Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4487

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2013
Datum publicatie
10-12-2013
Zaaknummer
200.119.309-01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klaagster verwijt de notarissen dat zij tuchtrechtelijk laakbaar hebben gehandeld bij het opstellen en passeren van het testament van erflaatster in december 2005 en het afwikkelen van de nalatenschap van erflaatster na haar overlijden op 29 februari 2008.

Het hof stelt voorop dat het de verantwoordelijkheid is van de notaris om te waken voor de vrije en onafhankelijke wilsvorming van de testateur. De notaris dient dan ook al het nodige te doen om zich ervan te vergewissen dat de testateur bij het vormen en uiten van zijn wil niet op ongewenste wijze is beïnvloed door (de aanwezigheid van) een derde. Dat is niet anders in de situatie dat de derde de partner van de testateur is. Het is aan de notaris overgelaten om te bepalen op welke wijze hij uitvoering geeft aan deze verplichting. Het hof is van oordeel dat een notaris in beginsel aan deze verplichting voldoet indien hij op enig moment bij de voorbereiding of het passeren van het testament met elk van beide partners/testateurs afzonderlijk de relevante aspecten van het testament bespreekt. Van de notaris die daarvoor niet kiest, mag worden verwacht dat hij zijn keuze en de daarbij gemaakte afwegingen achteraf (als daarover vragen rijzen) kan verantwoorden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.

De oud-notaris kan tuchtrechtelijk een verwijt worden gemaakt, maar naar het oordeel van het hof kan worden volstaan met gegrondverklaring van de klacht zonder oplegging van een maatregel. Ten aanzien van de toegevoegd notaris zijn meerdere klachtonderdelen gegrond bevonden, hetgeen het opleggen van de maatregel van waarschuwing rechtvaardigt. De klacht jegens de notaris is eveneens (grotendeels) gegrond bevonden. De klacht betreft een wezenlijk onderdeel van de zorg die de notaris in een geval als het onderhavige dient te betrachten. Het hof acht daarom ook hier het opleggen van de maatregel van waarschuwing passend.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt, geldigheid: 2013-12-10
Burgerlijk Wetboek Boek 4 42, geldigheid: 2013-12-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2014/23

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.119.309/01 NOT

kenmerk eerste aanleg : KL 9-2011

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 10 december 2013

inzake

[klaagster],

wonend te [plaatsnaam], gemeente [gemeente],

appellante,

gemachtigde: mr. G.S. Ebbeng-Horstman, advocaat te Nijmegen,

tegen:

1. [oud-notaris],

oud-notaris te [plaatsnaam],

2. [notaris],

notaris te [plaatsnaam],

3. [toegevoegd notaris],

toegevoegd notaris te [plaatsnaam],

geïntimeerden,

gemachtigde: mr. G.L. Maaldrink, advocaat te ‘s-Gravenhage.

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Van de zijde van appellante, verder klaagster, is bij een op 2 januari 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift tijdig hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Zutphen, verder de kamer, van 6 december 2012, waarbij de kamer de klacht van klaagster tegen geïntimeerde sub 1., verder de oud-notaris, geïntimeerde sub 2., verder de notaris, en geïntimeerde sub 3., verder de toegevoegd notaris, tezamen verder de notarissen, deels gegrond en deels ongegrond heeft verklaard en aan de toegevoegd notaris de maatregel van waarschuwing heeft opgelegd.

1.2. Van de zijde van de notarissen is op 28 februari 2013 een verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen.

1.3. Van de zijde van klaagster is op 12 september 2013 een reactie op het verweerschrift ter griffie van het hof ingekomen. Van de zijde van de notarissen is op 16 september 2013 een brief ter griffie van het hof ingekomen waarin wordt verzocht deze reactie als in strijd met de goede procesorde als bedoeld in het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven, buiten beschouwing te laten.

1.4. De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 26 september 2013. Klaagster, vergezeld van haar gemachtigde, de oud-notaris en de toegevoegd notaris, vergezeld van hun gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigden aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. De notaris is niet verschenen.

1.5. Het hof heeft ter zitting meegedeeld dat het bezwaar van de notarissen tegen het op 12 september 2013 binnengekomen stuk wordt gehonoreerd en dat stuk buiten beschouwing wordt gelaten. Het hof heeft daarbij overwogen dat het evenwicht tussen partijen zou worden geschaad als overlegging van dat stuk zo kort voor de mondelinge behandeling zou worden toegelaten, aangezien van enige noodzaak om zo kort voor de zitting nog een uitgebreide schriftelijke reactie te geven niet is gebleken en de notarissen niet in de gelegenheid waren adequaat op dat stuk te reageren, enerzijds doordat de mondelinge behandeling inmiddels binnen minder dan tien kalenderdagen zou plaatsvinden en zij dus geen stukken meer mochten inzenden en anderzijds doordat ter zitting de spreektijd op grond van het toepasselijke procesreglement nu eenmaal beperkt is.

2. De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken, waarbij de aanvullende productie die van de zijde van klaagster op 12 september 2013 ter griffie van het hof is ingekomen buiten beschouwing is gelaten, zoals hiervoor is overwogen onder rechtsoverweging 1.5.

3. De feiten

3.1. Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld.

3.2. De notarissen hebben tegen de vaststelling van deze feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt. Klaagster heeft tegen de vaststelling van de feiten zoals weergegeven onder 2. in de beslissing van de kamer wel bezwaar gemaakt. Klaagster stelt dat de feiten door de kamer niet juist, althans onvolledig zijn weergegeven. Het hof zal daarmee, voor zover relevant, bij zijn beoordeling rekening houden.

4. De klacht van klaagster

4.1. Blijkens de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, verwijt klaagster de notarissen dat zij tuchtrechtelijk laakbaar hebben gehandeld bij het opstellen en passeren van het testament van haar moeder (verder erflaatster) in december 2005 en het afwikkelen van de nalatenschap van erflaatster na haar overlijden op 29 februari 2008. Klaagster voert hiertoe het volgende aan.

De oud-notaris

4.2. De oud-notaris heeft onzorgvuldig gehandeld bij de totstandkoming van het testament van erflaatster nu hij haar voorafgaand aan en/of tijdens het passeren van haar testament niet deugdelijk heeft geadviseerd en nooit onder vier ogen met erflaatster heeft gesproken. Het staat vast dat erflaatster en haar partner beiden aanwezig waren bij alle besprekingen en het passeren van testament van erflaatster, terwijl er geen bijzondere omstandigheden waren die rechtvaardigden dat de belanghebbende (de partner) bij het bespreken en het passeren van het testament van erflaatster werd toegelaten. Er waren juist bijzondere omstandigheden die ertoe hadden moeten leiden dat de oud-notaris onder vier ogen met erflaatster had gesproken om zich op die manier ervan te vergewissen dat de inhoud van haar testament (nog) overeenkwam met haar wensen. Door haar partner bij het passeren van haar testament aanwezig te laten zijn heeft de oud-notaris bewust het risico genomen dat erflaatster zich onvoldoende vrij voelde om haar testament niet te ondertekenen of daarin nog wijzigingen aan te laten brengen, welk risico een notaris te allen tijde dient te vermijden. Dat veel notarissen in de praktijk belanghebbenden bij het bespreken en passeren van een testament toelaten, doet niet eraan af dat dit onjuist is. Dat erflaatster inderdaad beïnvloed is door haar partner blijkt wel uit de inhoud van het testament die niet is toegespitst op de situatie van erflaatster en voor haar geval helemaal niet gebruikelijk is. Er bestond immers een groot vermogensverschil tussen erflaatster en haar partner en anders dan bij haar partner en diens kinderen het geval was, onderhield erflaatster een goed contact met haar kinderen. Het advies van de notaris aan erflaatster om haar kinderen te onterven en haar partner tot enig erfgenaam te benoemen was daardoor disproportioneel en niet in lijn met de wil van erflaatster.

4.3. De oud-notaris heeft partijdig gehandeld, althans heeft de schijn van partijdigheid gewekt, door zowel bij het opstellen en passeren van het testament als bij de afhandeling van de nalatenschap de belangen van de partner voor te laten gaan (boven de belangen van erflaatster respectievelijk haar kinderen).

De toegevoegd notaris

4.4. De toegevoegd notaris heeft als zeer ervaren kandidaat-notaris zelfstandig het samenlevingscontract en de testamenten met erflaatster en haar partner besproken en opgesteld, waarna de oud-notaris de akten heeft gepasseerd. Ook de toegevoegd notaris heeft nooit onder vier ogen met erflaatster over haar testament gesproken (terwijl daar juist alle aanleiding toe was) en heeft daarmee bewust het risico genomen dat erflaatster zich onvoldoende vrij voelde om haar wil te uiten. De toegevoegd notaris heeft zich bij haar advisering duidelijk laten beïnvloeden door de aanwezigheid en de wensen van de partner van erflaatster, waardoor erflaatster een testament heeft ondertekend dat op een verkeerde manier tot stand is komen en daardoor niet haar uiterste wil weergaf.

4.5. Klaagster is door de toegevoegd notaris onheus bejegend. Zo heeft de toegevoegd notaris gezegd dat klaagster en haar echtgenoot de partner van erflaatster “een trap na wilden geven” en heeft klaagster het (niet) handelen van de toegevoegd notaris als zeer partijdig gedrag ten gunste van de partner ervaren.

4.6. Bij de afwikkeling van de nalatenschap heeft de toegevoegd notaris de partner en de kinderen van erflaatster onvoldoende geïnformeerd over hun rechten en plichten jegens elkaar. Zo heeft de toegevoegd notaris de partner niet erop gewezen dat hij zekerheid moest stellen voor de legaten aan de kinderen, is de partner ten onrechte geadviseerd de waarde van de inboedel op € 1.500,- te stellen en heeft de toegevoegd notaris de samenlevingsovereenkomst geheel buiten beschouwing gelaten bij de afwikkeling van de nalatenschap waardoor de (gezamenlijke) auto niet in de boedelbeschrijving was opgenomen. In haar e-mailbericht van 28 april 2010 aan de partner heeft de toegevoegd notaris (ten onrechte) bericht dat hij als enig erfgenaam zou mogen interen op de nalatenschap en geen zekerheid zou hoeven stellen voor de legaten van de kinderen. Nu dit e-mailbericht uitsluitend aan de partner is gestuurd zijn de kinderen niet in de gelegenheid geweest op dit bericht te reageren. Bovendien heeft de partner het e-mailbericht kunnen gebruiken in een civiele procedure tegen klaagster.

4.7. De boedelbeschrijving heeft (ten onrechte) niet in gezamenlijk overleg met de kinderen plaatsgevonden en ondanks het feit dat de kinderen diverse keren bezwaar hebben gemaakt tegen de conceptboedelbeschrijving heeft de toegevoegd notaris geen onderzoek gedaan naar de juistheid van de door de partner aangeleverde gegevens. De toegevoegd notaris heeft evenmin gecontroleerd of de partner en de kinderen het eens waren geworden over de (definitieve) boedelbeschrijving voordat zij de boedelbeschrijving heeft voorgelegd aan de notaris om deze te passeren.

De notaris

4.8. De notaris had de akte van boedelbeschrijving en vaststellen erfdelen niet mogen passeren buiten de aanwezigheid van de kinderen van erflaatster en zeker niet zonder zich vooraf ervan te vergewissen dat de partner en de kinderen het eens waren geworden over inhoud van deze akte.

5. Het verweer van de notarissen

De notarissen hebben gemotiveerd verweer gevoerd waarop het hof in zijn beoordeling (voor zover van belang) nader zal ingaan.

6. De beoordeling

6.1. Ten aanzien van de verschillende klachtonderdelen overweegt het hof het volgende.

De oud-notaris

6.2. Voor zover klaagster het de oud-notaris verwijt dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming van het testament van erflaatster, stelt het hof voorop dat als vaststaand aangenomen kan worden dat de toegevoegd notaris (destijds als ervaren kandidaat-notaris) zelfstandig het testament heeft besproken en opgesteld en dat de rol van de oud-notaris was beperkt tot het passeren van dat testament. De werkzaamheden die de toegevoegd notaris ter zake van dit testament heeft verricht, vallen blijkens artikel 1 van de Wet op het notarisambt, verder Wna, in beginsel onder de verantwoordelijkheid van de oud-notaris, maar gezien het feit dat de toegevoegd notaris alle contacten met betrokkenen heeft onderhouden en alle correspondentie heeft gevoerd, is het hof van oordeel dat de toegevoegd notaris hier als zelfstandig behandelaar kan worden aangemerkt. Mede gelet op het feit dat de toegevoegd notaris reeds geruime tijd zelfstandig werkte, heeft de oud-notaris voldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen rol van betekenis heeft gespeeld bij de totstandkoming en/of de keuze van de vorm van het testament van erflaatster. Aan het hof is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de oud-notaris noopten om in de werkzaamheden van de toegevoegd notaris in te grijpen of zich actiever met de totstandkoming van het testament van erflaatster te bemoeien.

6.3. Het feit dat de oud-notaris uiteindelijk het testament van erflaatster heeft gepasseerd, voert evenmin tot het oordeel dat de notaris tuchtrechtelijk een verwijt treft. Met de kamer is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de oud-notaris erflaatster voorafgaand aan het passeren van haar testament onvoldoende heeft voorgelicht over de inhoud hiervan (en de consequenties van het testament voor haar kinderen).

6.4. Met betrekking tot de vraag of de oud-notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de partner bij het passeren van het testament aanwezig te laten zijn, overweegt het hof het volgende. De oud-notaris heeft aangevoerd dat de aanwezigheid van de partner van erflaatster bij het passeren van haar (en tegelijkertijd zijn) testament volstrekt gebruikelijk was en dat hem daarvan dus geen tuchtrechtelijk verwijt is te maken. Niet ter discussie staat dat het in de notariële praktijk gebruikelijk is dat de notaris een (langstlevende-)testament voorbereidt en passeert in het bijzijn van beide echtgenoten/partners. Dit betreft een uitzondering op de eveneens in de praktijk geldende regel dat bij het bespreken en/of passeren van een testament (een eenzijdige, ongerichte, herroepelijke en hoogstpersoonlijke rechtshandeling, artikel 4:42 BW) geen derden aanwezig zijn.

6.5. Het hof stelt voorop dat het de verantwoordelijkheid is van de notaris om te waken voor de vrije en onafhankelijke wilsvorming van de testateur. De notaris dient dan ook al het nodige te doen om zich ervan te vergewissen dat de testateur bij het vormen en uiten van zijn wil niet op ongewenste wijze is beïnvloed door (de aanwezigheid van) een derde. Dat is niet anders in de situatie dat de derde de partner van de testateur is. Het is aan de notaris overgelaten om te bepalen op welke wijze hij uitvoering geeft aan deze verplichting. Het hof is van oordeel dat een notaris in beginsel aan deze verplichting voldoet indien hij op enig moment bij de voorbereiding of het passeren van het testament met elk van beide partners/testateurs afzonderlijk de relevante aspecten van het testament bespreekt. Van de notaris die daarvoor niet kiest, mag worden verwacht dat hij zijn keuze en de daarbij gemaakte afwegingen achteraf (als daarover vragen rijzen) kan verantwoorden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.

6.6. In het onderhavige geval heeft de notaris niet voldaan aan de hier geformuleerde op hem rustende verplichting en heeft hij de keuze om niet op enig moment afzonderlijk met erflaatster en haar partner de relevante aspecten van het testament te bespreken evenmin afdoende kunnen verantwoorden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Gezien de verhoudingen die erflaatster wenste te regelen (tussen haar partner en haar kinderen), was er in dit geval reden het testament ten minste op enig moment met erflaatster te bespreken buiten aanwezigheid van haar partner. Klaagster heeft in dit verband terecht gewezen op de tussen erflaatster en haar partner bestaande verschillen in de persoonlijke omstandigheden zoals de omvang van het vermogen en de relatie ten opzichte van de kinderen. In zoverre is de klacht gegrond.

6.7. Ten aanzien van het verwijt – kort samengevat – dat de oud-notaris partijdig heeft gehandeld, heeft het onderzoek in hoger beroep niet geleid tot een ander oordeel dan beslissing van de kamer. Het hof verenigt zich met die beslissing. Dit klachtonderdeel jegens de oud-notaris is ongegrond.

De toegevoegd notaris

6.8. Voorop gesteld moet worden dat sinds de invoering van de Wet op het notarisambt in 1999 ook een kandidaat-notaris een eigen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid draagt. Klaagster verwijt de toegevoegd notaris onder meer – kort samengevat – dat zij in haar hoedanigheid van (ervaren en zelfstandig werkzame) kandidaat-notaris bij de totstandkoming van het testament van erflaatster nooit onder vier ogen met haar heeft gesproken en daarmee bewust het risico heeft genomen dat erflaatster zich onvoldoende vrij achtte om haar wil te uiten. Het hof ziet in dit geval geen aanleiding om de handelwijze van de toegevoegd notaris voor wat betreft de aanwezigheid van de partner tijdens het bespreken van erflaatsters testament anders te beoordelen dan de handelwijze van de oud-notaris tijdens het passeren van dit testament.

6.9. Daarbij komt het volgende. De toegevoegd notaris heeft verklaard dat zij diverse opties met erflaatster en haar partner heeft besproken en dat erflaatster en haar partner vervolgens ieder een eigen keuze hebben gemaakt. Erflaatster heeft volgens de toegevoegd notaris bewust ervoor gekozen haar partner tot enig erfgenaam te benoemen en haar kinderen (alleen) een legaat toe te kennen. Op vragen van het hof heeft de toegevoegd notaris tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep verklaard dat zij de mogelijkheid van het stellen van zekerheid met betrekking tot de legaten van de kinderen bij het bespreken van de inhoud van het testament niet aan de orde heeft gesteld (en ook niet gewoon is dit in een dergelijke situatie met cliënten te bespreken). Dit brengt het hof, anders dan de kamer, tot het oordeel dat de toegevoegd notaris niet alles met erflaatster heeft besproken wat in de gegeven omstandigheden relevant was. Er kan daarom niet worden gezegd dat erflaatster op dit punt voldoende is voorgelicht en ervoor heeft gekozen af te zien van zekerheidsstelling. Op dit punt is de toegevoegd notaris dus tekortgeschoten in haar informatieplicht. Dit onderdeel van de klacht jegens de toegevoegd notaris is gegrond.

6.10. Ten aanzien van het verwijt – kort samengevat – dat klaagster op enigerlei wijze door de toegevoegd notaris onheus is bejegend, heeft het onderzoek in hoger beroep niet geleid tot een ander oordeel dan de beslissing van de kamer. Het hof verenigt zich met die beslissing. Dit klachtonderdeel jegens de toegevoegd notaris is ongegrond.

6.11. Klaagster verwijt de toegevoegd notaris voorts, dat zij de partner en kinderen tijdens de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster onvoldoende heeft geïnformeerd over hun rechten en plichten jegens elkaar. Het is gebleken dat de toegevoegd notaris zich bij de afwikkeling van de nalatenschap heeft laten leiden door de gegevens en de informatie zoals zij die van de partner van erflaatster had ontvangen. Dat is niet ongebruikelijk te noemen omdat een notaris in een dergelijke situatie in belangrijke mate afhankelijk is van de informatie die hij/zij van betrokkenen krijgt aangeleverd. Hierbij is wel van belang dat een notaris alert is en blijft op eventueel verstoorde verhoudingen tussen betrokkenen en zo nodig de regie minder aan (één van) partijen overlaat en meer naar zichzelf toetrekt. Het hof is met de kamer van oordeel dat het niet de taak van de toegevoegd notaris was om zelfstandig de juistheid van alle door de partner aangeleverde gegevens te controleren. Het had echter wel op haar weg gelegen kritischer naar deze gegevens te kijken toen haar uit de reacties van de kinderen bleek dat zij de juistheid en volledigheid daarvan ter discussie stelden alvorens de gegevens te verwerken in een successieaangifte en/of boedelbeschrijving.

6.12. Met betrekking tot de klacht van klaagster – kort samengevat – dat de toegevoegd notaris in een e-mail van 28 april 2010 informatie (die ook nog onjuist zou zijn) heeft verstrekt aan alleen de partner en niet aan de kinderen, overweegt het hof het volgende. Hoewel het de toegevoegd notaris vrij stond de partner te informeren over haar standpunt met betrekking tot de uitleg van het testament en dat standpunt (te weten dat de partner ingevolge het testament van erflaatster zou mogen interen op de nalatenschap en geen zekerheid hoefde te stellen voor de legaten van de kinderen) verdedigbaar is, rekent het hof het de toegevoegd notaris aan dat zij dit standpunt niet gelijktijdig kenbaar heeft gemaakt aan de kinderen van erflaatster hoewel zij wist of kon weten dat op dit punt een geschil tussen partijen bestond. Een en ander brengt met zich dat het hof de handelwijze van de toegevoegd notaris in dit opzicht tuchtrechtelijk laakbaar acht. Dit onderdeel van de klacht jegens de toegevoegd notaris is gegrond.

6.13. Ten aanzien van het verwijt jegens de toegevoegd notaris dat zij niet heeft gecontroleerd of de partner en de kinderen het eens waren (geworden) over de inhoud van de boedelbeschrijving voordat zij de akte voorlegde aan de notaris, heeft het onderzoek in hoger beroep niet geleid tot een ander oordeel dan de beslissing van de kamer. Het hof verenigt zich met die beslissing. Zeker in een geval als het onderhavige, waarin het testament voorschreef dat de waardering van de goederen van de nalatenschap diende te geschieden in onderling overleg, had de toegevoegd notaris zich vooraf ervan moeten vergewissen dat alle partijen het eens waren met de boedelbeschrijving. Dit onderdeel van de klacht jegens de toegevoegd notaris is eveneens gegrond.

De notaris

6.14. Voor zover klaagster het de notaris verwijt dat zij (en haar zuster) niet zijn opgeroepen voor het passeren van de boedelbeschrijving, is het hof met de kamer van oordeel dat klaagster (en haar zuster) niet behoefden te worden opgeroepen voor het passeren van deze akte nu zij daarbij geen partij waren. Voor zover klaagster het (ook) de notaris verwijt dat hij voorafgaand aan het passeren van de akte niet heeft gecontroleerd of de partner en de kinderen het eens waren (geworden) over de inhoud hiervan, treft de klacht wel doel. Het hof sluit zich aan bij hetgeen de kamer op dit punt heeft overwogen in rechtsoverweging 4.20 in de bestreden beslissing en voegt hier nog het volgende aan toe. Het hof acht aannemelijk dat de notaris op eenvoudige wijze uit het nalatenschapsdossier van erflaatster heeft kunnen opmaken dat de onderlinge verhoudingen tussen betrokkenen (enigszins) verstoord waren en dat (sommige) betrokkenen de juistheid van de boedelbeschrijving in twijfel hadden getrokken. In dat geval behoort het juist (ook) tot de zorgplicht van de passerend notaris om zich voor het passeren van de akte ervan te vergewissen dat overeenstemming was bereikt over de inhoud daarvan. In zoverre is deze klacht jegens de notaris gegrond.

De maatregel

6.15. De oud-notaris kan tuchtrechtelijk een verwijt worden gemaakt, maar naar het oordeel van het hof kan worden volstaan met gegrondverklaring van de klacht zonder oplegging van een maatregel.

6.16. Ten aanzien van de toegevoegd notaris zijn meerdere klachtonderdelen gegrond bevonden, hetgeen het opleggen van een maatregel rechtvaardigt. In dit geval acht het hof het opleggen van de maatregel van waarschuwing passend en geboden.

6.17. De klacht jegens de notaris is eveneens (grotendeels) gegrond bevonden. De klacht betreft een wezenlijk onderdeel van de zorg die de notaris in een geval als het onderhavige dient te betrachten. Het hof acht daarom ook hier het opleggen van een maatregel op zijn plaats en vindt de maatregel van waarschuwing passend.

6.18. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan onbesproken blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

6.19. Nu het hof deels tot een andere beslissing en deels op andere gronden tot een beslissing is gekomen dan de kamer, zal de beslissing van de kamer omwille van de duidelijkheid geheel worden vernietigd.

6.20. Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing en, opnieuw rechtdoende:

- verklaart de klacht zoals hiervoor weergegeven onder 4.2. tegen de oud-notaris deels gegrond;

- verklaart de klacht tegen de toegevoegd notaris zoals hiervoor weergegeven onder 4.4., 4.6. en 4.7. gegrond en voor het overige ongegrond;

- verklaart de klacht tegen de notaris zoals hiervoor weergegeven onder 4.8. gegrond;

- legt de toegevoegd notaris en de notaris elk de maatregel van waarschuwing op.

Deze beslissing is gegeven door mrs. W.J.J. Los, J.C.W. Rang en C.P. Boodt en in het openbaar uitgesproken op dinsdag 10 december 2013 door de rolraadsheer.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN DE KANDIDAAT-NOTARISSEN TE ZUTPHEN

Klachtnummer: 9/2011

Beslissing inzake de klacht van:

[klaagster],

wonende te [plaatsnaam], gemeente [gemeente],

klaagster,

gemachtigde: [naam],

tegen

1. [oud-notaris],

notaris te [plaatsnaam], en

2. [notaris],

notaris te [plaatsnaam], en

3. [toegevoegd notaris],

kandidaat-notaris te [plaatsnaam],

gemachtigde sub 1, 2 en 3: mr. G.L. Maaldrink, advocaat te Den Haag.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de klacht van 31 maart 2011, aangevuld bij brief van 2 mei 2011 met bijlagen;

- de brief van de secretaris van de Kamer van Toezicht van 7 juli 2011 en de reactie daarop van klaagster bij brief met bijlagen van 31 augustus 2011;

- de reactie van de notarissen en de kandidaat-notaris van 29 november 2011 met bijlagen;

- de repliek van klaagster van 20 januari 2012 met bijlagen;

- de brief van de secretaris van de Kamer van Toezicht van 7 februari 2012;

- de brief van de notarissen en de kandidaat-notaris van 23 februari 2012;

- de brief van de secretaris van de Kamer van Toezicht van 3 april 2012;

- de dupliek van de notarissen en de kandidaat-notaris van 23 april 2012 met bijlage;

- de brief van klaagster van 31 augustus 2012 met bijlagen;

- het proces-verbaal van de openbare vergadering van de Kamer van 14 september 2012.

2 Vaststaande feiten

De navolgende feiten worden als vaststaand aangenomen:

2.1

Mevrouw [naam], moeder van klaagster (hierna ook te noemen: erflaatster), is op 15 december 2005 gaan samenwonen met de heer [naam]. Erflaatster heeft twee kinderen - klaagster en haar zuster [naam] - uit een eerder huwelijk met de heer [naam] dat in 1990 door echtscheiding is ontbonden. De heer [naam] heeft eveneens kinderen uit een eerder huwelijk. Op 20 december 2005 zijn voor notaris [notaris] een samenlevingsovereenkomst en de testamenten van de partners verleden.

2.2

Op 29 februari 2008 is erflaatster overleden. Zij had laatstelijk beschikt over haar nalatenschap bij het testament van 20 december 2005. Bij dit testament heeft zij haar partner de heer [naam] tot haar enige erfgenaam benoemd onder de last van een legaat aan ieder van haar kinderen ter grootte van het erfdeel dat zij zouden hebben gekregen indien zij samen met haar partner de heer [naam] tot erfgenaam waren benoemd, te weten ieder een derde gedeelte van de nalatenschap. Erflaatster heeft bepaald dat de legaten en de verschuldigde rente pas opeisbaar zijn bij het overlijden van de heer [naam] dan wel in de andere in het testament genoemde gevallen.
In het testament is onder meer het volgende opgenomen:

“(…) Ter vaststelling van de grootte van het legaat moet de waardering van de goederen en schulden van mijn nalatenschap geschieden in onderling overleg. (…) Indien in onderling overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de waardering geschiedt deze door een deskundige, te benoemen door de kantonrechter (…). Na mijn overlijden moet mijn levensgezel bij notariële akte een boedelbeschrijving opmaken. In deze akte worden ook de vorderingen van mijn legatarissen op mijn levensgezel, die uit de legaten voortvloeien, vastgesteld.(…)”.
De nalatenschap bestaat voornamelijk uit banksaldi.

2.3

Bij brief van 3 april 2008 heeft kandidaat-notaris [kandidaat-notaris] (hierna ook te noemen: de kandidaat-notaris) klaagster geïnformeerd over de inhoud van het testament.

2.4

Op 16 oktober 2008 heeft [kandidaat-notaris] een concept van de boedelbeschrijving per overlijdensdatum aan klaagster toegestuurd. Hierin is de inboedel, voor zover de waarde in de nalatenschap valt, gewaardeerd overeenkomstig de waarde voor de aangifte successierechten, te weten € 750,=.

2.5

Klaagster heeft in reactie op het concept van de boedelbeschrijving in haar brief van 24 november 2008 een groot aantal vragen gesteld over de omvang en de samenstelling van de boedel. De kandidaat-notaris heeft deze brief doorgeleid naar de heer [naam].

2.6

De kandidaat-notaris heeft op 9 februari 2009 de volgende brief aan klaagster gezonden:

“Naar aanleiding van uw vragen aan de heer [naam] heeft de heer [naam] geprobeerd uw vragen te beantwoorden. Hetgeen van zijn kant heeft geleid tot het volgende voorstel aan uw zuster en u:
Ter afwikkeling van uw vragen inzake bijdragen van uw moeder in het huishouden e.d. stel ik u het volgende voorstel voor, zoals opgenomen in de bijlage. Uitgangspunt is het vermogen van uw moeder per 1 januari 2006, bijgeteld wordt de nalatenschap van de heer [naam], afgetrokken worden de schenkingen, het successierecht en het voorschot. Per saldo houdt dit in dat uw moeder dan alleen heeft geleefd van haar inkomsten.
De aldus berekende erfdelen blijven conform de bepalingen van het testament van uw moeder niet opeisbaar tot het overlijden van de heer [naam].”.

2.7

In reactie hierop heeft mr. W.L.J. van Winden van Achmea Rechtsbijstand bij brieven van 19 februari en 25 maart 2009 namens klaagster aan de kandidaat-notaris laten weten dat klaagster geen genoegen neemt met het antwoord van de heer [naam] en dat zij meent dat hij niet heeft voldaan aan zijn in het testament opgenomen verplichting om een volledige boedelbeschrijving op te maken.

2.8

Advocate mr. L.E.C.M. Brandt van SRK Rechtsbijstand, die het dossier had overgenomen van mr. Van Winden, heeft namens klaagster en haar zuster in haar brief van 16 november 2009 aan mr. M.J.A. Nijsen, advocaat te Zoetermeer die inmiddels de heer [naam] vertegenwoordigde, te kennen gegeven dat zij conform het testament een boedelbeschrijving wensen die wordt vastgelegd in een notariële akte voorzien van alle achterliggende stukken, met als peildatum de datum van overlijden van erflaatster en dat zij in geval van bij hen ontstane twijfel zullen verzoeken om de boedelbeschrijving onder ede te laten bevestigen.

2.9

Op 7 januari 2010 heeft de kandidaat-notaris aan klaagster een nieuw concept toegezonden van de akte van boedelbeschrijving, opgesteld aan de hand van het voorstel van de heer [naam] van februari 2009. Tevens werd meegedeeld dat de akte op 26 januari 2010 zou worden gepasseerd en dat eventuele opmerkingen graag voordien werden ontvangen.

2.10

Mr. Brandt heeft namens klaagster bij brief van 12 januari 2010 aan de kandidaat-notaris meegedeeld dat klaagster niet kon instemmen met de conceptakte, aangezien zij niet akkoord ging met een andere peildatum dan de sterfdatum van erflaatster, zijnde 29 februari 2008. Mr. Brandt heeft in verband hiermee verzocht om de akte niet te passeren.

2.11

De kandidaat-notaris heeft in haar brief van 12 januari 2010 aan mr. Brandt bevestigd dat de akte niet op 26 januari 2010 gepasseerd zou worden.

2.12

De kandidaat-notaris heeft bij brief van 13 januari 2010 de aangepaste conceptakte van boedelbeschrijving met als peildatum 29 januari 2008 aan de heer [naam] gestuurd met het verzoek om deze met zijn advocaat mr. Nijsen te bespreken en met de vraag of deze conceptakte zo naar klaagster kon worden gezonden. Bij brief van 18 januari 2010 heeft mr. Nijsen deze aangepaste conceptakte van boedelbeschrijving aan mr. Brandt doorgezonden met de mededeling dat deze op 26 januari 2010 gepasseerd zou worden. Bij brief van 20 januari 2010 heeft mr. Brandt deze brief van mr. Nijsen doorgestuurd aan klaagster met het verzoek om haar reactie.

2.13

Op 28 januari 2010 heeft [notaris] de akte van boedelbeschrijving en vaststelling erfdelen gepasseerd. De in deze akte vermelde peildatum is de overlijdensdatum van moeder.

2.14

Op 16 maart 2010 heeft de heer [naam] op verzoek van klaagster bij de kantonrechter onder ede verklaard dat de boedelbeschrijving juist was. Klaagster wenste de beëdiging als extra bevestiging van de op 28 januari 2010 verleden akte boedelbeschrijving en vaststelling erfdelen.

2.15

Mr. Brandt heeft in haar brief van 16 april 2010 namens zowel klaagster als haar zuster aan de heer [naam] verzocht om zijn medewerking te verlenen aan overdracht van de legaten, gelijktijdige vestiging van vruchtgebruik en vervolgens zekerheidstelling voor de nakoming van de verplichtingen van de heer [naam] jegens klaagster en haar zuster.

2.16

De heer [naam] heeft zich met de brief tot de kandidaat-notaris gewend. In haar e-mailbericht van 28 april 2010 heeft de kandidaat-notaris aan de heer [naam] bericht dat hij als enig erfgenaam mag interen op de nalatenschap en er geen zekerheid voor de legaten hoeft te worden verleend, omdat het testament alleen vermeldt dat opeising van de legaten (in de gevallen genoemd in het testament) kan worden voorkomen door daarvoor zekerheid te verlenen, hetgeen inhoudt dat in andere gevallen, zoals nu, geen zekerheid hoeft te worden gesteld.
De heer [naam] heeft geweigerd gehoor te geven aan het verzoek van klaagster.

2.17

Door klaagster en haar zuster is vervolgens een civiele procedure aangespannen tegen de heer [naam]. Tijdens een comparitie van partijen op 1 maart 2011 heeft de heer [naam] onder meer ingestemd met toevoeging van de waarde van de gezamenlijke auto van hem en erflaatster aan de boedelbeschrijving en met verhoging van de waarde van de inboedel. Hij heeft hieraan toegevoegd dat hij op het moment dat hij onder ede bij de kantonrechter verklaarde, ervan overtuigd was dat de boedelbeschrijving juist was.

2.18

Na deze comparitie is tussen partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van het geschil, neergelegd in een proces-verbaal van 16 maart 2011.

3 De klacht, de gronden waarop deze berust en het verweer

3.1

De klacht van klaagster bestaat uit een groot aantal klachtonderdelen.
De klachten komen - samengevat - op het volgende neer.

Klachtonderdeel 1: het opstellen en passeren van het testament

Dit klachtonderdeel richt zich tegen notaris [notaris] die het testament heeft gepasseerd. Hem wordt verweten dat hij erflaatster onvoldoende heeft voorgelicht over de verstrekkende juridische en emotionele gevolgen van de in het testament gekozen constructie van een stille onterving. Uit de gekozen constructie blijkt dat de notaris partijdig is geweest door de belangen van de heer [naam] zwaarder te laten wegen dan de belangen van de kinderen van erflaatster.
Klaagster is voorts van mening dat de notaris voor een juridisch ondoorzichtige constructie in het testament heeft gekozen, waardoor later discussie is ontstaan tussen de kinderen en de heer [naam] over het al dan niet bestaan van een interingsbevoegdheid van de erfgenaam en het al dan niet verplicht zijn van de erfgenaam tot zekerheidstelling.
Verder heeft de moeder van klaagster onvoldoende haar vrije wil kunnen bepalen doordat de notaris heeft toegestaan dat de heer [naam] bij alle testamentbesprekingen met de moeder van klaagster aanwezig was.

Klachtonderdeel 2: de boedelafwikkeling

Dit klachtonderdeel richt zich tegen de kandidaat-notaris die zelfstandig de nalatenschap heeft behandeld. Klaagster verwijt de kandidaat-notaris dat zij de heer [naam] en de legatarissen onvoldoende heeft geïnformeerd over hun rechten en plichten jegens elkaar. Zij heeft ten onrechte de heer [naam] er niet op gewezen dat hij zekerheid moest stellen voor de legaten en dat hij niet mocht interen op het vermogen.
De boedelwaardering heeft ten onrechte niet in gezamenlijk overleg met de legatarissen plaatsgevonden en de kandidaat-notaris heeft geen zelfstandig onderzoek verricht naar de juistheid van de door de heer [naam] aangeleverde gegevens, zelfs niet nadat de legatarissen al diverse keren bezwaar hadden gemaakt tegen de conceptboedelbeschrijving.
De kandidaat-notaris heeft ten onrechte aan de heer [naam] geadviseerd om de waarde van de inboedel op € 1500,= te stellen, heeft de heer [naam] gefaciliteerd bij het weglaten van de gemeenschappelijke auto in de boedelbeschrijving en niet bij de heer [naam] aangedrongen op verrekening krachtens de samenlevingsovereenkomst van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.
Verder heeft zij de indruk gewekt haar goedkeuring te hebben gegeven aan het voorstel van de heer [naam] om de peildatum inzake de boedelwaardering te verschuiven van de overlijdensdatum naar 1 januari 2006.
Door deze gehele werkwijze heeft de kandidaat-notaris blijk gegeven van partijdigheid. Klaagster verwijt de kandidaat-notaris dat zij haar onheus heeft bejegend.
Tot slot heeft de kandidaat-notaris niet gecontroleerd of de erfgenaam en de legatarissen het eens waren geworden over de boedelbeschrijving voordat zij de notaris heeft verzocht de akte van boedelbeschrijving te passeren.

Klachtonderdeel 3: het passeren van de akte van boedelbeschrijving en vaststelling erfdelen

Dit klachtonderdeel richt zich tegen notaris [notaris]. Klaagster is van mening dat [notaris] de legatarissen had moeten oproepen om aanwezig te zijn bij het passeren van de akte van boedelbeschrijving. Verder meent zij dat de notaris aan zijn Belehrungspflicht jegens de heer [naam] niet heeft voldaan.
Voorts verwijt zij hem dat hij de akte heeft gepasseerd zonder zich ervan te vergewissen of de legatarissen en de erfgenaam het eens waren geworden over de inhoud van de akte. Hij heeft hiermee partijdig gehandeld.

3.2

De verweren van de notarissen en de kandidaat-notaris komen in het navolgende, voor zover nodig, aan de orde.

4 De beoordeling van de klacht

4.1

Nu verweerders aan hun formele verweer dat het presidium van de Kamer zich ten onrechte mengt in het geschil door een samenvatting van de klacht te formuleren geen juridische gevolgen verbinden, behoeft daarover niet te worden geoordeeld.

4.2

Klaagster heeft tijdens de mondelinge behandeling van de klacht verzocht om openlegging van het volledige boedeldossier inzake erflaatster en het dossier inzake de afwikkeling van de nalatenschap.
De Kamer heeft dit verzoek niet ingewilligd, aangezien zij openlegging van deze dossiers niet noodzakelijk acht voor de beoordeling van de klacht.


Klachtonderdeel 1: het opstellen en passeren van het testament van erflaatster

4.3

Alvorens dit klachtonderdeel te beoordelen, merkt de Kamer het volgende op.
Klaagster heeft bezwaren tegen de inhoud van het testament van erflaatster. Voor zover de inhoud van dat testament haar niet welgevallig is, kan daaruit echter niet de conclusie worden getrokken dat de (kandidaat-) notaris op enigerlei wijze zijn taak niet naar behoren heeft vervuld.

4.4

Uit het verweer van de (kandidaat-) notarissen blijkt dat de ervaren kandidaat-notaris zelfstandig het testament heeft opgesteld, waarna notaris[notaris] het testament heeft gepasseerd. De kandidaat-notaris heeft zich ook tegen dit klachtonderdeel verweerd.

4.5

De Kamer is van oordeel dat de kandidaat-notaris geen verwijt kan worden gemaakt. Een (kandidaat-) notaris heeft als taak om een testateur te informeren over de verschillende mogelijkheden en de consequenties daarvan, maar het is vervolgens aan de testateur om de inhoud van het testament te bepalen. De (kandidaat-) notaris dient deze wens te respecteren. Bovendien is het geen ongebruikelijk testament en bevat het ook geen evidente juridische onjuistheden. Het testament betreft geen kale onterving van de kinderen van erflaatster; de geldlegaten zijn even groot als wanneer de kinderen samen met de heer [naam] als erfgenaam waren aangewezen. Uitstel van de opeisbaarheid van een erfdeel, in dit geval een legaat tot overlijden van de partner is tegenwoordig zeer veelvoorkomend en ingegeven door de vaak bij de testateur aanwezige wens om de partner verzorgd achter te laten.
In het testament is expliciet bepaald dat de legaten pas opeisbaar zullen zijn na overlijden van de partner. Aangenomen mag worden dat erflaatster zich derhalve bewust was van hetgeen dit voor haar kinderen betekende. Niet is komen vast te staan dat de kandidaat-notaris erflaatster onvoldoende heeft geïnformeerd over het door haar gekozen testament en wat dit voor haar kinderen zou betekenen.

4.6

Over de juridische implicaties die mr. Brandt, advocate van klaagster, in haar brief van 16 april 2010 aan de bepalingen in het testament toekent, komt de Kamer geen oordeel toe. Dit behoort tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechter.

4.7

De Kamer is van oordeel dat notaris [notaris] evenmin een verwijt kan worden gemaakt ter zake van het passeren van het door de kandidaat-notaris opgestelde testament. Niet is komen vast te staan dat [notaris] erflaatster voorafgaand aan het passeren van het testament onvoldoende heeft beleerd over de inhoud van het testament.

4.8

Ten aanzien van het passeren van het testament in aanwezigheid van de heer [naam] is namens notaris [notaris] ten verwere aangevoerd dat aanwezigheid van partners bij het passeren van hun testamenten volstrekt gebruikelijk is. Voorts is aangevoerd dat het een samenhangende opdracht van beide partners voor een samenlevingsovereenkomst en twee nieuwe testamenten betrof. Er was geen aanleiding om van deze gebruikelijke gang van zaken af te wijken. Bovendien kan een partner op ieder moment het testament herroepen en mag over een dergelijke herroeping geen mededeling aan de partner worden gedaan. De kandidaat-notaris heeft aangevoerd dat zij partners in haar voorbesprekingen hier altijd op pleegt te wijzen.
De Kamer is van oordeel dat op de door verweerders aangevoerde gronden geen sprake is geweest van tuchtrechtelijk laakbaar handelen door de partner bij het passeren van het testament aanwezig te laten zijn.

4.9

Naar het oordeel van de Kamer is onvoldoende gesteld en gebleken dat de kandidaat-notaris en de notaris zich partijdig hebben opgesteld.

4.10

Dit klachtonderdeel dient derhalve ten aanzien van zowel de kandidaat-notaris (voor zover tegen haar gericht) als notaris [notaris] ongegrond te worden verklaard.


Klachtonderdeel 2: de boedelafwikkeling

4.11

Dit klachtonderdeel richt zich tegen de kandidaat-notaris die zelfstandig de nalatenschap heeft afgewikkeld.

4.12

Het verwijt van klaagster dat de kandidaat-notaris haar tijdens de boedelafwikkeling onheus heeft bejegend, is niet onderbouwd en moet daarom ongegrond worden verklaard.

4.13

Zoals reeds onder 4.6 is overwogen, is het aan de burgerlijke rechter en niet aan de Kamer om te oordelen over de juistheid van de juridische implicaties die de advocaat van klaagster aan bepalingen in het testament heeft gegeven. Dit kan anders zijn in geval van evidente misslagen, maar daarvan is geen sprake.

4.14

De kandidaat-notaris heeft naar het oordeel van de Kamer onvoldoende regie gehouden op de totstandkoming van de boedelbeschrijving.
De Kamer acht het begrijpelijk dat de kandidaat-notaris aanvankelijk de conceptboedelbeschrijving alleen aan de hand van de door de heer [naam] aangeleverde gegevens heeft opgesteld. Ook is het begrijpelijk dat zij de heer [naam] heeft aangeraden om de waarde van de inboedel te bepalen op € 1500,=, in reactie op diens vraag wat een gangbaar en voor de Belastingdienst acceptabel bedrag was, ervan uitgaande dat er geen sprake was van een bijzondere inboedel. De kandidaat-notaris heeft op 16 oktober 2008 het concept van de boedelbeschrijving aan klaagster gezonden en in reactie daarop heeft klaagster op 24 november 2008 een brief gestuurd met het verzoek om een groot aantal stukken ter onderbouwing toe te zenden omdat zij de juistheid van de boedelomschrijving in twijfel trok. Uit deze brief van klaagster bleek dat er aan de kant van klaagster geen vertrouwen was in de opgave van de heer [naam] en dat de relatie tussen hen verstoord was geraakt. Dit had voor de kandidaat-notaris aanleiding moeten zijn om minder aan partijen over te laten en de regie naar haar toe te trekken. Zij had in ieder geval vanaf dat moment het testament als uitgangspunt moeten nemen. Dit betekent dat zij had moeten bevorderen dat de waardering in onderling overleg met de legatarissen tot stand zou komen en zo nodig door tussenkomst van een taxateur. De kandidaat-notaris heeft in haar verweer ook erkend dat zij er beter aan had gedaan om aan te dringen op benoeming van een taxateur.
Uit de stukken blijkt dat de heer [naam] niet alle gegevens voor de boedelomschrijving (goed) had aangeleverd. Hoewel het niet de taak is van een (kandidaat-) notaris om zelfstandig de juistheid van de aangeleverde gegevens te onderzoeken, had de kandidaat-notaris vanwege de verstoorde verhoudingen kritischer naar deze gegevens moeten kijken. Zoals ook is erkend door de kandidaat-notaris, had zij moeten navragen bij de heer [naam] of hij ook nog een auto had die krachtens de samenlevingsovereenkomst tot het gemeenschappelijk vermogen behoorde.
Ook is de Kamer niet gebleken dat de kandidaat-notaris aandacht heeft besteed aan de vraag of krachtens de samenlevingsovereenkomst nog verrekening moest plaatsvinden.
Ten aanzien van de nagekomen gelden van de heer [naam], heeft de kandidaat-notaris aangevoerd dat zij pas in september 2008 door de heer [naam] daarvan op de hoogte is gesteld. Het kan haar dan ook niet worden aangerekend dat zij daarover niet eerder iets had vermeld. Bovendien heeft zij in haar brief van 16 oktober 2008 klaagster alsnog hierover geïnformeerd.

4.15

Klaagster maakt de kandidaat-notaris terecht het verwijt dat zij onvoldoende heeft nagegaan of er daadwerkelijk overeenstemming bestond tussen klaagster en de heer [naam] over de inhoud van de akte van boedelbeschrijving, voordat zij de akte in handen van de notaris stelde om te passeren. Zij had de laatste conceptakte aan beide partijen moeten toezenden en moeten wachten op akkoordbevinding van beide partijen. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de gemachtigde van verweerders verklaard dat zich geen schriftelijk akkoord van de advocaat van klaagster in het dossier bevindt en dat de Kamer beschikt over alle stukken in dit verband. Hij heeft hieraan toegevoegd dat de heer [naam] namens zijn advocaat mr. Nijsen telefonisch aan de kandidaat-notaris heeft doorgegeven dat het akkoord was en de akte kon worden verleden. De Kamer acht dit bericht van de heer [naam] onvoldoende om de akte klaar te maken voor passeren door de notaris.

4.16

Van enige partijdigheid van de kandidaat-notaris is de Kamer niet gebleken. Het was wel beter geweest als de kandidaat-notaris in haar brief van 9 februari 2009 meer afstand had genomen van het voorstel van de heer [naam] over onder meer de peildatum door een neutralere woordkeuze of door de heer [naam] op eigen briefpapier het voorstel te laten schrijven en met een aanbiedingsbrief door te sturen. Hiermee had de kandidaat-notaris alle schijn van partijdigheid kunnen voorkomen. Het voert echter te ver om van tuchtrechtelijk laakbaar handelen te spreken.

4.17

Dit klachtonderdeel is gegrond, voor zover het betreft de totstandkoming van de boedelomschrijving en het controleren of partijen akkoord waren met het laatste concept van de akte van boedelbeschrijving alvorens de akte in handen van de notaris te stellen.



Klachtonderdeel 3: het passeren van de akte van boedelbeschrijving

4.18

De klacht over het niet oproepen van klaagster treft geen doel. Klaagster en haar zuster hoefden niet te worden opgeroepen voor het passeren van de akte. Zij waren wel partij bij de totstandkoming van de boedelbeschrijving, maar zij waren geen partij bij de ondertekening van de akte door de heer [naam].

4.19

Niet is komen vast te staan dat notaris [notaris] de heer [naam] voordat hij de akte heeft ondertekend onvoldoende zou hebben beleerd.

4.20

Naar het oordeel van de Kamer had notaris [notaris] echter niet tot passeren van de akte over mogen gaan. Voordat de akte ondertekend kon worden, moest voor de notaris vaststaan dat klaagster en haar zuster enerzijds en de heer [naam] anderzijds volledige overeenstemming hadden bereikt over de inhoud van de in de akte opgenomen boedelbeschrijving. Deze overeenstemming bleek echter niet onomstotelijk uit het dossier. Zoals is overwogen onder 4.15, is alleen door de heer [naam] telefonisch doorgegeven dat het akkoord was en de akte getekend kon worden. Van de kant van klaagster en haar zuster bevond zich derhalve in het dossier van [notaris] geen instemming met het laatste concept en dit betekent dat de akte niet gepasseerd had mogen worden. Hoewel het begrijpelijk is dat de notaris is afgegaan op zijn ervaren kandidaat-notaris, behoorde het tot zijn verantwoordelijkheid om zelf te controleren of uit het dossier bleek dat beide partijen hadden ingestemd alvorens tot het passeren van de akte over te gaan.
Dit klachtonderdeel is dan ook in zoverre gegrond.


Conclusie

4.21

Conclusie dient derhalve te zijn dat klachtonderdeel 2 tegen de kandidaat-notaris gegrond is voor zover het betrekking heeft op de totstandkoming van de boedelbeschrijving en het in handen van de notaris stellen van de akte van boedelbeschrijving en klachtonderdeel 3 tegen notaris [notaris] gegrond is voor zover het betrekking heeft op het passeren van de akte van boedelbeschrijving zonder dat vaststond dat partijen met de inhoud van de akte hadden ingestemd. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond.
De Kamer is van oordeel dat de bij klachtonderdeel 2 geconstateerde onzorgvuldigheden van de kandidaat-notaris dusdanig ernstig zijn dat ter zake daarvan de maatregel van waarschuwing dient te worden opgelegd. Zij neemt daarbij in aanmerking dat door de passieve opstelling van de kandidaat-notaris het conflict over de waardering van de nalatenschap onnodig lang heeft voortgeduurd en uiteindelijk tot gerechtelijke procedures heeft geleid.
Ten aanzien van de bij klachtonderdeel 3 geconstateerde onzorgvuldigheid van de notaris [notaris] acht de Kamer oplegging van een maatregel te verstrekkend. De Kamer zal volstaan met de constatering dat de klacht op het bovengenoemde onderdeel terecht is opgeworpen.

4.22

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds behandeld dan wel als thans niet ter zake dienend buiten beschouwing worden gelaten.

4.23

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

5 De beslissing

De Kamer:

verklaart klachtonderdeel 2 gegrond voor zover dit betrekking heeft op het daarin als onjuist aangeduide handelen van de kandidaat-notaris;

verklaart klachtonderdeel 3 gegrond voor zover dit betrekking heeft op het daarin als onjuist aangeduide handelen van notaris [notaris];

verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

legt aan de kandidaat-notaris de maatregel van waarschuwing op;

legt aan notaris [notaris] geen maatregel op.

Aldus gegeven door mr. O. Nijhuis, plaatsvervangend voorzitter, mr. E.J. Oostrik en mr. A.S. Hansma, leden, mr. I.C.J.I.M. van Dorp en mr. A.J.H.M. Janssen, plaatsvervangende leden, zulks in tegenwoordigheid van mr. W.E. Markus-Burger als secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 6 december 2012.

secretaris voorzitter

Binnen 30 dagen na de dag van verzending van de brief, waarbij deze beslissing wordt toegezonden, kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. Het beroepschrift dient binnen de termijn van 30 dagen door het Gerechtshof te zijn ontvangen. Het adres van het Gerechtshof luidt: Gerechtshof te Amsterdam t.a.v. kamer 17A, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.