Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4212

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
16-12-2013
Zaaknummer
200.125.731/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:3571, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijziging kinderalimentatie. Zelfstandige verzoeken kunnen niet voor het eerst in hoger beroep worden gedaan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 362
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2013-0231 met annotatie van R.E. Bakker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 26 november 2013

Zaaknummer: 200.125.731/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/15/194269/FA RK 12-2385

in de zaak in hoger beroep van:

1 […],

2. […],

beiden wonende te […],

appellanten,

advocaat: mr. L.A.M. Hartman te Mijdrecht,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.C. Tijsterman te Hoofddorp.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellanten sub 1 en 2 worden hierna afzonderlijk de man en [de zoon] genoemd. Geïntimeerde wordt hierna de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 22 april 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 januari 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/194269/FA RK 12-2385.

1.3.

De vrouw heeft op 10 juli 2013 een verweerschrift ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 20 september 2013 nadere stukken ingediend.

1.5.

De man heeft op 23 en 27 september 2013 nadere stukken ingediend.

1.6.

De zaak is op 30 september 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de advocaat van [de zoon];

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

1.8.

[de zoon] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De man heeft ter zitting een door [de zoon] ondertekende schriftelijke volmacht overgelegd.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 1995 gehuwd. Hun huwelijk is op 16 februari 2005 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 7 december 2004 van de rechtbank Haarlem in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [de zoon] [in] 1995 en […] (hierna: [de dochter]) [in] 1998 (hierna ook gezamenlijk: de kinderen).

2.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking is, voor zover van belang, een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 350,- per kind per maand met ingang van de datum waarop die beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

Bij beschikking van 9 september 2008 van de rechtbank Haarlem is, voor zover van belang, met wijziging in zoverre van de echtscheidingsbeschikking, een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepaald van € 70,- per kind per maand met ingang van 1 februari 2008.

Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.4.

Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1964. Hij leeft samen met zijn partner. Met ingang van 25 juni 2013 verblijft [de zoon] bij de man en zijn partner.

Zijn partner voorziet in eigen levensonderhoud.

Hij is per 1 juni 2012 werkzaam in loondienst bij [bedrijf] Zijn salaris bedroeg volgens de salarisspecificaties over oktober 2012 en juni 2013 € 3.600,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.

In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door hem en zijn partner bewoonde woning betalen zij € 640,- per maand aan rente en € 125,- per maand aan spaarpremie. Zij hebben de gebruikelijke andere eigenaars- en woonlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 495.000,-.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt hij € 130,- per maand. Het eigen risico dat aan deze verzekering is verbonden bedraagt € 27,- per maand. Dit bedrag wordt geheel verbruikt.

Hij heeft kosten in verband met de omgang met de kinderen.

Hij had een schuld aan ABN AMRO Bank. Hij betaalde hierop € 90,- aan aflossing per maand tot 1 september 2013.

2.5.

Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1963. Zij vormt met [de dochter] een eenoudergezin. Tot 25 juni 2013 verbleef [de zoon] bij de vrouw.

Zij was tot 1 december 2011 werkzaam in loondienst bij [bedrijf a] Blijkens de jaaropgave over 2011 bedroeg haar fiscaal loon in dat jaar € 45.749,-, inclusief ontslagvergoeding van € 20.000,- bruto, te vermeerderen met een bedrag aan spaarloon van € 613,-. Van 1 december 2011 tot 1 december 2012 ontving zij een WW-uitkering. Blijkens een uitkeringsspecificatie over de periode van 13 februari 2012 tot en met 11 maart 2012 bedroeg haar uitkering € 946,- netto, exclusief vakantietoeslag. Zij was in de periode van 1 december 2012 tot 2 juni 2013 werkzaam in loondienst bij [bedrijf b]. Haar salaris bedroeg € 1.520,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. Zij was in de periode van 3 juni 2013 tot 1 oktober 2013 in loondienst bij [bedrijf c] Haar salaris bedroeg volgens de salarisspecificatie over juni 2013 € 1.615,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. Zij is per 1 oktober 2013 werkzaam in loondienst bij [bedrijf b]. Haar salaris bedraagt € 1.520,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.

Aan huur en enige servicekosten betaalde zij in 2012 € 543,- per maand. De huurtoeslag bedroeg in 2012 € 123,- per maand.

Aan premie voor een zorgverzekering betaalt zij € 139,- per maand. Zij ontving in 2012 een zorgtoeslag van € 40,- per maand.

Zij ontving in 2012 een kindgebonden budget van € 2.005,- per jaar.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is bepaald, met wijziging in zoverre van de beschikking van 9 september 2008 van de rechtbank Haarlem, dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te voldoen met ingang van 13 juli 2012 tot 1 december 2012 € 329,- per kind per maand en met ingang van 1 december 2012 € 317,- per kind per maand en voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen.

Deze beschikking is gegeven op het (gewijzigd) verzoek van de vrouw de beschikking van 9 september 2008 te wijzigen, in die zin dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 juni 2012 op € 450,- per kind per maand wordt gesteld, althans een zodanig bedrag met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat hij aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te voldoen in de periode van 13 juli 2012 tot 1 december 2012 € 271,50 per kind per maand en in de periode na 1 december 2012 primair € 204,59 per kind per maand en subsidiair € 246,30 per kind per maand, althans zodanige beslissingen te nemen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren. Bij brief van 27 september 2013 heeft de man zijn verzoek in hoger beroep aangevuld en verzocht de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] met ingang van 25 juni 2013 op nihil te stellen en te bepalen dat de vrouw haar aandeel in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] met ingang van 25 juni 2013 aan de man, c.q. rechtstreeks aan [de zoon] zal betalen.

3.3.

[de zoon] verzoekt – naar het hof begrijpt – te bepalen dat de vrouw haar aandeel in de kosten van studie en levensonderhoud van [de zoon] rechtstreeks aan hem zal betalen.

3.4.

De vrouw verzoekt – naar het hof begrijpt – de bestreden beschikking te bekrachtigen, dan wel de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep.

4 Beoordeling van het hoger beroep

Kinderbijdrage in de periode van 13 juli 2012 tot 1 december 2012 en in de periode van 1 december 2012 tot 25 juni 2013

4.1.

De behoefte van de kinderen van € 845,- per maand wordt niet betwist en staat derhalve vast. Partijen zijn verdeeld over de draagkracht van de man en de vrouw.

4.2.

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de man uitgaan van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 2.4 weergegeven, behoudens voor zover in het navolgende hiervan zal worden afgeweken.

4.3.

De man betoogt dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat hij wekelijks € 80,- ontvangt voor zijn werkzaamheden bij een vriend op de zaterdag. Indien hij wegens vakantie, ziekte of andere afspraken niet op de zaterdag werkt, ontvangt hij geen vergoeding. Ter zitting in hoger beroep heeft de man gesteld dat hij in 2012 32 zaterdagen heeft gewerkt. De vrouw heeft deze stelling betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat hij gedurende zijn vakanties geen wekelijkse vergoeding van € 80,- ontvangt. Het hof ziet hierin aanleiding om te rekenen met de vergoeding van € 80,- gedurende 46 zaterdagen per jaar. Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat hij slechts gedurende 32 zaterdagen per jaar werkzaamheden verricht, nu hij die stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof zal derhalve in redelijkheid rekening houden met neveninkomsten van € 3.680,- netto per jaar.

4.4.

Het hof zal de woonlasten van de man zoals te doen gebruikelijk bepalen aan de hand van de feitelijke woonlast. Omdat de partner van de man in haar eigen levensonderhoud voorziet, kan zij geacht worden voor de helft bij te dragen in de woonlasten. Het hof zal daarom de helft van de door de man opgevoerde woonlasten op zijn draagkracht in mindering brengen. Met de door de man aangevoerde omstandigheid dat hij en zijn partner hebben gekozen om vermogen van zijn partner aan te wenden om de woning aan te schaffen en onderling een afspraak hebben gemaakt dat hij aan zijn partner € 765,- per maand betaalt, zal geen rekening worden gehouden, omdat dit geen voorrang dient te hebben op zijn onderhoudsplicht jegens de kinderen. De stelling van de man dat in het geval hij met zijn partner een huurwoning had betrokken met een maandelijkse huursom van € 1.530,-, een woonlast van € 765,- aan hem zou zijn toegerekend, volgt het hof niet, nu in het onderhavige geval geen sprake is van een huurwoning. Het aandeel van de man in de hypotheekrente is fiscaal aftrekbaar, aangezien hij en zijn partner fiscale partners zijn. Het hof zal derhalve rekening houden met een bijdrage van de man van € 320,- per maand aan rente en het hierover te behalen fiscale voordeel en een bijdrage van de man van € 63,- per maand aan spaarpremie.

4.5.

De rechtbank heeft rekening gehouden met omgangskosten van € 25,- per maand. De stelling van de man dat de kinderen één dag per veertien dagen en vaak ook tussendoor bij hem verblijven, is door de vrouw betwist. Gelet op de betwisting door de vrouw heeft de man zijn stelling onvoldoende onderbouwd met onderliggende stukken. Rekening houdend met een zorgregeling van één dag per veertien dagen, ziet het hof geen aanleiding om met een hoger bedrag dan het bedrag van € 25,- per maand rekening te houden.

4.6.

Wat betreft de door de man opgevoerde schuld aan ABN AMRO Bank overweegt het hof als volgt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat alleen rekening wordt gehouden met de noodzakelijke lasten, die ten opzichte van het kind als redelijke uitgaven kunnen worden beschouwd. Wat schulden betreft vallen hieronder de schulden die uit het huwelijk van partijen stammen, omdat die schulden ook een druk op het gezinsbudget zouden hebben gelegd als partijen niet uit elkaar zouden zijn gegaan. Overige schulden hebben in beginsel geen voorrang op de onderhoudsverplichting jegens het kind. Dat is slechts anders indien sprake is van bijzondere feiten of omstandigheden die een uitzondering op dat beginsel rechtvaardigen.

Niet in geschil is dat de schuld aan ABN AMRO Bank uit het huwelijk van partijen stamt. De man heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij op deze schuld € 90,- aan aflossing per maand tot 1 september 2013 betaalde. De stelling van de vrouw dat de man de schuld eerder had kunnen afbetalen, volgt het hof niet, nu zij deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Het hof zal derhalve rekening houden met aflossingsbedragen van € 90,- per maand.

4.7.

Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw uitgaan van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 2.5 weergegeven, behoudens voor zover in het navolgende hiervan zal worden afgeweken.

4.8.

De man betoogt dat de rechtbank een beslissing heeft genomen op basis van een incompleet dossier, omdat de arbeidsovereenkomst en de vaststellingsovereenkomst door de vrouw in eerste aanleg niet zijn overgelegd. Hierdoor kan de bestreden beschikking niet in stand blijven, aldus de man. Het hof is van oordeel dat dit standpunt geen verdere bespreking behoeft, nu het hoger beroep mede dient om eventuele fouten en omissies in eerste aanleg te herstellen.

4.9.

Met betrekking tot het inkomen van de vrouw overweegt het hof als volgt. Voor de periode tot 1 december 2012 gaat het hof uit van de WW-uitkering en de ontslagvergoeding die zij in 2011 heeft ontvangen. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij in 2011 een ontslagvergoeding van € 20.000,- bruto heeft ontvangen. Dat zij de vaststellingsovereenkomst in hoger beroep niet heeft overgelegd, maakt het vorenstaande niet anders. Zij wordt geacht met de ontslagvergoeding haar WW-uitkering maandelijks te kunnen aanvullen tot het salaris van € 1.709,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag dat zij voorheen in 2011 ontving bij [bedrijf a] Gelet op de hoogte van de WW-uitkering, de ontslagvergoeding en de door de man tot 13 juli 2012 betaalde kinderbijdrage van € 70,- per kind per maand acht het hof aannemelijk dat de vrouw de ontslagvergoeding op 1 december 2012 geheel heeft verbruikt, met inachtneming van hetgeen hierna over de terugbetaling van de in 2011 ten onrechte ontvangen bedragen aan huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget is overwogen. Voor de periode na 1 december 2012 gaat het hof uit van een inkomen van € 1.520,- bruto per maand zoals dit blijkt uit de door de vrouw in hoger beroep overgelegde arbeidsovereenkomst van 19 september 2013 bij [bedrijf b]. Uit deze arbeidsovereenkomst blijkt niet dat zij in het weekend meer betaald krijgt. Gelet op de economische crisis, alsmede de omstandigheden dat de vrouw een jaar een WW-uitkering genoot en de zorg van de kinderen voornamelijk bij haar lag, heeft de vrouw voldoende aangetoond dat zij thans niet meer uren kan werken en niet meer inkomen kan verdienen. De wijziging van haar inkomen per 3 juni 2013 is niet zodanig substantieel dat dit een relevante wijziging in de zin van artikel 1:401 lid 1 Burgerlijk Wetboek oplevert, zodat het hof daarmee geen rekening zal houden.

4.10.

Voorts wordt rekening gehouden met de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget die de vrouw in 2012 ontving. Het hof ziet geen aanleiding rekening te houden met een verplichting tot terugbetaling door de vrouw van de door haar in 2011 ten onrechte ontvangen bedragen aan huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget, nu zij met de in 2011 ontvangen ontslagvergoeding deze bedragen heeft kunnen terugbetalen.

4.11.

Het hof zal de kosten van de kinderen naar rato van de draagkracht van partijen verdelen. Bij de vaststelling van ieders bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen zal het hof hun draagkracht vaststellen volgens de richtlijnen van vóór 1 april 2013, nu de ingangsdatum van de te betalen bijdrage ligt op 13 juli 2012 en 1 december 2012. De per 1 april 2013 in werking getreden nieuwe richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie zijn niet een wijziging van omstandigheden die aanleiding is om tot een nieuwe vaststelling van de kinderalimentatie over te gaan. Het hof zal partijen bij de draagkrachtvergelijking als alleenstaande beschouwen en uitgaan van een draagkrachtpercentage van 70.

4.12.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is de man in staat aan de vrouw te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen:

- met ingang van 13 juli 2012 tot 1 december 2012 € 300,- per kind per maand;

- met ingang van 1 december 2012 tot 25 juni 2013 € 317,- per kind per maand.

Kinderbijdrage vanaf 25 juni 2013

4.13.

Ten aanzien van het verzoek van de man om een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] met ingang van 25 juni 2013 te bepalen en het verzoek van [de zoon] om een door de vrouw te betalen bijdrage in zijn kosten van studie en levensonderhoud te bepalen, overweegt het hof dat deze verzoeken nieuwe zelfstandige verzoeken betreffen. Ingevolge het bepaalde in artikel 362 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kunnen dergelijke verzoeken niet voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. De man en [de zoon] zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in deze verzoeken.

4.14.

De man verzoekt voorts in hoger beroep de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] met ingang van 25 juni 2013 op nihil te stellen. De man heeft in de procedure in eerste aanleg echter niet – bij zelfstandig verzoek – verzocht om wijziging van de bij beschikking van 9 september 2008 bepaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] van € 70,- per maand in die zin dat deze wordt verlaagd. Op grond van artikel 362 Rv kan hij dat laatste verzoek niet alsnog voor het eerst in hoger beroep doen. Het hof zal het verzoek van de man voor zover het meer inhoudt dan het afwijzen van het inleidend verzoek van de vrouw, voor zover dit betrekking heeft op een verhoging van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] met ingang van 25 juni 2013, niet-ontvankelijk verklaren.

4.15.

Nu onbetwist is gesteld door de man dat [de zoon] met ingang van 25 juni 2013 bij hem is gaan wonen, bestaat geen grond voor wijziging van de bij beschikking van 9 september 2008 bepaalde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] van € 70,- per maand in die zin dat deze met ingang van 25 juni 2013 wordt verhoogd. Dit leidt ertoe dat het hof het inleidend verzoek van de vrouw in zoverre zal afwijzen.

4.16.

Ten aanzien van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] overweegt het hof als volgt. Aangezien op 1 april 2013 de nieuwe richtlijnen voor de berekening van kinderalimentatie van de Werkgroep Alimentatienormen in werking zijn getreden en in de onderhavige zaak zich een voor de bijdrage relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op 25 juni 2013, zal het hof de nieuwe richtlijnen toepassen voor de periode vanaf 25 juni 2013.

4.17.

Voor de berekening van de door de man verschuldigde bijdrage, zal het hof allereerst het eigen aandeel in de behoefte van [de dochter] opnieuw vaststellen, nu bij vaststelling van de behoefte met ingang van 1 januari 2013 het kindgebonden budget als een bijdrage in de behoefte van [de dochter] wordt beschouwd. Het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen dient daarom te worden vermeerderd met het kindgebonden budget voor zover partijen daarop ten tijde van hun huwelijk recht hadden. Vervolgens dient de behoefte van [de dochter] aan de hand van de tabel te worden bepaald. Ten slotte dient het kindgebonden budget na het uiteengaan van partijen te worden berekend en in mindering te worden gebracht op de behoefte van [de dochter]. Wat resteert is het eigen aandeel van de ouders in de kosten van [de dochter].

4.18.

De behoefte aan een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] is berekend aan de hand van de gegevens van partijen over 2004. Nu in die periode nog geen kindgebonden budget bestond, blijft de behoefte van [de dochter] € 423,- per maand. Ten behoeve van de berekening van het kindgebonden budget waarop de vrouw vanaf 25 juni 2013 aanspraak kan maken, sluit het hof aan bij het inkomen uit arbeid van de vrouw van € 1.520,- per maand. De vrouw kan bij dit inkomen aanspraak maken op een kindgebonden budget van € 104,- per maand. Het eigen aandeel in de kosten van [de dochter] bedraagt dan € 319,- per maand.

4.19.

Bij de berekening van de draagkracht van de man zal het hof het netto besteedbaar inkomen van de man tot uitgangspunt nemen. Het hof zal aan de zijde van de man uitgaan van zijn inkomen uit arbeid bij [bedrijf] van € 3.600,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag, en neveninkomsten bij een vriend van € 3.680,- netto per jaar.

De draagkracht van de man zal worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 850,-)], nu zijn netto besteedbaar inkomen hoger is dan € 1.500,- per maand. Deze benadering houdt in dat aan de zijde van de man op het besteedbaar inkomen 30% in mindering zal worden gebracht in verband met forfaitaire woonlasten, dat rekening zal worden gehouden met een bedrag van € 850,- aan overige lasten en dat zal worden uitgegaan van een draagkrachtpercentage van 70. Rekening houdend met het fiscaal voordeel kan de draagkracht van de man worden bepaald op € 1.177,- per maand.

4.20.

Bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw zal het hof uitgaan van haar inkomen uit arbeid van € 1.520,- bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.

De draagkracht van de vrouw zal worden vastgesteld aan de hand van de toepasselijke draagkrachttabel, nu haar netto besteedbaar inkomen lager is dan € 1.500,- per maand. Uitgaande van die tabel leidt het inkomen van de vrouw tot een beschikbare draagkracht van € 135,- per maand.

4.21.

De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Het percentage van de zorgkorting is afhankelijk van de frequentie van de zorg. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.5 is weergegeven heeft de man gemiddeld één dag per twee weken de zorg voor [de dochter], zodat ten aanzien van de zorgkorting een percentage geldt van 15%. Nu het eigen aandeel van de ouders in de kosten € 319,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 48,- per maand. Het bedrag van de zorgkorting wordt volledig in mindering gebracht op het aandeel van de man in de behoefte van [de dochter], omdat de onderhoudsplichtigen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [de dochter] te voorzien.

4.22.

Het hof zal geen toepassing geven aan de aanvaardbaarheidstoets, nu de man daarop geen beroep heeft gedaan.

4.23.

Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en van hetgeen hiervoor is overwogen, is een door de man met ingang van 25 juni 2013 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter] van € 225,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

4.24.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

verklaart de man in zijn verzoek om een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] met ingang van 25 juni 2013 te bepalen en in zijn verzoek voor zover het meer inhoudt dan het afwijzen van het inleidend verzoek van de vrouw, voor zover dit betrekking heeft op een verhoging van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] met ingang van 25 juni 2013, niet-ontvankelijk;

verklaart [de zoon] in zijn verzoek om een door de vrouw te betalen bijdrage in zijn kosten van studie en levensonderhoud te bepalen, niet-ontvankelijk;

vernietigt de beschikking waarvan beroep, en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt, met wijziging in zoverre van de beschikking van 9 september 2008 van de rechtbank Haarlem, dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te voldoen:

  • -

    met ingang van 13 juli 2012 tot 1 december 2012 € 300,- (DRIEHONDERD EURO) per kind per maand;

  • -

    met ingang van 1 december 2012 tot 25 juni 2013 € 317,- (DRIEHONDERD ZEVENTIEN EURO) per kind per maand;

  • -

    met ingang van 25 juni 2013 voor [de dochter] € 225,- (TWEEHONDERD VIJFENTWINTIG EURO) per maand, vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.G. Kemmers, C.E. Buitendijk en M. Perfors in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. van Boheemen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2013.