Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4265

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
200.109.604/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2012:3608
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling hoofdverblijfplaats, verzoek gezag na overlijden ouder met eenhoofdig gezag.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253h, geldigheid: 2013-12-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2014/30

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 29 oktober 2013 (bij vervroeging)

Zaaknummer: 200.109.604/01

Zaaknummer eerste aanleg: 178044/11-293

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

feitelijk verblijvende te […],

appellant,

advocaat: mr. M.E.J. de Hart te Kaatsheuvel,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.B. Warmerdam-Wolfs te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de vader en de voogdes genoemd.

1.2.

Het hof verwijst naar en neemt over hetgeen hieromtrent is opgenomen in zijn beschikkingen van 9 oktober 2012 en 4 december 2012.

1.3.

Bij beschikking van 4 december 2012 is een deskundigenonderzoek in de vorm van forensische mediation gelast met benoeming van drs. O.B. Koppens tot forensisch mediator. Het hof heeft daarbij bepaald dat drs. Koppens bij het uit te voeren onderzoek de navolgende vragen betrekt:

  1. Hoe is de relatie van de voogdes en de vader met elkaar, in het bijzonder: is er een patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan herkenbaar en is deze omgang voor verbetering vatbaar?

  2. Hoe is de relatie van [de minderjarige] met respectievelijk de voogdes individueel, de vader individueel, en met zijn in het gezin van de voogdes wonende halfbroers;

  3. Wat zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden van respectievelijk de voogdes en de vader?

  4. Waaraan moet de opvoedingssituatie van [de minderjarige] voldoen, gelet op zijn individuele behoefte?

  5. In hoeverre zijn de voogdes en de vader in staat om bij de uitvoering van een omgangsregeling rekening te houden met de behoeften van [de minderjarige]?

  6. In hoeverre is de voogdes in staat de vader ruimte te bieden voor de invulling van zijn vaderrol. In hoeverre is de vader in staat de voogdes ruimte te bieden voor de invulling van haar rol als voogdes?

  7. Welke invloed hebben de buiten het gezin van voogdes wonende halfzus en halfbroers op de opvoedingssituatie van [de minderjarige] (het gehele familiesysteem van de overleden moeder van [de minderjarige], met speciale aandacht voor hechting en loyaliteit) en welke rol spelen de relatie van de voogdes enerzijds en de vader anderzijds met de leden van dit familiesysteem?

  8. Wat betekent de beantwoording van vorenstaande vragen voor het gezag over en de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige]?

  9. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van [de minderjarige]?

1.4.

Drs. Koppens heeft op 17 mei 2013 een deskundigenbericht uitgebracht.

1.5.

De vader heeft op 19 september 2013 een reactie op het deskundigenbericht ingediend, alsmede nadere stukken.

1.6.

De behandeling ter terechtzitting is op 30 september 2013 voortgezet.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de voogdes, bijgestaan door haar advocaat;

- mevrouw V. Regout, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad).

1.8.

De gezinsvoogd is voor de zitting opgeroepen, doch niet verschenen.

2 Verdere feiten

2.1.

Bij beschikking van de rechtbank Haarlem van 20 november 2012 is een tijdelijke omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld. De regeling houdt in dat omgang plaatsvindt eenmaal per veertien dagen, afwisselend de ene week op zaterdag vanaf 10.00 uur tot 18.30 uur, waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt en weer terugbrengt, en de andere week van zaterdag 10.00 uur tot zondag na de duikles, waarbij de voogdes [de minderjarige] zaterdag naar de vader zal brengen en de vader [de minderjarige] zondag na de duikles zal terugbrengen. Gedurende het voetbalseizoen zal de omgang op de enkele zaterdag eveneens om 10.00 uur aanvangen en zal de voogdes [de minderjarige], voor het geval de voetbalwedstrijd eerder begint, alvast naar het voetballen brengen en zal de vader hem daar ophalen. Bij de omgang op zaterdag en zondag, waarbij de voogdes [de minderjarige] naar de vader zal brengen, geldt dat, indien [de minderjarige] een voetbalwedstrijd moet spelen, de voogdes [de minderjarige] direct na de voetbalwedstrijd naar de vader zal brengen. De beslissing omtrent de omgangsregeling is voor het overige pro forma aangehouden tot 22 januari 2013.

De vader heeft de omgangsregeling eind november 2012 stopgezet vanwege een incident tussen hem en [de minderjarige] in een vestiging van Ikea.

2.2.

Bij beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 6 februari 2013 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland met ingang van 6 februari 2013 tot 6 februari 2014.

3 Verdere beoordeling van het hoger beroep

3.1.

De Raad heeft ter zitting geadviseerd het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen. Een wijziging van de hoofdverblijfplaats acht de Raad niet in het belang van [de minderjarige]. Verder heeft de Raad verklaard dat het risico bestaat dat [de minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de voogdes en de vader, indien de vader (naast de voogdes) met de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] wordt belast.

Ten overvloede heeft de Raad benadrukt dat het van evident belang is dat de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] wordt hervat en op termijn wordt uitgebreid.

3.2.

Het hof zal eerst het verzoek van de vader ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] behandelen en vervolgens diens verzoek betreffende het gezag.

Hoofdverblijfplaats

3.3.

Uit het deskundigenbericht komt naar voren dat [de minderjarige] van jongs af aan stress heeft ervaren en gevoelens van angst en onzekerheid heeft gekend. Het ziekteproces en het overlijden van zijn moeder zijn in dat verband ingrijpende gebeurtenissen geweest. Inmiddels heeft hij een hechte band opgebouwd met de voogdes. Hij vertrouwt haar, ervaart haar als opvoedende ouder en voelt zich veilig bij haar. Hij is bij haar redelijk tot rust gekomen, hoewel bij hem de angst bestaat dat de vader hem zal weghalen. Verder is gebleken dat het goed gaat op school, dat hij vriendjes heeft en dat hij een normaal sociaal leven leidt. In het licht van die omstandigheden onderschrijft het hof de conclusie van de deskundige dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij de komende jaren samen met [kind a] en [kind b] bij de voogdes blijft wonen om veiligheid en continuïteit te waarborgen.

In zijn reactie, ingediend op 19 september 2013, heeft de vader betoogd dat hij zijn grieven omtrent het hoofdverblijf van [de minderjarige] uitsluitend handhaaft om principiële redenen. In mei 2013 heeft hij aan de gezinsvoogd voorgesteld om met [de minderjarige] een gesprek te voeren waarin hij [de minderjarige] zou uitleggen dat de procedure voor wat betreft het hoofdverblijf een symbolisch karakter heeft gekregen door het verloop van de tijd, dat hij [de minderjarige] het beste gunt en dat hij [de minderjarige] toestemming zal geven om onderdeel uit te blijven maken van het gezin van de voogdes. Dat voorstel is door de gezinsvoogd afgewezen, waarna de vader de inhoud van het door hem voorgestane gesprek in een brief heeft verwoord en de gezinsvoogd heeft verzocht de brief aan [de minderjarige] te overhandigen en met hem te bespreken. Aan dat verzoek heeft de gezinsvoogd, zo is ter zitting gebleken, evenmin gevolg gegeven. De vader toonde zich hierdoor zeer teleurgesteld. Gelet op het feit dat de gezinsvoogd niet ter zitting aanwezig was, heeft deze hierover geen verklaring kunnen geven. De voogdes, ter zitting aanwezig, gaf aan ook niet zo goed begrepen te hebben waarom zij deze brief - met een voor [de minderjarige] positieve inhoud - niet van de gezinsvoogd met hem mocht bespreken.

Gezien het voorgaande zal het hof het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen afwijzen. Dit neemt niet weg dat het hof vraagtekens zet bij de handelswijze van de gezinsvoogd, gelet op de gebleken angst bij [de minderjarige] dat de vader hem bij de voogdes zal weghalen, welke angst wellicht weggenomen had kunnen worden als aan [de minderjarige] de inhoud van genoemde brief was medegedeeld.

Gezag

3.4.

In de onderhavige procedure staat vast dat de vader zijn verzoek om met het gezag over [de minderjarige] te worden belast binnen een jaar na het begin van de voogdij heeft ingediend. Ingevolge het bepaalde in art. 1:253h lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een dergelijk verzoek slechts afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek het belang van de kinderen zouden worden verwaarloosd. De strekking van de afwijzingsgrond van art. 1:253h lid 3 BW is dat, hoewel het recht van de ouder primair is, dit recht zijn begrenzing vindt in het welzijn van het kind, hetgeen impliceert dat de rechter bevoegd en gehouden is de belangen van het kind te wegen.

3.5.

In het licht van de stukken en de toelichting daarop ter terechtzitting begrijpt het hof het verzoek van de vader aldus dat, voor zover het hof geen grond ziet hem alleen met het gezag over [de minderjarige] te belasten, hij samen met de voogdes met de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] wenst te worden belast. Ter - nadere - onderbouwing van zijn verzoek heeft de vader betoogd dat uitoefening van het gezag aan [de minderjarige] en hem verbondenheid brengt, dat het perspectief biedt op concrete betrokkenheid op elkaars leven en dat hij als gezagdragende ouder een brug kan slaan tussen de vroege jeugd van [de minderjarige] in [plaatsnaam] en zijn leven in het huidige gezin van de voogdes.

3.6.

Het hof overweegt als volgt. Uit het deskundigenbericht is gebleken dat de relatie tussen de vader en de voogdes gespannen is. Er is een patroon herkenbaar van verwijten en beschuldigingen over en weer dat gekenmerkt wordt door gevoelens van onmacht en frustratie aan beide zijden. Het patroon wordt door de deskundige omschreven als dwang- en terugtrekgedrag, waarbij de voogdes de houding van de vader als dwingend ervaart en zich bij conflicten terugtrekt om verdere escalatie te voorkomen, en de vader het terugtrekken van de voogdes op zijn beurt als dwingend ervaart, omdat hij hiermee – in zijn beleving – als vader van [de minderjarige] buiten spel wordt gezet. Hoewel de vader en de voogdes tijdens de forensische mediation een begin hebben gemaakt om het gesprek aan te gaan, hebben de gezamenlijke gesprekken nog onvoldoende bijgedragen aan het verbeteren van de onderlinge verstandhouding en herstel van vertrouwen, zo volgt uit het deskundigenbericht.

Onder de bovengenoemde omstandigheden en gezien het feit dat de verblijfssituatie van [de minderjarige] bij de gezinsvoogd zal worden bestendigd, acht het hof in navolging van de Raad het risico aanwezig dat [de minderjarige] klem en verloren zal raken tussen de vader en de voogdes, als de vader alleen met het gezag over hem zal worden belast. In die zin bestaat eveneens gegronde vrees dat het belang van [de minderjarige] zou worden verwaarloosd. Dit geldt naar het oordeel van het hof evenzeer als de vader gezamenlijk met de voogdes met de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] wordt belast, voor zover een dergelijk verzoek reeds steun vindt in het recht.

Het voorgaande brengt met zich dat het hof de bestreden beschikking ook op dit punt zal bekrachtigen.

3.7.

Het hof wijst de vader nog erop dat hij de door hem beoogde positie in het leven van [de minderjarige] ook in het kader van een omgangsregeling kan verkrijgen, en dat de voogdes hem als juridische ouder dient te informeren over [de minderjarige]. Uit het deskundigenbericht blijkt dat [de minderjarige] zijn vader nodig heeft en dat hij in de gelegenheid dient te worden gesteld de band met zijn vader te onderhouden en te versterken. Het hof gaat ervan uit dat alle betrokkenen zich daartoe zullen inspannen, temeer nu de voogdes ter zitting heeft toegezegd dat zij zich zal inzetten voor een goed contact tussen de vader en [de minderjarige] en dat de omgangsregeling wat haar betreft na deze procedure kan worden hervat. Voorts verwacht het hof van de vader en de voogdes dat zij er alles aan zullen doen om hun onderlinge communicatie in het belang van [de minderjarige] te verbeteren.

3.8.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

bepaalt dat de kosten van het deskundigenonderzoek voor rekening van partijen zullen komen, op de wijze zoals partijen ter terechtzitting van dit hof van 20 september 2012 zijn overeengekomen en zoals opgenomen onder r.o. 2.2 van de beschikking van dit hof van 4 december 2012.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.R. Sturhoofd, M. Wigleven en B.F.P. Lhoëst in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2013 door de oudste raadsheer.