Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4420

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
28-11-2013
Datum publicatie
11-12-2013
Zaaknummer
12/00578
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er is geen sprake van een overdracht in de zin van artikel 31 van de Wet op de omzetbelasting 1968.

Belanghebbende heeft geen recht op aftrek van voorbelasting omdat zij wist dat de leverancier de omzetbelasting niet op aangifte heeft voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2799
V-N 2014/16.24 met annotatie van Redactie
FutD 2013-3049
NTFR 2014/826 met annotatie van prof.dr. R.A. Wolf
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 12/00578

28 november 2013

uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[A] B.V. te [P 2], belanghebbende,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 11/1079 van de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord, kantoor [stad],

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 24 maart 2010 aan belanghebbende over het tijdvak

1 januari 2005 tot en met 31 december 2007 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd tot een bedrag van € 50.612, alsmede bij beschikking een boete van € 4.537. Voorts is aan belanghebbende heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 7.489.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraak, gedagtekend 28 januari

2011, de naheffingsaanslag verminderd tot € 18.272 aan omzetbelasting, de boete tot € 1.580 en de heffingsrente tot € 2.229.

1.3.

Bij uitspraak van 5 juli 2012 heeft de rechtbank het door belanghebbende ingestelde

beroep ongegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd voor wat betreft de beslissing met betrekking tot de verzuimboete en de verzuimboete verminderd tot een bedrag van € 1.422.

1.4.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 16

augustus 2012, aangevuld bij brief van 12 september 2012. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft bij brief van 25 oktober 2013 nadere stukken ingediend. De griffier heeft deze stukken in afschrift verzonden aan de inspecteur.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2013. Van het

verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.1.

De rechtbank heeft in de onderdelen 2.1. tot en met 2.7. van haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’.

“2.1. Eiseres exploiteert onder de handelsnaam [P 1] een bedrijf in de in- en

verkoop van gebruikte auto’s. Enig- aandeelhouder en bestuurder van eiseres is de heer [voorletters]. Met ingang van 9 december 2005 is de heer [D] medebestuurder

van eiseres.

2.2.

[E1] B.V. (hierna: [E] BV) exploiteerde eveneens een

Autobedrijf (Hof: te [plaatsnaam]). De aandelen in deze vennootschap zijn in het onderhavige tijdvak in handen van haar directeur, de heer[voorletters].

2.3.

Op 20 juli 2005 heeft eiseres van [E] BV een groot aantal auto’s overgenomen, welke

auto’s vervolgens tot de voorraad van eiseres zijn gerekend. Op de daarvan opgemaakte

facturen is per auto een prijs vermeld. Onderaan de beide facturen worden de volgende

totaalbedragen vermeld:

“Totaal € 144.500,00

Inclusief€ 18.110,00 BTW”

en

“Totaal Marge €64.000,00”.

2.4.

Op 24 december 2005 heeft eiseres nog drie auto’s overgenomen van [E] BV, welke

vervolgens ook tot de voorraad van eiseres zijn gerekend. 0p de daarvan opgemaakte

facturen is per auto een prijs vermeld. Onderaan de beide facturen worden de volgende

totaalbedragen vermeld:

“Totaal € 12.000,00

Inclusief € 1.225,00 BTW”

en

“Totaal Marge € 12.250,00”.

2.5.

Eiseres krijgt jaarlijks een aangifte uitgereikt. Zij heeft over de jaren 2005 en 2007

zogenoemde nihilaangiften ingediend. Over het jaar 2006 heeft eiseres verzocht om

teruggaaf ten bedrage van € 1.925. In haar administratie heeft eiseres een per 31 december

2005 te vorderen bedrag aan omzetbelasting opgenomen van € 25.919. Daarin is begrepen

een bedrag van € 19.335, bestaande uit de in 2.3 en 2.4 genoemde bedragen aan

omzetbelasting. De te vorderen bedragen omzetbelasting over de jaren 2006 en 2007 heeft

eiseres berekend op respectievelijk € 1.925 en € 6.421.

2.6.

Naar aanleiding van een bij eiseres gehouden boekenonderzoek heeft verweerder de in

geschil zijnde naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij zijn onder meer correcties in aanmerking

genomen ter zake van het privégebruik van auto’s en de toepassing van de zogenoemde

margeregeling. Daarnaast heeft verweerder een verzuimboete van 10 procent opgelegd op de

voet van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in verbinding met

paragraaf 24 van Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998.

2.7.

Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de naheffingsaanslag verminderd tot een

bedrag van € 18.272. De aanslag is als volgt samengesteld: over 2005 een teruggaaf van

€ 3.039, over 2006 een naheffing van € 15.808 en over 2007 een naheffing van € 5.503.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of belanghebbende recht heeft op aftrek van een bedrag van € 19.335 aan omzetbelasting vermeld op de onder 2.3 en 2.4 vermelde facturen van 20 juli 2005 en 24 december 2005.

3.2.

Belanghebbende stelt recht te hebben op de vooraftrek van de omzetbelasting. De inspecteur weerspreekt dit en stelt zich op het standpunt dat ter zake van de overdracht van de auto’s waarop de facturen betrekking hebben, het bepaalde in artikel 31 (thans artikel 37d) van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet) van toepassing is. Alsdan is aan belanghebbende ten onrechte omzetbelasting in rekening gebracht en is aftrek van die belasting uitgesloten. Voor het geval evenvermelde wetsbepaling hier toepassing mist stelt de inspecteur dat aftrek van de op de facturen vermelde omzetbelasting niet is toegestaan vanwege het feit dat belanghebbende wist dat die belasting door de leverancier niet op aangifte zou worden voldaan. In dat geval dient wel het bedrag aan marge-inkopen te worden verhoogd, hetgeen leidt tot een vermindering van de naheffingsaanslag met € 12.233 tot

€ 6.039.

3.3.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat de op de facturen vermelde auto’s tegen de daarin vermelde vergoedingen zijn geleverd aan belanghebbende en dat de op de facturen vermelde bedragen aan omzetbelasting juist zijn.

3.4.

Voor de standpunten van partijen wordt verder verwezen naar de gedingstukken, waaronder het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

4 De overwegingen van de rechtbank

De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil het volgende overwogen.

“4.1. In artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968

(Wet OB) is bepaald dat een ondernemer de belasting in aftrek brengt die in het tijdvak van

aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte

leveringen en diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze

opgemaakte factuur. In artikel 35a van de Wet OB is opgenomen welke gegevens op de

factuur moeten worden vermeld. Verweerder heeft gesteld dat eiseres met betrekking tot de

door haar geclaimde voorbelasting niet beschikt over de op de voorgeschreven wijze

opgemaakte facturen.

4.2.

Het ligt op de weg van eiseres om aannemelijk te maken dat zij recht heeft op aftrek van

de aan haar berekende voorbelasting. De rechtbank is van oordeel dat zij daarin niet is

geslaagd en wijst daarbij in de eerste plaats op de omstandigheid dat op de factuur van 20 juli

2005 vijf auto’s zijn vermeld die blijkens het tenaamstellingsregister van de Rijksdienst voor

het Wegverkeer (zie bijlage 20 bij het verweerschrift) door [E] BV alle na 20 juli 2005 aan

derden zijn verkocht. Hieruit leidt de rechtbank af dat de desbetreffende auto’s niet door

[E] BV aan eiseres zijn geleverd zodat eiseres in zoverre geen recht op vooraftrek toekomt.

4.3.

Ook de omzetbelasting berekend op de factuur van 24 december 2005 komt niet bij

eiseres voor aftrek in aanmerking omdat die op geen enkele wijze correspondeert met de

vergoeding voor de levering. Deze constatering heeft evenzeer te gelden voor de factuur van

20 juli 2005. De facturen voldoen door dit gebrek, dat niet kan worden aangemerkt als een

onbeduidend formeel gebrek, niet aan de in artikel 35a van de Wet OB benoemde eisen. Nu

de facturen wezenlijke gebreken vertonen, komt de daarop berekende omzetbelasting niet

voor aftrek in aanmerking.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat eiseres in het ongelijk dient te worden gesteld. Overigens

merkt de rechtbank op dat de stelling van verweerder dat eiseres geen aftrek toekomt omdat

de desbetreffende facturen zijn opgemaakt in 2005, zodat het verzoek om teruggaaf niet

tijdig (want niet in de aangifte over het desbetreffende tijdvak) is ingediend, blijk geeft van

een onjuiste rechtsopvatting. Als gevolg van het opleggen van de naheffingsaanslag,

waardoor deze zaak zich onderscheidt van de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de

Hoge Raad van 8 oktober 2010, nr. 07/13629, UN: BF0399, gepubliceerd in BNB 2011/32,

ligt het onderhavige tijdvak weer open zodat - tot het bedrag van de naheffingsaanslag -

alsnog verzoeken om teruggaaf van omzetbelasting in aanmerking kunnen worden genomen.

4.5.

Met betrekking tot de verzuimboete oordeelt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel

67c van de AWR kan de inspecteur een verzuimboete opleggen indien de belastingplichtige

de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet binnen de daarvoor gestelde termijn

heeft betaald. De verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale

verplichtingen in te scherpen. Voor het opleggen van een dergelijke boete is niet vereist dat

er sprake is van opzet of grove schuld. Alleen bij afwezigheid van alle schuld (avas) of als

sprake is van een pleitbaar standpunt, dient oplegging van een boete achterwege te blijven

(zie par. 4 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst). Eiseres heeft met betrekking

tot de verzuimboete geen pleitbaar standpunt ingenomen noch avas aangevoerd. Naar het

oordeel van de rechtbank is de boete gelet op het verzuim en de feiten en omstandigheden

passend en geboden.

4.6.

Niettemin ziet de rechtbank ambtshalve aanleiding de boete te matigen wegens

overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De rechtbank

leidt uit de gedingstukken af dat de boete is aangekondigd in het rapport naar aanleiding van

het bij eiseres gehouden boekenonderzoek. Het rapport is gedateerd 23 oktober 2009, zodat

de rechtbank uit gaat van aanvang van de redelijke termijn op die dag. Sinds de aanvang zijn,

gerekend tot de datum van deze uitspraak, ruim twee jaar en acht maanden verstreken. De

rechtbank is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee

jaar rechtvaardigen, hetgeen betekent dat de redelijke termijn met ruim acht maanden is

overschreden. De boete dient derhalve te worden verminderd met tien procent tot een bedrag

van € 1.422.

4.7.

Eiseres heeft met betrekking tot de beschikking heffingsrente geen beroepsgronden

aangevoerd. Omdat de beroepsgronden tegen de naheffingsaanslag geen doel treffen, zal de

beschikking heffingsrente delen in het lot van de naheffingsaanslag.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

De inspecteur stelt dat de in geding zijnde auto’s aan belanghebbende zijn geleverd met toepassing van artikel 31 van de Wet, zoals die bepaling destijds luidde. De inspecteur voert daartoe aan dat de overdacht van de auto’s door [E1] B.V. (hierna ook: [E]) is gepaard gegaan met de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van [E] en in feite de verplaatsing daarvan naar [stad] betrof, dat de directeur is overgegaan naar belanghebbende, dat de aan belanghebbende en [E] gerelateerde personen zijn meeverhuisd naar [stad], dat behalve de auto’s ook een schuld van [E] is overgedragen aan belanghebbende en dat belanghebbende nog enige tijd gebruik gemaakt heeft van de RDW-erkenning van [E]. Belanghebbende heeft daartegenover gesteld dat van een beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van [E] geen sprake was, dat het [E] destijds feitelijk onmogelijk is gemaakt de autohandel op normale wijze uit te oefenen vanwege het optreden van personen die [voorletters] bedreigden en afpersten, dat de overdracht van de auto’s betrekking heeft op auto’s die waren ontvreemd en later aan [E] zijn teruggegeven, dat [voorletters] zowel directeur/grootaandeelhouder van [E] als belanghebbende was en er dus geen sprake kan zijn van overdracht van personeel, dat de overdracht van de schuld te maken had met de door de crediteur gewenste zekerheid en die schuld uiteindelijk door [voorletters] uit privémiddelen is betaald en dat het tijdelijke gebruik van de RDW-erkenning van [E] plaatsvond vanwege het feit dat belanghebbende een zodanige erkenning nog niet had.

5.2.

Gesteld noch gebleken is dat tussen [E] en belanghebbende een schriftelijke overeenkomst is gesloten, welke onder meer tot voorwerp heeft de overdracht van de in geding zijnde auto’s. Tot de gedingstukken behoren twee facturen waaruit afgeleid kan worden dat die auto’s in twee tranches, met een tussenpoos van bijna een half jaar, aan belanghebbende zijn geleverd. Naar het oordeel van het Hof vormen deze twee verzamelingen auto’s als zodanig geen algemeenheid van goederen als bedoeld in artikel 31 van de Wet.

5.3.

De inspecteur stelt dat de overdracht van de auto’s samenviel met de beëindiging door [E] van de bedrijfsactiviteiten. Belanghebbende heeft dit ontkend en daartoe stukken overgelegd. Het Hof acht aannemelijk dat [E] niet onmiddellijk na de eerste overdracht van auto’s al haar bedrijfsactiviteiten heeft gestaakt. In dit verband acht het Hof ook van belang dat gesteld noch gebleken is dat materiële activa met betrekking tot het kantoor en de werkplaats zijn overgedragen en evenmin dat de [E] heeft voorzien in de voor de uitoefening van het bedrijf bedoelde ruimte. De inspecteur heeft gesteld dat ook goodwill is overgedragen. Dat acht het Hof tegenover de betwisting door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt. Uit de stukken van het geding blijkt dienaangaande niets en een waarde van een klantenkring in [plaatsnaam] en omstreken bij overdracht van auto’s aan een bedrijf in [stad] acht het Hof niet aannemelijk.

5.4.

De inspecteur heeft gesteld dat [E] personeel in de vorm van de directeur heeft overgedragen aan belanghebbende. Nu vaststaat dat [voorletters] zowel directeur en grootaandeelhouder is van [E] als van belanghebbende, acht het Hof dit geen relevante factor bij de beoordeling of sprake is van de overdracht van een algemeenheid van goederen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [voorletters] en zijn relaties zijn verhuisd naar [stad].

5.5.

Belanghebbende heeft van [E] een schuldverplichting tot een bedrag van € 175.000 overgenomen. Uit de stukken van het geding en hetgeen partijen dienaangaande hebben aangevoerd valt naar het oordeel van het Hof niet af te leiden dat en in hoeverre die schuldverplichting samenhangt met de overdracht van de auto’s. Dit te minder nu belanghebbende ter zitting onweersproken heeft verklaard dat de schuld door [voorletters] is overgeheveld omdat [E] niet voldoende verhaal meer bood en die schuld uiteindelijk door [voorletters] uit privémiddelen is betaald.

5.6.

Na de overdracht van de auto’s zijn vijf auto’s op naam van [E] geleverd aan derden. Tussen partijen is niet meer in geschil dat dit in feite leveringen door belanghebbende betrof waarbij gebruik gemaakt werd van de RDW-erkenning van [E], in afwachting van die erkenning van belanghebbende.

5.6.

Naar het oordeel van het Hof leiden de onder 5.3. tot en met 5.5. vermelde feiten en omstandigheden, ook in onderling verband bezien, er niet toe dat de overdrachten van de in geding zijnde auto’s gezien moeten worden als onderdelen van de overdracht van een algemeenheid van goederen in de zin van artikel 31 van de Wet. Daarvoor bestaat te weinig samenhang tussen de overdracht van de auto’s en de overige door de inspecteur aangevoerde feiten en omstandigheden. Dit betekent dat de op de facturen vermelde bedragen aan omzetbelasting in beginsel door belanghebbende in aftrek kunnen worden gebracht.

5.7.

De inspecteur heeft gesteld dat aftrek van evenvermelde omzetbelasting niet toegestaan is omdat belanghebbende wist dat [E] die omzetbelasting niet zou aangeven en voldoen en aftrek van die belasting door belanghebbende mitsdien zou leiden tot misbruik van het recht op aftrek van voorbelasting.

5.8.

Belanghebbende heeft bij monde van haar directeur [voorletters], die ook directeur is van [E], ter zitting bevestigd dat de in geding zijnde omzetbelasting door [E] niet is aangegeven en voldaan. Het Hof acht de stelling van inspecteur dat belanghebbende wist dat [E] de omzetbelasting niet zou voldoen dan ook gegrond.

5.9.

Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de nationale rechter de aftrek van voorbelasting weigert indien aan de hand van objectieve elementen wordt vastgesteld dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij door zijn aankoop deelnam aan een transactie die onderdeel is van BTW-fraude of -misbruik. Naar het oordeel van het Hof doet, gelet op het vorenoverwogene, zich hier een dergelijke situatie voor. Degene die verantwoordelijk was voor de facturering en de omzetbelastingaangifte door [E] heeft welbewust de desbetreffende omzetbelasting niet aangegeven en voldaan, terwijl hij als verantwoordelijke voor de omzetbelastingaangifte van belanghebbende diezelfde belasting wel in aftrek wenst te brengen. De stelling van de inspecteur dat in dit geval de aftrek van voorbelasting is uitgesloten is derhalve juist. Daaraan doet niet af de omstandigheid dat [voorletters] als directeur van [E] ter zitting de bereidheid heeft geuit de door [E] verschuldigd geworden omzetbelasting te compenseren met een door [E] geclaimde teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak 2003, dit te minder nu de inspecteur onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft verklaard dat van een dergelijke teruggaaf geen sprake kan zijn.

5.10.

Uitgaande van het vorenoverwogene is tussen partijen niet in geschil dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd in verband met de toepassing van de zogenoemde margeregeling in de jaren 2005 en 2006 en dat die vermindering € 2.945 plus

€ 9.288, in totaal € 12.233 bedraagt. De naheffingsaanslag dient op grond daarvan te worden vastgesteld op € 6.039.

5.11.

Aan belanghebbende is een verzuimboete opgelegd als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Belanghebbende heeft gesteld dat de boete ten onrechte is opgelegd omdat zij de aangifte en betalingen correct heeft gedaan en ook een pleitbaar standpunt heeft ingenomen. Het Hof stelt voorop dat de boete blijkens de uitspraak op het bezwaarschrift uitsluitend betrekking heeft op het tijdvak 2006 en derhalve niet op hetgeen in hoger beroep onderwerp van geschil is te weten het tijdvak 2005.

5.12.

De inspecteur heeft de boete vastgesteld op 10% van de te laat betaalde bedrag van € 15.808, ofwel € 1.580. Op grond van het onder 5.10. overwogene is de grondslag van de boete € 9.288 lager, ofwel € 6.520. De boete zou dan € 652 bedragen.

5.13.

Blijkens het verslag van het namens de inspecteur ingestelde boekenonderzoek bij belanghebbende is het voor het tijdvak 2006 omzetbelasting nageheven ter zake van de onjuiste toepassing van de zogenoemde margeregeling en het gebruik van de bedrijfsauto voor privédoeleinden. Met betrekking tot de margeregeling leidt het Hof uit het verslag af dat op basis van de door de adviseur van belanghebbende gemaakte berekening volgt dat een bedrag aan omzetbelasting van € 9.262 minus € 3.282, ofwel € 5.980 (de inspecteur berekent dit bedrag abusievelijk op € 5.920) te weinig is betaald. Dit is door belanghebbende op zichzelf niet althans niet voldoende gemotiveerd betwist. De correctie met betrekking tot het privégebruik van de auto ten bedrage van € 600 is door belanghebbende niet betwist.

5.14.

Gelet op het onder 5.13. overwogene kan naar het oordeel van het Hof niet gezegd worden dat met betrekking tot de aldaar vermelde bedragen aan te weinig betaalde omzetbelasting elke schuld van de zijde van belanghebbende ontbroken heeft dan wel zij ter zake een pleitbaar standpunt heeft ingenomen. Nu het totaal van die bedragen € 6.580 (in de berekening van de inspecteur € 6.520) beloopt acht het Hof een verzuimboete van € 652 passend. Met inachtneming van de door de rechtbank toegepaste matiging van de boete met 10% zal het Hof de boete vaststellen op € 586.

Slotsom

5.15.

Gelet op al het vorenoverwogene dient de naheffingsaanslag te worden vastgesteld op € 6.039 en de boete op € 586. Het hoger beroep is derhalve gegrond.

6 Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 2,5 [beroepschrift, conclusie van repliek en zitting] x € 472 x 1,5 (wegingsfactor) = € 1.770 voor de procedure in eerste aanleg en 2 (hoger beroepschrift en zitting) x € 472 x 1,5 (wegingsfactor) = € 1.416 voor de procedure in hoger beroep, in totaal

€ 3.186.

7 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

- vermindert de naheffingsaanslag tot € 6.039;

- vermindert de boete tot € 586;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende tot een bedrag van € 3.186 en

- gelast de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht ad € 302 (beroep bij de rechtbank) en € 466 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 768 te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mrs. D.B. Bijl, voorzitter, E.M. Vrouwenvelder en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.M. Bosch als griffier. De beslissing is op 28 november 2013 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.