Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4479

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
06-12-2013
Zaaknummer
200.137.451/01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. Bewoordingen van overweging in context bezien brengen mee dat ruimte is voor een andere dan de door de raadsvrouw voorgestane uitleg zodat niet gezegd kan worden dat de beslissing van de raadsheren wier wraking is verzocht dermate onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer: 23-003483-11

rekestnummer: 200.137.451/01

Beschikking van de wrakingskamer van 3 december 2013 op het in raadkamer van het gerechtshof Amsterdam van 20 november 2013 gedane verzoek tot wraking, in de strafzaak met parketnummer
23-003483-11 tegen:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in [Penitentiaire Inrichting],

hierna te noemen: verzoeker.

Advocaat: mr. I.A. Groenendijk.

1 Het geding

De verzoeker heeft in raadkamer van 20 november 2013 in de tegen verzoeker in hoger beroep aanhangige strafzaak, een verzoek tot wraking van de voorzitter en de andere leden van de strafkamer van het hof gedaan, te weten mrs. Van Asperen de Boer – Delescen, De Greeve en Bronkhorst.

Op 22 november 2013 is ter strafgriffie van het hof ingekomen, een schriftelijk stuk van de raadsvrouw van de verzoeker waarin zij onder meer het wrakingsverzoek herhaalt.

De voorzitter van de strafkamer heeft bij e-mailbericht aan de griffier van 25 november 2013, mede namens de andere leden van de strafkamer, te kennen gegeven dat de leden van de strafkamer niet berusten in de wraking. In een schriftelijke reactie hebben de leden van de strafkamer onder meer te kennen gegeven dat naar hun mening geen sprake is van feiten en omstandigheden waardoor de rechtelijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

Het wrakingsverzoek is op 28 november 2013 in openbare raadkamer behandeld. Het openbaar ministerie is daarbij vertegenwoordigd door mr. Freijsen, die heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Voorts zijn de verzoeker en diens raadsvrouw in raadkamer verschenen. Zij hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid het verzoek mondeling toe te lichten. De raadsheren op wie het wrakingsverzoek betrekking heeft zijn niet in raadkamer verschenen.

2 De feiten

2.1.

De verzoeker is in de tegen hem aanhangige strafzaak in eerste aanleg bij vonnis van
2 augustus 2011, door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van
14 jaren ter zake het medeplegen van moord. Tegen dit vonnis is door de verzoeker hoger beroep ingesteld.

2.2.

In hoger beroep is de strafzaak tegen de verzoeker in zijn aanwezigheid behandeld -na behandelingen op eerdere terechtzittingen- op de pro forma-terechtzitting van 12 november 2013. De raadsvrouw van de verzoeker was niet op die terechtzitting aanwezig. Op die terechtzitting zijn door de voorzitter twee faxberichten van de raadsvrouw aan de orde gesteld waarin, blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting, de raadsvrouw heeft verzocht tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verzoeker, en waarin zij heeft gesteld dat de verzoeker in de P.I. nog (steeds) niet de beschikking heeft over een laptop om beeldmateriaal van een reconstructie en verhoren van de medeverdachte te bekijken. Door schorsing van de voorlopige hechtenis wordt de verdachte wel in de gelegenheid gesteld om het materiaal te bekijken, zo houdt het proces-verbaal terechtzitting in als inhoud van de faxen.

Vervolgens zijn de advocaat-generaal en de verzoeker door de betreffende strafkamer omtrent het schorsingsverzoek gehoord, waarbij de verzoeker het verzoek zijn voorlopige hechtenis te schorsen heeft herhaald opdat hij het beeldmateriaal op het kantoor van zijn raadsvrouw kan bekijken.

Het proces-verbaal terechtzitting houdt voorts het volgende in:

Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot schorsing thans wordt afgewezen, omdat het belang dat verdachte heeft bij schorsing van de voorlopige hechtenis niet opweegt tegen de gewichtige redenen van maatschappelijke veiligheid, die in het bevel tot gevangenhouding zijn aangewezen, welke ook thans nog grond geven tot voortduring van zijn vrijheidsbeneming.

Het hof draagt de advocaat-generaal op ervoor zorg te dragen dat de verdachte binnen 48 uren vanaf heden – het hof gaat uit van 12 november 2013 te 12.00 uur – in de P.I. onbeperkt een laptop tot zijn beschikking krijgt om het beeldmateriaal te bekijken. De verdachte moet tevens de gelegenheid worden geboden om het beeldmateriaal te bekijken met zijn raadsvrouw wanneer zij dat wensen. Het hof verlangt van de advocaat-generaal een bevestiging dat hiervoor zorg is gedragen.

Mocht het hof deze bevestiging na 48 uren niet ontvangen, dan zal de voorlopige hechtenis van de verdachte vanaf dat moment worden geschorst tot aan de dag van de terechtzitting, te weten 13 december 2013 om 9.00 uur. Dit bevel zal dan afzonderlijk worden geminuteerd.

2.3.

Vervolgens is ter strafgriffie van het hof een fax van de raadsvrouw van 14 november 2013 ingekomen, gericht aan de voorzitter van het hof, waarin de raadsvrouw schrijft dat aan de verzoeker op 13 november 2013 in de PI een laptop is aangeboden, vergezeld van een overeenkomst inhoudende dat de verzoeker de laptop slechts vijf dagen mocht gebruiken, welke laptop bij controle niet bleek te werken. De fax houdt voorts in:

Derhalve verzoekt de verdediging mede gezien uw oordeel en met name uw bedoeling dinsdag jl., cliënt te schorsen opdat nu toch ook aan deze kant van de verdediging de voorbereiding met het beeldmateriaal kan beginnen.

2.4.

Op 20 november 2013 heeft in aanwezigheid van de verzoeker onderzoek in raadkamer plaatsgevonden in de strafzaak tegen de verzoeker door de raadsheren mrs. Van Asperen de Boer - Delescen, De Greeve en Bronkhorst. De raadsvrouw van de verzoeker is toen niet in raadkamer verschenen. Het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling houdt in dat de verzoeker aldaar aanwezig was teneinde te worden gehoord op het namens hem op 12 november 2013 ingediende verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Volgens het proces-verbaal van de raadkamer blijkt uit de inhoud van deze stukken welke inspanningen zijn verricht om te voldoen aan de opdracht van het hof (de wrakingskamer begrijpt: de opdracht aan de advocaat-generaal zoals gegeven ter terechtzitting van 12 november 2013).

De advocaat-generaal heeft zich in de raadkamer van 20 november 2013 op het standpunt gesteld dat het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verzoeker moest worden afgewezen. Hij heeft in raadkamer (onder meer) voor een weergave van hetgeen is ondernomen om aan de opdracht van het hof te voldoen verwezen naar de stukken waarvan de voorzitter melding heeft gemaakt. De advocaat-generaal heeft daaraan toegevoegd dat was gebleken dat ook de op 19 november 2013 aan de verzoeker verstrekte laptop problemen opleverde en dat men doende was een en ander te onderzoeken. Alles wordt in het werk gesteld om de verzoeker van een goed werkende laptop te voorzien, aldus de advocaat-generaal in raadkamer. De advocaat-generaal heeft verzocht alle inspanningen van het openbaar ministerie, die volgens hem zullen worden voorgezet, voorshands als voldoende te kwalificeren.

De verzoeker heeft in raadkamer het woord gevoerd, onder meer aan de hand van een schriftelijk stuk. Hetgeen de verzoeker heeft aangevoerd vat de wrakingskamer aldus samen, dat aan de verzoeker weliswaar binnen 48 uur na de beslissing van de strafkamer op 12 november 2013 een laptop is aangeboden maar dat die laptop niet functionerende, en dat die laptop hem blijkens de bijgaande overeenkomst slechts voor bepaalde tijd werd aangeboden. Na het verstrijken van de 48 uurs-termijn heeft hij de beschikking gekregen over een laptop maar het gebruik daarvan was niet onbeperkt nu die laptop meerdere malen tijdelijk en uiteindelijk definitief is ingenomen, terwijl de vervolgens aangeboden laptop ook niet functioneerde, aldus de verzoeker. De verklaring van de verzoeker in raadkamer luidde voorts:

De laptop is veel te laat bezorgd. Dit is niet volgens de afspraak binnen 48 uur, dus de voorlopige hechtenis moet worden geschorst, zoals is bepaald op de zitting van het hof van
12 november 2013.

Het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling houdt voorts in als beslissing van het hof op het verzoek:

Na een korte onderbreking voor beraad in raadkamer deelt de voorzitter mede dat het hof begrijpt dat de gang van zaken voor de verdachte (wrakingskamer: verzoeker) uiterst onbevredigend is, maar dat het hof tevens constateert dat de advocaat-generaal al het mogelijke heeft gedaan om aan de opdracht van het hof te voldoen, maar dit door omstandigheden, deels gelegen buiten de macht van het openbaar ministerie, nog niet is gelukt en dat het hof de advocaat-generaal daarom nog enkele dagen tijd wil geven en daartoe de beslissing op het schorsingsverzoek wil aanhouden.

2.5.

Het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling houdt daarna in dat, nog voordat de voorzitter de gehele beslissing van het hof heeft kunnen mededelen, de verdachte erg boos is geworden en heeft gezegd dat hij het hof wil wraken.

3 Het verzoek

Blijkens het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 20 november 2013 heeft de verzoeker tijdens die behandeling aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de strafkamer zich niet houdt aan de eigen beslissing van 12 november 2013 en de strafkamer dus op de hand is van het openbaar ministerie. Omdat de laptop niet binnen 48 uur is geleverd is het nu immers ruimschoots te laat, aldus de verzoeker in raadkamer op 20 november 2013.

Bij de behandeling van het wrakingsverzoek in raadkamer op 28 november 2013 is het verzoek door de raadsvrouw als volgt -samengevat- toegelicht. De beslissing van de strafkamer van 12 november 2013 hield in dat indien niet binnen 48 uur een bevestiging zou zijn ontvangen dat aan de opdracht van het hof was voldaan, de voorlopige hechtenis van de verzoeker zou worden geschorst. Nu niet aan de opdracht van het hof was voldaan, had de raadsvrouw dan ook niet (opnieuw) om schorsing hoeven verzoeken. Met het plannen van een raadkamerbehandeling op 20 november 2013 werd het openbaar ministerie, naast de 48 uurs-termijn, nog bijna een week geboden aan de opdracht van het hof te voldoen. Met de beslissing van de strafkamer op 20 november 2013 is het openbaar ministerie wederom een paar dagen de gelegenheid geboden aan de eerdere beslissing van het hof van 12 november 2013 te voldoen, terwijl in die beslissing geen voorbehoud was geformuleerd en daarin evenmin werd gesproken over (slechts) een inspanningsverplichting van het openbaar ministerie om aan de opdracht van de strafkamer te voldoen. Door het opnieuw geven van gelegenheid aan het openbaar ministerie is minst genomen de schijn gewekt dat het hof de kant van het openbaar ministerie heeft gekozen, zo vat de wrakingskamer samen hetgeen de raadsvrouw in raadkamer heeft aangevoerd.

4 Beoordeling

4.1.

De wrakingskamer overweegt en beslist als volgt.

Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van een partij, elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Naar vaste rechtspraak dient bij de beoordeling van een wrakingsverzoek voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat hij jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van de rechter bestaat, is het standpunt van de klagende partij belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van de klagende partij aan de onpartijdigheid van de rechter of het gerecht, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.

Voorts geldt dat het niet aan de wrakingskamer is een door de rechter gegeven beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige beslissingen. De vrees voor vooringenomenheid kan indien het wrakingsverzoek zich richt op (de motivering van) een gegeven beslissing slechts objectief gerechtvaardigd zijn indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval, de rechter een beslissing heeft genomen die zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.

4.2.

Het onderhavige wrakingsverzoek is naar de kern genomen gericht tegen de beslissing van de strafkamer van 20 november 2013, de beslissing op het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis aan te houden om de advocaat-generaal nog enkele dagen tijd te geven aan de opdracht van het hof van 12 november 2013 te voldoen, en daarmee niet aanstonds de voorlopige hechtenis te schorsen. Dit alles in weerwil van de strekking die de verzoeker toekent aan de beslissing van het hof van
12 november 2013, namelijk dat de voorlopige hechtenis zondermeer dient te worden geschorst nu hem niet binnen de gestelde termijn een (functionerende) laptop ter beschikking is gesteld.

4.3.

De wrakingskamer stelt het navolgende voorop.

Ter terechtzitting van 12 november 2013 heeft het hof het schorsingsverzoek afgewezen, waarna is overwogen hetgeen hiervoor onder 2.2. is opgenomen. De raadsvrouw stelt, naar de kern genomen, dat die overwegingen in redelijkheid niet anders kunnen worden gelezen/begrepen dan dat sprake is van een resultaatsverbintenis inhoudende dat binnen 48 uur door het openbaar ministerie aan een bepaald omschreven opdracht moest worden voldaan, en die bij niet voldoening zonder meer tot schorsing leidt. Zij leidt daaruit af dat, omdat ter terechtzitting van 20 november 2013 niet in die zin is beslist, het de gewraakte raadsheren aan onpartijdigheid ontbreekt, dan wel dat zij de schijn van partijdigheid hebben gewekt.

In feite ligt in casu de vraag voor of de beslissing van de gewraakte raadsheren dermate onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.

De beslissing van de strafkamer van 20 november 2013 geeft de wrakingskamer geen aanleiding te veronderstellen dat de raadsheren persoonlijke vooringenomenheid jegens de verzoeker koesteren, waartoe door verzoeker overigens ook niets is aangevoerd.

Ten aanzien van de vraag of de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is overweegt de wrakingskamer als volgt. Voorop staat dat bij de uitleg van de door de raadvrouw geciteerde overwegingen de letterlijke bewoordingen vanzelfsprekend uitermate van belang zijn. Niet eraan voorbij kan worden gegaan echter dat bewoordingen in redelijkheid (ook) moeten worden bezien in hun context. Over die context kan het navolgende worden opgemerkt. Allereerst wordt erop gewezen dat aan de overwegingen een duidelijke afwijzing van het verzoek tot schorsing vooraf gaat, alsmede dat in de daarna volgende overwegingen weliswaar gesproken wordt over schorsing, maar dat verder geen enkele voorwaarde wordt vermeld. Dit laatste is minst genomen in een zaak als de onderhavige niet voor de hand liggend. Reeds deze omstandigheden brengen - naar het oordeel van de wrakingskamer - mee dat ruimte is voor een andere dan de door de raadsvrouw voorgestane uitleg zodat niet gezegd kan worden dat de beslissing van de raadsheren wier wraking is verzocht dermate onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven. In dit verband wijst de wrakingskamer (nog) op de brief van de raadsvrouw aan het hof van 14 november 2013 met het daarin vervatte verzoek, welke brief ook van een wat andere uitleg schijnt uit te gaan.

5 BESLISSING

De wrakingskamer:

Wijst af het verzoek.

Deze beschikking is gewezen door de wrakingskamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. S. Clement, mr. C. Uriot en mr. J.W. Hoekzema, in tegenwoordigheid van
mr. M.E. Olthof, griffier, en is uitgesproken in openbare raadkamer van dit gerechtshof op
3 december 2013.