Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4421

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
12/00097
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1354, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof oordeelt dat de digitale microscoop niet onder post 8471 van de GN kan worden ingedeeld. De UTB is niet tot een te hoog bedrag vastgesteld.

De navordering dient alleen ten aanzien van de fysiek gecontroleerde aangifte achterwege te blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0896
NTFR 2015/1649 met annotatie van mr. B.A. Kalshoven
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Kenmerk 12/00097

28 november 2013

uitspraak van de meervoudige douanekamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane,

de inspecteur,

alsmede

op het incidenteel hoger beroep van

[A] B.V. te [P], belanghebbende,

gemachtigde: mr. R. Andringa,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/915 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 5 juli 2010 aan belanghebbende een uitnodiging tot

betaling (UTB) uitgereikt voor een bedrag van € 14.044,07 aan douanerechten en € 554,16 aan omzetbelasting.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 6 januari

2011, de UTB gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 12 december 2011, heeft de rechtbank het door belanghebbende

ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de UTB verminderd tot € 5.826,40 aan douanerechten en € 554,16 aan omzetbelasting, de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.310 en gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 302 vergoedt.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 23 januari

2012. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld. De inspecteur heeft een verweerschrift tegen het incidenteel hoger beroep ingediend.

1.5.

Daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld heeft belanghebbende een conclusie van

repliek ingediend, waarop door de inspecteur is gereageerd bij conclusie van dupliek.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2013. Van het verhandelde

ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1. tot en met 2.3. van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.1. Eiseres importeert en verhandelt elektronica met een innovatief component. Eiseres heeft in de jaren 2008 en 2009 diverse aangiften ten invoer gedaan voor digitale microscopen met de aanduiding ‘[product X] (hierna: de goederen). De goederen zijn van het type [nummer] met USB 2.0 connectiviteit, 8 LED-lampjes en een microtouch-knop. In de goederen is een CMOS-chip ingebouwd. De goederen beschikken niet over een intern geheugen noch over een opslagcapaciteit.

De door de CMOS-chip opgenomen beelden worden via de usb-aansluiting doorgegeven aan een computer. De op de computer geïnstalleerde, meegeleverde software maakt het mogelijk de doorgegeven beelden weer te geven op het computerscherm en te bewerken. De vergroting wordt bereikt door de afstand tussen lens en voorwerp aan te passen. Door middel van een draaiwiel wordt de juiste scherpte ingesteld. Het is niet mogelijk om direct via de lens in de goederen naar een object te kijken.

2.2.

Op 25 augustus 2008 heeft een fysieke controle plaatsgevonden van de aangifte ten invoer met het nummer [aangiftenummer]. Op het fycoformulier is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…)

02 Openen van 5 colli en/of het nemen Aantal geopend: 5

van zichtmonster(s). (…)

03 Tellen van het aantal colli. Aantal geteld:

Vaststellen inhoud van 5 Inhoud per v.p.e.: 40 per doos andere verschillend

verpakkingseenheden (v.p.e.)

(…)

12 Vak/element aangifte: 31,33 [product X]

AM [nummer].diverse soorten en maten

Specifiek aandacht voor: Digital microscope voor op je PC(digitale vergrootglas)

- 31 Goederenomschrijving LVO;Taiwan

- Controle op LvO

- Goederensoort?

(…)

(…) Tijdsduur feitelijke controle (excl. reistijd): van 13:50 t/m 14:10

(…)”

2.3.

Bij eiseres is op 29 en 30 oktober 2009 een controle na invoer ingesteld. Deze controle is later uitgebreid. Het rapport is op 18 juni 2010 uitgebracht. Naar aanleiding van de controle is de utb opgelegd.”

2.2.

Het Hof vult de feiten als volgt aan.

2.2.1.

De bestreden UTB betreft een navordering op 25 aangiften, welke zijn ingediend door [Z]BV, handelend als direct vertegenwoordiger van belanghebbende.

2.2.2.

Het ter zitting overgelegde monster is een vergrotingstoestel met daaraan een USB kabel en een standaard. Meegeleverd wordt een CD-ROM.

Op de verpakking van de goederen staat onder meer vermeld:

- “10 x~200x , Dino-Lite Digital microscope”

en:

- “ product Specifications:

▪ Resolution:640*480 (VGA)

▪ Frame rate: up to 30fps

▪ Adjustable magnification 10x~200x

▪ Built-in white LED lighting

▪ Interface: USB (PC)

▪ Software: DinoCapture

▪ Dimension: 10.5 (H) x3.2® cm”

en

-“System Requirement

▪ Windows Vista, XP,2000

▪ CPU Pentium 1.5G,Celeron, AMD Athlon or above

▪ RAM of 128MB or more recommended

▪ At least 150 MB of free disk space

▪ VGA Card: 16bit or above

▪ CD-ROM drive

▪ At least one USB 1.1 or 2.0 port”.

2.2.3.

Belanghebbende heeft de in geschil zijnde producten aangegeven onder post 8471.

2.2.4.

De bevindingen in het controlerapport wat betreft de tariefindeling luiden:

“3.2. Goederencodes/ heffingspercentages

(…)

Op grond van voornoemde wettelijke basis dienen de goederen te worden ingedeeld onder de goederencodes 90121090 en 90129090.”

2.2.5.

In de aan belanghebbende gerichte brief van 2 maart 2010 heeft de inspecteur inzake de controlebevindingen het volgende meegedeeld:

“De digitale microscopen bevatten een zgn. scherpstel (brandpuntring) alsmede een vergrotingsring waarmee nog meer wordt voldaan aan het wezenlijke karakter waaraan goederen van tariefpost 9011 voldoen. De in geding zijnde goederencodes van Tariefpost 9011 zijn: 90118000 “andere microscopen” en 90119090 “delen en toebehoren”. Binnen de Europese Unie zijn er in 2008 en 2009 zogenaamde Bindende Tarief Inlichtingen afgegeven voor soortgelijke toestellen als bij de administratieve controle zijn aangetroffen. Ook hierbij werd als bindende inlichting de goederencode 90118000 toegekend.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Voor het Hof is primair in geschil of de UTB tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Met name is in geschil het antwoord op de vraag of de ten invoer aangegeven producten onder post 8471 van de GN kunnen worden ingedeeld, hetgeen belanghebbende stelt en de inspecteur betwist.

3.2.

Zo het gelijk aan de inspecteur is, is in geschil of op grond van artikel 220, tweede lid, onderdeel b, van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW) van navordering dient te worden afgezien.

3.3.

Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

3.4.

De relevante teksten van de GN luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

Aantekening 5D en 5E op Hoofdstuk 84

5D) Post 8471 omvat niet de navolgende toestellen indien zij afzonderlijk worden aangeboden, zelfs indien zij beantwoorden aan alle

in aantekening 5, onder C), hiervoor vermelde voorwaarden:

(…)

4) televisiecamera’s, digitale fototoestellen en videocamera-opnametoestellen;

(…)

5E) Machines die een automatische gegevensverwerkende machine bevatten of daarmede in samenhang worden gebruikt en die een eigen functie, andere dan automatische gegevensverwerking, vervullen, worden ingedeeld onder de post die overeenkomstig hun functie in aanmerking komt of, bij ontbreken daarvan, onder een sluitpost.

Post 8471

8471 Automatische gegevensverwerkende machines en eenheden daarvoor; magnetische en optische lezers, machines voor het in gecodeerde vorm op dragers overzetten van gegevens en machines voor het verwerken van die gegevens, elders genoemd noch elders onder begrepen:

(…)

8471 60 – invoereenheden en uitvoereenheden, ook indien zij in dezelfde behuizing geheugeneenheden bevatten:

8471 60 60 – – toetsenborden

8471 60 70 – – andere;

Post 8525

8525 Zendtoestellen voor radio-omroep of televisie, ook indien met ingebouwd ontvangtoestel of toestel voor het opnemen of het weergeven van geluid; televisiecamera’s, digitale fototoestellen en videocamera-opnametoestellen:

(…)

8525 80 – televisiecamera’s, digitale fototoestellen en videocamera-opnametoestellen

– – televisiecamera’s:

8525 80 11 – – – bevattende ten minste drie beeldopnamebuizen

8525 80 19 – – – andere

Post 9011

9011 Optische microscopen, toestellen voor fotomicrografie, cinefotomicrografie en microprojectie daaronder begrepen:

(…)

9011 20 – andere microscopen, voor fotomicrografie, cinefotomicrografie of microprojectie:

9011 20 90 – andere

(…)

9011 80 00 – andere microscopen

Post 9012

9012 Microscopen, andere dan optische; diffractieapparaten:

(…)

9012 10 90 – andere

Toelichting IDR op post 9011

(…)

Post 90.11 heeft bovendien betrekking op:

1. toestellen voor fotomicrografie of voor cinefotomicrografie, die niet alleen kunnen worden gebruikt voor visuele waarneming, maar ook voor het maken van opnamen van vergrote afbeeldingen van voorwerpen. Zij kunnen bestaan uit een microscoop met ingebouwde foto- en filmcamera, die speciaal voor genoemde doeleinden is gemaakt (cameramicroscopen), of uit een gewone microscoop, waarop een opzet camera (foto- of filmcamera) kan worden aangebracht. (…)

4 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen.

“5.1. Primair is in geschil onder welke post de goederen moeten worden ingedeeld. Voor de indeling zijn wettelijk bepalend de bewoordingen van de posten en de aantekeningen op de afdelingen of op de hoofdstukken. Het is vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ), dat in het belang van de rechtszekerheid en van een gemakkelijke controle, het beslissende criterium voor de tariefindeling van goederen in de regel moet worden gezocht in hun objectieve kenmerken en eigenschappen, zoals deze in de tekst van de post zijn omschreven. De door de Commissie vastgestelde toelichtingen op de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: GN) en de in het kader van de Werelddouaneorganisatie uitgewerkte toelichtingen op het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen (hierna: GS) zijn, hoewel rechtens niet bindend, belangrijke hulpmiddelen bij de uitlegging van de draagwijdte van de verschillende tariefposten.

5.2.1.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de goederen als invoereenheden voor automatische gegevensverwerkende machines onder post 8471 moeten worden ingedeeld. De goederen zijn bestemd te worden gebruikt in combinatie met een computer, en leveren digitale vergrotingen aan die op de computer kunnen worden bekeken en bewerkt, en waarmee objecten nauwkeurig kunnen worden gemeten. De bewijslast ligt bij verweerder, omdat hij wil afwijken van de aangiften. Het is derhalve aan verweerder om aan te geven waarom hij vindt dat de goederen als andere televisiecamera’s moeten worden ingedeeld.

5.2.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de goederen een digitale camerafunctie hebben omdat zij beschikken over een CMOS-chip, een functie die is terug te vinden onder de GS-toelichting bij post 8525 onder B. De goederen moeten onder post 8525 worden ingedeeld. De goederen zijn niet uitgerust met een intern geheugen en hebben geen eigen opslagcapaciteit en voldoen dus niet aan de voorwaarden voor indeling als fotocamera of als videocamera-opnametoestel. De goederen zijn daarmee als “andere” camera’s, in te delen onder goederencode 8525 80 19.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat de goederen, gelet op de onder 2.1 beschreven objectieve kenmerken en eigenschappen, als camera’s moeten worden beschouwd. De goederen nemen beelden op en geven deze door in dit geval via de usb-aansluiting aan een computer. Dat is de meest belangrijke objectieve eigenschap van een camera. Post 8520 80 omvat drie goederensoorten. Televisiecamera’s, digitale fototoestellen en videocamera-opnametoestellen. Gelet op de GS-toelichting bij post 8525 omvat deze groep camera’s die beelden opnemen en deze omzetten in een elektronisch signaal dat wordt verzonden als een videobeeld naar een plek buiten de camera om te worden bekeken of om op afstand te worden opgenomen (bijvoorbeeld televisiecamera’s). Hieruit leidt de rechtbank af dat ook camera’s, die hun beelden niet, of vanwege hun aansluitingsmogelijkheden niet kunnen doorgeven aan een televisie ook onder deze groep vallen. Deze opvatting wordt bevestigd door het voorbeeld in deze toelichting van de webcam, die ook onder de groep televisiecamera’s valt. Nu de goederen wegens het ontbreken van drie opnamebuizen niet onder de GN-code 8525 80 11 vallen, moeten zij worden ingedeeld onder GN-code 8525 80 19, als zijnde andere televisiecamera’s.

Het ontbreken van een intern geheugen en opslagcapaciteit, maakt dat de goederen niet kunnen worden aangemerkt als fotocamera’s of videocamera’s.

5.4.

Uit de tekst van aantekening 5D, onderdeel 4, op hoofdstuk 84 volgt dat de goederen van post 8471 zijn uitgesloten. Hier worden expliciet “televisiecamera’s, digitale fototoestellen en videocamera-opnametoestellen” uitgesloten. Gelet op de systematiek van het GS, de code bestaande uit zes posities, vallen alle indelingen komende na 8525 80 onder de werking van deze aantekening en derhalve ook GN-code 8525 80 19. Het gelijk betreffende de indeling van de goederen is aan verweerder.

5.5.

Volgens vaste jurisprudentie van het HvJ beoogt artikel 220, tweede lid, aanhef, sub b, van het CDW de bescherming van gewettigd vertrouwen van de douaneschuldenaar (in de juistheid van alle factoren die een rol spelen bij het besluit om al dan niet tot boeking achteraf van invoerrechten over te gaan). Op grond van deze bepaling wordt niet overgegaan tot boeking achteraf van invoerrechten indien de volgende drie, cumulatieve voorwaarden zijn vervuld: het niet heffen van de rechten is te wijten aan een vergissing van de bevoegde autoriteiten zelf; de vergissing is van dien aard dat zij door een douaneschuldenaar die te goeder trouw is, redelijkerwijze niet kon worden ontdekt; en de douaneschuldenaar heeft aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte voldaan. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 27 juni 1991, C-348/89, inzake Mecanarte, volgt dat vergissingen inzake de uitlegging of de toepassing van de voorschriften betreffende de rechten bij invoer of bij uitvoer, die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken, alle vergissingen omvatten, wanneer zij het gevolg zijn van een actieve gedraging. Op eiseres rust de bewijslast haar stelling aannemelijk te maken dat de voorwaarden zijn vervuld.

5.6.1.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de douane zich heeft vergist. De goederen zijn in oktober 2008 en juni 2009 fysiek opgenomen, waarbij de aangegeven goederencode is geaccepteerd. Deze vergissing kon eiseres, gelet op de ingewikkelde regelgeving rond de indeling van de goederen, redelijkerwijs niet ontdekken. Eiseres bestrijdt dat zij niet aan alle voorschriften van de geldende regeling inzake de douaneaangifte heeft voldaan. Eiseres is te goeder trouw geweest. Nu aan alle onder 5.5 genoemde voorwaarden is voldaan, had de boeking achteraf achterwege moeten blijven.

5.6.2.

Verweerder betwist dat sprake is van een vergissing. Slechts één van de twee opgenomen zendingen betreft een aangifte die is gedaan door eiseres. De andere opname betreft een zending die is aangegeven door een derde. De laatstbedoelde opname kan voor de beoordeling of sprake is van een vergissing geen rol spelen. Van de door eiseres aangegeven goederen is een zichtmonster genomen, hetgeen wil zeggen dat de omschrijving op de handelsbescheiden is vergeleken met de goederen en de aangifte ten invoer. De indeling van de goederen en de goederencode zijn niet beoordeeld. De controlediepgang is 3 (daadwerkelijke opname). Indien toch sprake zou zijn van een vergissing, zou deze geen gevolgen hebben voor de andere aangiften. Het is niet de bedoeling van de regelgever dat een eenmalige controle dezelfde gevolgen heeft als een bindende tariefinlichting. Bovendien had eiseres een vergissing redelijkerwijs kunnen ontdekken, gelet op haar beroepservaring en de complexiteit. Eiseres is op de hoogte van de specifieke werking en de mogelijkheden van gebruik van de goederen. Eiseres wordt niet van kwade trouw beschuldigd. Uitsluitend is in geschil of zij te goeder trouw is geweest. Gelet op hetgeen eiseres wist of had moeten weten over de eigenschappen van de goederen, kan niet worden gezegd dat zij te goeder trouw is geweest.

5.7.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een vergissing van de douaneautoriteiten. Uit het fycoformulier blijkt dat de goederen daadwerkelijk zijn opgenomen en dat de vakken 31 en 33 van de aangifte zijn gecontroleerd. Dit betekent dat onder meer de omschrijving en de goederencode zijn beoordeeld. Niet in geschil is dat verificatiecode 3 van toepassing is, wat betekent dat onderzoek van de goederen (en eventueel aan de hand van bescheiden) heeft plaatsgevonden. Dat uitsluitend naar de omschrijving op de doos zou zijn gekeken, zoals verweerder stelt, blijkt niet uit het formulier en kan niet objectief worden gecontroleerd. De inhoud van het fycoformulier (in het bijzonder de toevoeging “digitale vergrootglas” die, zoals niet is weersproken, niet van eiseres afkomstig is) suggereert dat de verificateur een zelfstandig oordeel heeft gevormd van de aard en de indeling van de goederen. De fysieke controle heeft bij eiseres dus de indruk kunnen wekken dat de douaneautoriteiten de goederencode hebben beoordeeld en de aangegeven code hebben geaccepteerd.

5.8.

Eiseres had de onder 5.7 bedoelde vergissing redelijkerwijs niet kunnen ontdekken. De indeling van de producten is niet zo eenvoudig dat kan worden gezegd dat eiseres evident een onjuist standpunt heeft ingenomen. Dit blijkt ook uit de verschillende standpunten die verweerder in de verschillende fasen van het geding heeft ingenomen. Zo heeft verweerder besloten een tweede utb aan eiseres op te leggen omdat het standpunt dat bij het opleggen van de utb was ingenomen, bij nader inzien niet juist was. Voorts acht de rechtbank de onderbouwing die ter zitting namens eiseres is gegeven van haar eigen standpunt, consistent en overtuigd. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat eiseres, zoals namens haar ter zitting is aangevoerd, geen belang had bij een onjuiste indeling van de goederen. Als enige importeur kon zij de verschuldigde douanerechten volledig doorberekenen in de verkoopprijzen, iets wat niet meer kan voor de in geding zijnde zendingen. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres te goeder trouw is geweest. Het beroep van eiseres op artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW slaagt.

5.9.

Boeking van de douanerechten had op grond van artikel 220, tweede lid, sub b, van het CDW achterwege moeten blijven voor zover het betreft de aangiften die zijn aanvaard na de fysieke controle. Dit betekent dat boeking achteraf terecht heeft plaatsgevonden voor de aangiften die zijn aanvaard tot en met 15 augustus 2008. De utb dient te worden verminderd tot € 5.826,40 aan douanerechten en € 554,16 aan omzetbelasting.”

5 Beoordeling van het geschil

De tariefindeling

5.1.

Belanghebbende heeft het onderwerpelijke apparaat als eenheid voor automatische gegevensverwerkende machines aangegeven onder post 8471 (vrij). In zijn controlerapport heeft de inspecteur geconcludeerd dat sprake is van een ‘optische microscoop’ van post 9011 (6,7%). Na het uitbrengen van het controlerapport heeft de inspecteur, na overleg met belanghebbende, zijn standpunt gewijzigd en het apparaat aangemerkt als ‘microscoop, andere dan optische’ van post 9012 (3,7%), welke indeling de basis vormt voor de berekening van de bestreden UTB. In zijn conclusie van dupliek bij de rechtbank heeft de inspecteur zijn standpunt wederom gewijzigd en bepleit dat indeling dient te geschieden als ‘televisiecamera’ in de zin van post 8525 (4,9%), welke indeling door de rechtbank is gevolgd.

5.2.

Ter zitting heeft belanghebbende gepreciseerd dat zij bepleit dat de aangegeven tariefpost 8471 juist is en dat de UTB reeds daarom dient te worden vernietigd. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

5.3.

Het apparaat is voorzien van een USB-aansluiting waarmee het dient te worden aangesloten op een automatische gegevensverwerkende machine (hierna ook: computer). Gebruik zonder computer is niet mogelijk. Het door het apparaat geregistreerde beeld wordt via de USB-aansluiting ingevoerd in de computer, waar de beelden kunnen worden opgeslagen, bewerkt en weergegeven op het beeldscherm. Gelet op deze objectieve kenmerken en eigenschappen is het apparaat in beginsel vatbaar voor indeling onder post 8471 als invoereenheid voor computers.

Omdat andere tariefposten ook in aanmerking komen staat hiermee nog niet vast dat het apparaat onder deze post dient te worden ingedeeld en dat de bestreden UTB tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

5.4.

Het apparaat, aangeduid als ‘digital microscope’, is door middel van een optische lens in staat een vergroting van 10x tot 200x te bewerkstelligen. Het apparaat is daarom in beginsel tevens vatbaar voor indeling onder post 9011 (optische microscopen).

5.5.

Daar de gewenste vergroting wordt verkregen door middel van een optische lens, is indeling onder post 9012 (microscopen, andere dan optische) uitgesloten.

5.6.

De aanwezigheid van een optische lens met een vergrotingsfactor van 10x tot 200x, staat naar ’s Hofs oordeel ook in de weg aan indeling als ‘televisiecamera’ onder post 8525.

5.7.

Ingevolge aantekening 5E op Hoofdstuk 84 wordt een apparaat, dat in samenhang met een automatisch gegevensverwerkende machine wordt gebruikt en een eigen functie vervult, andere dan automatische gegevensverwerking, ingedeeld onder de post die overeenkomstig die functie in aanmerking komt.

5.8.

De functie van het onderwerpelijke apparaat is het optisch – door middel van een lens – 10x tot 200x vergroot weergeven van voorwerpen, via een computer, op een beeldscherm of via een projector (beamer). Gelet op deze eigen functie dient het apparaat naar ’s Hofs oordeel met toepassing van indelingsregels 1 en 6, in het bijzonder aantekening 5E op Hoofdstuk 84, als ‘optische microscoop’ te worden ingedeeld onder post 9011, GN-onderverdeling 9011 8000 (andere microscopen).

5.9.

Het Hof concludeert dat de producten niet onder post 8471 kunnen worden ingedeeld.

Alsdan is niet in geschil dat de UTB – voor zover het de indeling betreft – niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Afzien van navordering

5.10.

Het Hof stelt voorop dat de inspecteur op grond van artikel 220, tweede lid, aanhef en letter b, CDW gehouden is af te zien van navordering, indien drie cumulatieve voorwaarden zijn vervuld: (1) sprake moet zijn van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf, (2) die de belastingschuldige, die te goeder trouw is, redelijkerwijze niet kon ontdekken en (3) de belastingschuldige heeft voldaan aan alle voorschriften inzake de douaneaangifte. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de derde voorwaarde is voldaan. Het Hof zal partijen hierin volgen. Partijen houdt verdeeld of de eerste en de tweede voorwaarde zijn vervuld. Het Hof overweegt ter zake als volgt.

5.11.

Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat sprake is van een vergissing naar aanleiding van de fysieke controle van de aangifte nummer [aangiftenummer]. Uit de bevindingen vermeld op het fycoformulier volgt dat de goederen daadwerkelijk zijn opgenomen. De vakken 31 (omschrijving van de goederen) en 33 (goederencode) van de aangifte zijn gecontroleerd en daarbij is als bevinding genoteerd dat het een digitale microscoop voor de computer betreft. Het na deze fysieke controle volgen van de aangeven tariefpost 8471, moet worden aangemerkt als een vergissing. De stelling van de inspecteur dat de controle in een te korte tijd is geschied om een deugdelijke controle van de aangegeven tariefpost uit te voeren, maakt dit – wat er verder ook zij van deze stelling – niet anders aangezien reeds op grond van de verpakking vastgesteld kon worden (en ook vastgesteld is) dat sprake was van een digitale microscoop.

5.12.

Bij de beoordeling of belanghebbende de vergissing van de inspecteur redelijkerwijze kon ontdekken dienen volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden van het geval concreet te worden beoordeeld, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met de precieze aard van de vergissing, de beroepservaring van de ondernemer, en de mate van de door hem betrachte zorgvuldigheid.

5.13.

De beroepservaring van de door belanghebbende ingeschakelde douane-expediteur [Z]BV, die voor alle in de navordering betrokken aangiften als direct vertegenwoordiger is opgetreden, dient aan belanghebbende te worden toegerekend (vgl. HvJ 20 november 2008, Heuschen & Schrouff Oriëntal Foods, C-38/07 P, punt 54). Genoemde douane-expediteur is weliswaar beroepsmatig werkzaam op het gebied van de in- en uitvoer, doch gesteld noch gebleken is dat zij in het verleden wel aangiften voor onderwerpelijke digitale microscopen heeft gedaan onder de juiste tariefpost, noch dat zij anderszins over ervaring zou beschikken met het aangeven of indelen van digitale microscopen.

5.14.

Daar komt bij dat de tariefindeling naar ’s Hofs oordeel als complex dient te worden gekwalificeerd, hetgeen mede blijkt uit het feit dat de inspecteur zelf tot driemaal toe van standpunt is gewijzigd ten aanzien van de indeling en de omstandigheid dat de rechtbank na rijp beraad en kennisneming van het gehele dossier tot een andere indeling is gekomen dan het Hof.

5.15.

Gelet op vorenvermelde feiten en omstandigheden, in hun onderling verband bezien, is het Hof van oordeel dat belanghebbende geen twijfels behoefde te hebben over de juistheid van de resultaten van de fysieke controle van aangifte nummer [aangiftenummer].

5.16.

Het Hof volgt de inspecteur niet in diens stelling dat belanghebbende niet te goeder trouw was. Een dergelijke conclusie is op grond van de stukken niet gerechtvaardigd.

5.17.

Op grond van het vorenoverwogene dient de navordering ten aanzien van de voormelde fysiek gecontroleerde aangifte achterwege te blijven.

5.18.

Het Hof volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat een vergissing bij de afhandeling van één aangifte doorwerkt naar alle daarop volgende aangiften. De jurisprudentie van de Hoge Raad en het Hof van Justitie van de Europese Unie biedt geen aanknopingspunten voor deze conclusie. Slechts in zeer specifieke gevallen kan een vergissing doorwerken naar de daarop volgende aangiften (vgl. HvJ EU 19 oktober 2000, nr. C-15/99, Hans Sommer GmbH & Co. KG en HR 25 september 2009, nr. 07/10290, ECLI:NL:HR:2009:BD4373) en daarvan is naar het oordeel van het Hof in casu geen sprake.

Slotsom

5.19.

De slotsom is dat het incidenteel hoger beroep ongegrond en het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd en de UTB te worden verminderd met € 475,01.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens voor zover deze de proceskostenvergoeding en het griffierecht betreft;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de uitnodiging tot betaling met € 475,01 tot € 13.569,06 aan douanerechten en € 554,16 aan omzetbelasting;

De uitspraak is gedaan door mrs. E.M. Vrouwenvelder, voorzitter, B.A. van Brummelen en D.B. Bijl, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch als griffier. De beslissing is op 28 november 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.