Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4203

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
04-08-2014
Zaaknummer
200.122.884/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid hoger beroep; geen doorbreking appelverbod; artikel 824 lid 2 Rv niet ten onrechte toegepast; niet ten onrechte buiten toepassingsgebied daarvan getreden; rechter die voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 822 Rv treft, is niet gebonden aan een beslissing van de kortgedingrechter; aard van beide ordemaatregelen verschillend.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 822 en 824
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 26 november 2013

Zaaknummer: 200.122.884/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/533647 / FA RK 13-69

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. N. Türkkol te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2.

De vrouw is op 4 maart 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking wijziging voorlopige voorzieningen van 6 februari 2013 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/533647 / FA RK 13-69.

1.3.

De zaak is op 10 juni 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.4.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld van mevrouw M. Koç, tolk in de Turkse taal.

1.5.

De man is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn [in] 2003 in Turkije gehuwd. Hun huwelijk is op 26 oktober 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 4 juli 2012 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [kind a] [in] 2005 en [kind b] [in] 2009 (hierna gezamenlijk: de kinderen).

2.2.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 17 augustus 2011 is, voor zover thans van belang, bepaald dat de man met ingang van die datum aan de vrouw € 500,- per kind per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen alsmede € 214,- per maand als uitkering tot haar levensonderhoud.

2.3.

Bij vonnis in kort geding van 13 november 2012 is, voor zover thans van belang, de man veroordeeld om over de maanden augustus, september, oktober en november 2012 de hypotheeklasten ter zake van de echtelijke woning aan de [adres] te voldoen en vanaf 1 december 2012 maandelijks € 1.008,- aan hypotheeklasten te blijven voldoen, totdat partijen anders overeenkomen of de (bodem)rechter anders beslist.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is, met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking voorlopige voorzieningen van 17 augustus 2011, bepaald dat de man met ingang van 1 januari 2012 aan de vrouw € 350,- per kind per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en is de door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 januari 2012 op nihil gesteld. Voorts heeft de rechtbank verstaan dat de veroordeling van de man als genoemd onder 6.1 van het vonnis van 13 november 2012 met ingang van 1 januari 2012 vervalt en bepaald dat voor zover tot op heden reeds (kinder)bijdrage dan wel hypotheekrente is betaald, dit geen aanleiding geeft tot terugvordering.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man te bepalen dat de beschikking van 17 augustus 2011 met ingang van 1 januari 2012, dan wel vanaf enig ander tijdstip, wordt gewijzigd in die zin dat hij € 350,- per kind per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en – naar de rechtbank heeft begrepen – dat hij niet meer de hypotheekrente ter zake van de (voormalig) echtelijke woning en geen partneralimentatie zal betalen.

3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de man niet‑ontvankelijk te verklaren c.q. af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 824 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) staat tegen een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 822 Rv, en tegen beschikkingen tot wijziging of intrekking daarvan geen hogere voorziening open, behoudens cassatie in het belang der wet. Volgens vaste jurisprudentie kan een dergelijk appelverbod worden doorbroken indien de rechter de desbetreffende regel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, ten onrechte dan wel met verzuim van essentiële vormen heeft toegepast of ten onrechte buiten het toepassingsgebied ervan is getreden.

Ingevolge het bepaalde in lid 2 van artikel 824 Rv kan op een verzoek van de echtgenoten of van één van hen een beschikking, als bedoeld in artikel 822 Rv, door de rechtbank die of het gerechtshof dat de beschikking heeft gegeven, worden gewijzigd of ingetrokken, indien de omstandigheden na de dagtekening der beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dat alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven.

4.2.

De vrouw betoogt allereerst dat zij, niettegenstaande het appelverbod, ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat de rechtbank artikel 822 Rv juncto artikel 824 Rv ten onrechte heeft toegepast en met haar beslissing buiten het toepassingsgebied van die artikelen is getreden. In dit verband stelt zij dat de man in zijn inleidend verzoekschrift niet heeft verzocht te bepalen dat hij niet meer gehouden is de hypotheeklasten van de (voormalig) echtelijke woning te voldoen. De man heeft geen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in kort geding van 13 november 2012. De rechtbank had uitsluitend de beschikking van 17 augustus 2011 kunnen wijzigen voor zover het de kinderalimentatie en de partneralimentatie betrof, doch niet voormeld kort geding‑vonnis, aldus de vrouw.

4.3.

Het hof stelt voorop dat bij een vonnis in kort geding als dat van 13 november 2012 een ordemaatregel wordt getroffen die ziet op de executie van een eerdere beslissing, terwijl bij een beschikking voorlopige voorzieningen een ordemaatregel wordt getroffen voor de duur van het echtscheidingsgeding. De aard van beide ordemaatregelen is derhalve wezenlijk verschillend. Hieruit vloeit voort dat de rechter die een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 822 Rv treft, niet gebonden is aan een beslissing van de kortgedingrechter.

Gelet op de inhoud van het inleidend verzoekschrift van de man alsmede de door hem in eerste aanleg in het geding gebrachte draagkrachtberekening is het hof, anders dan de vrouw, van oordeel dat de rechtbank het wijzigingsverzoek van de man aldus mocht begrijpen dat hij niet langer de hypotheeklasten van de (voormalig) echtelijke woning wenste te voldoen. Nu de rechtbank niet gebonden was aan de door de kortgedingrechter uitgesproken veroordeling van de man tot het blijven voldoen van de hypotheeklasten van de (voormalig) echtelijke woning, ziet het hof geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank artikel 824 lid 2 Rv ten onrechte heeft toegepast dan wel buiten het toepassingsgebied daarvan is getreden.

Voor zover de vrouw in dit verband heeft betoogd dat de rechtbank van een onjuist inkomen aan de zijde van de man is uitgegaan en daarom geen sprake was van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 824 lid 2 Rv, overweegt het hof dat deze grief betrekking heeft op de inhoud van de bestreden beschikking. Reeds om die reden kan die grief niet tot doorbreking van het appelverbod leiden. Hetzelfde geldt voor de grief van de vrouw, stellende dat de rechtbank ten onrechte terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 heeft verleend aan de wijziging van de beschikking van 17 augustus 2012.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de vrouw niet‑ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep. Aan hetgeen de vrouw overigens heeft aangevoerd, waaronder het door haar gedane bewijsaanbod, wordt derhalve niet toegekomen.

4.4.

Gelet op de aard en de uitkomst van de procedure ziet het hof geen aanleiding om de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, zoals door de vrouw is verzocht. Deze kosten zullen op de gebruikelijke wijze worden gecompenseerd.

4.5.

Het hof overweegt ten overvloede dat het vonnis in kort geding van 13 november 2012 niet in de weg staat aan de mogelijkheid om een verzoek tot wijziging voorlopige voorzieningen in te dienen.

4.6.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

verklaart de vrouw niet‑ontvankelijk in haar hoger beroep;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. van Haeringen, A.N. van de Beek en W.K. van Duren in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2013.