AMC [appellant] voor de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam gedaagd en de veroordeling van [appellant] gevorderd tot betaling van het bedrag van die factuur, vermeerderde met rente en kosten;

d. In de met die dagvaarding ingeleide procedure is [appellant] bij gemachtigde verschenen, heeft op de vordering geantwoord en heeft tevens een incident opgeworpen, houdende het verzoek [geïntimeerde] in vrijwaring te mogen dagvaarden tegen een nader te bepalen datum;

e. Nadat het AMC bij conclusie op dat incidentele verzoek had geantwoord heeft de kantonrechter bij vonnis van 25 april 2012 in het incident [appellant] toegestaan om [geïntimeerde] in vrijwaring te doen dagvaarden en in de hoofdzaak de zaak naar de rol verwezen voor beraad comparitie na antwoord;

f. [appellant] heeft vervolgens zowel Europeesche als [geïntimeerde] in vrijwaring gedagvaard en bij dagvaarding – met producties – gevorderd dat zowel Europeesche als [geïntimeerde] hoofdelijk zal worden veroordeeld om aan [appellant] het bedrag te betalen waartoe [appellant] in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld om aan AMC te betalen, met kosten;

g. Europeesche en [geïntimeerde] hebben bij conclusie van antwoord in vrijwaring – met producties – die vordering van [appellant] bestreden en tot afwijzing daarvan geconcludeerd, met kostenveroordeling ten laste van [appellant];

h. In de vrijwaringszaak heeft de kantonrechter vervolgens op 16 augustus 2012 een comparitie van partijen gehouden; het proces-verbaal van die comparitie bevindt zich bij de stukken;

i. De kantonrechter heeft daarop bij eindvonnis in de vrijwaringszaak van 17 oktober 2012 op de daarin vermelde gronden de vorderingen van [appellant] afgewezen en deze in de gedingkosten verwezen, alles als nader in dat vonnis is vermeld;

j. Daarna is in de vrijwaringszaak het procesverloop geweest zoals hiervoor onder 1. is vermeld.

3.2.

[appellant] stelt als grondslag van zijn vordering dat Europeesche en [geïntimeerde] hoofdelijk gehouden zijn hem te betalen hetgeen hij ingevolge de vordering van AMC in de hoofdprocedure aan deze zou moeten betalen, aangezien de kosten van de desbetreffende medische behandeling gedekt zijn onder de hierboven onder 3.1 sub a genoemde verzekeringsovereenkomst.

Europeesche en [geïntimeerde] bestrijden dat gemotiveerd. Zij voeren allereerst aan dat de kantonrechter – overeenkomstig het verzoek van [appellant] zelf - slechts heeft toegestaan [geïntimeerde] in vrijwaring op te roepen, maar niet ook Europeesche, zodat de vordering tegen Europeesche reeds om die reden moet worden afgewezen. Voorts heeft [appellant] – in strijd met de geldende polisvoorwaarden – de schadeveroorzakende gebeurtenis niet tijdig en bovendien niet volledig aan haar gemeld, zodat de kosten op vergoeding waarvan aanspraak wordt gemaakt van polisdekking zijn uitgesloten.

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan beroep de vordering tegen Europeesche reeds daarom afgewezen omdat de gemachtigde van [appellant] ter zitting had verklaard dat er geen grondslag bestaat voor hoofdelijke veroordeling van Europeesche. Ook de vordering tegen [geïntimeerde] is afgewezen, aangezien – aldus de kantonrechter op de gronden als nader uiteengezet in haar vonnis – de door [appellant] gemaakte ziektekosten op grond van artikel 7: 941 lid 4 BW juncto artikel A7.6 van de polisvoorwaarden van de onderhavige verzekering van dekking zijn uitgesloten.

De juistheid van die beslissingen bestrijdt [appellant] in de grieven I tot en met IV van de memorie van grieven. Het hof vindt aanleiding eerst de grieven II tot en met IV te bespreken. Daaromtrent geldt het volgende.

3.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat op de onderhavige verzekeringsovereenkomst de polisvoorwaarden IPS0906 van toepassing zijn die in eerste aanleg bij conclusie van antwoord in vrijwaring in de Nederlandse versie zijn overgelegd en die in het vonnis waarvan beroep onder 1.2 deels worden geciteerd. [appellant] heeft voorts niet weersproken dat de polisvoorwaarden hem - ook in Engelse versie - bij het afsluiten van de verzekering ter hand zijn gesteld. De polisvoorwaarden houden - voorzover hier van belang – in de Nederlandse versie het volgende in:

Algemene verplichtingen van de verzekerde

A.6.1. Zodra een verzekerde of belanghebbende kennis draagt of behoort te dragen van een gebeurtenis die voor de verzekeraar tot een verplichting tot uitkering kan leiden is belanghebbende verplicht: (…)

d. zo spoedig mogelijk alle gegevens en bescheiden te verstrekken en alle stukken zoals aansprakelijkstellingen, dagvaardingen e.d. direct en onbeantwoord door te zenden aan de verzekeraar;(…)

g. zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen drie maanden, tenzij in de afzonderlijke rubrieken anders is aangegeven, na de gebeurtenis, mededeling te doen aan de verzekeraar met een zo volledig mogelijke omschrijving van het gebeurde en de ontstane schade; (…)

A.7 Algemene uitsluitingen

Van de verzekering zijn uitgesloten ongevallen, schaden, kosten of verliezen:

A.7.6 indien de verzekerde (…) nalatig is in de vervulling van de op hem/haar rustende verplichting en daardoor de belangen van de verzekeraar heeft geschaad (…)

1.4.

Bijzondere verplichting in geval van opname in het ziekenhuis

1.4.

In geval van opname in het ziekenhuis dient vooraf of zo dit onmogelijk is, binnen een week na opneming telefonisch contact te worden opgenomen met SOS International, zodat deze in overleg met verzekerde of zijn vertegenwoordiger, de behandelend arts en eventueel ook de huisarts, die maatregelen kan treffen, welke het belang van de betrokken verzekerde het beste dienen.”

3.4.

Allereerst dient te worden onderzocht of binnen een week na de opname van [appellant] in het AMC telefonisch contact is opgenomen met SOS International, zoals voorgeschreven in genoemd artikel 1.4 van de polisvoorwaarden. In dat verband geldt het volgende.

3.5.

Vaststaat – zie het vonnis waarvan beroep onder 1.3 – dat [appellant] op 2 februari 2008 is opgenomen in het AMC en daar een geneeskundige behandeling heeft ondergaan. [appellant] – die blijkens de gedingstukken op 8 december 1977 in Nigeria is geboren – is ter comparitie bij de kantonrechter op 16 augustus 2012 verschenen, is toen met bijstand van een tolk in de Engelse taal gehoord en heeft daar blijkens het proces-verbaal onder meer het volgende verklaard:

“ (….) Ik had een discussie met iemand en toen werd ik gestoken. Toen ben ik naar het ziekenhuis gebracht en daar heb ik een paar dagen gelegen. Een mevrouw in het ziekenhuis zei, toen zij mijn verzekeringspasje zag: “ Ik ken deze verzekering niet”. Toen ging ze weg en kwam ze weer terug en zei: “Het is oke”. Ik ging er van uit dat die mevrouw met de verzekering had gebeld. Ik was er niet bij toen zij belde. Ik heb zelf niet gebeld met het SOS-nummer op de verzekeringspas.”

Tegenover de betwisting door [geïntimeerde] en Europeesche staat met deze mededeling – die niet voldoende nader is toegelicht - niet vast dat door of namens [appellant] binnen een week na zijn opname in het AMC contact is opgenomen met SOS International omtrent deze opname. [appellant] heeft dat niet zelf gedaan en heeft niet voldoende geverifieerd of door de medewerkster van het ziekenhuis inderdaad aan SOS International de ziekenhuisopname was doorgegeven. Bewijs daarvan is niet aangeboden. Mogelijk heeft [appellant] in de veronderstelling verkeerd dat, wanneer hij in het ziekenhuis zijn door [geïntimeerde]/Europeesche verstrekte verzekeringsbewijs liet zien, wat betreft zijn ziektekostenverzekering verder alles geregeld was, ook in zijn verhouding tot Europeesche/[geïntimeerde]. Lezing van de polisvoorwaarden had hem echter anders kunnen – en moeten – leren. Aan het bepaalde in artikel 1.4 van de polisvoorwaarden is door hem niet voldaan.

3.6.

Vervolgens dient te worden onderzocht of [appellant] zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen drie maanden na de schadegebeurtenis aan [geïntimeerde]/Europeesche mededeling heeft gedaan van die gebeurtenis met een zo volledig mogelijke omschrijving van het gebeurde en de ontstane schade ( artikel A6.1 onder g van de polisvoorwaarden).

[geïntimeerde]/Europeesche stellen zich op het standpunt dat [appellant] de schade pas bij brief van 30 september 2009 ( productie 5 bij de dagvaarding in vrijwaring) bij [geïntimeerde] heeft gemeld, en dat op zeer summiere wijze. [appellant] bestrijdt dat. Hij voert aan ( zie de pleitnota in hoger beroep onder 9) dat hij de schade van 2 februari 2008 (opname AMC) voor het eerst bij Europeesche/[geïntimeerde] heeft gemeld op of omstreeks 9 april 2008, rond welke datum hij in een ander ziekenhuis, te weten het Slotervaartziekenhuis in Amsterdam, is opgenomen. Toen hij die opname bij Europeesche/[geïntimeerde] meldde, heeft hij ook meteen melding gemaakt van zijn opname in het AMC anderhalve maand eerder. Hij stelt na deze melding twee machtigingsformulieren te hebben ontvangen, die hij ingevuld aan Europeesche/[geïntimeerde] heeft geretourneerd, zodat laatstgenoemden daarmee bij beide ziekenhuizen inlichtingen zouden kunnen inwinnen, hetgeen zij echter niet hebben gedaan.

Europeesche/[geïntimeerde] betwisten dat zij op of omstreeks 9 april 2008 of op enig ander tijdstip vóór 30 september 2009 kennis hebben gekregen van de opname en behandeling van [appellant] in het AMC. Naar aanleiding van de melding van 30 september 2009 hebben zij [appellant] wel verzocht om toezending van een schriftelijke machtiging waarmee zij nadere inlichtingen bij het AMC zouden kunnen inwinnen, doch een dergelijke machtiging hebben zij nooit ontvangen. Zonder een dergelijke machtiging worden door het AMC geen nadere inlichtingen verstrekt.

3.7.

Het volgende wordt overwogen.

Tegenover de betwisting door Europeesche/[geïntimeerde] is in rechte niet komen vast te staan dat [appellant] de onderhavige schadegebeurtenis (opname en behandeling in het AMC in februari 2008) eerder dan bij brief van 30 september 2009 aan Europeesche/[geïntimeerde] heeft gemeld. [appellant] verwijst voor zijn gestelde melding van omstreeks 9 april 2008 wel naar een brief van [geïntimeerde] aan hem van 23 juni 2008 ( productie 7 bij memorie van grieven) waarin naar een “claim” van 9 april 2008 wordt verwezen, maar die brief maakt geen melding van een opname in het AMC. Volgens Europeesche/[geïntimeerde] ( memorie van antwoord onder 10) heeft die brief daar ook geen betrekking op, doch op de door [appellant] genoemde opname in het Slotervaartziekenhuis van begin april 2008. Het bij de brief van 23 juni 2008 door [geïntimeerde] gevoegde document – dat door [appellant] niet is overgelegd – heeft volgens Europeesche/[geïntimeerde] eveneens slechts betrekking op de opname in het Slotervaartziekenhuis. Van een eerdere opname in het AMC was Europeesche/[geïntimeerde] op dat moment nog niets bekend.

Anders dan [appellant] heeft gesteld verwijst de brief van 23 juni 2008 niet naar twee bijlagen/machtigingen, maar slechts naar één. Kopieën van de schriftelijke machtigingen die hij aan Europeesche/[geïntimeerde] zou hebben gestuurd heeft hij niet bewaard. Voldoende gespecificeerd bewijs van een eerdere melding van de ziekenhuisopname in het AMC dan op 30 september 2009 heeft hij ook in hoger beroep niet aangeboden. Aldus is tegenover de betwisting door Europeesche/[geïntimeerde] in rechte niet komen vast te staan dat [appellant] de schadegebeurtenis van februari 2008 uiterlijk drie maanden nadien bij Europeesche/[geïntimeerde] heeft gemeld. Daarmee heeft hij zich niet gehouden aan artikel A.6.1. sub g van de polisvoorwaarden waarin dat wordt voorgeschreven.

3.8.

Ook in ander opzicht heeft [appellant] zich niet aan het bepaalde in laatstgenoemd artikellid gehouden. Daarin wordt namelijk aan de verzekerde tevens de verplichting opgelegd een zo volledig mogelijke opgave te verstrekken van de gebeurtenis die tot de schade heeft geleid en van de opgelopen schade. Zowel met het een als met het ander is [appellant] – zelfs tot en met de pleidooien in hoger beroep – in gebreke gebleven.

In de eerste plaats is omtrent de schadegebeurtenis – die inmiddels meer dan vijf jaar in het verleden ligt – in dit geding niet méér bekend geworden dan dat – althans volgens de stellingen van [appellant], zie ook de pleitnota in hoger beroep onder 13 - [appellant] de dupe is geworden van een uit de hand gelopen ruzie en daarbij een steekwond in de buik heeft opgelopen, waarna hij direct per ambulance naar het AMC is vervoerd en daar – naar hij stelt – voor die steekwond is behandeld. Waar het schade-incident zich heeft afgespeeld, met wie de gestelde ruzie is ontstaan, waar die ruzie over ging, wie [appellant] zou hebben (neer)gestoken en wie daar eventueel verder nog bij aanwezig zijn geweest is tot dusver door [appellant] nog niet meegedeeld. Uit de memorie van grieven ( toelichting op grief 3) en de pleitnota in hoger beroep onder 12 en 14 lijkt te kunnen worden afgeleid dat [appellant] wegens dit incident aangifte heeft gedaan bij de politie, maar nadere gegevens daarover, zoals wanneer en bij welke politiepost aangifte is gedaan, zijn door [appellant] niet verstrekt. Evenmin is een kopie van een aangifte bij de politie in dit geding overgelegd. Voorts heeft [appellant] geen nadere inlichtingen verstrekt over de behandeling (en) die hij in het AMC heeft ondergaan en omtrent de dag dat hij weer uit het ziekenhuis is ontslagen.

Weliswaar stelt [appellant] – memorie van grieven toelichting op grief 2 – dat hij zijn medisch dossier bij het AMC heeft opgevraagd en dat de desbetreffende machtiging later in de procedure zal worden overgelegd, maar bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep is een dergelijke machtiging nog steeds niet getoond, zonder dat daar een aannemelijke verklaring voor is gegeven. [appellant] zelf is bij de pleidooien in hoger beroep niet verschenen. Er is evenmin een aannemelijke verklaring voor gegeven hoe het komt dat [appellant] – die blijkens de gedingstukken tenminste reeds sedert maart 2012 over rechtskundige bijstand beschikt - nog steeds geen volledige opheldering over de toedracht van het incident van februari 2008 heeft verstrekt, zo mogelijk mede onder overlegging van een kopie van zijn aangifte bij de politie, en omtrent zijn daarop gevolgde opname en behandeling in het AMC, met inbegrip van - met zijn machtiging – door het AMC verstrekte medische inlichtingen.

3.9.

De volgende vraag luidt of door het bovenstaande Europeesche/ [geïntimeerde] in een redelijk belang zijn geschaad en deswege uitkering onder de verzekering mogen weigeren onder verwijzing van artikel A.7.6. van de polisvoorwaarden. Het hof beantwoordt die vraag, evenals de kantonrechter, bevestigend, mede gelet op het bepaalde in artikel 7: 941 lid 4 BW en artikel 7: 943 lid 2 BW. Europeesche/[geïntimeerde] zijn pas in een zeer laat stadium - namelijk pas na ongeveer anderhalf jaar – van de ziekenhuisopname in het AMC en de reden daarvan in kennis gesteld. Bovendien zijn zij - hoewel daaromtrent meermalen is verzocht – door [appellant] ook in hoger beroep nog steeds niet volledig en gedocumenteerd ingelicht over de toedracht van de schadegebeurtenis en de medische aspecten van de behandeling die [appellant] in het AMC heeft ondergaan. Dat – door toedoen van [appellant] – aanhoudend gebrek aan gegevens heeft het voor Europeesche/[geïntimeerde] niet mogelijk gemaakt en maakt het voor hen nog steeds onmogelijk – zoals zij ook hebben aangevoerd – te onderzoeken hoe de door [appellant] gestelde letselschade precies is ontstaan en welke de rol van [appellant] zelf daarbij is geweest, of de aan [appellant] toegebrachte schade wellicht op degeen die het letsel zou hebben toegebracht kan worden verhaald, alsmede of mogelijk op grond van de polisvoorwaarden een of meer uitsluitingen van toepassing zijn.

3.10.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de grieven II tot en met IV falen. Daarop gelet heeft [appellant] bij de behandeling van grief I – waarin wordt betoogd dat de kantonrechter ten onrechte de vordering tegen Europeesche reeds direct, wegens een mededeling van de gemachtigde van [appellant] ter zitting, heeft afgewezen – geen belang meer.

4 Slotsom

De grieven falen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in appel..

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeel [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Europeesche en [geïntimeerde] begroot op € 683,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.B.C.M. van der Reep, A. Bockwinkel en P. W. A. van Geloven en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 december 2013.