Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4201

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
05-03-2014
Zaaknummer
200.127.698/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:1404, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag.

Het hof is van oordeel dat de moeder ongeschikt en onmachtig is om als ouder haar plicht tot verzorging en opvoeding van het kind te vervullen. Voorts acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat geen perspectief bestaat op thuisplaatsing van het kind. Het belang van de moeder om niet te worden ontheven van het gezag over het kind dient minder zwaar te wegen dan het belang van het kind bij duidelijkheid omtrent haar opvoedingssituatie. Aan de vereisten voor ontheffing van het gezag als bedoeld in artikel 1:268 lid 2, aanhef en onder a BW, gelezen in samenhang met artikel 1:266 BW, is voldaan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266
Burgerlijk Wetboek Boek 1 268
Verdrag inzake de rechten van het kind 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 5 november 2013

Zaaknummer: 200.127.698/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: 141623 / FA RK 12-868

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. F.R. Menso te Alkmaar,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Rotterdam‑Dordrecht, locatie Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en de Raad genoemd.

1.2.

De moeder is op 27 mei 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 27 februari 2013 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk 141623 / FA RK 12-868.

1.3.

Stichting Bureau Jeugdzorg, Stadsregio Rotterdam (hierna: BJZ) heeft op 15 juli 2013 een schriftelijke reactie ingediend.

1.4.

De zaak is op 12 september 2013 ter terechtzitting behandeld.

1.5.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de heer O. Ente, vertegenwoordiger van de Raad;

- mevrouw Y. Putter en de heer W. Tromp namens BJZ;

- mevrouw [y] (hierna: de voormalige pleegmoeder);

- mevrouw R. Tichelaar namens Flexis Jeugdplein, zijnde de pleegzorgwerker;

- mr. S.R. Kwee, advocaat te Rotterdam, namens de hierna te noemen [de minderjarige].

1.6.

Voorafgaand aan de zitting is [de minderjarige], bijgestaan door mr. S.R. Kwee, afzonderlijk door de voorzitter in het bijzijn van de Raad gehoord.

1.7.

De heer [x] (hierna: de vader) is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen. Evenmin is, hoewel behoorlijk opgeroepen, een vertegenwoordiger van Horizon ter terechtzitting verschenen.

2 De feiten

2.1.

Uit de relatie van de moeder en de vader is geboren [de minderjarige] [in] 1998. De vader heeft [de minderjarige] erkend. De moeder heeft voorts twee kinderen uit een andere relatie. [de minderjarige] verblijft in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

2.2.

[de minderjarige] is sinds 19 oktober 1999 onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling nadien telkens is verlengd, laatstelijk tot 7 oktober 2013. In het kader van de ondertoezichtstelling is [de minderjarige] destijds uit huis geplaatst, welke machtiging uithuisplaatsing nadien telkens is verlengd, laatstelijk tot 7 oktober 2013.

[de minderjarige] heeft sinds haar uithuisplaatsing in verscheidene pleeggezinnen verbleven, onder meer bij de voormalige pleegmoeder, alsmede in een observatie- en behandelgroep van het RMPI en in een gezinshuis van Stek Jeugdhulp. In juni 2007 is [de minderjarige] weer bij de voormalige pleegmoeder geplaatst, bij wie zij tot 15 maart 2013 heeft gewoond. Vanaf 15 maart 2013 verbleef [de minderjarige] in een observatie- en behandelgroep van De Hoop. Omdat de situatie daar escaleerde, is zij op 26 juni 2013 in een crisisopvang van Emirgis ondergebracht.

Bij beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam van 2 juli 2013 is met ingang van die datum een voorlopige machtiging verleend tot het doen opnemen en het doen verblijven van [de minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van vier weken. Aanvankelijk verbleef [de minderjarige] bij De Vaart. Op 14 augustus 2013 is [de minderjarige] overgeplaatst naar een observatie- en behandelgroep van Zikos voor een duur van maximaal drie maanden.

2.3.

De Raad heeft op verzoek van BJZ onderzoek verricht naar de noodzaak van een verderstrekkende maatregel en heeft hieromtrent op 25 oktober 2012 rapport uitgebracht.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is op het verzoek van de Raad de moeder ontheven van het

gezag over [de minderjarige], met benoeming van BJZ tot voogd.

3.2.

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidend verzoek van de Raad alsnog af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten.

3.3.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:266 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven op de grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

In het geval een ouder zich verzet tegen ontheffing van het gezag over een of meer van zijn kinderen, kan op grond van artikel 1:268 lid 2, aanhef en onder a BW ontheffing worden uitgesproken, indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel door de ongeschiktheid of de onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

4.2.

De moeder betoogt dat zij ten onrechte is ontheven van het gezag over [de minderjarige]. Zij voert in dit verband aan dat het uitgangspunt dient te zijn dat [de minderjarige] weer bij haar thuis komt te wonen, hetgeen ook de wens van [de minderjarige] is. Volgens de moeder is niet gebleken dat de spanningen die de jaarlijkse verlengingen van de uithuisplaatsing met zich brengen, de ontwikkeling van [de minderjarige] nadelig beïnvloeden. Er is nog steeds sprake van een band tussen haar en [de minderjarige], zodat het voorkomen van onrust onvoldoende grond biedt voor ontheffing van het gezag. Zij betwist dat het belang van [de minderjarige] bij eerbiediging van een ongestoorde voortzetting van haar nieuwe gezinsleven bij de voormalige pleegmoeder zwaarder dient te wegen, temeer nu van een ongestoorde voortzetting geen sprake is.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd.

4.3.

Aan het hof ligt ter beoordeling voor of de rechtbank de moeder terecht en op goede gronden van het gezag over [de minderjarige] heeft ontheven.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [de minderjarige] al in haar eerste levensjaar uit huis is geplaatst. Hiermee staat vast dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing inmiddels langer hebben geduurd dan de termijnen genoemd in artikel 1:268 BW. Voorts is gebleken dat de veiligheid van [de minderjarige] destijds onvoldoende gewaarborgd is geweest. Volgens het raadsrapport was sprake van langdurig alcoholmisbruik bij de moeder en er waren veel ruzies tussen de ouders waarbij de politie betrokken is geweest. Het hof acht met de Raad aannemelijk dat [de minderjarige] ernstig beschadigd is in haar jeugd. [de minderjarige] is gediagnosticeerd met een reactieve hechtingsstoornis en vertoont forse gedragsproblematiek. Haar sociaal‑emotionele ontwikkeling is niet leeftijdsadequaat, zij heeft moeite met het herkennen van emoties bij zichzelf en anderen en zij heeft veel last van boze buien. [de minderjarige] is een geparentificeerd kind dat zich zeer verantwoordelijk voelt voor haar ouders en zich veel zorgen om hen maakt, en dat bovendien in een loyaliteitsconflict verkeert.

Het hof constateert dat er onveranderd grote zorgen over [de minderjarige] zijn. Het hof stelt vast dat [de minderjarige] veel aandacht, structuur en begrenzing nodig heeft en behoefte heeft aan een opvoedingsomgeving waarin zij kind kan zijn. Voorts is gebleken dat [de minderjarige] zeer specialistische hulpverlening behoeft. Blijkens de hiervoor onder 1.3 vermelde schriftelijke reactie van BJZ en het verhandelde ter zitting kon [de minderjarige] vanwege haar boze buien en explosieve gedrag na haar behandeling bij De Hoop niet terug naar de voormalige pleegmoeder. Ook bij De Vaart ging het vervolgens niet goed met [de minderjarige]. Tijdens haar kinderverhoor heeft [de minderjarige] verklaard dat zij thans bij Zikos één-op-één-begeleiding krijgt en dat zij sindsdien minder last heeft van boze buien.

Hoewel het hof begrip heeft voor de wens van zowel de moeder als [de minderjarige] dat [de minderjarige] weer bij de moeder thuis gaat wonen, acht het hof, gelet op het vorenstaande alsmede gezien de ernst van de problematiek van [de minderjarige] en haar daaruit voortvloeiende specifieke opvoedingsbehoefte, voldoende aannemelijk geworden dat de moeder niet in staat is om [de minderjarige] die specifieke zorg en opvoeding te bieden die zij nodig heeft en aldus de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen. Dat de moeder thans beschikt over ruimere huisvesting en ten behoeve van één van haar zoons reeds (vrijwillige) intensieve begeleiding in de thuissituatie ontvangt, maakt het voorgaande niet anders.

Het hof is dan ook met de Raad van oordeel dat de moeder ongeschikt en onmachtig is om als ouder haar plicht tot verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te vervullen. Voorts acht het hof gelet op het vorenstaande voldoende aannemelijk geworden dat geen perspectief bestaat op thuisplaatsing van [de minderjarige]. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de gezinsvoogd ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat het toekomstperspectief van [de minderjarige] nog steeds bij de voormalige pleegmoeder ligt en dat het de bedoeling is dat [de minderjarige] naar haar terugkeert. De voormalige pleegmoeder is – naar ter zitting is gebleken – bereid om de dagelijkse verzorging en opvoeding van [de minderjarige] weer op zich te nemen. Blijkens het raadsrapport is [de minderjarige] gehecht aan de voormalige pleegmoeder, bij wie zij – verspreid over meerdere periodes – in totaal ongeveer tien jaar heeft gewoond.

4.4.

Aan het belang van [de minderjarige] bij duidelijkheid over haar opvoedings- en ontwikkelingsperspectief, dient in een situatie als de onderhavige, waarin een minderjarige al vanaf jeugdige leeftijd uit huis is geplaatst en thuisplaatsing niet meer aan de orde is, zwaarwegende betekenis te worden toegekend. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de moeder zich blijft verzetten tegen de uithuisplaatsing van [de minderjarige] en dat zij zich tevens ambivalent heeft opgesteld ten aanzien van het verblijf van [de minderjarige] bij de voormalige pleegmoeder. In aanmerking genomen de specifieke problematiek van [de minderjarige] en mede gelet op hetgeen tijdens het kinderverhoor is gebleken, acht het hof aannemelijk dat [de minderjarige] de huidige situatie, waarin zij jaarlijks geconfronteerd wordt met een verlenging van haar ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, als zeer onrustig en spanningsvol ervaart. Anders dan de moeder is het hof van oordeel dat bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing de onzekerheid over het toekomstperspectief verder zal toenemen, hetgeen niet in het belang van [de minderjarige] is. [de minderjarige] dient duidelijkheid te krijgen over het feit dat haar toekomstperspectief niet bij haar moeder ligt, hoe zeer zij dat zelf ook wenst. Onder de gegeven omstandigheden dient het belang van de moeder om niet te worden ontheven van het gezag over [de minderjarige] minder zwaar te wegen dan het belang van [de minderjarige] bij duidelijkheid omtrent haar opvoedingssituatie.

Het hof acht de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing derhalve onvoldoende om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden. Voor zover de moeder betoogt dat de ontheffing van het gezag een ongerechtvaardigde inbreuk vormt op het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), alsmede op het recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), treft dit betoog, gelet op het vorenstaande, geen doel. Het hof acht die inperking gerechtvaardigd teneinde een verdere bedreiging van de ontwikkeling van [de minderjarige] af te wenden. Het vorenstaande brengt mee dat het belang van [de minderjarige] zich niet tegen ontheffing van het gezag verzet.

4.5.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat is voldaan aan de vereisten voor ontheffing van het gezag als bedoeld in artikel 1:268 lid 2, aanhef en onder a BW, gelezen in samenhang met artikel 1:266 BW.

4.6.

Het hof overweegt ten overvloede dat een ontheffing van het gezag niet betekent dat de moeder geen ouder meer zal zijn. De band die de moeder en [de minderjarige] ervaren zal door een ontheffing van het gezag niet worden aangetast.

4.7.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A. van Haeringen, M.F.G.H. Beckers en A.A. van Berge in tegenwoordigheid van mr. J.H.M. Kessels als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2013.