Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2013:4170

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
14-07-2015
Zaaknummer
200.123.090-01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2014:3882
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorafgaand aan het in de grond slaan van stalen damwanden is een Klic-melding gedaan, waarna Liander een tekening heeft toegezonden waarop de later beschadigde gasleiding was ingetekend. Bij voldoende nauwkeurige bestudering van de tekening had - zo oordeelt het hof voorshands - de grondroerder moeten constateren dat hij de gasleiding zou beschadigen. Partijen mogen zich hierover nog uitlaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.123.090/01

zaak-/rolnummer rechtbank: 1330339/HA EXPL 12-376 (Amsterdam)

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 26 november 2013

inzake

LIANDER N.V.,

gevestigd te Arnhem,

appellante,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. F.J. van Velsen te Haarlem,

tegen:

VOORBIJ FUNDERINGSTECHNIEK B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. A. Knigge te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Liander en Voorbij genoemd.

Liander is bij dagvaarding van 11 februari 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 21 november 2012 onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen Liander als eiseres en Voorbij als gedaagde.

Partijen hebben de volgende stukken ingediend:

  • -

    conclusie van eis in hoger beroep (overeenkomstig de appeldagvaarding);

  • -

    memorie van antwoord in principaal appel, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, met producties;

  • -

    memorie van antwoord in incidenteel appel.

Partijen hebben hun zaak ter zitting van het hof van 6 september 2013 doen bepleiten, Liander door mr. Van Velsen voornoemd en Voorbij door mr. A.M. Klunne, advocaat te Rotterdam, ieder aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Van de zijde van Liander is bij die gelegenheid nog een productie in het geding gebracht.

Vervolgens is arrest gevraagd.

Liander heeft geconcludeerd dat het hof – uitvoerbaar bij voorraad - het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en alsnog haar vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

Voorbij heeft geconcludeerd dat het hof – uitvoerbaar bij voorraad - het vonnis waarvan zal vernietigen en Liander alsnog niet ontvankelijk zal verklaren in haar vordering dan wel, naar het hof begrijpt, indien het incidenteel appel wordt verworpen, het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, alles met beslissing over de proceskosten met rente en nakosten.

Liander heeft vervolgens geconcludeerd tot verwerping van het incidenteel appel, met beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1.1 tot en met 1.8 de feiten vastgesteld die hij bij de beoordeling van het geschil van partijen tot uitgangspunt heeft genomen. Met haar eerste grief maakt Liander bezwaar tegen hetgeen onder 1.3 is vastgesteld. Het hof zal met het in deze grief gestelde rekening houden en daarop zonodig terugkomen. Voor het overige zijn de feiten niet in geschil en dienen zij derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1.(i) Liander is beheerder van elektriciteits- en gasnetten.

(ii) Voorbij heeft in opdracht van de Combinatie Westpoort B.V. (verder de Combinatie) opdracht gekregen om in het kader van de aanleg van een snelweg stalen damwanden in de grond te slaan op een locatie in het netwerkgebied van Liander. De damwanden zouden een zogenaamde werkkuip vormen met het oog op de bouw door de Combinatie van een betonnen draagzuil.

(iii) Daartoe diende een gasleiding verlegd te worden; de verleggingswerkzaamheden zijn op 24 juni 2010 gereed gemeld.

(iv) Op 30 maart 2011 is bij het intrillen van de damwanden de verlegde gasleiding geraakt en beschadigd.

3.2.

Liander vordert in dit in dit geding dat Voorbij wordt veroordeeld om de schade aan de gasleiding te vergoeden welke schade zij stelt op € 13.009,06. De kantonrechter heeft de vordering van Liander afgewezen. Tegen deze de beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Liander met vijf grieven op.

In het incidenteel appel stelt Voorbij haar door de kantonrechter verworpen verweer aan de orde dat Liander niet als vorderingsgerechtigd kan worden beschouwd.

Het hof zal de incidentele grief als eerste bespreken.

3.3.

Bedoeld verweer houdt in dat Liander niet gerechtigd is om de onderhavige rechtsvordering in te stellen omdat zij de vordering aan Geko Invordering heeft overgedragen dan wel zij Geko Invordering een opdracht heeft gegeven die meebrengt dat Geko Invordering in eigen naam en met uitsluiting van de Liander het aan Liander toekomende (vorderings)recht zal uitoefenen.

Dit verweer is terecht verworpen. De mededeling van Geko Invordering waarop Voorbij zich ter staving van haar standpunt beroept was gehecht aan een op naam van Liander uitgebrachte dagvaarding. Dat de mededeling de strekking had Liander op de hoogte te stellen van een cessie dan wel dat Liander aan Geko Invordering een privatieve last heeft verleend moet in het licht daarvan reeds uitgesloten worden geacht. Daar komt bij dat in de mededeling wordt gesproken over de overdracht van een dossier en het afwikkelen van de zaak “krachtens volledige volmacht” hetgeen er evenmin op wijst dat sprake is van rechtshandelingen als door Voorbij bepleit. Aangenomen moet worden dat de mededeling: “bevrijdend betalen kan nog slecht aan ons” de strekking had aan Voorbij een betaaladres voor te schrijven, ook daarop kan geen vermoeden worden gebaseerd dat sprake is van een cessie of privatieve last. Doorslaggevend is dat de mededeling is meegezonden met een op naam van Liander als eiseres staande dagvaarding, waaruit geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de aan Geko Invordering gegeven volmacht betrekking had op de periode vóór het aanbrengen van de dagvaarding en dat nadien de betaling aan Liander (en niet aan Geko Invordering) diende te geschieden. Het verweer mist derhalve feitelijke grondslag en de (in het licht van de devolutieve werking van het appel onnodige) incidentele grief treft geen doel.

3.4.

De grieven in het principaal appel lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Voor zover in het principaal appel aan de orde spitst het geschil van partijen zich toe op de vraag of op Voorbij in de gegeven omstandigheden met betrekking tot de geraakte leiding een lokaliseerplicht rustte en zo ja in welke mate het ontstaan van de schade aan de schending daarvan aan Voorbij kan worden toegerekend.

3.5.

Liander voert terecht aan dat op diegene die graaf- of heiwerkzaamheden gaat verrichten een onderzoeksplicht rust en dat de grondroerder gehouden is om in redelijkheid al het mogelijke te doen om alle ter plekke van de werkzaamheden aanwezige kabels en leidingen te lokaliseren alvorens die werkzaamheden te verrichten. Deze verplichting heeft onder meer zijn weerslag gevonden in artikel 2 Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (verder WION).

3.6.

In hoeverre de hierbedoelde verplichting meebrengt dat de grondroerder door het graven van proefsleuven onderzoek moet doen naar de aanwezigheid van leidingen en tot welke diepte is (onder meer) afhankelijk van de aan hem van de zijde van de eigenaars/beheerders van de in het gebied aanwezige leidingen verstrekte informatie, verkregen na de in artikel 2 lid 3 WION voorgeschreven zogenoemde Klic-melding, welke voorafgaand aan de werkzaamheden door de grondroerder en/of (in geval van onderaanneming) door diens opdrachtgever bij de Dienst voor het kadaster en de openbare registers dient te worden verricht.

3.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat van de zijde van de Combinatie op 2 maart 2011 een Klic-melding is gedaan en dat Liander daarop heeft gereageerd met de toezending van de tekening die door Liander als productie E 16 (en uitvergroot als productie E 17) in het geding is gebracht, met daarop in geel ingetekend (onder meer) de leiding die bij het aanbrengen van de damwand is beschadigd.

Voorbij stelt zich op het standpunt dat zij op grond van deze (volgens haar naar later bleek onjuiste) Klic-tekening mocht aannemen dat de gasleiding buiten de bouwkuip zou liggen en dat er dus veilig gewerkt kon worden.

Dit betoog kan (voorshands) niet als juist worden aanvaard op grond van het volgende.

Voorbij heeft bij conclusie van antwoord gesteld dat de stalen damwanden een afmeting hadden van circa 14 bij 10 meter (zie ook conclusie van eis in hoger beroep onder 2 en 22 waar Liander deze afmetingen van de door Voorbij vervaardigde bouwkuip tot uitgangspunt neemt).

Door Voorbij wordt niet, althans niet voldoende gemotiveerd, betwist dat op de

tekening die door Liander als productie E18 in het geding is gebracht de plaatsing van

de bouwkuip ten opzichte van de aan te brengen betonnen draagzuil juist is

weergegeven. Een vergelijking van productie E 18 met de als productie E19

overgelegde (qua schaal iets kleinere) tekening wettigt echter de gevolgtrekking dat de

langste zijde van de op productie E 18 ingetekende bouwkuip niet 14 meter doch

slechts 12 meter beloopt. Op de als productie E19 overgelegde tekening staan immers

op verschillende plaatsen lengtematen aangegeven waaruit op te maken valt dat de

ingetekende bouwkuip ongeveer 12 meter breed is en dat de kortste afstand van de

bouwkuip tot de daarop ingetekende leiding 70 tot 80 cm beloopt. In dit verband wijst

het hof erop dat hoewel op productie E 19 het tracé van de leiding anders is

ingetekend (het betreft volgens Liander het zogenoemde ‘wenstracé’) en de schaal van

de twee tekeningen verschillend is, de verhouding van de bouwkuip tot de

geprojecteerde betonnen draagzuil op beide tekeningen gelijk is.

3.8.

Dat de bouwkuip zoals die was ingetekend/geprojecteerd zich slechts op korte afstand van de verlegde leiding bevond strookt overigens met de inhoud van de door Liander overgelegde verklaring van haar schadepreventiemedewerker [X] (productie E 10) waarin gesproken wordt van een door de betrokken aannemer zelf ingetekend ‘verzamelblad’ waarop te zien was dat de zijkant van de damwandkuip vrijwel gelijk viel met de gasleiding.

3.9.

In het licht van dit een en ander acht het hof voorshands de conclusie gewettigd dat Voorbij bij een voldoende nauwkeurige bestudering van de door Liander naar aanleiding van de Klic-melding van 2 maart 2011 verschafte tekening had kunnen en moeten constateren dat hoewel een bouwkuip met een maatvoering van 12 meter bij 10 meter (net) binnen het tracé van de leiding zou blijven, zij met een bouwkuip van 14 meter bij 10 meter het tracé zou overschrijden en dat zij er derhalve zonder meer rekening mee moest houden dat de leiding door de bouwkuip zou lopen en deze bij het aanbrengen van de damwanden zou worden geraakt, althans dat zij (mede gelet op in de richtlijn “Graafschade voorkomen aan kabels en leidingen” van CROW voorschreven veiligheidsmarge van 1.50 meter horizontale afstand) in ieder geval nader onderzoek naar de exacte ligging van de leiding had behoren te doen alvorens de graafwerkzaamheden aan te vangen.

3.10.

In het gegeven dat het hof tot de onder 3.9 genoemde conclusie is gekomen (mede) op grond van een (voor het eerst) tijdens het pleidooi in hoger beroep door Liander overgelegde tekening waarop Voorbij mogelijk nog niet voldoende heeft kunnen reageren, vindt het hof reden om, alvorens verder te beslissen, partijen (eerst Voorbij en daarna Liander) in de gelegenheid te stellen om zich omtrent het voorgaande bij akte uit te laten.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 14 januari 2014 voor het nemen van een akte aan de zijde van Voorbij als bedoeld onder 3.9 en 3.10;

bepaalt dat Liander in de gelegenheid zal worden gesteld om daarop bij akte te reageren;

houdt iedere verder beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.J. Visser, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en E.J. Schrage en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 26 november 2013.