Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4464

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
12-03-2014
Zaaknummer
200.132.800/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:7316, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling, huiselijk geweld, de moeder brengt kinderen in onveilige situatie door onvoldoende weerstand te bieden aan de vader.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 254
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 26 november 2013

Zaaknummer: 200.132.800/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/14/146727 / OT RK 13/777

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. M.C. Spil te Amsterdam,

tegen

Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering,

gevestigd te Utrecht,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en LJ&R genoemd.

1.2.

De moeder is op 27 augustus 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 30 juli 2013 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kinderrechter), met kenmerk C/14/146727 / OT RK 13/777.

1.3.

LJ&R heeft op 24 september 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

LJ&R heeft op 15 oktober 2013 nadere stukken ingediend.

1.5.

De zaak is op 24 oktober 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.6.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- advocaat van de moeder;

- mevrouw Y. Gerrit en mevrouw L. Bierdrager, beiden vertegenwoordigers van LJ&R;

- mevrouw A. Hogendorp, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de Raad).

1.7.

De moeder en de heer [x] (hierna: de vader) zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

De moeder en de vader (hierna tezamen: de ouders) hebben een relatie gehad. Uit hun relatie zijn geboren […] (hierna: [kind a]) [in] 2010 en […] (hierna: [kind b]) [in] 2012 (hierna tezamen ook: de kinderen). De moeder oefent het gezag uit over de kinderen. De kinderen verblijven bij de moeder.

2.2.

Bij beschikking van 21 februari 2012 van de kinderrechter zijn [kind a] en, de toen nog ongeboren, [kind b] onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland (hierna: BJZNH) voor de duur van zes maanden. De ondertoezichtstelling van de kinderen is nadien telkens verlengd. LJ&R voert de ondertoezichtstelling uit namens BJZNH.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is de ondertoezichtstelling van [kind a] en [kind b] verlengd tot 21 februari 2014, onder gelijktijdige afwijzing van het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven op het inleidend verzoek van LJ&R om de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen met twaalf maanden.

3.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, – naar het hof begrijpt – het inleidend verzoek van LJ&R af te wijzen, althans de duur van de verlenging van de ondertoezichtstelling van [kind a] en [kind b] te beperken tot drie maanden.

3.3.

LJ&R verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel het door de moeder in hoger beroep verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ter beoordeling aan het hof ligt voor de vraag of de gronden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en of deze thans ook nog aanwezig zijn.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:254 lid 1 Burgerlijk Wetboek kan een minderjarige onder toezicht worden gesteld, indien hij zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

4.2.

De moeder is van mening dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat, hoewel er geen kindsignalen zijn, verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is om de huidige situatie te waarborgen. De kinderen ontwikkelen zich goed en er bestaan geen zorgen ten aanzien van de opvoeding van de kinderen. De moeder ontkent niet dat er spanningen zijn tussen haar en de vader, maar zij heeft de kinderen altijd buiten de incidenten proberen te houden. De moeder stelt dat zij de relatie met de vader in mei 2013 definitief verbroken heeft, dat zij het contact met hem tot een minimum beperkt en dat de situatie duurzaam verbeterd en thans rustig is, nu zij een duidelijk standpunt heeft ingenomen ten opzichte van de vader. De moeder kan niet voorkomen dat de vader bij haar thuis langskomt, maar als hij dat doet probeert zij incidenten te voorkomen. De moeder stelt dat zij vanaf het begin van de ondertoezichtstelling heeft meegewerkt en, op eigen initiatief, de benodigde maatregelen heeft genomen om de veiligheid van de kinderen te waarborgen. De moeder acht hulpverlening in een gedwongen kader dan ook niet langer noodzakelijk, maar staat wel open voor hulpverlening in een vrijwillig kader. Volgens de moeder heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling ten onrechte met zes maanden verlengd, een periode van drie maanden voldoet om te bezien of de situatie daadwerkelijk en duurzaam is verbeterd. Sinds mei is de situatie rustig en heeft er slechts eenmaal een incident plaatsgevonden, hier waren de kinderen geen getuige van, aldus de moeder in haar beroepsschrift.

4.3.

LJ&R erkent dat er geen sprake is van ernstige problemen bij de kinderen en dat zij zich goed ontwikkelen. Volgens LJ&R laat de moeder de vader keer op keer toe tot haar woning en brengt zij de kinderen hierdoor telkens in een gevaarlijke situatie. De moeder neemt geen duidelijk standpunt in ten opzichte van de vader, neemt in dit verband geen adviezen aan van de hulpverlening en wil zelf de omgang regelen tussen de kinderen en de vader. Er hebben zich volgens LJ&R tot op heden verscheidene incidenten tussen de ouders voorgedaan waarbij sprake was van agressie van de vader. Om het contact tussen de vader en de moeder in betere banen te leiden en daardoor de veiligheid van de kinderen beter te kunnen waarborgen heeft LJ&R de moeder in september 2013 een schriftelijke aanwijzing gegeven. Hierin is onder meer een omgangregeling vastgesteld en heeft de moeder een aanwijzing gekregen om de vader niet meer toe te laten tot haar woning. Inmenging van LJ&R was dus noodzakelijk. De moeder is aangemeld bij Signs of Safety en LJ&R is van mening dat het, gelet op de wisselende houding van de moeder ten opzichte van de vader, van belang is dat LJ&R de deelname van de moeder aan Signs of Safety blijft volgen in het kader van de ondertoezichtstelling.

4.4.

De Raad heeft het hof ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De Raad heeft in dit verband naar voren gebracht dat sprake is van jonge en kwetsbare kinderen en een problematische relatie tussen de ouders. De moeder biedt onvoldoende weerstand aan de vader, hetgeen onveiligheid schept voor de kinderen, aldus de Raad.

4.5.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat er zorgen bestaan ten aanzien van de thuis- en opvoedsituatie van de moeder. Deze zorgen zien met name op de houding en het gedrag van de vader, het terugkerend huiselijk geweld van de vader jegens de moeder, de hieruit voorvloeiende incidenten, en het gegeven dat de kinderen hiervan meer dan eens getuige zijn geweest. De Raad heeft in dit verband in 2010 een onderzoek uitgevoerd, waarna de ouders zijn verwezen naar Parlan voor hulpverlening in een vrijwillig kader. Omdat de vader uit beeld verdwenen was, de moeder het goed deed en er geen sprake was van kindsignalen bij [kind a], is deze hulpverlening in juni 2011 beëindigd. Als gevolg van hernieuwd huiselijk geweld, heeft de vader in september 2011 een tijdelijk huisverbod gekregen. In de daaropvolgende periode werd nauwelijks verbetering geconstateerd en bleven de zorgen bestaan. Dit heeft ertoe geleid dat [kind a] en, de toen nog ongeboren, [kind b] op 21 februari 2012 onder toezicht zijn gesteld. Aanvankelijk leek sprake van een positieve ontwikkeling. Vanaf januari 2013 was evenwel weer sprake van huiselijk geweld en hebben zich verscheidene incidenten voorgedaan, onder andere bij het kinderdagverblijf van de kinderen, waarbij steeds sprake was van agressie en geweld van de vader jegens de moeder of derden, waarvan de kinderen regelmatig getuige waren. Bij een aantal van deze incidenten is de politie betrokken geweest. In mei 2013 is de vader, vanwege het feit dat opnieuw sprake was van geweld, door de politie aangehouden en heeft hij een verbod gekregen om in de buurt te komen van de woning van de moeder. Dit verbod gold tot eind juli 2013. Gebleken is dat de vader zich na beëindiging van het verbod weer heeft begeven naar de woning van de moeder en daar vervolgens een week verbleven heeft. Op 5 augustus 2013 is de situatie geëscaleerd nadat de moeder aan de vader duidelijk had gemaakt dat hij niet langer in de woning kon verblijven. Naar aanleiding van deze escalatie heeft de politie een melding gedaan bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). LJ&R heeft de moeder op 23 september 2013 een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin onder meer een omgangsregeling tussen de kinderen en de vader is vastgesteld en is bepaald dat de moeder buiten de omgangsmomenten geen contact zoekt met de vader en dat zij hem niet toe dient te laten tot de woning. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de moeder sinds 15 oktober 2013 met de kinderen in een blijf van mijn lijf huis verblijft. LJ&R heeft verklaard dat in november wordt start met een traject via Signs of Safety.

Het hof overweegt dat uit het voorgaande voortvloeit dat de moeder een tweeslachtige houding inneemt ten opzichte van de vader. Zij is niet in staat gebleken om consequent weerstand te bieden aan de vader, als gevolg waarvan de kinderen steeds weer in een onveilige situatie worden gebracht. De moeder is kennelijk niet in staat om zonder de betrokkenheid van hulpverlening in een gedwongen kader de veiligheid van de kinderen te waarborgen. Het hof is dan ook van oordeel dat de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking in hun ontwikkeling werden bedreigd, dat dit thans nog steeds het geval is en dat deze bedreiging niet anders dan door middel van een ondertoezichtstelling kan worden afgewend. De bestreden beschikking zal derhalve worden bekrachtigd. Voor een (verdere) beperking van de duur van de ondertoezichtstelling, zoals door de moeder subsidiair is verzocht, bestaat gelet op het voorgaande geen aanleiding.

4.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. van Haeringen, A.V.T. de Bie en J.Th.L Brouwer in tegenwoordigheid van mr. S.E. Harenberg als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2013.