Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4500

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
07-11-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
12/00330
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Noch de tekst van de (bijlage bij) het Besluit proceskosten bestuursrecht, noch de toelichting ervan bieden een aanknopingspunt voor een differentiatie van de toe te passen wegingsfactor binnen één fase in de procedure. Ook de systematiek van het Besluit verzet zich hiertegen. Onder verwijzing naar HR 12 april 2013, BNB 2013/122, verwerpt het Hof de stelling van de heffingsambtenaar dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een kostenvergoeding voor het taxatierapport omdat de gemachtigde op basis van het ‘no-cure-no-paybeginsel’ werkt. Het standpunt van de heffingsambtenaar dat bij de toekenning van punten onder het Besluit per proceshandeling bekeken dient te worden welke partij in welk stadium in het gelijk wordt gesteld, is niet gebaseerd op enige rechtsregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2807
Belastingblad 2014/53
V-N 2014/10.21.3
FutD 2013-3052
NTFR 2014/487 met annotatie van mr. M.J. Hamer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 12/00330

7 november 2013

uitspraak van de eerste enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de erven van [X] te [Z], belanghebbenden,

gemachtigde: A. Oosters (WOZ Consultants te Heteren)

alsmede

op het incidenteel hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de Gemeente Haarlemmermeer, de heffingsambtenaar

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/3819 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbenden

en

de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking, gedagtekend 28 februari 2011, de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [A-straat 1] te [Z] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2011 vastgesteld op € 303.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2011 bekendgemaakt.

1.2.

De heffingsambtenaar heeft bij uitspraak, gedagtekend 1 juni 2011, het tegen de beschikking gerichte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3.

Bij uitspraak van 19 maart 2012 heeft de rechtbank het door belanghebbenden ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de vastgestelde waarde verminderd tot € 245.000 en de aanslag onroerendezaakbelasting verminderd tot een berekend naar een waarde van € 245.000. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende en daarbij de vergoeding voor het opgestelde deskundigenrapport vastgesteld op € 208,25 (inclusief BTW), de te vergoeden proceskosten in de bezwaarfase vastgesteld op € 218 en de te vergoeden proceskosten in beroep op € 546,25.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 26 april 2012. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld, waarop belanghebbenden hebben geantwoord bij brief van 2 augustus 2012.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2013. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbenden worden daarin (evenals in de verderop in deze uitspraak geciteerde overwegingen van de rechtbank) aangeduid als ‘eisers’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.1.In het door de gemachtigde van eisers ingediende bezwaarschrift van 10 maart 2011 staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“Ik ben het niet eens met de door u bepaalde WOZ-waarde op deze aanslag. Deze WOZ-waarde is naar mijn oordeel te hoog vastgesteld. Op basis van de bij ons bekende administratieve gegevens kan de WOZ-waarde voor [A-straat 1] te [Z] niet hoger zijn dan €210.000,00.””

2.2.

Nu tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, als hiervoor vermeld, door partijen geen bezwaren zijn ingebracht, gaat ook het Hof van die feiten uit.

2.3.

Het Hof voegt aan deze feiten toe dat partijen in de beroepsfase zijn overeengekomen dat de waarde van de woning vastgesteld dient te worden op € 245.000.

3 Geschil in hoger beroep

4.1.

In het principale hoger beroep is in geschil de hoogte van de door de rechtbank aan belanghebbenden toegekende proceskostenvergoeding voor de behandeling van het beroep. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht een wegingsfactor van 1 heeft toegekend met betrekking tot het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor van 0,25 voor het bijwonen van de zitting. In hoger beroep is niet meer in geschil de vergoeding voor de kosten voor rechtskundige bijstand in bezwaar. Belanghebbenden hebben ter zitting in hoger beroep hun grief tegen de door de rechtbank toegekende kostenvergoeding voor het deskundigenrapport ingetrokken.

4.2.

In incidenteel hoger beroep is in geschil of de rechtbank terecht een vergoeding voor het deskundigenrapport heeft toegekend. Voorts is in incidenteel hoger beroep in geschil of de rechtbank terecht een vergoeding heeft toegekend voor het bijwonen van de zitting.

4.3.

Voor de standpunten van partijen in hoger beroep verwijst het Hof naar hetgeen in de gedingstukken is vermeld en naar hetgeen door partijen ter zitting is verklaard, zoals vastgelegd in het daarvan opgemaakte proces-verbaal.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 4.4.1 tot en met 4.7 en 5 van haar uitspraak omtrent het geschil het volgende overwogen.

“4.4.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) kan – zover hier van belang – een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betrekking hebben op kosten van een deskundige die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.

4.4.2.

De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het door eisers overgelegde taxatierapport kwalificeert als deskundigenverslag als bedoeld in het onder 4.4.1 genoemde artikel van het Besluit en dat het uitbrengen van het deskundigenverslag aan eisers in dit geval redelijk was.

4.5.1.

Met betrekking tot het te hanteren uurtarief overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit wordt de vergoeding van de ter zake van het opstellen van een deskundigenverslag gemaakte kosten vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. In artikel 3, eerste lid, onder a, van de laatstgenoemde wet is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur tarieven voor de vergoedingen voor werkzaamheden worden vastgesteld. Die algemene maatregel van bestuur is het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts).

4.5.2.

Artikel 6 van het Bts luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Voor werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de wet, waarvoor geen speciaal tarief is bepaald, geldt, naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn, een tarief van ten hoogste € 81,23 per uur."

4.5.3.

In de Nota van Toelichting bij het Bts wordt over artikel 6, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"In dit artikel is opgenomen de inhoud van artikel 1, eerste lid, onderdeel IV, van het ingetrokken besluit. Het artikel stelt het maximum uurtarief vast voor vergoedingen voor werkzaamheden waarvoor elders in het besluit geen speciaal tarief is bepaald. De vraag of voor deze werkzaamheden het maximum uurtarief of een lager tarief geldt, is afhankelijk van de mate van wetenschappelijke of bijzondere aard van de werkzaamheden. Door een maximumtarief op te nemen is er ruimte voor marktwerking; om deze reden is eveneens afgezien van het opnemen van een minimumtarief."

4.5.4.

De rechtbank maakt uit de tekst van de Nota van Toelichting bij artikel 6 van het Bts op dat binnen het gegeven maximum een differentiatie moet worden aangebracht, waarbij de mate van wetenschappelijke of bijzondere aard van de werkzaamheden bepalend is voor de hoogte van het toe te passen uurtarief. Voorts dient gelet op het bepaalde in artikel 8:75 in verbinding met artikel 7:15 van de Awb de in aanmerking te nemen vergoeding te berusten op kosten die de belastingplichtige redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar en laat het Bts gelet op de weergegeven toelichting tevens ruimte om aan te sluiten op in de markt gehanteerde tarieven.

4.5.5.

Gelet op de inhoud van het taxatierapport hebben de werkzaamheden betrekking op een particuliere woning in een inzichtelijke markt en deze zijn daarom naar het oordeel van de rechtbank slechts in beperkte mate van bijzondere aard en niet van wetenschappelijke aard. Een vergoeding naar een uurtarief van € 50 acht de rechtbank om die reden passend. Dit uurbedrag dient in het onderhavige geval te worden verhoogd met 19% BTW nu eisers geen recht hebben op aftrek van de hen in rekening gebrachte BTW.

4.6.

Met betrekking tot het aantal uren dat aan de taxatiewerkzaamheden is besteed overweegt de rechtbank het volgende. De taxateur heeft volgens eisers 4,5 uur besteed aan het opstellen van het taxatierapport. Eisers hebben daarbij gewezen op de door hen overgelegde factuur van [B]. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het opmaken van de WOZ-taxatierapporten een tijdsbesteding van maximaal 3,5 uur redelijk is. De rechtbank acht het, gelet op de gegeven specificaties, gelet op hetgeen partijen in dit verband naar voren hebben gebracht en gelet op het feit dat de woning reeds eerder was bezichtigd in verband met de WOZ-waardering voor het jaar 2010, redelijk dat wordt uitgegaan van een tijdsbesteding van in totaal 3,5 uur.

4.7.

Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard. De waarde van de woning dient te worden vastgesteld op € 245.000. De vergoeding voor verleende juridische bijstand dient te worden vastgesteld o[p] € 218 en de vergoeding voor het uitbrengen van het verslag door een deskundige in de bezwaarfase dient te worden vastgesteld op € 208,25 inclusief BTW.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 546,25 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 0,25). De rechtbank heeft voor het bijwonen van de zitting de wegingsfactor op 0,25 vastgesteld omdat ter zitting enkel nog in geschil was de hoogte van de vergoeding voor het deskundigenrapport en eisers in dat opzicht geen standpunten of argumenten naar voren hebben gebracht welke niet reeds in de procedure waren genoemd.”

4.2.

Belanghebbenden hebben in hoger beroep aangevoerd dat het niet mogelijk is bij de berekening van de proceskostenvergoeding op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) en de daarbij behorende bijlage per proceshandeling een andere wegingsfactor toe te kennen. Deze grief van belanghebbenden slaagt. In de systematiek van het Besluit en de daarbij behorende tariefbijlage ligt weliswaar niet besloten dat een eenmaal toegepaste wegingsfactor voor elke volgende fase van een procedure dient te gelden, hetgeen te meer het geval is indien het geschil in de bezwaarfase niet gelijk is aan dat in de beroepsfase (vgl. HR 12 april 2013, nr. 12/02674, BNB 2013/122). De tekst van (de bijlage bij) het Besluit noch de toelichting ervan (ook die van de verschillende wijzigingsbesluiten) bieden evenwel een aanknopingspunt voor een verdergaande differentiatie van de toe te passen wegingsfactor binnen een fase in de procedure. Ook de systematiek van het Besluit (een forfaitair bepaalde kostenvergoedingsregeling) verzet zich naar het oordeel van het Hof tegen een dergelijke interpretatie.

4.3.

Het op dit punt globale karakter van de forfaitaire vergoedingsregeling van het Besluit en de tariefbijlage komt naar ’s Hofs oordeel ook tot uitdrukking in de Nota van toelichting bij het Besluit, Stb. 1993, 763, waarin onder andere het volgende is opgenomen:

“Het gewicht van een zaak wordt uitgedrukt in wegingsfactor C1, die varieert van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot 2 voor een zeer zware zaak. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang en de ingewikkeldheid. Het is niet wenselijk om de rechter aan nadere criteria voor de bepaling van het gewicht te binden. (…) Het opnemen van factor C1 berust op de overweging dat enerzijds het met een gemachtigde voeren van bagatelprocedures niet moet worden aangemoedigd, en, anderzijds, dat de vergoeding evenredig dient te zijn met de prestatie van de gemachtigde.”

4.4.

Gelet op het onder 4.2 en 4.3 overwogene dient het begrip ‘gewicht van de zaak’ te worden opgevat als het belang en de ingewikkeldheid van de in de bezwaarfase c.q. (hoger)beroepsfase als geheel voorliggende geschilpunten, zonder verdere differentiatie naar de ontwikkeling van het geschil in de desbetreffende fase van de procedure. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden kan er aanleiding zijn om op de voet van artikel 2, derde lid, van het Besluit van dit uitgangspunt af te wijken. Dergelijke omstandigheden doen zich in casu niet voor. De omstandigheden dat voorafgaand aan de behandeling ter zitting in eerste aanleg het geschil inmiddels was beperkt tot de hoogte van de toe te kennen proceskostenvergoeding en dat belanghebbenden ter zitting geen argumenten naar voren hebben gebracht welke niet reeds in een eerder stadium van de procedure waren genoemd, kwalificeren niet als een dergelijke bijzondere omstandigheid.

4.5.

De heffingsambtenaar heeft in zijn incidentele hoger beroep betoogd dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een kostenvergoeding voor het taxatierapport, omdat er geen sprake is van een op belanghebbende rustende en bepaalbare betalingsverplichting ter zake van de kosten van de deskundige, nu gelet op de werkwijze van de gemachtigde (op basis van het ‘no-cure-no-paybeginsel’) moet worden aangenomen dat het bedrag van de factuur wordt aangepast op basis van hetgeen in rechte uiteindelijk als vergoeding wordt toegekend. Het Hof verwerpt deze grief en verwijst hierbij naar voornoemd arrest van de Hoge Raad van 12 april 2013, BNB 2013/122, waarin is overwogen:

“3.2. Middel 1 komt terecht op tegen 's Hofs beslissing om geen vergoeding toe te kennen voor de taxatiekosten. De enkele omstandigheid dat belanghebbende met de taxateur een overeenkomst op basis van "no cure no pay" heeft gesloten op grond waarvan de vergoeding die zij aan de taxateur moet betalen wordt gesteld op het bedrag dat ter zake wordt toegekend als kostenvergoeding, staat aan een vergoeding van de kosten van taxatie niet in de weg (vgl. HR 13 juli 2012, nr. 11/02035, LJN BX0904, BNB 2012/256).”

4.6.

In zijn incidentele hoger beroep heeft de heffingsambtenaar zich voorts op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte bij de berekening van de proceskostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand een punt heeft toegekend voor het verschijnen ter zitting. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar volledig in het gelijk gesteld met betrekking tot het ten tijde van de zitting resterende geschilpunt, namelijk de hoogte van de proceskostenvergoeding, en diende daarom niet tot veroordeling in de kosten voor het bijwonen van de zitting over te gaan, aldus de heffingsambtenaar. Het Hof volgt de heffingsambtenaar niet in deze redenering, nog daargelaten de omstandigheid dat deze beslissing van de rechtbank in hoger beroep niet in stand blijft. Indien een belanghebbende in beroep geheel of gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, geldt als hoofdregel dat het bestuursorgaan op de voet van artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit. De omstandigheid dat de heffingsambtenaar (door de rechtbank) in het gelijk is gesteld ter zake van het ter zitting resterende geschilpunt, vormt geen bijzondere omstandigheid die afwijking van de normering volgens het Besluit rechtvaardigt.

Het standpunt van de heffingsambtenaar dat bij de toekenning van punten per proceshandeling bekeken dient te worden welke partij in welk stadium gelijk krijgt, is niet gebaseerd op enige rechtsregel.

Slotsom

4.7.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is, dat het incidentele hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd voor zover het de proceskostenvergoeding betreft.

5 Kosten

5.1.

Nu de uitspraak van de rechtbank - voor zover deze de proceskostenvergoeding betreft - wordt vernietigd en het incidentele hoger beroep geen doel treft, zijn termen aanwezig de heffingsambtenaar op de voet van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende in het principale en het incidentele hoger beroep. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit. Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en de in onderdeel b vermelde kosten van door een deskundige verrichte werkzaamheden ten behoeve van het uitbrengen van een verslag. De in onderdeel a vermelde kosten worden, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 19 april 2013, LJN BX4034, berekend naar het met ingang van 1 januari 2013 geldende tarief.

5.2.1.

De onder artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a genoemde kosten zijn te onderscheiden in:

i. de kosten van beroep; en

ii. de kosten van het hoger beroep.

5.2.2.

Bij de berekening van de vergoeding voor de onder (i) genoemde kosten neemt het Hof de volgende proceshandelingen in aanmerking, waaraan de daarna opgenomen punten worden toegekend: het indienen van een beroepschrift (1 punt) en het verschijnen ter zitting (1 punt). De vergoeding van de onder (i) opgenomen kosten wordt aldus berekend op € 472 (waarde per punt) x 2 (aantal punten) x 1 (wegingsfactor) = € 944.

5.2.3.

Bij de berekening van de vergoeding voor de onder (ii) genoemde kosten neemt het Hof de volgende proceshandelingen in aanmerking, waaraan de daarna opgenomen punten worden toegekend: het indienen van een hogerberoepschrift (1 punt), het indienen van een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep (1 punt) en het verschijnen ter zitting (1 punt). De vergoeding van de onder (ii) genoemde kosten wordt aldus berekend op € 472 (waarde per punt) x 3 (aantal punten) x 1 (wegingsfactor) = € 1.416.

5.3.

Zoals hierboven is overwogen, sluit het Hof zich aan bij hetgeen de rechtbank in onderdelen 4.4.1 tot en met 4.7 van haar uitspraak met betrekking tot de onder artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b van het Besluit genoemde kosten heeft overwogen. Het bedrag van deze kosten stelt het Hof derhalve vast op € 208,25. De door de rechtbank voor de bezwaarfase toegekende kostenvergoeding van € 218 is in hoger beroep niet in geschil.

5.4.

Het totaal van de proceskostenvergoeding beloopt aldus (€ 218 + € 208,25 + € 944 + € 1.416 =) € 2.786,25.

5.5.

Nu uit de stukken blijkt dat belanghebbende voor het in behandeling nemen van het hoger beroep € 115 heeft betaald, zal het Hof de heffingsambtenaar veroordelen tot vergoeding van griffierecht tot dat bedrag.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het de proceskostenvergoeding betreft;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.786,25; en

  • -

    gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende het in hoger beroep betaalde griffierecht ad € 115 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mr. H.E. Kostense, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Detweiler-Cox, als griffier. De beslissing is op 7 november 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.