Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4236

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
200.122.632/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2012:8767, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden, ontslagvergoeding ter aanvulling van pensioen, man heeft niet aangetoond dat hij een vergoedingsrecht heeft in het kader van de eenvoudige gemeenschap van de woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2014/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 1 oktober 2013 (bij vervroeging)

Zaaknummer: 200.122.632/01

Zaaknummer eerste aanleg: 499833/FA RK 11-7754

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. A.C. Otten te Bussum,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. G. Dik te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante in principaal hoger beroep tevens geïntimeerde in incidenteel hoger beroep, en geïntimeerde in principaal hoger beroep tevens appellant in incidenteel hoger beroep, worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 28 februari 2013 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 28 november 2012 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk 499833/FA RK 11-7754.

1.3.

De man heeft op 6 mei 2013 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4.

De vrouw heeft op 18 juni 2013 een verweerschrift in het hoger beroep van de man ingediend.

1.5.

De man heeft op 9, 14 en 16 augustus 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 28 augustus 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2004 gehuwd. Hun huwelijk is op 6 juli 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 29 februari 2012 van de rechtbank Amsterdam in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is geboren [zoon] [in] 2006.

2.2.

Bij notariële akte van 9 juni 2004 zijn partijen met elkaar huwelijkse voorwaarden overeengekomen waarin, voor zover hier van belang, het volgende is bepaald.

"(…)

Pensioenrechten

Artikel 7.

1. Indien het huwelijk van de echtgenoten door echtscheiding wordt ontbonden (...) zullen de door de echtgenoten opgebouwde pensioenaanspraken worden verevend conform het in de artikelen 2 en 3 bepaalde van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding. De voor het huwelijk opgebouwde aanspraken worden bij verevening niet betrokken. (...)

2. (...)

3. indien op een pensioenregeling artikel 2 lid 2 van voormelde wet niet van toepassing is, zullen de echtgenoten met betrekking tot deze aanspraken op al of niet ingegaan ouderdomspensioen onderling een redelijke en billijke regeling of afrekening treffen op basis van de waarde van die aanspraken, opgebouwd gedurende het bestaan van het huwelijk, tot de dag waarop een procedure tot echtscheiding (..) aanhangig is gemaakt; de voor het huwelijk opgebouwde aanspraken worden hierbij niet betrokken.

(…)

Afrekening aan het einde van het huwelijk

Artikel 10.

1.a. Ingeval het huwelijk wordt ontbonden door echtscheiding vindt een verrekening plaats, zo, dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn geweest indien er algehele gemeenschap van goederen tussen hen zou hebben bestaan, waarbij buiten de verrekening zullen blijven:

- ondernemingen (...)

- die goederen, die gespecificeerd staan vermeld op de aan deze akte gehechte staat van aanbrengsten met de vermelding dat zij buiten een eventuele verrekening zullen blijven (...)

(...)

2. De verrekening heeft plaats (...) ingeval van echtscheiding (...) naar de toestand op de dag van het instellen van de vordering daartoe.

(...)

4. De verrekening heeft plaats doordat de ene partij aan de andere partij een bedrag uitkeert, zo, dat ieder van hen de helft geniet van het vermogen als omschreven in lid 1, met dien verstande, dat aanspraken op al of niet ingegaan pensioen niet in deze verrekening worden betrokken en met inachtneming van het bepaalde in lid 1."

2.3.

De voormalig echtelijke woning aan de [a] (hierna: de woning) is gemeenschappelijk eigendom en staat te koop. Op de woning rust een hypotheekschuld van € 256.500,-. Partijen hebben een schuld aan [x] van – thans nog - € 35.000,-.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de huwelijksvoorwaarden die tussen partijen zijn overeengekomen als volgt zijn afgewikkeld:

- de onderneming van de man behoort toe aan de man en wordt niet in de verrekening betrokken;

- de inboedel - inclusief het zilveren theeservies - is gescheiden en verdeeld;

- de bankrekeningen zijn gescheiden en de saldi zijn verdeeld;

- de sieraden zijn gescheiden en verdeeld;

- de pensioenaanspraken zullen worden afgewikkeld volgens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding;

- de levensverzekering van de vrouw komt toe aan de vrouw, zonder verrekening;

- de lijfrenteverzekering van de man komt toe aan de man, zonder verrekening;

- de nog te verwachten belastingaanslagen zullen worden voldaan door degene op wiens naam ze staan en belastingteruggaven mogen worden behouden door degene aan wie wordt gerestitueerd, zonder verrekening;

- de aflossing van de schuld aan de heer [x] zal geschieden uit de opbrengst van de verkoop van de woning alvorens de restwaarde wordt bepaald, waarna de restwaarde bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld;

- de schulden van na 1 juni 2010 komen voor rekening van degene die ze is aangegaan.

Voorts is bepaald dat partijen met inachtneming van het hiervoor bepaalde op basis van de huwelijksvoorwaarden niets meer met elkaar te verdelen en te verrekenen hebben en dat partijen na verkoop van de woning ieder voor de helft gerechtigd zijn tot de opbrengst uit verkoop, na aftrek van de hypotheekschuld, de makelaarskosten en het restant van de schuld aan [x].

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de lijfrenteverzekering aan de man wordt toebedeeld na verrekening met de vrouw en dat de vanaf 29 februari 2012 door de vrouw betaalde eigenaarslasten van de woning dienen te worden verrekend, althans dat het hof een zodanige beslissing neemt als het juist zal achten.

3.3.

De man verzoekt, naar het hof begrijpt, het door de vrouw verzochte af te wijzen. In incidenteel hoger beroep verzoekt hij, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat de eigen inbreng van partijen bij de aankoop van de woning niet onder het te verrekenen vermogen valt, althans dat het hof een zodanige beslissing neemt als het juist zal achten.

3.4.

De vrouw verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidenteel hoger beroep, althans het door hem verzochte af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten.

4 Beoordeling van het hoger beroep

In principaal appel

4.1.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de vrouw te kennen gegeven dat zij grief 2 intrekt, zodat deze geen bespreking behoeft.

4.2.

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank ten aanzien van de lijfrenteverzekering op naam van de man bij Delta Lloyd met polisnummer 2568273 beslist dat deze aan de man toebehoort, zonder verplichting tot verrekening. De rechtbank heeft daartoe – kort gezegd – overwogen dat op grond van artikel 7 lid 1 en lid 3 van de huwelijksvoorwaarden de vóór het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken niet in de pensioenverevening/verrekening worden betrokken.

Met haar grief 1 komt de vrouw op tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Zij voert daartoe het volgende aan. Niet is komen vast te staan dat de van [bedrijf] ontvangen ontslagvergoeding waarmee de man de lijfrenteverzekering heeft gekocht, bedoeld was als aanvulling van in de toekomst te derven pensioenopbouw. De man heeft zelf deze bestemming aan de ontslagvergoeding gegeven. Daartoe bestond indertijd geen noodzaak, omdat de man tijdens zijn dienstverband bij [bedrijf] pensioen had opgebouwd. De lijfrenteverzekering stond al voor het huwelijk van partijen op naam van de man en is niet genoemd op de staat van aanbrengsten als bedoeld in artikel 10 lid 1 van de huwelijksvoorwaarden. De lijfrenteverzekering komt dan ook op grond van die bepaling in aanmerking voor verrekening. De man heeft tijdens het huwelijk geen pensioenaanspraken opgebouwd. Het was om die reden juist de bedoeling van partijen deze lijfrenteverzekering wel te verrekenen. De vrouw biedt bewijs aan van deze stelling door middel van het horen van getuigen, onder wie notaris mr. Oortman Gerlings, die indertijd de akte huwelijksvoorwaarden heeft opgemaakt.

4.3.

Het hof stelt het volgende vast. De man heeft in 1998 een ontslagvergoeding ontvangen van zijn werkgever [bedrijf] Nederland B.V. ten bedrage van ƒ 144.001,-, waarmee hij op 15 september 1999 de lijfrenteverzekering bij Delta Lloyd heeft gekocht. De verzekering komt [in] 2015, drie dagen voordat de man 65 jaar wordt, tot uitkering in de vorm van periodieke uitkeringen. In het dossier bevindt zich een brief van P. ter Velde van 19 september 2012 met de volgende inhoud: “Ik schrijf u deze verklaring in mijn hoedanigheid als Human Resources Manager van [bedrijf] Nederland B.V. te tijde van het vertrek van de heer [de man] bij onze firma destijds. In september 1998 is door [bedrijf] Nederland B.V. een uitkering gedaan aan de heer [de man]. Dit in het kader van een vertrekregeling. In onderling overleg en binnen de geldende belastingregels is deze uitkering gedaan, en daarvoor was hij ook bedoeld, ter aanvulling van in de toekomst te derven pensioen opbouw, om daarmee te voorzien in de verbetering van het ouderdomspension voor de betrokkene”. Voorts bevindt zich in het dossier een brief van J.H. Verkerk, CFO van [bedrijf] Nederland B.V. van 17 juli 2013, waarin deze aan de man het volgende schrijft: “In september 1998 heeft u van [bedrijf] Nederland B.V. een uitkering ontvangen in het kader van een vertrekregeling. In onderling overleg en binnen de geldende belastingregels is deze uitkering gedaan en daarvoor was hij ook bedoeld. Dit ter aanvulling van in de toekomst te derven pensioenopbouw, om daarmee te voorzien in de verbetering van uw ouderdomspensioen. Dit is ook aan u bevestigd op 19 september 2012 door de toenmalige HR Manager, de heer P. Ter Velde.”.

4.4.

Met de inhoud van deze brieven heeft de man voldoende aangetoond dat de ontslagvergoeding indertijd ook door zijn werkgever was bedoeld ter aanvulling van zijn pensioen. Dat de brief van P. ter Velde niet is ondertekend doet daar niet aan af, nu de inhoud daarvan zijn bevestiging vindt in de brief van J.H. Verkerk. De lijfrenteverzekering is derhalve een pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 7 van de huwelijksvoorwaarden van partijen. Deze bepaling voorziet in verevening (lid 1) dan wel verrekening (lid 3) van pensioenaanspraken, met dien verstande dat de vóór het huwelijk opgebouwde aanspraken daarbij niet worden betrokken (lid 1 en lid 3). Nu de man de lijfrenteverzekering bij Delta Lloyd in 1999 heeft gekocht en partijen in 2004 zijn gehuwd, is de lijfrenteverzekering een pensioenaanspraak die vóór het huwelijk is opgebouwd en daardoor onder de uitzondering van artikel 7 lid 1 en 3 van de huwelijksvoorwaarden valt. Dit brengt met zich dat het, teneinde te voorkomen dat de lijfrenteverzekering bij ontbinding van het huwelijk door echtscheiding zou behoren tot het te verrekenen vermogen, niet noodzakelijk was de lijfrenteverzekering te vermelden aan de aan de akte van huwelijksvoorwaarden gehechte staat van aanbrengsten. Indien het evenwel, zoals de vrouw stelt, juist de bedoeling van partijen was de lijfrenteverzekering wel te verrekenen, was het noodzakelijk daarover een bepaling in de huwelijksvoorwaarden op te nemen.

4.5.

Mr. M.P. Oortman Gerlings, de notaris door wie de akte huwelijksvoorwaarden op 9 juni 2004 is vastgesteld, heeft op 12 mei 2004 het ontwerp van de akte aan partijen gezonden. In de begeleidende brief heeft hij ten aanzien van artikel 7 van de huwelijksvoorwaarden de volgende toelichting gegeven: “Met ingang van 1 mei 1995 hebben echtgenoten op grond van de wet over en weer recht op verrekening/verevening van de tijdens het huwelijk door ieder van de echtgenoten opgebouwde ouderdomspensioenrechten, ongeacht welk huwelijksgoederen-regime van toepassing is. Bij huwelijksvoorwaarden of in een echtscheidingsconvenant kan van dit systeem worden afgeweken. Er kan dan bijvoorbeeld worden overeengekomen, dat geen enkele verrekening zal plaatsvinden of dat ook de pensioenrechten die vóór het huwelijk zijn opgebouwd in de verevening worden betrokken. Een andere mogelijkheid is dat de verdeling niet bij helfte geschiedt maar in een andere verhouding. Zoals besproken ben ik ervan uitgegaan dat u niet wenst af te wijken van het wettelijk systeem.” In de akte van 9 juni 2004 is in artikel 7 slechts in zoverre afgeweken van het wettelijk systeem dat pensioenrechten die niet onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding vallen op een andere wijze dan bij helfte worden verdeeld. Voorts is in die akte in artikel 10 lid 4, dat de wijze van verrekening aan het einde van het huwelijk regelt, bepaald dat “aanspraken op al of niet ingegaan pensioen niet in deze verrekening worden betrokken”. In het licht van de inhoud van de definitieve akte en hetgeen daaraan is voorafgegaan heeft de vrouw haar stelling dat het juist de bedoeling van partijen was de lijfrenteverzekering wel te verrekenen, onvoldoende onderbouwd, reden waarom het hof haar bewijsaanbod passeert. De grief faalt.

In incidenteel appel

4.6.

De man heeft verzocht te bepalen dat ieder van partijen recht heeft op een vergoeding ter hoogte van zijn privé-investering in de aan hen in gemeenschappelijk eigendom toebehorende woning, waarna hetgeen resteert van de netto-opbrengst van de woning bij helfte wordt verdeeld. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. De inbreng in de aankoop van de woning is niet opgenomen op de staat van aanbrengsten, zodat deze in de verrekening valt; voor een reprise bestaat dan ook geen grondslag, aldus de rechtbank. De grief van de man is gericht tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De man stelt zich primair op het standpunt dat ook bij huwelijkse voorwaarden een (pseudo)reprise mogelijk is. Hij beroept zich daartoe op HR 1 januari 2008, NJ 2008, 566 en voert aan dat uit niets blijkt dat het de bedoeling van partijen is geweest dat dit privévermogen het privékarakter zou verliezen. Subsidiair stelt de man zich op het standpunt dat verrekening van dit privévermogen naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, en meer subsidiair dat de vrouw daardoor ongerechtvaardigd wordt verrijkt. Nog meer subsidiair, zo begrijpt het hof, voert de man aan dat de vrouw misbruik van omstandigheden maakt door aanspraak te maken op de helft van het bedrag van € 56.104,96 dat de man meer in de woning heeft geïnvesteerd dan de vrouw.

4.7.

De woning aan de [a] is vóór het huwelijk van partijen op 30 oktober 2003 door hen gekocht. Tussen hen is niet in geschil dat bij de aankoop de man € 100.000,- en de vrouw € 43.895,04 uit eigen middelen hebben voldaan. Gesteld noch gebleken is dat zij indertijd zijn overeengekomen dat zij bij verkoop van de woning ieder een vergoedingsrecht ter hoogte van hun investering uit privévermogen zouden hebben.. In de op 9 juni 2004 door partijen aangegane huwelijksvoorwaarden zijn vergoedingsrechten in het kader van de eenvoudige gemeenschap van de woning niet uitdrukkelijk uitgezonderd van het vermogen dat aan het einde van het huwelijk dient te worden verrekend. Evenmin zijn zulke vergoedingsrechten vermeld op de aan de akte huwelijksvoorwaarden gehechte staat van aanbrengsten met de vermelding dat zij buiten een eventuele verrekening zullen blijven. Bij deze stand van zaken heeft de man niet aangetoond dat hij een vergoedingsrecht heeft. Het beroep van de man op HR 1 februari 2008, NJ 2008, 566 kan niet leiden tot een ander oordeel, nu het in de onderhavige zaak gaat om een vóór het huwelijk door partijen gezamenlijk gekochte woning, die partijen bij het sluiten van het huwelijk in mede-eigendom toebehoorde en die partijen gezamenlijk ten huwelijk hebben aangebracht. Partijen hebben, nu een overeenkomst die ertoe strekt dat ieder van partijen een vergoedingsrecht uit de netto-verkoopopbrengst van de woning heeft ontbreekt, geen vergoedingsrechten aangebracht. De primaire stelling van de man kan dan ook geen doel treffen.

4.8.

De man heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die leiden tot het oordeel dat verrekening zonder dat de door hem gestelde vergoedingsrechten daarvan worden uitgezonderd naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De verrekening vindt haar grondslag in de huwelijksvoorwaarden. Reeds op die grond kan niet worden geoordeeld dat de vrouw ongerechtvaardigd is verrijkt. Partijen hebben, zo blijkt uit de brief van mr. Oortman Gerlings van 12 mei 2004, na een eerste gesprek met de notaris een ontwerp huwelijksvoorwaarden met toelichting ontvangen. Alvorens op 9 juni 2004 de definitieve akte huwelijksvoorwaarden is gepasseerd, heeft de notaris de inhoud daarvan aan partijen toegelicht, aldus de akte huwelijksvoorwaarden. In dat licht bezien heeft de man zijn stelling dat de vrouw misbruik maakt van omstandigheden onvoldoende onderbouwd. Het hof volgt de man dan ook niet in zijn subsidiaire, meer subsidiaire en nog meer subsidiaire stellingen. De grief faalt.

4.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

in principaal en incidenteel appel

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, A.N. van de Beek en C.G. Kleene-Eijk in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2013 door de jongste raadsheer.