Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4328

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
15-09-2014
Zaaknummer
200.135.177-01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag of uit aardbeienteelt door zoon geen inkomsten worden gegenereerd die aan de boedel dienen toe te komen. En geldstromen in voor ex werkneemster opgerichte CV? Alsnog afdoende informatie verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrest

________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.135.177

insolventienummer rechtbank Noord-Holland : C/14/12/157 R en C/14/12/158 R

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 december 2013

in de zaken van:

[appellante sub 1]

en

[appellant sub 2],

beiden wonend te [woonplaats], gemeente [M.],

advocaat: mr. J.J. Dijkman te Purmerend.

1 Het geding in hoger beroep

Verzoekers worden hierna gezamenlijk [appellanten] genoemd en afzonderlijk [appellant sub 2] en [appellante sub 1].

[appellanten] zijn bij op 9 oktober 2013 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 2 oktober 2013.

Bij aanvullend verzoekschrift van 21 november 2013 hebben zij hun bezwaren nader aangevuld.

Het hoger beroep is behandeld op de zitting van het hof van 26 november 2013. Bij die behandeling zijn [appellanten] verschenen, bijgestaan door mr. J.J. Dijkman die het verzoekschrift heeft toegelicht, aan de hand van een pleitnotitie die aan het hof is overgelegd. Voorts is de bewindvoerder, mr. [B.], verschenen, die het woord heeft gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde zittingsaantekeningen. Tevens waren aanwezig[P.]en [N.J.], zoons van [appellanten]

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift, van het aanvullend verzoekschrift en van de door [appellanten] op voorhand toegezonden stukken. Voorts heeft het hof kennis genomen van het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, alsmede van het verslag van de bewindvoerder. [appellanten] hebben verklaard eveneens kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.

2 Beoordeling

2.1.

[appellanten] zijn op 14 december 2010 op eigen aangifte failliet verklaard. Bij vonnis van 19 april 2012 is het faillissement opgeheven en is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. In het kader van de omzetting is aan de orde gekomen dat de toen nog minderjarige zoon [P.] van [appellanten] zich bezig hield met het kweken van aardbeien. Door [appellanten] is toen medegedeeld dat deze activiteiten hobbymatig werden uitgevoerd en dat de geringe inkomsten toekwamen aan hun zoon. Bij brief van 23 januari 2013 heeft de bewindvoerder de rechter-commissaris bericht dat 6.000 m2 land voor de aardbeienteelt werd gehuurd en 11.600 aardbeienplantjes voor een bedrag van € 2.320,- zijn aangekocht. Op 21 juni 2013 is een voortgangsgesprek gehouden waarbij dit aan [appellanten] is voorgehouden. [appellant sub 2] heeft toen verklaard dat de omzet € 15.000,- is geweest, zodat er niets aan is verdiend. De rechter-commissaris heeft besloten dat [appellanten] direct aan de bewindvoerder inzichtelijk dienden te maken wat er in de aardbeienteelt aan geldstromen omgaat. De rechter-commissaris heeft te kennen gegeven dat het voor [appellanten] nu diende te beginnen met volledige openheid van zaken. Afgesproken is toen dat de informatie binnen veertien dagen zou worden overgelegd. De bewindvoerder heeft nadien een aantal stukken ontvangen, maar deze onvoldoende bevonden om inzicht te verkrijgen in de geldstroom. De rechter-commissaris heeft de schuldsaneringsregeling van [appellanten] vervolgens voorgedragen voor tussentijdse beëindiging.

2.2.

Het proces-verbaal van de zitting van 25 september 2013 in eerste aanleg vermeldt dat kort voor de zitting een pakket stukken is overgelegd en dat discussie is geweest over de activiteiten van [P.] en de betrokkenheid van [appellant sub 2] bij New Future C.V. (hierna: de CV). [appellant sub 2] heeft toen verklaard dat hij als directeur van Nardow Ltd de CV heeft opgericht zodat mw. [F.], voormalig werkneemster, haar activiteiten (tewerkstelling van mensen uit Polen) kon voortzetten en dat inmiddels (vanaf 2012) ook de aardbeienteeltactiviteiten van [P.] die toen op grotere schaal plaatsvonden, via de CV gingen. De advocaat van [appellanten] heeft ter zitting aangevoerd dat de bewindvoerder aanvankelijk had laten weten geen zeggenschap te hebben over het inkomen van de kinderen, dat de activiteiten van [P.] al ten tijde van de omzetting bekend waren en dat ook het bestaan van Nardow Ltd en de CV al in 2011 en 2012 met de bewindvoerder was besproken. De advocaat heeft zich namens [appellanten] op het standpunt gesteld dat het geen informatie betreft die [appellant sub 2] aangaat maar gegevens van [P.] betreft en dat desondanks alle bankafschriften zijn overgelegd. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis overwogen dat vaststaat dat zowel de bewindvoerder als de rechter-commissaris [appellanten] meermalen om concrete informatie over de aardbeienteelt heeft verzocht en dat de verzochte informatie niet is verstrekt. Evenmin heeft [appellant sub 2] inzichtelijk gemaakt of hij enig belang heeft bij de opbrengsten die in de CV stromen. Het niet verschaffen van inlichtingen, hoewel daartoe ruimschoots in de gelegenheid gesteld, vormt een duidelijke aanwijzing dat bij [appellanten] de van hen te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsanering ontbreekt, aldus de rechtbank. Dit leidde derhalve tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling.

2.3.

[appellanten] hebben in het verzoekschrift verzocht om het vonnis waarin de op hen toepasselijke schuldsaneringsregeling tussentijds werd beëindigd zonder schone lei, te vernietigen en het verzoek van de rechter-commissaris tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling alsnog af te wijzen. Daartoe hebben [appellanten] – samengevat en voor zover voor de beslissing van belang – het volgende aangevoerd. Zij hebben de bewindvoerder – al voor de omzetting in de schuldsaneringsregeling – geïnformeerd over de activiteiten van hun zoon. Dit geldt ook ten aanzien de CV en Nardow Ltd. Deze feiten en omstandigheden waren derhalve reeds bij de toelating bekend. Voorts geldt dat de informatieplicht van sanieten niet zo ver rijkt dat informatie van derden aan de bewindvoerder/rechter-commissaris moet worden overgelegd. Uit de verzoeken van de bewindvoerder en de rechter-commissaris konden [appellanten] niet begrijpen dat volledige inzage in de administratie en activiteiten van [P.] noodzakelijk was voor een doeltreffende uitvoering van hun schuldsaneringsregeling. Waar het ging om de kostgeldregeling, geldt dat deze ten aanzien van inwonende minderjarige kinderen niet geldt en dat voor meerderjarige kinderen tot 21 jaar geldt dat alleen kostgeld mag worden gevraagd als de inkomsten van invloed zijn op toeslagen of een uitkering, wat niet aan de orde is. Een eventueel tekortschieten in de informatieverplichting vormt bovendien geen aanwijzing voor gebrek aan medewerking. Slechts op basis van vermoedens dat [appellant sub 2] achter de activiteiten van [P.] zit wenst de bewindvoerder volledige inzage. De vermoedens zijn ongegrond, maar [appellanten] voldoen zo goed mogelijk aan de, steeds nieuwe, verzoeken, ook al meent [P.] niet verplicht te zijn tot het verstrekken van informatie. Ook laatstelijk hebben [appellanten] zo veel mogelijk stukken opgevraagd en doorgestuurd. Zij zijn uiterst gemotiveerd en bereid hun verplichtingen na te komen en een vroegtijdige beëindiging zou evident disproportioneel zijn.

2.4.

Het hof stelt bij zijn beoordeling voorop dat - zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 350, derde lid, Fw - vergaande verplichtingen rusten op de schuldenaar op wie de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is. Deze verplichtingen vinden hun grond in de doelstelling van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Die komt erop neer, dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële situatie terecht zijn gekomen, de kans moeten krijgen weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking wordt verwacht aan de doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

2.5.

Dat de activiteiten van hun van hun (destijds) minderjarige zoon [P.] op enig moment vragen zijn gaan oproepen bij de bewindvoerder, ligt voor de hand. Het gaat om activiteiten die niet direct gebruikelijk zijn voor een kind van die leeftijd, die bovendien op hetzelfde vlak liggen als de activiteiten van [appellanten] in het verleden (het kweken of telen van gewassen) en die zich in de richting van meer bedrijfsmatige activiteiten leken te bewegen. Nog los van de kwestie van een al dan niet te betalen bijdrage, ligt het zeer voor de hand dat de bewindvoerder zich ervan wil vergewissen dat geen inkomsten worden gegenereerd die aan de boedel dienen toe te komen. Waar het gaat om informatieverstrekking daarover konden [appellanten] zich niet verschuilen achter onwil van hun zoon. Het ging om een minderjarig kind waarover zij het ouderlijk gezag hadden en zij hadden zich dienen te realiseren dat de schuldsaneringsregeling voor hen verantwoordelijkheden en vergaande informatieverplichtingen meebrengt. Het hiervoor overwogene geldt niet alleen voor [appellant sub 2], maar ook voor [appellante sub 1].

2.6.

Bij het vorenstaande komt dat[appellant sub 2] ten tijde van zijn faillissement – als directeur van Nardow Ltd – betrokken is geweest bij de oprichting van de CV en ook directeur is geweest van deze CV, die zich, evenals het voormalige bedrijf van [appellanten] Stage Service Plus, onder meer bezig houdt met het tewerkstellen van Poolse werknemers. Daarnaast lopen de bedrijfsactiviteiten van [P.] inmiddels via deze CV en is [P.] gevolmachtigde van Nardow Ltd. Wie belanghebbenden zijn bij Nardow Ltd, is verder onbekend. Dat ook deze gang van zaken vragen oproept en in het belang van de boedel een verdere verklaring vergt, ligt evenzeer voor de hand.

2.7.

De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd wegens het niet voldoen door [appellanten] aan hun informatieplicht. Ook het hof is van oordeel dat [appellanten] tekort zijn geschoten in deze verplichting. Gelet op het evident grote belang van [appellanten] bij het voortduren van de schuldsanering zal het hof het vonnis van de rechtbank echter desondanks vooralsnog niet bekrachtigen en [appellanten] nog een kans geven alsnog afdoende informatie te verstrekken. Daarbij speelt een rol dat voorshands niet kan worden geconstateerd dat daadwerkelijk bedragen voor de boedel zijn weggehouden.

2.8.

[appellanten] hebben pas kort voorafgaand aan de zitting een grote stapel producties overgelegd, waarover zij hebben verklaard dat dit de volledige administratie van [P.] en de CV is. Deze gang van zaken duidt al evenmin op een vlotte nakoming van de informatieverplichting. Zij hebben deze stukken bovendien niet van enige toelichting voorzien. Het hof zal de zaak aanhouden zodat zij dit alsnog kunnen doen. In dat verband zullen [appellanten] aan de hand van de stukken nader dienen toe te lichten hoe de geldstromen van de aardbeienteelt en in de CV zijn verlopen en aan wie de opbrengst is toegekomen. Tevens zullen zij (zoals zij ter zitting overigens ook al mondeling kort hebben gedaan) schriftelijk kunnen reageren op de door de bewindvoerder in zijn verslag van 20 november 2013 opgetekende opmerkelijke constateringen. De bewindvoerder zal vervolgens de gelegenheid krijgen aan [appellanten] te kennen te geven of daarna nog vragen resteren. Als dat het geval is, kunnen [appellanten] deze nog beantwoorden.

2.9.

[appellanten] zullen hun toelichting binnen vier weken na heden aan de bewindvoerder dienen toe te zenden. Vervolgens wordt de bewindvoerder verzocht binnen twee weken te reageren, waarna [appellanten] wederom twee weken hebben voor hun reactie. Ten slotte kan de bewindvoerder het hof informeren (onder toezending van de gewisselde stukken en met afschrift van zijn bericht aan de advocaat van [appellanten]).

3 Beslissing

Het hof:

- bepaalt dat de behandeling van de zaak pro forma wordt aangehouden tot

dinsdag 4 februari 2014 met in achtneming van het hiervoor overwogene;

- houdt ieder verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, L.A.J. Dun en H.J.M. Boukema en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.