Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4178

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
200.111.264-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Contact- en publicatieverbod, alsmede schadevorderingen. Beoordeling materieelrechtelijk deel van het geschil naar Amerikaans recht. Behandeling in kort geding mogelijk. Geldigheid van Amerikaanse restraining orders niet van belang. Geen threatening of bedrog, wel defamation en identiteitsdiefstal. Niet door Amerikaanse grondwet beschermd Harassment. Art. 7 lid 3 van de (Nederlandse) Grondwet. Materiële schade, immateriële schade en “punitieve” schade. Bekrachtiging behoudens omvang materiële schadevergoeding en afwijzing van eisvermeerderingen in incidenteel appel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer: : 200.111.264/01 KG

zaaknummer rechtbank (Amsterdam): 513810 KG ZA 12-417

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 november 2013

inzake

[appellante] ,

wonend te [woonplaats],

appellante in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

advocaat: mr. P.C. Schouten, te Breda,

t e g e n

1 [geïntimeerde sub 1],

2. [geïntimeerde sub 2],

beiden wonend te [woonplaats] ([land]),

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

advocaat: mr. C. Wildeman, te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante], [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] genoemd. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] worden tezamen als [geïntimeerden] aangeduid.

Het hof heeft in deze zaak op 12 maart 2013 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot die datum verwijst het hof naar dat arrest.

Vervolgens heeft [appellante] een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen en daarbij producties in het geding gebracht.

Partijen hebben de zaak ter terechtzitting van 18 september 2013 aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities doen bepleiten, [appellante] door haar hiervoor genoemde advocaat, [geïntimeerden] door mr. E.W. Jurjens, advocaat te Amsterdam. [appellante] heeft toen nog een akte met producties genomen.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft in het principaal appel geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding, te weten, dat het hof bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest het bestreden vonnis zal vernietigen en de gevorderde voorzieningen alsnog zal weigeren, met verwijzing van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties, te begroten op de voet van artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

[geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot, kort gezegd, verwerping van het principaal appel en - in incidenteel appel - tot toewijzing van hun gewijzigde vorderingen, als vermeld op bladzijde 31 en volgende van hun memorie van antwoord/grieven (en bij de beoordeling nader te vermelden en te bespreken), een en ander met veroordeling van [appellante] in de kosten van - begrijpt het hof - het principaal appel en het incidenteel appel, alles bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest.

[appellante] heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel appel, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten daarvan, uitvoerbaar bij voorraad.

2 Feiten

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( a) [geïntimeerde sub 1] is werkzaam in de filmindustrie in Californië (Verenigde Staten van Amerika). In oktober 2010 heeft [appellante] enkele weken in zijn gastenverblijf verbleven. [geïntimeerde sub 2], eveneens werkzaam in de filmindustrie in Californië, is met ingang van januari 2011 met [geïntimeerde sub 1] gaan samenwerken.

( b) Vanaf de zomer van 2011 tot (in ieder geval) 15 juni 2012, de datum van het bestreden vonnis, heeft [appellante] via verschillende sites, zoals Livejournal, Twitter Youtube, Wordpress en Toscagate.posterous.com, vele berichten (soms in de vorm van een filmpje) over [geïntimeerden] en/of over hun bedrijven en werkzaamheden op het internet geplaatst. Ook heeft [appellante] [geïntimeerden] gemaild en facebookberichten gestuurd. Zij heeft daarbij gebruik gemaakt van verschillende aliassen en IP-adressen. Ook heeft [appellante] over [geïntimeerden] berichten gestuurd aan (zaken)relaties van hen. Zij heeft bij verschillende berichten ook foto’s van [geïntimeerden] geplaatst. Daarnaast heeft zij op naam van [geïntimeerde sub 2] tweets geplaatst. [geïntimeerden] hebben een groot aantal producties (waaronder dvd’s), die de berichten weergeven, in het geding gebracht. De strekking van de uitlatingen is, kort gezegd:

- dat [geïntimeerde sub 1] [appellante] heeft bedrogen met [geïntimeerde sub 2],

- dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] psychopaten zijn,

- dat [geïntimeerde sub 2] een oplichter (fraud) en leugenaar (liar) is: zij zou onder meer niet haar echte naam gebruiken, liegen over haar leeftijd en liegen over haar functie bij verschillende organisaties.

Verder heeft [appellante] een aantal berichten op internet geplaatst die door [geïntimeerden] als bedreigend zijn ervaren.

( c) Bij e-mails van 28 juli 2011 hebben [geïntimeerden] [appellante] laten weten geen contact met haar te willen en haar gevraagd de negatieve berichtgeving over hen te stoppen. In reactie daarop heeft [appellante] [geïntimeerde sub 1] op 29 juli 2011 geschreven akkoord te gaan met zijn verzoek geen contact meer met hem en [geïntimeerde sub 2] op te nemen.

( d) Omdat [appellante] niet is gestopt met de negatieve berichtgeving over hen - ook niet na daartoe door hun advocaat te zijn aangeschreven -, hebben [geïntimeerden] [appellante] op 30 november 2011 gedagvaard voor het Superior Court te Los Angeles om op 9 december 2011 gehoord te worden over door hen verzochte verboden (restraining orders). [appellante] is niet op de zitting verschenen. Genoemd Superior Court heeft op 12 december 2011 (tot die datum golden vanaf 14 september 2011 temporary restraining orders) bepaald dat het [appellante] tot 10 december 2014 verboden is contact op te nemen met [geïntimeerden], zich over hen uit te laten op internet, zich als ware zij hen uit te laten en inbreuk op hun auteursrechten te maken. Verder heeft het Superior Court bepaald dat [appellante] al haar berichten en die van haar aliassen over [geïntimeerden] van internet dient te verwijderen. Op 27 december 2011 zijn deze verboden en dit gebod (verder tezamen: de restraining orders) aan [appellante] betekend. Ook daarna is [appellante] doorgegaan met het berichten over [geïntimeerden].

3.2.

Op vordering van [geïntimeerden] heeft de voorzieningenrechter bij het bestreden vonnis [appellante] voor de duur van twee jaar na betekening van dat vonnis verboden om, zakelijk en samengevat weergegeven, i) zelf of via anderen contact op te nemen met [geïntimeerden], familie, vrienden, zakenpartners en bedrijven van [geïntimeerden] en met bedrijven waar [geïntimeerden] werkzaam zijn, ii) onder welke naam en op welke wijze dan ook berichten op het internet te plaatsen over [geïntimeerden], familie, vrienden, zakenpart-ners en bedrijven van [geïntimeerden] en bedrijven waar [geïntimeerden] werkzaam zijn, alsmede over producten of projecten van [geïntimeerden] en hun bedrijven of hun opdrachtgevers, iii) gebruik te maken van de identiteit van [geïntimeerden] dan wel zich als hen uit te geven of voor te doen. Verder heeft de voorzieningenrechter [appellante] bij dat vonnis geboden om binnen zeven dagen na betekening, zakelijk en samengevat weergegeven, alle berichten van het internet te verwijderen die te zien zijn op de drie (in eerste aanleg) in het geding gebrachte dvd’s en, voor zover het niet in haar macht ligt die berichten te verwijderen, de desbetreffende providers aan te schrijven (met kopie aan de advocaat van [geïntimeerden]) met het verzoek tot die verwijdering over te gaan. De voorzieningen-rechter heeft [geïntimeerden] gemachtigd om, indien [appellante] aan voormeld gebod niet zou voldoen, het vonnis in de plaats te stellen van haar wilsverklaring en heeft [appellante] veroordeeld tot de betaling aan [geïntimeerden] van een dwangsom van € 500,= voor iedere overtreding van het zojuist vermelde verbod en gebod, zulks tot een maximum van € 25.000,=. Voorts heeft de voorzieningenrechter [appellante] veroordeeld om aan zowel [geïntimeerde sub 1] als [geïntimeerde sub 2] te betalen € 26.764,87 als voorschot wegens materiële schade, € 2.500,= als voorschot wegens immateriële schade en € 5.000,= als voorschot wegens “punitieve schade”. Ten slotte heeft de voorzieningen-rechter [appellante] in de proceskosten van [geïntimeerden] verwezen, het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het vonnis is nog dezelfde dag, derhalve op 15 juni 2012, aan [appellante] betekend.

3.3.

Alvorens de grieven te bespreken, merkt het hof op dat geen van partijen een grief heeft gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter, neergelegd in overweging 4.2 van het bestreden vonnis, dat op het materieelrechtelijke deel van het geschil Amerikaans recht van toepassing is en op het formeelrechtelijke deel Nederlands recht. Om die reden zal ook het hof daarvan uitgaan. Het hof voegt hier nog aan toe dat onder “Amerikaans recht”, waar nodig, het recht van de (Amerikaanse) staat Californië moet worden verstaan.

3.4.

Grief 1 in principaal appel houdt in dat de door [geïntimeerden] ingestelde vorderingen zich niet lenen voor behandeling in kort geding. De grief faalt, omdat niets van wat [appellante] ter toelichting daarop aanvoert tot deze conclusie leidt. Allereerst behoeven de onder 3.1 (d) genoemde restraining orders niet door de Nederlandse rechter te worden erkend om de vorderingen van [geïntimeerden] in dit kort geding toewijsbaar te doen zijn. De Nederlandse rechter dient immers zelfstandig, op basis van de door hem aannemelijk geachte feiten en omstandigheden, op de door [geïntimeerden] ingestelde vorderingen te beslissen. De omstandigheid dat naar buitenlands recht, in dit geval Amerikaans recht, moet worden beoordeeld of de litigieuze berichten onrechtmatig zijn doet daaraan niet af. Deze omstandigheid leidt er - anders dan [appellante] betoogt - evenmin toe dat het door [geïntimeerden] gevraagde gebod uitsluitend toewijsbaar is, indien “met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid vaststaat” dat de berichten waarvan de verwijdering wordt verzocht naar Amerikaans recht onrechtmatig zijn. Waar het om gaat is slechts of het hier een spoedeisende zaak betreft waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad is vereist (art. 254 Rv). Dat de vorderingen naar Amerikaans recht moeten worden beoordeeld is geen reden aan te nemen dat voor de toewijzing ervan een terughoudender criterium moet worden gehanteerd dan wanneer die beoordeling naar Nederlands recht zou moeten plaatsvinden. Ten slotte is - anders dan [appellante] kennelijk beoogt te stellen - een uitspraak waarbij een of meer van de geldvorderingen van [geïntimeerden] worden toegewezen niet constitutief of declaratoir van aard. Al hetgeen [appellante] in dit verband in haar toelichting (onder c) verder aanvoert moge relevant zijn in het kader van de vraag of deze geldvorderingen toewijsbaar zijn, het kan niet leiden tot het oordeel dat die vorderingen zich niet voor behandeling in kort geding lenen. Het voorgaande geldt - het hof merkt dit op naar aanleiding van het door [appellante] in de toelichting op haar tiende grief onder a gestelde - ook ten aanzien van de vordering tot de vergoeding van punitieve schade.

3.5.

Bij een bespreking van grief 2 in principaal appel heeft [appellante] geen belang, omdat naar het oordeel van het hof voor de beoordeling van de zaak niet van belang is of de restraining orders terecht zijn afgegeven noch of [appellante] zich daaraan diende te houden. Eventuele gegrondheid van de grief kan dus niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leiden.

3.6.

Grief 3 in principaal appel houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft aangenomen dat [appellante] zich - naar Amerikaans recht - heeft schuldig gemaakt aan bedreiging van [geïntimeerden], aan “threatening”. De grief is gegrond, omdat geen van de desbetreffende door [geïntimeerden] (als onderdeel D van dvd 2 in eerste aanleg) in het geding gebrachte uitingen van [appellante], hoe onsmakelijk doorgaans ook, een voldoende reële en concrete bedreiging van [geïntimeerde sub 1] en/of [geïntimeerde sub 2] bevat en daarom niet als threatening kan worden beschouwd. Weliswaar wenst [appellante] met name [geïntimeerde sub 2] de dood en/of pijn toe en fantaseert zij daarover, zij geeft niet aan dat zij daarvoor zelf zal gaan zorgen of dat door anderen zal laten doen. Het blijft daarom in feite bij “idle talk”. De enkele omstandigheid dat [geïntimeerde sub 1] en/of [geïntimeerde sub 2] zich door deze uitingen bedreigd voelden is onvoldoende om anders te kunnen oordelen. [geïntimeerden] hebben, ten slotte, onvoldoende duidelijk gemaakt dat [appellante] in haar na het bestreden vonnis gedane uitingen, zoals vermeld onder 15.1 tot en met 15.15 van de memorie van antwoord/grieven, zich aan bedreiging van hen heeft schuldig gemaakt. Wat een en ander betekent voor de toewijsbaarheid van de gevorderde voorzieningen zal hierna, onder 3.13, aan de orde komen.

3.7.1.

Grief 4 in principaal appel strekt ten betoge dat de voorzieningenrechter (in overweging 4.5 van het bestreden vonnis) ten onrechte heeft overwogen dat [geïntimeerden] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat [appellante] zich heeft schuldig gemaakt aan smaad, laster en belediging en dat dit naar Amerikaans recht laakbaar is.

3.7.2.

Allereerst betoogt [appellante] in haar toelichting op de grief (onder b tot en met e) dat de Strategic Lawsuit Against Public Participation wetgeving (Slapp Statutes) in de staat Californië grote ruimte biedt aan de vrijheid van meningsuiting, indien daarbij een publiek belang kan worden aangenomen en/of een publieke zaak kan worden gediend en dat de vraag of iemand een eco-terrorist is of radicale veganistische opvattingen heeft van publiek belang is. Volgens [appellante] komt deze door de Slapp Statutes gegarandeerde grote ruimte haar te meer toe, nu zij heeft bericht over een “in de kringen van dierenactivisten en tegenstrevers” publiek figuur als [geïntimeerde sub 2] (die bovendien volgens haar pleitbezorger en/of supporter is van, kort gezegd, enkele discutabele organisaties), respectievelijk over de zich als filmmaker en mediafiguur als een openba-re persoonlijkheid en publieke figuur profilerende [geïntimeerde sub 1], nu deze zich laat gelden als sympathisant van de opvattingen van [geïntimeerde sub 2] en de door haar gesteunde dierenrechtenor-ganisaties en zich als boegbeeld van extreem veganisme in een advertentiecampagne laat gebruiken. Volgens [appellante] heeft zij vanwege dat publieke belang ook het recht om te beledigen, te shockeren, verwarring te zaaien of te beschimpen. In dit verband wijst zij erop dat een door haar verricht onderzoek naar [S], een van de door [geïntimeerden] opgevoerde getuigen van de door hen gestelde belaging, door een daartoe bevoegde instantie is geanalyseerd en voor strafrechtelijk onderzoek (kennelijk ten aanzien van die Smith) is overgedragen aan het Federal Bureau of Investigation (FBI). Vanwege al het voorgaande acht [appellante] onbegrijpelijk het oordeel van de voorzieningenrechter dat onaannemelijk is dat de internetberichten zijn geplaatst om het publiek te waarschuwen over de extremistische opvattingen van [geïntimeerden] en dat deze berichten veeleer ernstige beschimpingen zijn.

3.7.3.

Dit betoog heeft, wat er zij van de juistheid van de desbetreffende feitelijke stellingen van [appellante], geen succes omdat het berust op een onjuiste lezing van de gewraakte overweging van de voorzieningenrechter. Deze heeft immers eerst vastge-steld dat [appellante] [geïntimeerden] in de internetberichten voor van alles en nog wat heeft uitgemaakt met als ogenschijnlijk doel hen te kwetsen. Vervolgens heeft zij overwogen dat het haar, gelet op de wijze van berichtgeving en de inhoud van de berichtgeving, onaannemelijk voorkomt dat [appellante] de berichten op het internet heeft geplaatst om het publiek voor [geïntimeerde sub 2] te waarschuwen en dat veeleer sprake is van ernstige beschimpingen. Aldus heeft de voorzieningenrechter - naar het hof begrijpt- niet geoor-deeld dat ernstige beschimpingen als middel om een publieke zaak aan de orde te stellen ontoelaatbaar zijn; zij heeft geoordeeld dat [appellante] (niet heeft beoogd een publieke zaak aan de orde te stellen maar) louter heeft beoogd [geïntimeerden] ernstig te beschimpen en dat dergelijke beschimpingen, dus als doel in zichzelf, ontoelaatbaar zijn. Met het onder 3.7.2 weergegeven betoog heeft [appellante] er niet (voldoende duidelijk) over geklaagd dat dit oordeel onjuist is. Hierop stuit dit onderdeel van de grief af.

3.7.4.

Verder betoogt [appellante] in de toelichting op de grief (onderdelen g en h) dat de voorzieningenrechter ten onrechte spreekt over de Nederlandse begrippen “smaad” en “laster”, terwijl het Amerikaanse recht slechts het begrip “defamation” kent, dat in essentie slechts met het Nederlandse laster overeenkomt. Anders gezegd - in de bewoordingen van [appellante] - “De waarheid is een absoluut verweer tegen de beschuldiging van “defamation”.” Hoewel dit op zichzelf juist is, kan dit op grond van het volgende niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. De voorzieningen-rechter heeft in overweging 4.5 van het bestreden vonnis, voor zover hier van belang, als volgt overwogen:

“Uit de stukken blijkt dat [appellante] zich op internet veelvuldig over [geïntimeerde sub 2] uitlaat als a liar (leugenaar) en fraud (oplichter). [geïntimeerde sub 2] zou volgens de berichten liegen over persoonlijke kwesties, zoals haar leeftijd, naam en afkomst maar ook over zakelijke kwesties, zoals bedrijven waarvoor zij werkzaamheden zou verrichten terwijl dat volgens [appellante] niet het geval is. Verder wordt [geïntimeerde sub 1] in de berichten neergezet als een psychopaat en als iemand die [appellante] met [geïntimeerde sub 2] heeft bedrogen. Deze beweringen tasten de eer en goede naam van eisers ([geïntimeerden]; hof) aan. Daarbij is met name ook van belang dat [appellante] berichten met voornoemde inhoud naar zakenrelaties van eisers heeft gestuurd. [appellante] heeft op geen enkele wijze ondersteuning van haar beweringen aangeboden, maar zelfs al zouden haar beweringen juist zijn dan nog is de wijze waarop [appellante] daarover bijzonder veelvuldig bericht als onwettig aan te merken.”

Uit het feit dat de passage “[appellante] heeft op geen enkele wijze ondersteuning van haar beweringen aangeboden” onmiddellijk wordt gevolgd door “maar zelfs al zouden haar beweringen juist zijn (…)” valt op te maken dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de juistheid van de voormelde beweringen van [appellante] niet aannemelijk is geworden. Zij neemt dus (primair) aan dat de beweringen van [appellante] defamation van [geïntimeerden] opleveren. Dit is naar Amerikaans recht ontoelaatbaar en onrechtmatig. De voorzieningenrechter heeft derhalve het Amerikaan-se recht in zoverre juist toegepast. Bij deze stand van zaken kunnen de merites van haar (subsidiaire) oordeel in de passage die begint met “maar zelfs al zouden haar beweringen juist zijn” onbesproken blijven.

3.7.5.

Met de opmerking dat [geïntimeerden] in de berichten van [appellante] voor “van alles en nog wat” worden uitgemaakt ziet de voorzieningenrechter kennelijk op de door haar onmiddellijk daaraan voorafgaand vermelde kwalificaties en beweringen, zodat de door [appellante] (onder i van de toelichting op de grief) naar voren gebrachte klacht dat deze passage onduidelijk is geen doel treft. Voorts heeft [appellante] ten onrechte als oordeel van de voorzieningenrechter aangemerkt dat de door [appellante] gepubliceerde berichten “zijn gebaseerd op publieke bronnen waaruit blijkt dat [geïntimeerde sub 2] jarenlang gelogen heeft over haar werkelijke identiteit, haar achtergrond, haar arbeidsverleden, haar referenties en over niet bestaande bedrijven” (overweging 4.4 van het bestreden vonnis). De voorzieningenrechter heeft hier immers slechts een stelling van [appellante] weergegeven en [geïntimeerden] hoefden daarom niet tegen deze overweging op te komen. Gegeven het oordeel van de voorzieningenrechter dat deze beweringen niet aannemelijk zijn geworden (zie hiervoor, 3.7.4) had het juist op de weg van [appellante] gelegen aan te geven dat en waarom die en de overige door de voorzieningenrechter omschreven beweringen wel juist zijn en (dus) geen defamation van [geïntimeerden] zijn. Dit heeft zij echter (in de toelichting op de grief) niet althans onvoldoende gedaan. Het hof wil, voorts, wel aannemen dat, zoals [appellante] (onder k) stelt, onder bepaalde omstandigheden het gebruik van de term “liar” niet lasterlijk is (en dus geen defamation is), gegeven het feit dat de voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat onaannemelijk is dat de beweringen van [appellante] juist zijn, had [appellante] dienen te concretiseren waarom zij [geïntimeerde sub 2] toch voor liar mocht uitmaken. [appellante] merkt (onder l) weliswaar op dat zij “kan (…) menen” dat [geïntimeerde sub 1] haar met [geïntimeerde sub 2] heeft bedrogen op een ander vlak dan het seksuele of relationele, maar zij stelt niet (voldoende concreet) dat haar desbetreffende berichten daadwerkelijk die (andere) strekking hadden en dit is overigens ook niet aannemelijk geworden.

3.7.6.

Ten slotte merkt het hof (naar aanleiding van het onder m van de toelichting op de grief gestelde) op dat de voorzieningenrechter zich in de bestreden overweging niet heeft uitgelaten over de reden waarom [appellante] [geïntimeerden] met haar berichten wilde kwetsen en dat er geen grond bestaat aan te nemen dat de voorzieningenrechter bij de beoordeling van de vraag of de berichten van [appellante] defamation van [geïntimeerden] opleverden een ander toetsingskader heeft gehanteerd dan het rechtens juiste.

3.7.7.

De conclusie is dat grief 4 in principaal appel op geen enkel onderdeel doeltreffend is.

3.8.

Met grief 5 in principaal appel betoogt [appellante] dat de voorzieningenrechter in overweging 4.8 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellante] schuldig is aan bedrog van [geïntimeerden]. De grief is gegrond, omdat [geïntimeerden] niet aannemelijk hebben gemaakt dat [appellante] hen - naar Amerikaans recht - heeft bedrogen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [geïntimeerden] - anders de voorzienin-genrechter overweegt - in eerste aanleg bedrog niet aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd. De opmerkingen te dezen van de Californische attorney [C], vervat op pagina 33 van zijn (als productie 7 bij memorie van antwoord/ grieven overlegde) legal opinion van 29 januari 2013, waarnaar [geïntimeerden] in antwoord op deze grief slechts verwijzen, zijn onvoldoende om anders te kunnen oordelen. [geïntimeerden] hebben, ten slotte, onvoldoende duidelijk gemaakt dat [appellante] in haar na het bestreden vonnis gedane uitingen, zoals vermeld onder 15.1 tot en met 15.15 van de memorie van antwoord/grieven, zich aan bedrog van hen heeft schuldig gemaakt. Wat een en ander betekent voor de toewijsbaarheid van de gevorderde voorzieningen zal hierna, onder 3.13, aan de orde komen.

3.9.

Grief 6 in principaal appel is gericht tegen het (in overweging 4.7 van het bestreden vonnis neergelegde) oordeel van de voorzieningenrechter dat [appellante] schuldig is aan identiteitsdiefstal en dat de onder de naam van [geïntimeerde sub 2] geplaatste tweets (onderdeel van het dossier als onderdeel F van dvd 2 in eerste aanleg) niet als parodie kunnen worden aangemerkt. De grief faalt, omdat de betrokken tweets niet als parodiërend kunnen worden beschouwd maar slechts beogen [geïntimeerde sub 2] (als eco-terrorist en extreme dierenactivist) in een kwaad daglicht te stellen.

3.10.1.

Grief 7 in principaal appel houdt in dat de voorzieningenrechter (in overweging 4.8 van het bestreden vonnis) ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellante] zich heeft schuldig gemaakt aan (cyber)stalking waarvoor geen rechtvaardiging is te vinden in de vrijheid van meningsuiting.

3.10.2.

De voorzieningenrechter heeft op dit punt, voor zover thans van belang, als volgt overwogen:

“Nu gebleken is dat [appellante] vrijwel dagelijks over eisers ([geïntimeerden]; hof) heeft bericht op een wijze die bij eisers angst inboezemt en reputatieschade aanricht, kan worden gezegd dat er sprake is van een pattern of conduct. [appellante] is met deze stroom van berichtgeving doorgegaan ook nadat eisers haar hadden verzocht ermee te stoppen, en zelfs nadat de Superior Court te Los Angeles daartoe Restraining Orders had uitgevaardigd. Daarmee levert het gedrag van [appellante] naar Amerikaans recht stalking op, waarvoor geen rechtvaardiging is te vinden in de vrijheid van meningsuiting.”

3.10.3.

De omstandigheid dat het hof ten aanzien van grief 3 in principaal appel heeft geoordeeld dat [appellante] zich niet heeft schuldig gemaakt aan threatening van [geïntimeerden] doet er niet aan af dat [appellante] niet althans onvoldoende heeft bestreden dat zij bijna dagelijks over [geïntimeerden] heeft bericht op een wijze die bij hen angst inboezemde en reputatieschade aanrichtte. Evenmin heeft [appellante] bestreden dat zij met die berichtgeving is doorgegaan nadat [geïntimeerden] haar hadden verzocht daarmee op te houden en nadat de restraining orders waren uitgevaardigd. Of die restraining orders, waaromtrent de voorzieningenrechter (eveneens in overweging 4.8 van het bestreden vonnis) onweersproken heeft geoordeeld dat zij aan [appellante] zijn betekend, terecht zijn afgegeven en of [appellante] zich daaraan diende te houden is in dit kader niet van belang; feitelijk staat vast dat [appellante] de haar bekend gemaakte restraining orders heeft genegeerd. Derhalve is, zoals ook de voorzieningenrechter heeft vastgesteld, sprake van een pattern of conduct (bij [appellante]) dat als (civil) harassment (van [geïntimeerden]) kan worden gekwalificeerd en dat daarom, mede in aanmerking genomen het oordeel van het hof over de grieven 4 en 6 in principaal appel, niet wordt beschermd door het first amendment van de Amerikaanse grondwet. Niets van wat [appellante] in de toelichting op de grief verder naar voren heeft gebracht leidt tot een ander oordeel.

3.11.

Grief 8 in principaal appel houdt, kort gezegd, in dat het door de voorzieningenrechter aan [appellante] gegeven verbod om (voor de duur van twee jaar) onder welke naam en op welke wijze dan ook berichten op het internet te plaatsen over [geïntimeerden], familie, vrienden, zakenpartners, bedrijven van [geïntimeerden] en bedrijven waar [geïntimeerden] werkzaam zijn, alsmede over producten of projecten van [geïntimeerden] en hun bedrijven of hun opdrachtgevers, in strijd is met het in artikel 7 lid 3 van de (Nederlandse) Grondwet neergelegde censuurverbod. De grief faalt omdat deze bepaling, aangenomen al dat zij toepasselijk is (wat [geïntimeerden] gemotiveerd betwisten), zich vanwege de passage “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet” niet verzet tegen dit door de voorzieningenrechter uitgesproken voldoende concrete en zowel in tijd als in omvang voldoende beperkte verbod. Hierbij moet worden bedacht dat het verbod, gelet op de context waarin het is gegeven, kennelijk zo moet worden verstaan dat [appellante] slechts dan niet over familie, vrienden, zakenpartners, bedrijven van [geïntimeerden] en bedrijven waar [geïntimeerden] werkzaam zijn alsmede over producten of projecten van [geïntimeerden] en hun bedrijven of hun opdrachtgevers mag berichten, indien in dergelijke berichten een link met [geïntimeerde sub 1] en of [geïntimeerde sub 2] wordt gelegd en als onderdeel van het harassment van hen of een hunner kan worden aangemerkt.

3.12.

Grief 9 in principaal appel berust op de onjuiste gedachte dat het bestreden vonnis rechten toekent aan de in de toelichting op de grief bedoelde bedrijven. Het vonnis kent slechts rechten toe aan [geïntimeerden]. Voor zover [appellante] het tegendeel mocht hebben willen betogen, merkt het hof tevens op dat het vonnis geen rechten aan [geïntimeerden] toekent die aan die bedrijven worden ontleend, maar slechts rechten die voortvloeien uit het harassment door [appellante].

3.13.

Thans zal worden besproken of de gegrondheid van de grieven 3 en 5 in principaal appel ertoe leidt dat het bestreden vonnis geheel of gedeeltelijk moet worden vernietigd. Naar het oordeel van het hof is dit niet het geval omdat zowel het door de voorzieningenrechter gegeven verbod als het door haar gegeven gebod grond en rechtvaardiging vindt in de omstandigheid dat sprake is van, zoals ook het hof heeft geoordeeld, ontoelaatbaar en onrechtmatig harassment van [geïntimeerden] door [appellante]. Ook de berichten die op zichzelf geen defamation opleveren of gepaard gaan met identiteitsdiefstal maken deel uit van dat harassment. Er bestaat daarom geen aanleiding om berichten van [appellante] die op zichzelf (naar Amerikaans recht) niet onrechtmatig zijn van het uitgesproken verbod en gebod uit te zonderen.

3.14.

Uit al het voorgaande volgt dat grief 11 in principaal appel, die tegen de oplegging van dwangsommen is gericht en uitsluitend voortbouwt op de op het uitgesproken verbod en gebod betrekking hebbende grieven, eveneens faalt.

3.15.1.

Met grief 10 in principaal appel, voor zover nog niet besproken onder 3.4, keert [appellante] zich tegen de toewijzing door de voorzieningenrechter van de door [geïntimeerden] gevorderde schadevergoeding.

3.15.2.

[appellante] betoogt allereerst dat de voorzieningenrechter ten onrechte de vordering ter zake van punitieve schadevergoeding ter grootte van € 5.000,= heeft toegewezen, kort gezegd en naar het hof [appellante] begrijpt, omdat de Amerikaanse openbare orde zich daartegen verzet. Wat [appellante] ter onderbouwing van deze stelling feitelijk aanvoert is evenwel te mager om de door haar voorgestane conclusie te kunnen trekken. Immers, het moge zo zijn dat punitieve schadevergoeding in de Verenigde Staten alleen kan worden toegekend door een jury in een andere procedure dan een injunction suit, daarmee is niet gegeven dat de Amerikaanse openbare orde zich er (tevens) tegen verzet dat dergelijke schadevergoeding door de Nederlandse rechter in een in Nederland gevoerd kort geding wordt toegewezen. Dat dit niettemin het geval is kan het hof - bij gebreke van een door [appellante] op dit punt gegeven duidelijke toelichting - niet concluderen. De grief faalt dan ook in zoverre.

3.15.3.

In het onderhavige kort geding is, ook thans in hoger beroep, vastgesteld dat [appellante] onrechtmatig heeft gehandeld. Bij gebreke van door haar gestelde feiten of omstandigheden die (naar Amerikaans recht) tot een ander oordeel nopen betekent dit dat [appellante] aansprakelijk is voor de ten gevolge van dat onrechtmatig handelen door [geïntimeerden] geleden schade. Bij deze stand van zaken moet worden geoordeeld dat - anders dan [appellante] in de toelichting op deze grief onder d betoogt - onrechtmatigheid en aansprakelijkheid zijn vastgesteld in een civiele procedure. Dat het hier om een Nederlands kort geding gaat doet daaraan niet af.

3.15.4.

Uit het voorgaande een en ander - en bij gebreke van verdere hierop betrekking hebbende klachten van [appellante] - volgt dat de bij het bestreden vonnis uitgesproken veroordelingen van [appellante] tot vergoeding aan [geïntimeerden] van immateriële schade ten belope van € 2.500,= en van punitieve schade ten belope van € 5.000,= in stand kunnen blijven. Anderzijds hebben [geïntimeerden] - in het kader van het hierop betrekking hebbende gedeelte van grief II in incidenteel appel, waarbij zij hun vordering ter zake van immateriële schade aldus hebben vermeerderd dat zij te dier zake thans ieder € 7.500,= vorderen - onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt die ertoe nopen [appellante] tot een groter voorschot met betrekking tot de onderhavige schade te veroordelen dan de voorzieningenrechter heeft gedaan. De vermeerderde vordering te dezen zal dan ook worden afgewezen.

3.15.5.

Met betrekking tot de door de voorzieningenrechter ten gunste van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] toegewezen materiële schade ter grootte van telkens € 26.764,87 voert [appellante] aan dat de in verband daarmee door [geïntimeerden] overgelegde nota’s in strijd met Rule 26 uit Chapter IV van de Federal Rules of Procedure onvoldoende zijn gespecificeerd: er zijn aanzienlijke bedragen in rekening gebracht voor ongespecifi-ceerde werkzaamheden van anonieme Californische advocaten, waarbij een urenverantwoording ontbreekt. Volgens [geïntimeerden] echter is te dezen niet voormelde Rule maar Nederlands recht van toepassing omdat het om formeel recht gaat. Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerden], ook indien zij veronderstellenderwijs in dit standpunt worden gevolgd, noch met de door hen overgelegde stukken noch anderszins voldoende aannemelijk gemaakt dat zij ieder een schade ter grootte van voormeld bedrag hebben geleden. Bedoelde stukken, in het bijzonder de overgelegde nota’s, zijn zelfs dusdanig algemeen en onbepaald van aard dat [appellante] zich daartegen niet naar behoren kan verweren. Wel acht het hof voldoende aannemelijk dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van [appellante] ieder ten minste een materiële schade van € 5.000,= hebben geleden, reden waarom de te dezen gevorderde voorschotten terecht in zoverre zijn toegewezen. Het door [geïntimeerden] te dezen meer gevorderde zal - onder vernietiging in zoverre van het bestreden vonnis - alsnog worden afgewezen. Waar [geïntimeerden] in de toelichting op grief II in incidenteel appel hun eis met betrekking tot de onderhavige schadepost hebben vermeerderd tot telkens € 34.866,70 en geen stukken hebben overgelegd die tot een ander oordeel nopen, zal hun desbetreffende (vermeerderde) vordering eveneens worden afgewezen.

3.15.6.

De conclusie ten aanzien van de door [geïntimeerden] gevorderde schadevergoeding is dat deze jegens zowel [geïntimeerde sub 1] als [geïntimeerde sub 2] telkens toewijsbaar is tot bedragen van € 5.000,= wegens materiële schade, € 2.500,= wegens immateriële schade en € 5.000,= wegens “punitieve schade” en dat het door [geïntimeerden] meer gevorderde niet voor toewijzing vatbaar is. Grief 10 in principaal slaagt dus ten dele en faalt voor het overige, terwijl grief II in incidenteel appel op dit punt geen doel treft.

3.16.1.

Grief I in incidenteel appel houdt in dat de voorzieningenrechter de onder 3.2 weergegeven verboden ten onrechte voor de duur van slechts twee jaar heeft toegewezen, terwijl [geïntimeerden] in eerste aanleg een periode van vijf jaar hadden gevorderd. Bovendien hebben [geïntimeerden] hun eis te dezen in hoger beroep aldus gewijzigd dat zij thans een contactverbod voor de duur van tien jaar vorderen en een publicatie- en identiteitsdiefstalverbod voor onbepaalde tijd.

3.16.2.

Het hof stelt voorop dat de voorzieningenrechter bij de stand van zaken ten tijde van de uitspraak van het bestreden vonnis terecht de duur van de door haar gegeven verboden heeft beperkt tot een periode van twee jaar. Het gaat hier immers om een niet onaanzienlijke beperking van een aantal in het Amerikaans recht gewortelde fundamentele vrijheden van [appellante], terwijl bovendien van belang is dat het - naar Nederlands procesrecht - een voorlopige voorziening betreft.

3.16.3.

Het hof zal thans onderzoeken of zich na de uitspraak van het bestreden vonnis feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die rechtvaardigen dat de verboden (alsnog) voor een langere duur dan twee jaar worden opgelegd.

3.16.4.

[geïntimeerden] hebben erkend (pleitnota in hoger beroep, sub 5.2.) dat [appellante] na 15 juni 2012, de datum van de betekening van het bestreden vonnis, geen contact met [geïntimeerde sub 1] of [geïntimeerde sub 2] heeft opgenomen. Zij hebben niet gesteld - noch is aannemelijk geworden - dat [appellante] dat wel heeft gedaan met familie, vrienden, zakenpartners en bedrijven van [geïntimeerden] en/of met bedrijven waar [geïntimeerden] werkzaam zijn.

3.16.5.

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken staat vast dat [appellante] na de uitspraak van het bestreden het vonnis i) op internet een aantal reacties op dat vonnis heeft geplaatst waarin zij onder meer meldt, zakelijk, dat zij niets verkeerds heeft gedaan en dat zij van plan is om na de bij het bestreden vonnis bepaalde periode van twee jaar alles wat zij op grond van dat vonnis van internet heeft verwijderd opnieuw te publiceren, ii) aan het tijdschrift “Grazia” een interview heeft gegeven waarin zij onder meer zegt geen spijt te hebben en dat [geïntimeerden] al het leed dat hun door haar is aangedaan verdiend hebben en iii) een aantal klachten tegen [geïntimeerden] bij verschillende officiële instanties en tuchtklachten tegen hun advocaten heeft ingediend. Wat er zij van de stelling van [geïntimeerden] dat [appellante] hiermee het bestreden vonnis heeft overtreden (die vraag behoeft in dit geding geen beantwoording), [appellante] heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel gesteld (sub 9) dat zij sinds 2 juli 2012 geen enkel bericht meer op internet heeft geplaatst en (sub 11) dat voormeld interview is gepubliceerd in het nummer van augustus 2012. Weliswaar hebben [geïntimeerden] er bij pleidooi op gewezen dat [appellante] nog op 3, 5 en 6 juli 2012 reacties op internet heeft geplaatst, gesteld noch aannemelijk is geworden dat zij dat na laatstgenoemde datum ook nog heeft gedaan. De stelling van [appellante] dat het inter-view in “Grazia” in augustus 2012 is gepubliceerd hebben [geïntimeerden] niet weersproken.

3.16.6.

Op grond van wat het onder 3.16.4 en 3.16.5 heeft overwogen, gaat het hof ervan uit dat [appellante] sinds 15 juni 2012 geen contact met [geïntimeerden] (en/of de andere eerder omschreven personen en bedrijven) heeft opgenomen en sinds augustus 2012 geen uitingen meer over [geïntimeerde sub 1] en/of [geïntimeerde sub 2] heeft gedaan. Bij deze stand van zaken bestaat er geen grond de door de voorzieningenrechter uitgesproken verboden in tijd uit te breiden, mede in aanmerking genomen dat het - zoals reeds onder 3.16.2 werd overwogen - hier gaat om een niet onaanzienlijke beperking van een aantal in het Amerikaans recht gewortelde fundamentele vrijheden van [appellante] alsmede om een voorlopige voorziening. Het hof merkt, ten slotte, nog op dat het [appellante] in beginsel vrijstaat gebruik te maken van de haar door de wet of anderszins geboden mogelijkheden om tegen [geïntimeerden] en/of hun advocaten (tucht)klachten in te dienen, reden waarom in de omstandigheid dat [appellante] veel van dergelijke (tucht)klachten heeft ingediend evenmin grond kan worden gevonden de onderhavige verboden voor een langere duur op te leggen dan de voorzieningenrechter heeft gedaan.

3.16.7.

De conclusie is dat de grief faalt en dat bovendien de in hoger beroep gewijzigde vordering van [geïntimeerden] op dit punt zal worden afgewezen.

3.17.

Gegeven het onder 3.16.6 neergelegde oordeel van het hof, hebben [geïntimeerden] geen (spoedeisend) belang bij enig andere - door hen bij wege van wijziging van eis in hun toelichting op grief II in incidenteel appel gevorderde - verruiming/uitbreiding van de door de voorzieningenrechter opgelegde verboden en/of het door deze uitgesproken verbod, het verhogen van de dwangsommen en/of het door de voorzieningenrechter te dier zake bepaalde maximum van € 25.000,= en/of het toestaan van de tenuitvoerlegging bij lijfsdwang, reden waarom de desbetreffende gevorderde voorzieningen, zoals in hoger beroep gewijzigd, alle zullen worden geweigerd.

3.18.

Gezien al het voorgaande is [appellante] terecht als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de eerste aanleg verwezen.

3.19.

De conclusie is dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd, voor zover [appellante] daarbij is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] van een hoger bedrag als voorschot wegens materiële schade dan ieder € 5.000,=, dat hetgeen te dier zake meer is toegewezen alsnog zal worden afgewezen, dat het bestreden vonnis voor al het overige zal worden bekrachtigd en dat de gevorderde voorzieningen, (uitsluitend) voor zover in hoger beroep gewijzigd, alle zullen worden afgewezen. [appellante] zal als de in zoverre grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het principaal appel, terwijl [geïntimeerden] als de te dien aanzien in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het incidenteel appel zullen worden verwezen. Het hof ziet geen aanleiding [geïntimeerden] te veroordelen in de werkelijke proceskosten als bedoeld artikel 1019h Rv, zoals door [appellante] is gevorderd.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis, voor zover [appellante] daarbij ter zake van de vergoeding van materiële schade is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] van een hoger voorschot dan ieder € 5.000,= en weigert de te dezen gevorderde voorziening ten aanzien van het meerdere;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor al het overige en weigert de gevorderde voorzieningen, (uitsluitend) voor zover in hoger beroep gewijzigd;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van [geïntimeerden] gevallen en tot op heden begroot op € 666,= wegens verschotten en € 2.682,= wegens salaris van de advocaat;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het incidenteel appel, aan de zijde van [appellante] gevallen en tot op heden begroot op € 1.341,= wegens salaris van de advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, W.H.F.M. Cortenraad en D. Kingma, en is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2013 door de rolraadsheer.